SPEL, FILOSOFIE EN AVONTUUR

woorden,terminologie,managers,drank,afscheid,denken,hitchcock,taalfilosofie,filosofie,sartre,zizek,camus,kindertijd,dromen,utopie,heidegger,opstand,spel,psychoanalyse,film,deconstructie,westerns,literatuur,verbeelding,tijd,maatschappij,revolte,revolutie,nieuw,communisme,sixties,lacan,duvel

Dit is een moeilijk begin. Kleed ik het in of spreek ik rechtuit en zeg ik heel hedendaags ‘what the fuck’? What the fuck! Mijn Zizek-gekte is voorbij. Via de modieuze ‘filosoof’ raakte ik bijna weer in de ban van Jacques Lacan, een ‘denker’ waar ik meer dan een decennium geleden al afscheid van had genomen. Zizeks charme was zijn liefde voor film, een liefde die ik met hem deel. In zijn ‘filosofische’ traktaten heeft hij het vaak over Hitchcock en, nog vaker misschien, over westerns als ‘3.10 To Yuma’, ‘Shane’, ‘High Noon’, stuk voor stuk meesterwerken van de klassieke film (die helaas niet iedereen kent). Zo weet hij filmliefhebbers – en dat zijn er dan toch wel weer meer dan je denkt – te verleiden, te vangen in zijn spinnenweb van ‘leugens’ en ‘mooie praatjes’ (van ‘analyse’ en ‘deconstructie’).
Ik geloof niet langer in die beminnelijke man met zijn baard. In andere tijden zouden we hem een hansworst noemen, maar nu blijven we beleefd en zeggen niets, met uitzondering van die baard. Voor de rest: rien. Alleen nog dit: als je je enkele van ‘zijn’ Lacaniaanse termen toe-eigent kun je de moeilijkste discours construeren om de ‘mooiste’ kunstwerken te deconstrueren en al dan niet te analyseren.

Eigenlijk geldt het vorige net zo goed voor Heidegger, met het verschil dat de Duitse filosoof beter schrijft en het niet de hele tijd over de popcultuur en film heeft. Heidegger keert terug naar de oorsprong of probeert dat te doen en begint van daaruit te denken. Filosofie is vaak een kwestie van een terminologie leren hanteren: de hegeliaanse, die van Kierkegaard, die van Heidegger, die van de Frankfurter Schule, etcetera, net zoals je het managerstaaltje kunt aanleren, om je ontoereikendheid, om je domheid als mens die in het leven zou moeten staan te maskeren; alleen gaat het in de filosofie over iets, met name over het al dan niet bestaan van god, metafysica, over de vraag of alles niet tot taalspelletjes kan worden herleid.

Op dit ogenblik, een moment in de voortschrijdende tijd, ben ik van mening – niets nieuws onder de zon – dat je alleen maar in jezelf én in de maatschappij kan leven. Leopold Flam, een zeer belangrijke – en door mij gewaardeerde – ‘Vlaamse’ en ‘universele’ filosoof, noemde dat de dialectiek van ‘eenzaamheid  en gemeenschap’. Ik denk, zoals in de antipsychiatrie destijds werd beweerd, herinner je Ronald Laing en David Cooper, dat je de ‘absolute’ regels van de maatschappij waarin je leeft in jezelf moet zien terug te vinden en die regels die je niet zinnen, die niet overeenstemmen met wat je zelf denkt, vervolgens moet weten uit te bannen. Zodat je zuiver of onzuiver zoveel mogelijk en zeker nog meer jezelf wordt, tot je alleen een kern overhoudt, waaruit de wereld opnieuw kan ontstaan, alsof hij er nooit eerder is geweest. Je moet die nieuwe wereld zelf maken, vanuit je kern, die tot de oudste tijden teruggaat, en niet slechts tot ‘In het begin was het woord…’.
Op de middelbare school heb ik de woorden van Kloos van buiten moeten leren, ‘ik ben een God in het diepst van mijn gedachten’, maar dat vers gaat niet ver en niet diep genoeg; we zijn allemaal goden, als we die kern binnendringen, en van daaruit alles weer opnieuw nieuw maken, goden aan de binnen- en de buitenkant. Goden voor elkaar in een nieuwe Civitas Dei, een civitas zonder god. We zijn allemaal goden als we spelen, luieren, onzin vertellen, zogenaamd oppervlakkig zijn, uitsluitend met onze huid leven, op de tast, als we rondzwerven zonder doel voor ogen. Als we terugkeren naar onze oorsprong en van daaruit vertrekken. Al dan niet met de oortjes van een iPod in de oren.

Zijn we niet gelukkig als we taalspelletjes, kinderspelletjes spelen? En houdt de tijd dan niet op zoals in sommige dromen waaruit we niet graag ontwaken omdat de tijd dan opnieuw begint?
Waarom dan geen taalspelletjes, kinderen spelen toch altijd ernstig? Daar weer naartoe keren, die ‘onschuldige’ taalspelletjes die we speelden om de taal te ontdekken, te doorgronden. De grond van de taal die we ons eigen maakten. Hoe oud waren we? Een jaar, twee jaar, maar ook later, op de lagere school, tijdens de speeltijd, en nog later, op de middelbare school, altijd gingen we door met het spel. Het spel was, is wat ons leven boeiend maakte, avontuurlijk, anders. Het spel dat we speelden had regels die voortdurend veranderden. Als ik eraan terugdenk, herinner ik me dat ik aan die taalspelletjes zoveel plezier beleefde. ’s Nachts keerden ze terug in onze dromen, en we speelden ze met onze geliefden, later met onze kinderen. Naar die bron kunnen we terugkeren en alles opnieuw maken. Een werk van de verbeelding. Daar komt het op neer denk ik. Veel geduld oefenen in de maatschappij waarin je leeft, in het dagelijks leven, en daarnaast dat andere werk, dat een andere maatschappij voorbereidt. Het lijken nog steeds de idealen van de jaren zestig, die uit het surrealisme en communisme voortvloeiden, maar ze hebben zich ‘aangepast’ aan de nieuwe tijd.

Literatuur speelt in mijn leven – in eenzaamheid, niet in gemeenschap – wellicht de belangrijkste rol, meer nog dan muziek en film. Het geschreven woord van gisteren, nu en morgen. Ik merk daarbij op dat ik alleen literair begaafde filosofen de moeite waard  vind om te lezen. Dat is geen filosofische houding, maar het zij zo. Als je niet behoorlijk kunt schrijven kun je evenmin interessante gedachten formuleren.  Nietzsche, Schopenhauer, Kierkegaard – eventueel nog Freud. Heidegger misschien. Foucault en Roland Barthes. Er zijn er nog wel wat. Wie, bijvoorbeeld, heel goed kon schrijven was Albert Camus, maar dat was niet echt een filosoof, veeleer een denkende literator. Sartre was dé filosoof in de cafés in het toenmalige Parijs, hij schreef veel af van Heidegger en Husserl, maar hij kon het in het Frans soms heel goed verwoorden – het is geweten dat de Fransen meestal alleen hun eigen taal begrijpen – en daar keken de anderen naar op, naar die schele kerel die nog lang een aanhanger van Stalin was geweest, toen al lang bekend was wat de rode dictator voor vreselijks en onmenselijks had aangericht. Het zal natuurlijk heel moeilijk zijn geweest om het ideaal van het communisme op te geven. Dat begrijp ik goed. Daarom heb ik Sartre altijd wel wat bewonderd. Het was een echte vent, ook al keek hij scheel, maar waarom zou hij niet?  De man hield van vrouwen, amfetamine en whisky. Scheel is beautiful en ik ben Jack Kerouac, just for a  day. Schatje, krijg ik nu nog een Duvel?

GESPREK OVER GEWELD

new york, public library2

“Matthias, jij bevat toch zo veel en er is geen mens die dat weet. Dat vind ik zo jammer. Waarom sluit jij je zo van iedereen af? En waarom ben je zo streng voor jezelf? Waarom laat je niet alles los? Dat begrijp ik maar niet.”
“Dat weet ik zelf ook niet. Ik denk dat ik gek word. Alles is verward. Nu bijvoorbeeld heb ik de indruk dat je een vraag stelt over mijn geweld. Het geweld in mij. Je kent de uitspraak van George Steiner dat als men niet meer tegen anderen praat de Medusa zich naar binnen keert.”
“Wat bedoel je? Je geweld… Waar heb je het toch over?”
“Ja, wel, hoe zal ik het zeggen… Wanneer mij gevraagd wordt, waarom doe je dit niet en waarom doe je dat niet, heb ik vaak de indruk dat de echte vraag is: waarom gebruik je geen geweld? Of iets dergelijks. En dan vind ik geen antwoord.”
“Is dat niet wat ver gezocht, Matthias? Ik vroeg je toch niet naar je geweld?”
“Misschien niet Laura, jij niet… Maar het probleem is… Wat ik bevat… Ja, je hebt wellicht gelijk. Vermoedelijk zit er veel in mij; verlangen, liefde, dromen. Ik zie mezelf als een microkosmos, een weerspiegeling van de hele wereld… Laura, dat kan toch alleen maar een geschonden wereld zijn, een wereld vol geweld, een wereld vol afzichtelijke monsters, zoals Goya ze heeft getekend, zo werkelijk…”
“Maar als dat waar is, als die wereld in jou echt zo lelijk is, dan zou je die nog niet moeten verzwijgen, vind ik. Zulke wereld kun je toch ook, hoe zal ik het zeggen, vrij maken, vorm geven? Of niet dan?”
“Ja, dat is nu net het grote probleem. Ik geloof dat dat niet mogelijk is door het geweld. Want er is niets wat deugt in die wereld. Alles is er vermoeid, uitgeput, verdord. Je weet wel. Hoe het water van de oceanen is opgedroogd. Lang geleden. Hoe we aan land zijn gekomen. Hoe de schaarste is ontstaan. Elke mens mist iets. Er is een groot tekort. Ja, zoals ik al zei, het is een geschonden wereld.
“Matthias, jij hebt het nu over de gewone wereld. De buitenwereld. De realiteit. Ik bedoelde iets anders. Of is er dan geen verschil tussen binnen en buiten?”
“Ik weet het niet, Laura. Geen groot verschil, geloof ik. Het geweld domineert alles. De angst. De schaarste veroorzaakt dat geweld… Ik heb dat niet zelf bedacht. Wacht even, ik zal je wat voorlezen”

‘De mens is een praktisch organisme dat met een veelvoud van soortgelijke organismen in een schaarsteveld leeft. Maar deze schaarste is een negatieve kracht die ieder mens en ieder gedeeltelijk veelvoud tegelijkertijd als menselijke en als niet-menselijke werkelijkheden bepaalt.’
‘Het schandaal is niet gelegen louter in het feit dat de ander bestaat, maar in het in ieders waarnemen van de ander als via geïnterioriseerde schaarste één-te-veel. Onder de noemer van de geïnterioriseerde schaarste is de rationaliteit van ieders praxis de rationaliteit van het geweld. Hier is geweld geen eenvoudige, naïeve woestheid van de mens, maar ieders begrijpelijke reïnteriorisering van het contingente feit van de schaarste.’
‘Laat ik het allemaal los? Zal ik het allemaal loslaten? Verwoest ik wat ik zie? De mooie wereld. De gefundeerde orde. Goesting genoeg om alles te laten ontploffen. Wie niet soms? Niet waar? Verdomde rotwereld. Alles verbranden. Want het is moeilijk de mensen niet te haten. Neen, ik doe het niet. Ik weiger. Ik zal niet haten. Ik doe het niet. Jij die in mij bent, hoewel ik toch man, ik spuw niet op je, neen, dat mag je niet denken, ik beledig je niet als ik eens een keer vloek, als ik eens een keer schreeuw, als ik eens een keer huil als een mens, als ik alleen ben, hier buiten waar het zo koud is, waar de zon dood is, zoals voor Ray Charles in zijn lied, als er nergens plezier is, als de tijd mij herleidt tot een lichaam van ziekte en pijn, als de tijd mij probeert te breken…Jij die in mij bent, o, ik weet het, jij liep ook door de donkere straten. Je hebt veel geleden. Ik ben zelf nog een leerling. Het grote leed moet nog komen. Daarom herhaal ik het: ik beledig je niet als ik dit schrijf. ’

“Laura, ik weet niet meer wanneer ik dit heb geschreven, dit laatste. Dat over de schaarste heb ik van iemand overgeschreven, van wie weet ik niet meer. Van Sartre misschien, die amfetamineverslaafde mensenhater. Dat zou wel eens kunnen. Wat betekenen al die woorden? Het gaat niet meer. Ik ben moe. Uitgeput.”
“Lieveling, je beeft. Waarom wind je je zo op? Dat is toch nergens voor nodig.”
“Neen, maar het gebeurt vanzelf. Er is niets aan te doen. Neen, niet vanzelf. Het is van het schrijven dat ik gek word. Omdat er niets is. Tenzij vuilnis. Ellende. Maar dat is hetzelfde als niets. Vuilnis wil ik niet uitstorten op de mensen die ik liefheb. De mensen voor wie ik wil schrijven.”
“Waarom zoek je dan geen andere oplossing?”
“Omdat ik weet dat ik moet schrijven. Ik ben er zeker van, er moet iets zijn. Er zijn nog mooie vrouwen, zachtmoedige mannen, kinderen. Alle vrouwen, alle kinderen. Er moet iets zijn… De tekst die ik nu schrijf voor…”
“Maar het zoeken maakt je kapot, Matthias. En ik zie geen bevrijding. Integendeel. Je beperkt je steeds meer. Dat merk ik heel goed aan deze tekst voor…”
“Ik weet niet of het zelf-beperking is. Ik geloof dat het intensiteit is. Wat ik schrijf moet goed zijn. Mijn woorden moeten branden. Wat ik schrijf moet een liefdesvuur zijn. Het is een moeilijke opdracht, maar ik ben er zeker van dat het moet.”
“Dat klinkt als een obsessie, Matthias…”
“Het is een obsessie, Laura. Een romantische obsessie. Zoeken naar iets zinvols in een wereld van geweld. Maar liefste nu kan ik niet meer. Ik ovel me niet eens meer in staat om met je te vrijen.Laten we naar bed gaan. Misschien kan ik wel slapen.”

Dit is een fragment uit de experimentele roman ‘Stasis’. Het is een geval apart. Later volgen misschien nog enkele fragmenten.

Foto: Martin Pulaski, Public Library New York, 1992.

GERAAS EN GEBRAL II

Faulkner @ Table

Jos toonde me met het enthousiasme dat hem zo eigen was zijn nieuwe aanwinsten. In mijn teruggevonden notities herinnerde ik me nog Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften (dat meesterwerk was toen nog niet in het Nederlands vertaald), Het Schrijversdagboek van Virginia Woolf, Verzamelde Gedichten van D.H. Lawrence, romans van Dostojewski, James Joyce en Thomas Hardy en een verhalenbundel van Katherine Mansfield. Maar er waren nog veel meer nieuwe boeken, hij kocht ze als een bezetene, en vond het vreselijk dat hij ze niet allemaal tegelijk kon lezen.

Om middernacht verlieten we zijn appartement omdat de voorraad bier op was. We wandelden naar een kroeg op het Mechelseplein, waar we ons gesprek over literatuur en muziek voortzetten. Maar we hadden het over zoveel andere dingen. We sprongen van de hak op de tak. Jos kocht altijd de Playboy, voor de interviews…. Die maand stond er interview in met Sartre. Zelf was ik niet zo gek op die lelijke schrijver, maar Jos vond dat ik absoluut ‘Les chemins de la liberté’ moest lezen. Waarschijnlijk beïnvloedde Sartre’s amfetaminegebruik zijn oordeel. Jos probeerde mij er van te overtuigen zelf iets te publiceren. Niet alleen maar gedichten. Ik moest een roman schrijven, zei hij. Een werk zoals ‘Les chemins de la liberté’ lag in mijn mogelijkheden. Met veel vuur moedigde hij me aan. Dat had hij al altijd gedaan, zo lang ik hem kende. Maar ik kan me niet houden aan een vooraf uitgetekend plan, wat toch wel noodzakelijk is om een goede roman te schrijven, wierp ik tegen. Ik kan alleen maar schrijven wat ik moet, bijna vanuit spontane opwellingen of onbewuste verlangens. Mijn geschrijf is waarschijnlijk neurotisch van aard. Bij mij is de wil zwak. Eigenlijk heb ik zelfs geen wil. Zo kan ik bijvoorbeeld geen verslag uitbrengen van een film die ik heb gezien – of van om het even wat – als ik dat alleen maar wil. Wel kan ik dat, geloof ik, als ik de behoefte daartoe voel, als ik ernaar verlang om me erover uit te drukken. Maar zelfs dan moet ik me inspannen, alleen al om eraan te beginnen. Dat is misschien nog het moeilijkste: eraan beginnen. En het resultaat is soms teleurstellend. Er moet dan geschrapt, gecorrigeerd, gecombineerd, herschreven worden. Werken!

Jos was de enige mens die begrip had voor al deze ‘problemen’. De roman is na al die jaren nog steeds niet geschreven, het boek niet gepubliceerd. Alleen een dun dichtbundeltje, waarin een In Memoriam aan Jos.
Het is de hoogste tijd dat ik aan dat boek begin. Ik ben het mijn vriend, mijn ander zelf, verschuldigd. Wat ik al zeker weet is dat het geen Harry Potter zal worden. Hoe vind je dan nog een uitgever? Want een Da Vinci Code wordt het evenmin. De kans is veel groter dat ik een idioot aan het woord zal laten en wat hij zal vertellen zal vol zijn van geraas en gebral.

De teruggevonden notities zijn oud, het papier is vergeeld, de inkt heeft een onbepaalde kleur gekregen. Ik ben al lang iemand anders geworden, maar toch herken ik de vriendschap nog, die daar beschreven werd door degene die ik toen was. Vorige nacht las ik in het verhaal ‘De Zahir’ van Borges het volgende: “Ik ben niet die ik toen was, maar toch ben ik nog in staat mij het gebeurde te herinneren, en misschien te vertellen. Nog ben ik, hoewel gedeeltelijk, Borges.” Nog een keer Borges…

Foto: William Faulkner, schrijver van The Sound And the Fury.

KUNST IS DIEFSTAL

sartre

Dat beeld van boeken als kleine doodskisten heb ik van Sartre gepikt, als ik me niet vergis. Ik geloof dat het in Les mots staat. Kunst is diefstal. Je moet niet altijd alle namen noemen. Mallarmé, Lautréamont, Dylan en zo. Je woorden komen altijd wel ergens vandaan. Het zijn je eigen woorden en het zijn die van anderen. De lagen komen uit je persoonlijkheid tevoorschijn, maar ook uit de geschiedenis, uit de tijd. Echo’s van Indianen, Ieren, Chinezen en Romeinen (om er maar enkele te noemen) zijn je niet vreemd. Cultuur is altijd intercultureel. Dat gezeur over interculturaliteit moet maar eens ophouden. Alsof men altijd maar zou herhalen: cultuur bestaat, cultuur bestaat. Heeft de keizer dan geen kleren aan?