MEG BAIRD EN KURT VILE IN DE AB

kurt vile

Hebben jullie ook zo genoten van het concert van Kurt Vile, gisteren in de AB? Ik wel. Ik ben er zelfs vrolijk van geworden. Een paar danspasjes in het donker. Jammer dat het publiek nog volop aan het praten was tijdens de romantische en breekbare folk van Meg Baird en Mary Lattimore. Ik dacht, ik sluit de ogen en geef me als aan een droom over aan de geluiden van Meg’s stem, van haar gitaar, van Mary’s harp. Al gauw slenter ik over een zomers strand ergens in Engeland. De negentiende eeuw is maar net begonnen. Wat verderop zitten Shelley en Keats de zonsondergang te bewonderen.
Het lawaai van de mensen beneden was nu dat van de zee geworden. De golven grijs en blauw, witte meeuwen erboven. Meg Baird’s zachte hoge stem is in de natuur, in het grote geheel opgenomen. Het harpspel van Mary Lattimore een lichte bries. Ja, ik hoor nu de muziek die moeder aarde lang geleden toen wij mensen goed voor haar waren voortbracht.
En Kurt Vile? Kurt Vile is bescheiden en lief en speelt mooi gitaar. Hij kan er wat van! Veranderen wil hij wel, Skinny Mini, zegt hij, maar hij wil ook hetzelfde blijven. Hij is een van die kunstenaars die goed zijn in herhalen. Kurt heeft een grappige stem, een beetje die van een Flintstone of een andere mannelijke stripfiguur. Zijn teksten zijn ontwapenend. Ze dreigen te ontsporen, maar dat doen ze net niet. Onmogelijk Kurt Vile niet aan je hart te drukken. Kurt komt uit een gezin van tien kinderen en heeft geen universitair diploma. Mooi gedaan, Kurt!
(Hij is helemaal geen Kurt Weil, de wereld veranderen kan hij langs geen kanten. Vergeet dat maar. Je zal je tevreden moeten stellen met zijn wilde verbeelding.)

Meg-Baird-6-23

ZERO DE CONDUITE: INTERIEUR

 

Zéro de conduite is een sfeervol, (meestal) thematisch programma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement heel specifiek voor tweeëntwintig liefst niet bekakte bakvissen, drieënzeventig zwaardviskoppen en twaalfduizend uitgeprocedeerde aartsbisschoppen – en voorts voor iedereen die het maar horen wil. Stem af op 106.7 FM: Uniek in het zich steeds verder uitdijende universum.
Je kunt Zéro via
 streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere radiomakers.

Rear-Window 2

Op deze zonnige dag in mei zitten maar weinig mensen binnen, neem ik aan. Maar zelfs bij wie op straat loopt, over veldwegen wandelt, in bossen de zo nodige zuivere lucht inademt of lui op een terrasje zit, blijven interieurs in het bewustzijn aanwezig. In onze herinneringen aan koude winterdagen, in onze gesprekken met familie of vrienden, in onze verbeelding, in de verhalen die we verzinnen en vertellen. Heel vaak dringen als we buiten zijn interieurs de ruimte van onze woorden en onze gedachten binnen. Maar als we ons binnenskamers bevinden zijn we ons vaak net niet bewust van het interieur, van de tafel, de stoelen, het bed, de kasten, de spiegels, de ramen, de deuren, de ingelijste reproducties of kunstwerken aan de wand, de boekenrekken, het bureau, de telefoon, de televisie, de radiatoren, de lampen, de radio, het bijzettafeltje, de bank, de sofa, het vloerkleed, de gordijnen, de koelkast, de honderden gebruiksvoorwerpen… Al die grote en kleine dingen die zo belangrijk zijn in onze levens en die vaak met liefde en deskundigheid voor ons allen ontworpen zijn. Allemaal zo vanzelfsprekend en tegelijk zo vreemd soms. Je zou je zelfs kunnen afvragen of wij onze interieurs wel kennen, of we ze wel zien zoals ze zijn?
Maar goed. De songs die ik de voorbije dagen heb geselecteerd roepen als zo vaak het geval is met dergelijke thema’s een bepaalde sfeer op. Ze roepen gevoelens op. Gevoelens van tevredenheid, onrust, eenzaamheid, wellust, verstikking, wanhoop, warmte, troost, ontspanning, tederheid, vriendschap, afkeer, onverschilligheid en waarschijnlijk nog tal van andere gevoelens en emoties.

Ik draag dit programma op aan mijn zoon Jesse en aan mijn vriend Max Borka, die over dit onderwerp ongeveer alles weten.

Veel luisterplezier!

eyes wide shut

I’m Gonna Knock On Your Door – Eddie Hodges – The Cadence Story – Aaron Schroeder, Sid Wayne
Step Inside – The Hollies – Butterfly – Allan Clarke, Tony Hicks, Graham Nash
Come On In – The Association – Birthday – Jo Mapes
Stop By My Window – Rick Nelson – Perspective – John Boylan
Interiors (Demo) – Randy Newman – Guilty: 30 Years Of Randy Newman – Randy Newman
Hello In There – John Prine – John Prine / First Album – John Prine
I Don’t Believe You (She Acts Like We Never Have Met) – Bob Dylan – Another Side Of Bob Dylan – Bob Dylan
At My Window – Townes Van Zandt – Townes Van Zandt – Townes Van Zandt
Window – Damien Jurado – Where Shall You Take Me? – Damien Jurado
Dust On The Window – Low – Drums And Guns – Low, Mimi Parker, Alan Sparhawk, Matt Livingston
Dusty In Here – The Go-Betweens – Before Hollywood – Forster, McLennan
Room 321 – Tindersticks – Trouble Every Day (Soundtrack of the Claire Denis film) – David Boulter
No One Is There – Nico – The Marble Index – Nico
With My Face on the Floor – Emitt Rhodes – Emitt Rhodes / First Album – Emitt Rhodes
Paint It Black – Chris Farlowe – The Art of Chris Farlowe – Jagger, Richards
Who’s Been Sleeping Here? – The Rolling Stones – Between the Buttons – Jagger, Richards
Come On In My Kitchen – Steve Miller Band – The Joker – Robert Johnson
Lazy Women – Bo Diddley – Bo Diddley & Company – Bo Diddley
On The Couch – Ry Cooder – Paris, Texas – Ry Cooder
Moving Furniture Around – The Handsome Family – Odessa – Brett Sparks
Blue Chair – Elvis Costello & The Attractions – Blood & Chocolate – Elvis Costello
The Chair – Angelo Badalamenti – Twin Peaks: Limited Event Series Soundtrack – Angelo Badalamenti
Red Chair, Fade Away – Bee Gees – Bee Gees’ 1st – Barry Gibb, Robin Gibb
I’m Only Sleeping – The Beatles – Revolver – Lennon, McCartney
Twilight Furniture – This Heat – This Heat / First Album– Charles Bullen, Gareth Williams, Charles Hayward
Fireside Favourite – Frank Tovey (Aka Fad Gadget) – The Fad Gadget Singles – Fad Gadget
Room Without A View – Judy Nylon & Crucial – Pal Judy – Judy Nylon
Get to the Table On Time – M. Ward – Transfiguration of Vincent – M. Ward
The Book Is on the Table – Pere Ubu – Datapanik in the Year Zero (1975-1977) – Pere Ubu
Fight At The Table – Chris Bell – I Am The Cosmos – Chris Bell
Sittin’ On My Sofa – The Kinks – The Kink Kontroversy – Ray Davies
Good Old Desk – Harry Nilsson – Aerial Pandemonium Ballet – Harry Nilsson
I Went To The Mirror – Todd Rundgren – Something, Anything? – Todd Rundgren

repulsion 2

Bonus tracks

Upstairs By A Chinese Lamp – Laura Nyro – Stoned Soul Picnic: The Best Of Laura Nyro – Laura Nyro
Love Songs On The Radio – Mojave 3 – Ask Me Tomorrow – Neil Halstead
Passing On The Stairs – Elysian Fields – Dreams That Breathe Your Name – Oren Bloedow, Jennifer Charles
The Bed – Lou Reed – Berlin – Lou Reed
Cigarette In Your Bed – My Bloody Valentine – EP’s 1988-1991- Kevin Shields
Bedroom Eyes – Dum Dum Girls – Only In Dreams – Dee Dee
Close the Door Lightly When You Go – Eric Andersen – ‘Bout Changes & Things, Take 2 – Eric Andersen

trouble everyday

Research, techniek en presentatie: Martin Pulaski

Foto’s: Paris, Texas, Wim Wenders; Rear Window, Alfred Hitchcock; Eyes Wide Shut, Stanley Kubrick; Repulsion, Roman Polanski; Trouble Every Day, Claire Denis.

BEGGARS BANQUET

cof

Op facebook wordt aan muziekliefhebbers door andere muziekliefhebbers al een tijdje gevraagd een selectie te maken van 10 elpees die een blijvende invloed op hun leven hebben gehad. Je vertrekt van de hoes en vertelt er, als je daar zin in hebt, een verhaal bij, maar dat hoeft niet. Soms onthullen de naam van de artiest, de titel van het album en de afbeelding van de hoes al een heel stuk van dat verhaal. Ik wil vandaag ook aan zo’n reeks beginnen, zonder dat ik weet wat het gaat worden. Een plan heb ik niet. Ik wil mezelf geen regels of beperkingen opleggen. Misschien worden het stukjes van niet veel meer dan driehonderd woorden.

godard sympathy for the devil

De eerste langspeelplaat die ik uit mijn rek haal is ‘Beggars Banquet’ van the Rolling Stones. Dat baanbrekend rockalbum verscheen in december 1968, nu bijna vijftig jaar geleden. Ik hoorde het voor het eerst in de kerstperiode in het legendarische bruine café De Kroeg in de Wolstraat in Antwerpen. Ik had in Wijnegem aan de sluis die ochtend de bus genomen voor een dagje in mijn toen favoriete stad (samen met Maastricht). Ik had het gevoel dat alle hippe mensen en alle mooie meisjes in Antwerpen rondhingen. Overal hing de geur van wierook en patchoeli en hoorde je het gerinkel van Tibetaanse belletjes; het Conscienceplein was een magische plek. Meisjes in heel korte minirokken, jongens met lange haren. Kleren even kleurig als die in San Francisco, London of Parijs. Nu het winter was zag je ook meisjes in van die prachtige Afghaanse jassen waaronder hun gelaarsde lange benen uitstaken. Met mijn hart en ledematen trillend van euforie liep ik, schipperszoon en intern in het provinciestadje Tongeren, door de betoverde straten, ging hier en daar een boetiek binnen, kocht enkele undergroundtijdschriften en boeken van Simon Vinkenoog en Hugo Raes. Tenslotte stapte ik met veel schroom De Kroeg binnen. Daar kende ik volstrekt niemand. Ik was er ook nooit eerder geweest. Ik ging aan de toog zitten, bestelde een pintje (hoewel ik bier helemaal niet lekker vond) en keek stilzwijgend voor mij uit. Hoewel mijn haren net zo lang waren als die van de meeste andere jongens en meisjes, kreeg ik al gauw het pijnlijke gevoel buiten gekeken te worden. Maar lang zat ik daar niet over te piekeren, want al bijna meteen weerklonk de nu overbekende riff van ‘Sympathy For The Devil’, het openingsnummer op ‘Beggars Banquet’. Je moet daarbij voor ogen houden dat we toen niets wisten. Er bestonden in het Nederlands nog geen noemenswaardige platenrecensies, met uitzondering van die in het Nederlandse weekblad Hitweek/Aloha. Popmuziek hoorde je alleen op de piratenzenders Radio London en Caroline en voor undergroundmuziek, genre Dr. John the Nighttripper en Tyrannosaurus Rex, moest je op het Nederlandse programma Superclean Dream Machine afstemmen. De film van Godard ‘One Plus One’ over de opname van ‘Sympathy For The Devil’ was bij ons nog niet in de bioscoop of op televisie geweest (en het zou nog lang duren eer ik hem zou kunnen zien). Wat betere popmuziek en progressieve pop en underground werd genoemd leek het terrein te zijn van een sekte van ingewijden, en dat was het ook. Een elpee was een geheim dat we deelden. Mijn vrienden en ik luisterden maandenlang naar één album en ontdekten er steeds nieuwe geluiden, betekenissen en verhalen in. Elke song riep een veelvoud van moeilijk te definiëren verlangens op. Je hoefde niet op reis te gaan om de wereld te ontdekken. Je legde een van die sublieme elpees op van the Beatles, the Rolling Stones, Pink Floyd, the Band en Traffic en je was al onderweg naar een ander universum.

michael joseph keith with orange

‘Beggars Banquet’ van the Rolling Stones, de tot dusver beste en zeker meest opwindende rock- en bluesband die we kenden, was zo’n universum. Als het album een dichter was geweest had het met recht kunnen zeggen “I am large, I contain multitudes”. En eigenlijk zei het dat ook, maar met andere woorden, met andere stemmen, met heel aardse en bijwijlen toch ook verheven muziek. Elke song op de plaat greep me naar de keel. Een wervelwind van gitaren (Keith Richards, Brian Jones), bas (Bill Wyman), drums (Charlie Watts), piano (Nicky Hopkins), mondharmonica (Brian Jones) en de vuile goddelijke stem van Mick Jagger dreigde me van mijn barkruk te blazen. Stil blijven zitten hoorde er niet meer bij. Luister nog maar een keer naar ‘Parachute Woman’. Ook nu nog doet dat helse ritme je rechtveren. Zo hadden the Rolling Stones nooit eerder geklonken. Dat was voor een deel te danken aan hun nieuwe producer, Jimmy Miller, wat ik toen waarschijnlijk niet eens wist. Wilde, angstaanjagende schoonheid spatte uit elk lied. En zo’n rijkdom aan emoties had ik nooit eerder in popmuziek gehoord. Woede, verdriet, pijn, genot, geluk, vreugde, geilheid, sarcasme, vertwijfeling, opstandigheid, onzekerheid – al die eigenschappen kwamen aan bod. Zonder het helemaal goed te beseffen hoorde ik die avond in De Kroeg een verzameling weerbarstige songs die me voor lange tijd zouden bepalen en die me nu ik vijftig jaar ouder ben nog steeds geheimen vertellen. Met die schat in mijn hoofd liep ik naar het busstation om er de bus terug naar Wijnegem te nemen. De hele rit lang hoorde ik flarden ‘Beggars Banquet’ in mijn hoofd. Maar vooral deze regels uit ‘No Expectations’: “Never in my sweet short life have I felt like this before.”
Beggars Banquet, hét album van 1968, vertelt niet alleen geheimen aan oude ingewijden maar iedereen die het maar wil kan er bekende verhalen in horen,
verhalen over onszelf en over de wereld, telkens ongeveer dezelfde verhalen maar in telkens wisselende constellaties met verschuivende metaforen en betekenissen.

Als hoes kies ik de witte, die voor mij de originele is. De échte originele, die lange tijd verboden was, heb ik nooit zo mooi gevonden. Ik heb altijd van propere toiletten gehouden, goedverlicht en hygiënisch. Wat mij betreft mag ook smerige muziek in een schone hoes verpakt zitten.

Foto’s: Martin Pulaski; Jean-Luc Godard (uit ‘One Plus One’); Michael Joseph.

STEMMEN UIT DE WOODSTOCK BAR

woodstock-002-jimi-cocker-custom.jpg

In Cadiz bestaat een echte Woodstock Bar, waar ik meer dan eens aan de toog heb gehangen of met vrienden aan een van de lage tafeltjes San Miguel en zelfs Duvel heb zitten drinken. Mooie herinneringen. Het onderstaande is geen verslag van een gesprek in een werkelijk bestaande bar maar een verzameling commentaren die gelukkig wat nuances aanbrengen in mijn strenge beoordeling van Pukkelpop en mijn misschien wat overdreven bejubeling van de film en ideologie van ‘Woodstock’.

Eerst wil ik nog even verduidelijken wat ik met popmuziek uit de sixties bedoel, waarvan ik in mijn betoog beweerde dat die nooit werd en zal worden geëvenaard. Wat genres betreft gaat het over beatmuziek, blues, Britse blues, pure pop (denk aan de producties van Phil Spector), bossa nova, soul (vooral Motown en Stax), folk rock, psychedelische pop en rock, acid rock, tropicalia, underground en progressieve rock, country rock – en alle varianten en mengvormen van die genres. Pop is trouwens vaak een mengvorm. The Beatles hebben niet alleen maar beat gespeeld, the Beach Boys niet alleen maar surf (wel integendeel), Bob Dylan niet alleen maar folk. Popmuziek uit de sixties werd gaandeweg meer en meer een bastaard; niet het kind van alle genres, maar meer dan eens van twee of meer. Vandaar dat het weinig zin heeft om duidelijk afgelijnde categorieën te hanteren. Hoewel het hokjesdenken altijd heeft bestaan – kijk maar naar hoe muziek op de jukebox werd ingedeeld – is dat  vanaf de jaren zeventig toegenomen.
Iedereen weet dat mooie liedjes niet lang duren. Ooit moet er een eind aan komen. Om precies te zijn: wanneer hielden de sixties op? Dat is echter moeilijk te zeggen. Zeker niet op 31 december 1969. Misschien toen de liedjes te lang werden om op een jukebox te kunnen worden gedraaid? In dat geval hebben Bob Dylan en the Velvet Underground de genadeslag toegediend. Of heeft het met de business te maken, met de industrialisering van wat toch in de eerste plaats een spontane kunstvorm was? Soms denk ik dat sixties pop nooit ophield. Ongetwijfgeld bleef de spirit nog lang voortleven. Voorbeelden genoeg, denk maar aan the Ramones, Blondie, Nick Lowe, en zelfs the Allah-Las, die deze zomer op Pukkelpop optraden.

Maar genoeg. Hier volgen twee nuchtere stemmen uit de Woodstock Bar. In werkelijkheid is het de letterlijke weergave van een discussie op facebook naar aanleiding van mijn tekst ‘Leve Woodstock’. Die stemmen wil ik zeker niet opnieuw laten horen om mijn gelijk te halen, wel integendeel.

Dirk Steenhaut: Mooi stukje, Martin. Ik zag ‘Woodstock’ voor het eerst in de zomer van 1971 en ik was wèl zeer onder de indruk. Ik was dan ook nog jong, ik moest nog dertien worden, maar de performances van Joe Cocker, Ten Years After en The Who deden me dromen van een wereld waarin véél, zoniet alles mogelijk was. Alleszins méér dan in het wereldje vol beperkingen waar ik toen nog in opgesloten zat. Maar laten we één ding voor ogen houden: ‘Woodstock’, tenminste de versie van Michael Radleigh of die van de platen (eerst de driedubbele, daarna de dubbele) was geen festival – het was een FILM over een festival. Een bepaalde visie erop. Een edit. Want er was heel veel aan het evenement dat op het split screen (indrukwekkend, ik had nog nooit zoiets gezien) NIET getoond werd. De verveling, het urenlange wachten, het gebrek aan eten en sanitair.. De organisatoren waren nu eenmaal niet voorzien op zoveel volk en de optredens begonnen wanneer ze begonnen. Soms uren te laat dus. Ik bedoel maar, of je nu een fan van Woodstock was of niet, een hippie of niet, het beeld dat in ons collectieve geheugen leeft door de documentaire, is in heel veel opzichten gemanipuleerd. Sommige artiesten waren helemaal niet in de film te zien omdat ze, zoals Neil Young, weigerden gefilmd te worden. Tim Hardin haalde evenmin de final cut. Maar betekent dat per se dat zijn optreden minder memorabel was dan dat van Joe Cocker? En was Joe’s concert over de hele lijn wel zo goed als zijn versie van ‘With A Little Help from My Friends?’ Zeker, ‘Freedom’, de improvisatie van Richie Havens, was memorabel. Maar misschien was de rest van zijn set boring as hell? Ik wéét dat natuurlijk niet. Alleen: ik heb verder van meneer Havens nooit veel andere nummers gehoord waar ik echt warm van werd. En dat brengt me bij je commentaar op Pukkelpop die, vergeef me dat ik het zeg, nergens op slaat. Zeker, het is, zoals alle festivals vandaag de dag, een commerciële bedoening; iets dat gerund wordt als een bedrijf. Je kunt dat betreuren, maar als je straks in Vorst naar Bob Dylan gaat kijken, zal dat niet anders zijn. Het voordeel is nu tenminste wel dat je een artiest precies te zien krijgt op het aangekondigde tijdstip, en niet om vijf uur ’s ochtends. En er zijn echte toiletten, voor wanneer de nood hoog is. Je hoeft niet met een knorrende maag naar bed, want er is genoeg ongezonde kost voor iedereen. En het verkeer wordt netjes geregeld, zodat je de festivalsite vlot in en uit kunt. Dat was ten tijde van Woodstock wel anders. Het grote verschil is dat er tijdens de sixties maar één echte subcultuur bestond. Vandaag bestaan er minstens tien. Dat maakt het allemaal minder overzichtelijk. Is de muziek écht walgelijk op Pukkelpop? Dat is een kwestie van smaak, natuurlijk. Ik vond Sha-Na-Na destijds ook geen hoogvlieger. In Kiewit staan, gespreid over drie dagen en acht podia meer dan 250 acts geprogrammeerd. Die kun je sowieso niet allemaal zien en dus destilleert eenieder uit het aanbod zijn eigen festival. Wie de shit wil zien, wel, iedereen zijn eigen trip, nietwaar? Maar voor wie zich tot de fijnproevers rekent, is de keuze nog altijd behoorlijk groot. Ik heb per dag gemiddeld 6 à 8 bands gezien (méér lukte niet omdat ik ter plekke recensies moest schrijven) en vrijwel alles wat op mijn programma stond (méér dan wat destijds op de affiche van Woodstock prijkte) was uitstekend. Ik bedoel maar: Pukkelpop is niet één maar vele dingen. En in wat ik er daarna van op tv te zien krijg, herken ik nooit, maar dan ook NOOIT, het festival waar ik jaarlijks naartoe ga. Dat heeft met keuzes te maken: de mijne en die van de reportagemakers. En dat geldt ook voor Woodstock. Mijn conclusie: de dingen zijn nooit wat ze lijken. Dat was zo in 1969 en dat is nog steeds zo in 2015. Generaliseringen, hoe verleidelijk ook, bewijzen niemand een dienst. En ze hebben een bedenkelijk waarheidsgehalte. Woodstock en Pukkelpop waren/zijn elk een beetje verschrikkelijk en een beetje fantastisch. Zoals het leven zelf, met andere woorden.

Martin Pulaski: Dank je voor de nuanceringen, Dirk. En nee, het is mij niet om de waarheid te doen. Met te veel waarheid zou ik niet kunnen leven. Het gaat om subjectieve ervaring en de uitdrukking daarvan. Mijn korte beschouwing is inderdaad gebaseerd op de film ‘Woodstock’ en niet op het festival zelf, en mijn evaluatie van Pukkelpop op wat ik erover zag en las in de media. Sinds 1969 ben ik maar vier keer op een festival geweest (een keer in Bilzen voor Kevin Ayers, twee keer in Peer, waar ik interviews deed en een keer op de weide van Pukkelpop voor Neil Young).

Wat de tijd betreft. In de dagen van Woodstock en de tegencultuur bestond er zeer waarschijnlijk een ander tijdsbegrip dan nu. De tijd was een vijand en werd daarom genegeerd. In films uit die dagen zie je vaak dat klokken worden vernietigd. Bijvoorbeeld in ‘Dagboek van een Shinjuku-dief’ van Nagisa Oshima. In zekere zin bestond de tijd niet meer. Sam Cooke zong het al: “We’re gonna stay here till we soothe our souls If it takes all night long” (waar the Rolling Stones nog aan toevoegden: “Time don’t mean that much to me”). De ‘tegencultuurmensen’ hadden veel geduld, meen ik me te herinneren. Als een band twee uur te laat was of zo werd gewoonweg een jointje gerookt.

Of er maar één echte subcultuur bestond betwijfel ik. Alleen al binnen de politieke underground had je verscheidene elkaar bestrijdende fracties. Black Panthers stonden lijnrecht tegenover escapistische ‘terug naar de tuin van Eden’-hippies, om maar één voorbeeld te geven.

Maar het was natuurlijk niet allemaal rozengeur en manenschijn. Daarom bleef ik ook van festivals weg. Waar ik het echter vooral over heb is de utopie. De droom is weg, zo lijkt me. Het verlangen naar een andere, betere wereld, en het verlangen naar zelfverwezenlijking door inzicht en kennis, door ‘bewustzijnsverruiming’ (zoals het werd genoemd). De blik die je ziet in de ogen van de jongeren in de film van Michael Wadleigh, die zie ik gewoon niet meer. Nergens. Maar je hebt gelijk, het is maar een film.

Dat de dingen nooit zijn wat ze lijken, dat is volstrekt waar. Maar valt er mee te leven? (Overigens vond ik dat stuntelige van Woodstock ook wel mooi. Hoe bijvoorbeeld de geluidsinstallatie met plastic moest verpakt worden toen het onweer al bezig was. En de zorg voor elkaar, door en door christelijk eigenlijk.)

Dirk Steenhaut: Dat van die subculturen klopt, Martin. Er waren er inderdaad meerdere, maar wat ik bedoel is: rockmuziek (en daartoe reken ik ook folk, blues en soul) was nog relatief jong en verenigde het overgrote deel van de jongeren. Op Woodstock stond alles door elkaar. Vandaag is alles meer verbrokkeld: op Pukkelpop zijn er velen die de hele dag in de dancehall en boiler room (elektronische dansmuziek) of The Shelter (punk en metal) doorbrengen en naar niets anders gaan kijken. En popmuziek is al lang geen exclusieve jongerencultuur meer, waardoor het naïef-utopische vanzelf is verdwenen. In de sixties dacht men nog dat men de Vietnamoorlog kon stoppen. Zovele vuurhaarden verder – Afghanistan, Irak, Syrië, 9/11, IS… – weten we helaas dat geen enkele betoging of sit-in iets tegen de waanzin vermag. In de sixties waren veel dingen nog relatief nieuw en opwindend: de seksuele revolutie, de pil.. Dat bracht (de illusie van) een nieuw soort vrijheid mee. Vandaag weten we dat velen die in mei ’68 op de barricades stonden, daarna even machtsgeil zijn geworden als vorige generaties. Het is onvermijdelijk dat zoiets het cynisme voedt. Is zorg dragen voor elkaar door en door christelijk? Ik zou het niet weten, ik ben als ketter opgevoed. Maar het lijkt me een uitspraak waar je veel niet-christelijke volkeren mee te kort doet. Laten die elkaar systematisch in de steek dan? Overigens, het onweer dat ik enkele jaren geleden tijdens Pukkelpop heb meegemaakt en dat vele malen erger was dan op Woodstock (er vielen vijf doden en andere slachtoffers raakten voor het leven verlamd) bracht toch ook in heel veel festivalgangers het beste naar boven. Ik heb toen met eigen ogen gezien hoezeer jong en oud, Pukkelpopbezoekers maar ook omwonenden, voor elkaar zorg droegen en solidair waren met elkaar. Sommige menselijke waarden zijn nu eenmaal niet tijdsgebonden. Je hebt wel gelijk als je stelt dat de Woodstockgeneratie niet dezelfde is als die van vandaag. De wereld is intussen meer dan ooit ‘vercorporatiseerd’ en het is eigen aan het menselijke ras dat het zich aanpast aan nieuwe contexten. Maar ik zie nog altijd veel jongeren zich engageren voor, pakweg, artsen zonder grenzen, Amnesty, Greenpeace en noem maar op. Ik zie jonge klokkenluiders opstaan die machten aan de kaak stellen die zoveel groter zijn dan zijzelf. De droom is dus niet weg, de droom heeft zich aangepast. En een beetje pragmatiek kon die sixties-generatie nog wel gebruiken…

Martin Pulaski: Je weet natuurlijk dat ik net zo’n ketter ben als jij, Dirk. Ik wil uiteraard helemaal niet beweren dat in andere religies dan het christendom en in het atheïsme geen mededogen, solidariteit, naastenliefde bestaan. Maar ik noemde het door en door christelijk in de context van de Verenigde Staten in 1970. Om dat hier uit te leggen is wat moeilijk. Toch denk ik dat je me zonder verwijzingen naar de bijbel en naar boeken van utopische denkers ook wel begrijpt.

Dat onweer op Pukkelpop zal ik nooit vergeten. Het lijkt wel of ik het zelf heb meegemaakt. Ik lag in het ziekenhuis en was na een tweetal maanden pas weer tot bewustzijn gekomen. Het was geen fijn ontwaken: Breivik, Amy Winehouse dood en het onweer op Pukkelpop.

Met het laatste, dat de droom niet weg is, ben ik het helemaal eens. In mijn tekst gaat het, denk ik, uitsluitend over de unieke droom van alle enkelingen op dat festival dat Woodstock heet. Een utopische droom. Ik spreek me nergens uit over de jongeren nu. Natuurlijk bestaan al die mooie dingen die jij hierboven opsomt nog.

Dirk Steenhaut:  Voilà, hebben we intussen toch maar weer even een interessante discussie gehad, Martin.

Martin Pulaski: Dat is zeker zo, Dirk. Je kritische opmerkingen zijn niet in dovemansoren gevallen.

woodstock, woodstock nation, pop, sixties, sixties pop, rock, popcultuur

ZERO DE CONDUITE: HELLO, IT’S ME

la notte 1.jpg

Net zoals in pop kan in Zéro de conduite heel veel, traagheid, onzin, slecht gedrag, liefdesverdriet, vals gezang, wiskunde, zelfs psychoanalyse. Hoewel ik zelf geen discipel ben van Sigmund Freud, en al evenmin van Jacques Lacan, heb ik toch niet zo’n diepe afkeer van deze stroming in de psychologie en filosofie als Vladimir Nabokov. ‘Ik’, ‘zelf’ en ‘zelfs’: we komen al in de buurt van het nieuwe thema, waar we maar geen Nederlands woord voor vinden: het Franse ‘moi’ en het Engelse ‘me’. Er is natuurlijk altijd ‘ik’, om het met Elvis te zeggen (‘There’s Always Me’), maar dat is toch nog een ander ding. ‘Ik’ volstaat niet. ‘Je est un autre’. Is it ‘me’? Laten we voorlopig maar niet verloren lopen in woorden en spielereien en laten we ons evenmin door spiegelbeelden en dubbelgangers laten bedriegen. Laten we als uitgangspunt het liedje ‘I Me Mine’ van The Beatles nemen:

All I can hear I me mine, I me mine, I me mine,
Even those tears I me mine, I me mine, I me mine,
No-one’s frightened of playing it,
Everyone’s saying it,
Flowing more freely than wine,
All through the day I me mine.

Deze woorden van George Harrison duiden het complexe probleem op een eenvoudige manier aan. Vanavond komen heel wat eigenschappen van het ‘zelf’, om het ‘ik’ zo maar een keer te noemen, aan bod. In een dertigtal songs, gekozen uit een preselectie van ongeveer vijf uur muziek. Met pijn in het hart heeft de man in mij – of is het een beest? – tientallen zelven het spreken ontzegd. Desondanks is twee uur voor één psychoanalytische sessie bijzonder lang. Maar jullie, luisteraars, zijn bijzondere patiënten, die deze DJ gaarne verwent. Geniet van de tranen en het gelach van het ego.

bobdylan_dougsahm.jpg

Hello It’s Me – Todd Rundgren – Something/Anything? (1972)

The Darker Days Of Me & Him – PJ Harvey – Uh Huh Her (2004)

Why did I come here?
Please tell me again
Why did you ask me?
Don’t say you forget

Give Me Back My Name – Talking Heads – Little Creatures (1985)

The Age Of Self – Robert Wyatt – Old Rottenhat (1985)

The Selfishness In Man (Leon Payne) – Buddy & Julie Miller – Written In Chalk (2009)

And Me – Ian Matthews & Matthews’ Southern Comfort – Later That Same Year (1970)

Less Of Me – The Everly Brothers – Roots (1968)

A Picture Of Me (Without You) – George Jones – Columbia Country Classics – A Picture Of Me (Without You)

The Beast In Me – Johnny Cash – American Recordings  I (1994)

Up To Me – Roger McGuinn – ‘Dylan Uncovered’ (Mojo 2005)

Hey Mister, That’s Me Up On The Jukebox – James Taylor – Mud Slide Slim And The Blue Horizon (1971)

You Turn Me On I’m A Radio – Joni Mitchell – For The Roses (1972)

A Brand New Me – Aretha Franklin – Young, Gifted And Black (1972)

All Of Me – Billie Holiday With Eddie Heywood & His Orchestra – Lady Day: The Best Of Billie Holiday

I Want Everyone To Like Me – Randy Newman – Bad Love (1999)

I want everyone – to like me.
That’s one thing I know for sure.
I want everyone – to like me.
‘Cause I’m a little insecure.

 

aretha-franklin.jpg

I Said Goodbye To Me – Harry Nilsson – Aerial Ballet (1968)

Don’t Think It’s Me – Smokey Robinson & The Miracles – Make It Happen (1967)

I Can’t Be Me – Eddie Hinton – Country Got Soul Volume Two (2004)

Just Like Me – Paul Revere & The Raiders – Just Like Us (1966)

Call Me Animal – MC5 – Back In The USA (1970, produced by Jon Landau)

The Real Me – The Who – Quadrophenia (1973)

Poor Poor Pitiful Me – Warren Zevon – Warren Zevon (1976, produced by Jackson Browne)

Why Am I So Short? – Soft Machine – The Soft Machine Volume One (1968)

Am I What I Was Or Am I What I Am – Traffic – Here We Go ‘Round The Mulberry Bush (1968)

I Me Mine – The Beatles – Let It Be (1970)

That’s Not Me – The Beach Boys – Pet Sounds (1966)

I went through all kinds of changes
Took a look at myself and said that’s not me
I miss my pad and the places I’ve known
And every night as I lay there alone I will dream
I Am A Child – Buffalo Springfield – Last Time Around (1968)

Who Am I – Country Joe & the Fish – I-Feel-Like-I’m-Fixin’-To-Die (1967)

Did She Mention My Name – Gordon Lightfoot – Did She Mention My Name (1968)

It Ain’t Me Babe – Bob Dylan – Another Side Of Bob Dylan (1964)

Me And My Destiny – Sir Douglas Quintet – The Return Of Doug Saldana (1971)

Nancy And Me – Lee Hazlewood – Poet, Fool Or Bum (1973)

Creeps Like Me – Lyle Lovett – I Love Everybody (1994)

Where I Lead Me – Townes Van Zandt – Delta Momma Blues (1971)

Ask the boys down in the gutter
Now they won’t lie cause you don’t matter
The street’s just fine if you’re good and blind
But it ain’t where you belong

Bittersweet Me – R.E.M. – New Adventures In Hi-Fi (1996)

Things That Scare Me – Neko Case – Blacklisted (2002)

Heart Of Darkness – Sparklehorse – Vivadixiesubmarinetransmissionplot (1995)

Not Me (Colin Newman) – This Mortal Coil – It’ll End in Tears (1984)

persona

Research & presentatie: Martin Pulaski & Me.

 

GOED, BETER, BEST

Velvet-Underground-770.jpg

Waarom houd ik me nog bezig met wat het beste is, met beter, goed, minder goed, slecht? Het is onzinnig en volstrekt overbodig. Kunst is kunst, en wat uniek is uniek. Iedereen moet voor zichzelf maar uitmaken wat hij of zij graag hoort, ziet, voelt.

Maar wacht even… Dat hele fenomeen van lijstjes maken, van kunstuitingen (vooral muziek en literatuur in mijn geval) ‘bewieroken’, van sommige werken een ereplaats geven is iets emotioneels, het getuigt van enthousiasme en liefde. En enthousiasme wil je delen, wat je goed vindt wil je propageren; van wat miskend wordt hoop je dat het meer erkenning krijgt, of eindelijk wat aandacht. Dat is evenwel in tegenspraak met mijn – nogal snobistisch en kinderachtig – bij een groepje van aficionado’s willen horen die op de hoogte zijn, en alleen wij zijn op de hoogte, alleen wij zijn ingewijd. Op degenen die dat niet zijn, daar wordt op neergekeken. Ja, tegenspraken!

Daar komt nog bij dat ik al het grootste deel van mijn leven lijstjes maak.Ik geloof dat het begonnen is met Toppers voor Tobbers van het tijdschrift Humo, midden de jaren zestig in het Atheneum van Tongeren. In de begindagen werd je naam als samensteller van de wekelijkse hitlijst en de naam van je school nog in het tijdschrift vermeld. Trots dat ik daar op was!
Lijstjes maken is zinloos en overbodig, maar ik volhard in wat nutteloos is. Dat heb ik altijd gedaan. Het nuttige daarentegen laat ik links liggen. Ik voel er alleen maar onverschilligheid voor, en dat is niet eens een gevoel. Het is niets. Mocht ik het nuttige niet links hebben laten liggen bezat ik nu een villa, een Mercedes Benz en een buitenverblijf in Cabo de São Vicente.

wlwh vu.jpg

Mijn lijst van meest gekoesterde platen in 2013 is nog niet afgerond (wel al een voorlopige versie op facebook, en een tijdje geleden hier). Toch weet ik nu al dat dit mijn favoriete muzikale momenten waren:

Platen

The Velvet Underground – White Light / White Heat (hoe dan ook beste rockplaat ooit gemaakt)

Van Morrison – Moondance

Phosphorescent – Muchacho

Tift Merritt – Traveling Alone

Bob Dylan – Another Self Portrait

Film als muziekvorm

Coen Brothers – Inside Llewyn Davis

Live

Neko Case in AB Club, Brussel

Tindersticks in Rivierenhof, Antwerpen

Phosphorescent in Botanique, Brussel

Rosanne Cash in Roma, Antwerpen

Low in Koninklijk Circus, Brussel

Sam Amidon in Feeërien, Brussel

Tift Merritt in Botanique, Brussel

Amanda Shires & Jason Isbell in Botanique, Brussel

tift_merritt.jpg

Rouwproces

Kevin Ayers
Lou Reed

kevin ayers0.jpg

Over ‘White Light / White Heat’ maakte ik op 2 maart 2012 een terloopse opmerking
“Ben ik nu een snob? Wacht dan. Ik ben waarschijnlijk ook de enige Belg die ‘White Light / White Heat’ heeft aangeschaft toen die LP in 1968 uitkwam. Mijn vroegere vriend Guy Bleus mag hier ook wat komen bluffen als hij zin heeft: hij was de eerste jongen die ‘The Velvet Underground & Nico’ bezat, de originele versie met de schilbare banaan.”Ik haal dit aan omdat de 45th Anniversary Deluxe Edition van de plaat deze uitspraak van Lou Reed meekreeg:
“No one listened to it. But there it is, forever – the quintessence of articulated punk. And no one goes near it.”
Dat verklaarde hij in august, kort voor zijn overlijden. De eerste zin is een overdrijving. De rest is helemaal waar. En sinds Lou’s dood leven we in een andere wereld. Er zit een diep gat in. We moeten verder de duisternis in zonder een van onze meest achtenswaardige gidsen.

***

Afbeeldingen: Velvet Underground; White Light / White Heat; Tift Merritt; Kevin Ayers.

OOIT WAS ER EEN TIJD*

tenderness (2)

Opgedragen aan Def Jam (Rick Rubin & Russell Simmons) en ‘Renaldo & Clara’.

1.

“”I need a radio inside my head”, zei Kate Moss (in een blauw niemendalletje).”Vanop een redelijke afstand lijk je op Kate Moss”, zei Zazie, haar beste vriendin. Zo werd me verteld, zonder dat me evenwel bewijsmateriaal werd overhandigd.”

“Veertig jaar geleden nu wandel ik in een Luxemburgs bos of lig ik, dat is ook heel goed mogelijk, neer tussen of onder varens en braam. Opgelet voor de tekens, hoor ik Zazie nog roepen.”

“Je zag me nooit in een rode Cadillac, geeft maar toe, maar hoe je op me geilde in mijn wit linnen pak in Firenze gekocht, zonder een cent op zak. Een voorschot met hasjiesj als rente.”

“Aldaar, in Albergo Firenze, een wat wordt genoemd luizig hotel, geen al te grote en schone kleerkast, een kleine houten notenhouten tafel en een watermanpen om Dante’s grote voeten te tekenen. Nog niet in het bezit van het wit linnen pak.”

“In 1970 werd ik in een Germaanse wei wakker met honderd gram Rode Libanon onder m’n slaapzak.  Ik had er pijn in de rug van gekregen. Jongen wat werd ik ziek van dat spul.”

“Weet je nog: de sleutels van onze cel weggegooid, bang voor de nieuwe gestapo? Onze weg naar huis geschooid. Die vreselijke grens over. Door de Duitse nacht. Huiverend van elk geluid, bv. het ademen van koeien. Je huid nog niet leer gelooid door de bleierne zeit.”

“Je denkt toch niet dat ik over mezelf ga rijmen. Of ben je gek of wat? Ofwel is het te veel ofwel te weinig. Een rebel, je moet wel dwaas zijn, een rebel in een beschaving waar iedereen zegt, ik ben ik, aan mij valt niets te schaven.”

“Ach zo, Zazie, wat doen ze dan met hun billen en borsten en buiken en kinnen en schaamlippen en…”

“Wat maakt het allemaal uit! Drink beter tequila als een Alfredo Garcia.  Drink absint als Van Gogh en August Strindberg. Drink whisky als Warren Oates. Maar fuck al die andere shit. Vroeger was je misschien wit. Nu ben je zwart als de Borinage in de ogen van de jonge Van Gogh en schrik je in je spiegel van een vleeurmuisneus. Nu schrik je van je naamval. Nu schrik je van een apenfamilie op je rug. A tight unit, dat wel. Drink beter Jägermeister in botervlootjes  met op de onderzijde het stempel van Meissenporcelein, mijn liefste.”

“Terminator”, zegt ze. “Ik word al spoedig een Terminator, gonna clean up this town, Pussycat, al die lavabogestapo’s ga ik de keel oversnijden.”

Saint_Anastasia_of_Sirmium.jpg

2.

“Verschil je van een reptiel,  op dit moment dat twee uur duurt, op dit moment waarop je  zomaar in het wilde weg een vrouw in scharlaken wilt kussen, alleen maar om te kussen. Wie ben je als je staat te wachten in een druk of verlaten station. Te wachten op een trein naar Frankfurt, Bradbury,  Bombay, een trein naar Trst. Wie ben je als je zegt, “ik word nooit oud, ik heb daar het vel niet voor”? Wie ben je eigenlijk, Martin Pulaski?  Wat doe je met je ziel, wat doe je met je leven? Als je vrienden sterven, als je vrienden weggaan voor goed, of op bedevaart naar graven van geplagieerde schrijvers en leeggezogen muzikanten. (Bidden doen ze niet, wees maar gerust.)”

(Het was een dag dat het voor altijd regende. Een dag van de triffids. Van de bodysnatchers.)

“Ooit was er een tijd toen je je zo fijn kleedde. Een kort jurkje, een doorkijkbloes. Begeerde je alleen haar kleine borsten, haar roze lippen? Zij was goed opgevoed. Spuwde niet op de grond maar in je gezicht. Zo verwarrend, jongen, dat je de persoonsvormen vergat. “Ben ik Shaft?”, zei je? “Dirty Harry?” “Ben ik Captain America, Julien Sorel”? Of gewoon een bankbediende met je haar geknipt, een scheiding aan de linkerzijde?”

“Je vader was in het verzet, zat in een kamp in Oostenrijk, een boerderij waar veel gelachen werd. Over de donkere grens.”

“In Duitsland vond ik mijn vrouwen en dichters, Margareta von Trotta, Rainer Werner, Rilke, Angela Winkler, Drafi Deutscher en al de anderen. Ik wil zo weinig mogelijk namen noemen in een gedicht. In een gedicht over onder andere mijn aangezicht.  Dat ik bijvoorbeeld van Umbrië houd, zeg ik niet eens.”

“Je bent eenvoud. Een punk met drie akkoorden & the truth.  Een mogelijke dief, avonturier, dichter, cracker, iemand die bij Financiën werkt, of subsidies toekent aan mannen met revolvers en zieke kinderen in winderige steden aan zee, bijvoorbeeld in Trst, waar iedereen alles vergeet altijd. Je hebt de champagne en het feest begint. Iedereen heeft respect voor je. Anders slaan je wilde jongens je wel op je smoel. Niet letterlijk natuurlijk (en het zijn ook geen wilde jongens. Ze zijn goed opgevoed. Gingen naar de beste scholen.)”

“Je roept namen om. Je kunt het niet laten, aan omroepen verslaafde. Robert Musil, Van Zandt, Umberto D., Lighntin’ Hopkins, Robert Guidry, Rainer Ptaceck, Grimm, Max Beckmann, Jacques Vaché, Lucia Bosé, Lord Byron. Je bent nauwelijks wantrouwig  jegens wie je omroept. Als ze maar Jägermeister drinken. Een goedgelovige omroeper, een punk ben je. Je kent maar enige beroepen en eigennamen die iets betekenen. Schippers, zwaardvechters, glasblazers, galeiboven (die kunnen ontsnappen), Michel Simons, Barbara Lodens, Brandon DeWildes, Anastasia’s van Sirmium.”

“De mensen zien je dronken en zeggen: “Hij is weer zat.”  Ze zien niet dat je weder opstaat. Nadat je vuistslagen krijgt van engelen op zoek naar geld voor crack. Ze zien niet dat je weer opstaat en terugkeert naar je leeg landschap, niets dan zand met in de verte een mysterieuze wachttoren. Altijd komen uit de poort, komen over de valbrug twee pratende blauwe vrouwen in niets onthullende brokaten gewaden gehuld. Wat had je anders verwacht?”

jacques vaché

*Nieuwe versie van: REBEL WITHOUT A PAUSE : ZELFPORTRET ZONDER ZELF (27-02-09)

Foto’s:
1. Martin Pulaski
2. Anastasia van Sirmium
3. Jacques Vaché