HET GEWICHT VAN DE DAGEN

indiana-robert-love-.jpg

Veel soortgenoten lopen gebukt onder het gewicht van de dagen. Sommigen lijken geen last te hebben van de dagelijkse sleur van hun arbeid, ze lijken energie in overvloed te hebben.Ik heb er zelf zo gekend op het werk. Misschien zien zij niet dat er naast het werk het ‘echte’ leven is. Ik begrijp dat iemand zijn werk graag kan doen, maar ook dat het je uitput en je vaak belet je ‘echte’ leven te leven. Je ‘echte’ leven is geen hersenschim, maar is alles wat je graag doet, alles waar je naar verlangt.

Als ik aan die grote vermoeidheid denk, waar zovelen in dreigen te verzinken, schaam ik me voor mijn zelfbeklag. Hoe kan ik soms zo blind zijn voor de zorgen van anderen, hoe kan ik zo opgesloten zitten in mijn begeerte, in mijn verlangen? Misschien werd ik als kind, als jongeman te zeer verwend, misschien kreeg ik te veel aandacht en te veel liefde en is er daardoor gewenning opgetreden, waardoor ik niet meer zonder grote hoeveelheden kan. Ja, ik geloof dat mijn honger te groot is, mijn zelf-honger, daar komt het wellicht op neer.

Zal ik nog kunnen veranderen? Ik blijf me aan het onmogelijke vastklampen, als ik dat niet zou doen, zou ik niet graag meer leven, denk ik. Ik moet sterk zijn, oefenen. Echt zwak voel ik me niet, alleen ergert het mij dat ik sommige dingen niet aankan, dat mijn lichaam zo veranderd is sinds 25 mei, dat mijn geheugen niet meer even goed werkt.

Veel te vaak voel ik me eenzaam.En als ik me eenzaam voel, komt dat door de gewenning waar ik het hierboven over had. Ik ben eenzaam als ik mij schitterende dagen herinner, alleen doorgebracht, of met een vriend of een geliefde. Ik kan heel goed alleen zijn, als ik maar weet dat er ergens iemand is die misschien met tederheid aan me denkt. Als ik weet dat er ergens iemand is die om me geeft.

Ik ben ongeduldig. Ik wil nu al sterk zijn. Ik wil kunnen dansen, reizen, mijn ‘echte’ leven leiden (zelfs ik doe dat niet, ook al werk ik niet). Schrijven wil ik, lezen, luisteren, spreken, mezelf geven, mezelf verliezen, je in mijn armen houden, je de adem benemen. Zo sterk zijn dat ik me niet meer voor mijn zwakte hoef te schamen.

 

EEN ZACHTAARDIGE GOLEM

skammen_bergman

Op 28 april zat ik op het schaduwrijke terras van café Eden in Los Llanos. Ik had Het Laatste Nieuws gekocht. Of het Nieuwsblad. Beschouw dit niet als reclame. Het zijn de enige Belgische kranten die ik daar heb aangetroffen. Zelfs Le Soir was er niet. In het buitenland mis ik de kranten soms wel eens, één keer per week of zo. Hier thuis niet meer. Ik heb geen abonnementen, als er iets gebeurt hoor ik het wel. Ik lees wat er gebeurd is op de gezichten van de mensen in de metro. Of iemand vertelt mij gewoon iets. Dat volstaat. Meestal zie ik dat er weer een oorlog gaande is, of er is een ramp gebeurd, of een jongen is doodgestoken in het Centraal Station in Brussel. Maar in café Eden zat ik met die gazet, meer foto’s dan woorden. Overigens lijkt het wel of hier ook al een oorlog begonnen is, maar ik denk dat Anderlecht een match gewonnen heeft. Het zal ongetwijfeld vuurwerk zijn. Zware ontploffingen in ieder geval. Ik ben nog niet helemaal hersteld, de gewaarwordingen zijn intenser dan wanneer ik in mijn gewone doen ben. Ik zal eens door het raam gaan kijken. Het is nu toch warm. Een kou zal ik wel niet vatten. Vreemd. Ik ruik alleen de geur van buskruit. Ik hoor diepe stemmen, als van duivels, of van engelen na de val, de stem gebroken.

Maar sta me toe terug te keren naar de kern van de zaak. Een krantenbericht, een bagatel, een Belgisch drama. Zoals zovelen dacht ik dat de moord op Joe ergens verband hield met het geloof dat islam heet, ook al heb ik me meteen verzet tegen het denkbeeld dat de islam een slechtere of betere religie is dan enige andere. Toch was er die associatie, waar ik me voor schaam. Op het terras van café Eden schaamde ik mij diep. Ik had me laten meeslepen door gevoelens van alledaags racisme. Ik had er mezelf van overtuigd dat het Marokkaanse jongeren waren geweest die Joe hadden gestoken tot hij daar in het Centraal Station, een plek waar ik elke dag kom, was doodgebloed. Ook al had ik gezegd dat het om uitzonderlijke amorele delinquenten ging, ook al had ik gezegd dat wijzelf mee verantwoordelijk zijn door ons gebrek aan gastvrijheid, toch had ik niet kunnen weerstaan aan de lokroep van het alledaags racisme. Het is niet omdat ik al drie keer ben overvallen, beroofd en één keer zwaar toegetakeld door zulke jongeren dat ik de vijfde keer ook door diezelfde bevolkingsgroep zal worden overvallen, beroofd of het ziekenhuis ingeklopt. Dat is niet zeker. Messentrekkers en roofmoordenaars tref je overal aan. Vooral in de hoogste regionen, bij de masters of war. Maar dat zijspoor sla ik even niet in. Ik had het over mijn schaamte. Ik wil mijn verontschuldigingen aanbieden…. Maar aan wie? Aan de naamlozen die ik misschien, ongewild, heb gekrenkt. Aan Hotman, Hoessein en Fatia. Heb ik de beredeneerde onzin van mijn vijanden van het Vlaams Blok en van idioten als de judopatser Marie-Jeanne dan al zozeer verinnerlijkt dat ik hun gedachten uitspreek? Neen, zo ver is het nog niet gekomen. Maar ik ben wel op het slechte pad. Natuurlijk ben ik Joe niet vergeten, en de andere slachtoffers evenmin. Ik denk er elke dag aan, hier in Brussel, maar ook op een terrasje van café Eden in Los Llanos, niet genietend van een kop koffie. Dat monument ben ik ook niet vergeten. In mijn hoofd is het al opgericht. Nu moet ik er met andere mensen over gaan praten. Ik weet niet wat er inmiddels is gebeurd. Ik dacht helemaal niet aan een monument zoals dat voor de onbekende soldaat. Meer een monument van de geest. Iets wat tijd en ruimte doorboort en toekomst zoekt, iets gevleugelds en gracieus, maar ook bijna van vlees en bloed, een soort van homunculus, een soort van kleine zachtaardige golem.

Terloops wil ik Eric Corijn bedanken voor zijn lezersbrief in Humo, die mij er mee toe aangezet heeft deze bekentenis openbaar te maken.

Foto: Schaamte, Ingmar Bergman

NAKED GIRL ASLEEP / LUCIAN FREUD


freud 2

Dit is een van mijn uitverkoren kunstwerken: Naked Girl Asleep, van Lucian Freud. Lucian Freud is de kleinzoon van Sigmund Freud. Hij is wellicht ook de duurste nog levende schilder. Geen andere schilder uit de 20ste eeuw heeft zo juist, zo precies, zo onverbiddelijk het menselijk lichaam in verf vertaald. Telkens als ik dit werk bekijk schaam ik me er niet meer voor dat ik een mens ben. Maar later, als ik het doek of de reproductie ervan, de rug heb toegekeerd keert de schaamte terug.

BERLIJN EN DE VERZOENING

hegel's tombstone in berlin

Vorige zaterdag zijn we teruggekeerd uit Berlijn, een stad die ik na een derde bezoek meer koester dan ooit. Uitleggen waarom dat het geval is, is heel moeilijk. Ik moet daar nog lang over nadenken. Je kunt bijvoorbeeld moeilijk zeggen dat het een mooie stad is, zoals Parijs of Wenen. De mensen zijn er ook niet zo vriendelijk als in New Orleans of San Antonio.
Een aantal elementen zijn me wel al duidelijk: het is een levende stad, de jeugd is er nadrukkelijk aanwezig (zonder de oudere generaties te schofferen), er is een groot historisch besef, waar dat respect voor oudere mensen deel van uitmaakt. Er is veel schaamte bij de Berlijners, waar ze nu openlijk voor uitkomen. Ze bouwen monumenten om zichzelf en de bezoekers aan hun vreselijke misdaden te herinneren, ze proberen in het reine te komen met zichzelf en met hun recente verleden, ze wensen zich te verontschuldigen, ze streven naar verzoening, een term die voor Hegel al zo belangrijk was (en Ian McEwan heeft over dat hele ‘boetedoeningsproces’ de schitterende roman Atonement geschreven). Die mentaliteitsverandering houdt onder meer in dat in Berlijn ongeveer alles toegestaan is. Veel mensen flaneren er in opvallende kleren en met buitenissige kapsels door de straten. Niemand maalt er om. Ik voel me in Berlijn een grijze mus en wil er graag een metamorfose ondergaan, niet omdat ik me niet geaccepteerd voel zoals ik ben, maar om actief deel te kunnen nemen aan het grote feest. Want dat is het eigenlijk: een groot feest (zoals Ernest Hemingway de jaren ’20 in Parijs heeft beleefd, zo zal het nu zijn voor de kunstenaars en schrijvers in Berlijn, denk ik). Maar op een week verander je natuurlijk niet van gedaante. De vraag is of je überhaupt wel van gedaante kunt veranderen. Is dat niet iets dat alleen maar in mythes gebeurt? Wellicht ben ik gedoemd om tot het einde mijner dagen het bestaan van een grijze mus te leiden. Ach, wat geeft het ook, mijn dagen zijn toch geteld, zij het niet door mezelf. Ik houd er geen boekhouding van bij. Ik houd nergens een boekhouding van bij. Eerlijk gezegd kan ik niet rekenen. De rekenende en berekenende mens vind ik ook niet sympathiek. Sartre betaalde zijn belastingen niet (maar hij had natuurlijk wel genoeg geld om de geaccumuleerde bedragen en boetes uiteindelijk toch te betalen, hij had zelfs genoeg geld om de Nobelprijs te kunnen weigeren).

Maar ik had het over Berlijn. De mentaliteitsverandering houdt verder in dat niemand zich er een vreemdeling schijnt te voelen. De Turken, bijvoorbeeld, zijn echte en overtuigde Berlijners, en er zijn veel Turken in Berlijn. In tegenstelling tot in andere delen van Duitsland spreekt bijna iedereen in Berlijn Engels. Wat overigens ook wijst op de mentaliteitswijziging is de toevoeging van het woord ‘bitte’ aan aanmaningen en bevelen. De Turken zijn er al sinds de jaren ’50 en ’60. Sindsdien zijn er immigranten uit de hele wereld toegestroomd. In de punk- en new wave-jaren was de stad hip doordat David Bowie, Brian Eno en Iggy Pop er woonden en de nieuwe figuratieven (Georg Baselitz) en de Neue Wilden (Rainer Fetting) er ophef maakten. Het leven in West-Berlijn was goedkoop, de cafés waren de hele nacht open. Die tijd is nu definitief voorbij. De stad is zeker niet meer goedkoop. Italianen en Chinezen zijn in alle grote steden aanwezig. Iedereen weet dat ze goed kunnen koken. Dat is in Berlijn niet anders. Lang leve de Italianen! Voor de Chinezen zijn we nu wel wat bang, met hun vele vogels. Er zijn sinds de afbraak van de Muur natuurlijk zeer veel immigranten bij gekomen uit Oost-Europa, vooral Russen en Polen. In de boulevardpers zag ik paranoïde koppen over de Russische invasie in Duitsland, hoe zij bijvoorbeeld de mooiste Duitse stranden overspoelen, en er hun slechte manieren tentoon spreiden, stinkend naar vodka en look! Terwijl je op elk strand van de wereld onder de voet wordt gelopen door bierdrinkende of biologische groenten etende Duitsers. Ik overdrijf een beetje. Vooroordelen zijn nergens goed voor. In de wijk waar wij logeerden, de buurt van de Oranierburgerstrasse en de prachtig gerestaureerde Nieuwe synagoge, een deel van Berlijn Mitte (vroeger Oost-Berlijn), waar veel nieuwe restaurants en cafés hun deuren hebben geopend, doen heel wat Indiërs, Pakistanen en Thais kennelijk gouden zaken. Een beetje zoals in Brussel, maar dan op veel grotere schaal. Overigens kun je Brussel en Berlijn niet met elkaar vergelijken. Als ik dat zou doen, zou ik meteen moeten verhuizen. Als je je eigen stad in volstrekt negatieve termen beschrijft kun je er niet meer leven. Je kunt je natuurlijk opsluiten in je kamer. Dat is misschien nog het beste. Toch wil ik op een paar belangrijke verschilpunten wijzen: in Berlijn wordt er niet tegen de gevels gepist, de typische Brusselse urinegeur is er afwezig, men staat er ’s nachts op donkere straathoeken niet met messen te zwaaien, er zijn overal bomen die er opvallend gezond uitzien, er zijn zelfs zoveel bomen dat zelfs de meest ingenieuze bouwwerken vaak aan het oog worden onttrokken, er zijn overal groene parken, pleintjes, speelpleintjes, hoekjes. Er is een rivier en er zijn grote bossen en meren rondom de stad. Het openbaar vervoer werkt er. Ongeveer elke minuut stopt er op alle plaatsen van de stad een metro, tram of bus. Op een half uur leg je enorme afstanden af. Je zou wel gek zijn om je auto uit de garage te halen. Er is dan ook weinig luchtvervuiling. De Berlijners zijn niet opvallend vriendelijk, maar ze doen een inspanning en ze werken aan een multiculterele levenshouding. Ze spreken vaak meerdere talen. Zoals iedereen weet is Brussel ééntalig – kan het nog dommer in de ‘hoofdstad van Europa’? Maar ik besef dat ik dreig te weinig genuanceerd uit de hoek te komen. Ik kan over Brussel ook wel een aantal interessante dingen verzinnen, mocht dat nodig zijn. Wellicht zou dat beter zijn voor mijn geestelijke gezondheid dan het bejubelen van een gigantische bouwwerf? En laat ik de beschrijvingen van Berlijn best over aan de reisgidsen, en aan auteurs als Alfred Döblin, Klaus Mann of Walter Benjamin. Recentere schrijvers die over Berlijn hebben geschreven ken ik helaas niet. Er zijn natuurlijk ook de films van Fassbinder en Wim Wenders. Toch zal ik nog op mijn Berlijnse impressies terugkomen. Het moet.

Foto: Martin Pulaski, Hegel’s graf.