LEVEN ZOALS HET WAS: BOOMKWEKERIJSTRAAT

1970-matti12

Vaak als ik the Everly Brothers beluister, meer bepaald de schitterende elpee ‘Roots’, waarop Ry Cooder, Clarence White en Randy Newman meespelen, denk ik terug aan mijn eerste vrouw, mijn zoon (toen een baby) en zeker ook aan mijn oude vriend Marc D. en aan die wonderlijke tijd van mijn eerste maanden in de Boomkwekerijstraat, boven de nightclub Les Anges Noirs van Fonseca. Marcs langspeelplaten, of toch een deel ervan, stonden bij ons in de salon tegen de muur. Hij maakte een lange reis door de Verenigde Staten, iets waar wij in die tijd alleen maar van konden dromen, wat we overigens heel vaak deden. Plaatsnamen als Mendocino en Mobile, Alabama bezaten een magische klank voor ons.

Wij leefden in de Boomkwekerijstraat in een luizige flat waar alleen maar liefde en armoede heersten. Dat luizig bedoel ik letterlijk. We hebben de beestjes met DDT moeten uitroeien. We wisten dat DDT een smerig goedje was, maar hadden weinig keuze. Luc, een andere vriend van ons, die bepaald rijke ouders had, kwam ons soms blikjes ganzenlever met truffel brengen. Dat mysterieuze voedsel aten we met een stuk bruin brood. En dan waren er die langspeelplaten van Marc om te ontdekken: ik herinner me de eerste van Crosby, Stills & Nash, een dubbele verzamelaar van Them (ik had slechts ep’tjes van Them, Gloria, Here Comes The Night, Baby Please Don’t Go, vlijmscherpe rock & roll is dat), maar bovenal herinner ik me ‘Roots’ van the Everly Brothers. Alleen al het nummer ‘I Wonder If I Care As Much’. Ja, ‘Roots’ was de mooiste uit de stapel, ik legde ze zeker één keer per dag op. Nu doe ik dat nog steeds zeker twee keer per jaar, terwijl ik kan kiezen uit een zesduizendtal vinyl grammofoonplaten en ongeveer evenveel cd’s. Vaak is die keuze trouwens moeilijk, en dan keer ik gewoon terug naar de oude vertrouwde stuff: Bob Dylan, Nico, Joni Mitchell, Fairport Convention, Nick Drake, Fred Neil, Tim Buckley, Randy Newman, the Byrds, Gene Clark en the Rolling Stones. En naar ‘Roots’ van The Everly Brothers, met hun hemelse stemmen.

1970-19

Een andere onvergetelijk plaat uit die periode – zomer 1970 tot zomer 1971 – was ‘New Morning’ van Bob Dylan. Als ik me in de badkamer bevond hoorde ik de elpee bij de bovenburen weerklinken. Dat gebeurde alleen overdag. ’s Avonds was er alleen maar een tientallen minuten durend Sans chemise et sans pantalon van Fonseca, de zwarte zanger beneden in Les Anges Noirs. Die muziek klonk zo luid dat de vloer ervan daverde. Dat gebonk was heerlijk om bij te slapen. Bij ons lag in die tijd ook de hele dag ‘New Morning’ op. Went To See The Gypsy vind ik nog altijd onovertroffen, maar eigenlijk is de hele plaat een meesterwerk, één van de beste van Bob Dylan. Die eenvoud, dat zichzelf herontdekken… In die tijd gingen elpees maandenlang mee. Je kocht iets wat je goed vond en dat beluisterde je haast onafgebroken, tot je de songs door en door kende. Een elpee omdraaien was haast een rituele handeling. Je moest er alleszins je handen voor gaan wassen.

Op een dag werd in de Boomkwekerijstraat langs de smalle trap een piano naar boven gedragen, naar de tweede verdieping. Daar woonden studenten van het Insas, de Franstalige filmschool, tegenhanger van het Rits (dat toen nog Ritcs heettte). Onze kant van de straat was bijna helemaal door filmstudenten ingepalmd. De overkant bestond uit dure uitzuipbars. De hele nacht reden de Jaguars en Alfa Romeos af en aan. Hun eigenaars kwamen champagne drinken en hoeren inladen. Wij dronken muntthee en water. Alcohol was volstrekt uit den boze, dat hoorde niet bij het rustieke leven waarvan wij droomden, de terugkeer naar de roots. Ik geloof dat ik nooit gelukkiger ben geweest dan toen ik hele dagen het tijdschrift Aloha zat te lezen, en Rolling Stone, toen nog een hip tijdschrift, terwijl op de achtergrond de stemmen van Don en Phil Everly en van Bob Dylan klonken.

DE LAATSTEN ZULLEN DE EERSTEN ZIJN

Het concert van Danny & Dusty was delicieus. Hoe daar op dat podium van de AB de rock & roll opnieuw werd uitgevonden, dat was mooi om te zien en vooral om te horen. Dan Stuarts stem is er op de twintig jaar tijd die er verlopen is sinds The Lost Weekend werd opgenomen werkelijk op vooruit gegaan; ze klinkt voller en expressiever. Hij is zelf ook nogal volumineus, maar dat neemt niet weg dat hij tevens charmant is, ontwapenend zelfs, zij het altijd met een dreigend kantje. Het dreigende dat mensen soms hebben die op het randje van de waanzin leven. Ik weet niet of dat voor Dan Stuart zo is, maar het lijkt er wel op. Steve Wynn is minder exuberant, maar zelfs nog charmanter, met zijn lieve glimlach en zijn beheerst voorkomen. Het is duidelijk dat hij de zaken goed in de gaten houdt, zodat de waanzin niet uit de hand loopt. Enigszins beheerste gekte werkt beter.
Bij het begin van het concert is de elektrische machine nog niet helemaal goed gesmeerd, maar na een tweetal songs loopt het allemaal lekker: de keyboards van Chris Cacavas, de bas van Bob Rupe, de steelgitaar en de elektrische gitaar van Stephen McCarthy, de drums van Johnny Hott, de elektrische en akoestische gitaren van Steve Wynn en Dan Stuart. Vertederend is het dat beide heren op elkaars instrumenten spelen. Sommige muzikanten hebben wel twintig gitaren op het podium staan, Danny & Dusty samen twee. Hoogtepunten waren er niet echt, omdat het hele optreden één lang hoogtepunt was. Maar ik ben misschien het meest opgewonden geraakt bij King Of the Losers en Down To the Bone. Dat laatste werd met een extreme intensiteit gespeeld, zonder dat de muzikanten in de clichés van de hardrock vervielen. Deze band zou Bob Dylan moeten begeleiden, dat zou pas vuurwerk geven. De stemmen, de akkoorden, de woorden zinderen nog na in mij – en dat mag nog een tijdje blijven duren.

De eerstvolgende dagen schrijf ik geen woord meer over muziek. Ik ben geen muziekrecensent, hoewel muziek mijn halve leven is – of meer. Het echt diepzinnige werk van popjournalist laat ik aan geniale wijsneuzen als Serge Simonart. Ik ben maar een loser, nee, erger nog, ik ben maar een blogger. Mamma mia! Ik beloof meteen ook dat ik de naam van de wijsneus nooit meer zal neerschrijven, want negatieve reclame is net zo goed reclame.

 

VOOR EN NA DE REGEN 3

 1974marcd

3.

In de jaren tachtig voerden muziekgolven mij via omwegen naar het platteland in het Zuiden van de Verenigde Staten. Samen met Teddy Bear maakte ik de lange, imaginaire reis, die nu nog voortduurt. Wij kickten op Carl Perkins, Charlie Rich, Bobby Charles’ Tennessee Blues en altijd opnieuw op Sin City van the Grievous Angel.

Bij Marco hoorde ik voor het eerst I Wonder If I Care As Much. We stapten een platenzaak binnen waar een elpee Van Mott The Hoople in het uitstalraam lag. At the Crossroads, Laugh At Me, alsof Dylan herboren was in onze straten. Wandelen in het Zoniënwoud, altijd zingend: I See A Bad Moon Rising, Syd Barrets The Gnome (“I want to tell you a story bout a little man”.) Vriendschap het hoogste goed.

In Rostock dragen Hoessein & ik een bak bier & glimlachen elkaar toe. Marokkaanse vriend, mag ik je mooie stem nog eens horen? Dans nog een keer met bleke Lena in dat zeemanscafé in Rostock. Ik zal toekijken met buikkrampen, van die Duitse worsten. Bij het slot van Schwerin valt de regen op de zwanen. “Geel rijmt op haar wispelturigheid, zoals anijs op ijskoud water.”

En wat jij, John Fogerty, Amerikaanse zanger, met je door een Indiaanse god gezegende stem? Je weet het wel: het is blijven regenen. En het zal blijven regenen. When It Rains It Really Pours (“I got troubles, troubles, troubles: when it rains, it really pours”). En elke maand zal de maan ons met liefde en onheilspellende dromen verrassen. Ja, Sinister Purpose, maar de vriendschapstrein vertrekt toch ook weer uit zijn klein stationnetje ’s morgens in de vroegte. Neem het bittere maar met het zoete, mister Fogerty, & doe de groeten aan Tom, je dode broer, als je bij hem op visite gaat.

Ook Elvis roep ik op. De ravenzwarte Elvis zingt opnieuw Bill Monroe’s Blue moon of Kentucky. (“Blue moon of Kentucky keep on shining”). Yes, sir! In Bad Nauheim croont hij voor de soldatenmeisjes die zich dan onder hun ganzenveren donsdekens betasten, daar waar het zo zacht is. In dat land waar kort tevoren hakenkruizen aan de dennenbomen groeiden. Mijn oude professor – maar hij niet alleen – had daar de geur van brandend vriendenvlees doorstaan. Elvis is bij me gekomen. “Are you sorry we drifted apart?” vraagt Elvis. “Yes,” zeg ik, “You were my First real hero, you and Yuri Gagarin. We are so alone now…On our own in the deserted rooms.” “I know what you mean,” zegt Elvis. “Yes” zeg ik, “I stood at your grave in Memphis. At your real grave, I mean, the mighty Mississippi.” “Aloha from Hawaii”, mompelt hij nog. Of versta ik hem verkeerd?

Serge Groussard, kom hierheen, of vergat je dat je vier jaar lang de bossen met me deelde, ver van de ouders & pralines bij de koffie? Serge Groussard je zag mijn zweren groeien in de zuivere dennenbomenlucht. Mijn lippen, mijn tong blauw van de bosbessen, die we in het zweet ons aanschijns moesten plukken voor de zusters van onze smarten. Herinner je mijn Veronica Satory, naam van zijde en Demeters ogen. Ik zag dat ze vochtig werden als we elkaar vluchtig aanraakten op de schoolbank – juffrouw Bakkers was even een plasje gaan doen?

Dansen in de Chemin de Fer in Tongeren, Proud Mary (“Rolling, rolling on the river, Proud Mary keep on rolling…”). Elke zaterdag in de King & Queen met Josy, mijn hoofd verloren in haar blonde lokken. Verboden liefde, volgens haar ouders. Een langharige, ongewassen schipperszoon, & jij die apothekeres of laborante moest worden. Alle kleuren die ik kende vonden een weg naar je naam: Josy. Why Am I Treated So Bad, dat was Julie Driscoll, Aretha’s blanke zusje. A Kind Of Love In, Dylan’s This Wheel’s On Fire (“rolling down the road”).

Ja, een aanval van nostalgie als ouder wordende man. Sinds die kerels op de maan wandelden zijn er al veel mensen gestorven, veel ganzen, everzwijnen, mussen & kleinere dieren. Microben die ik met antibiotica om de hoek help, hebben jullie een ziel, het eeuwige leven? De twin towers zijn ook al foetsie. Twee grote kaarsen in rook opgegaan, dank zij de Allergrootste, de Heer die over alles waakt & ieders weg uitstippelt. Zegt president Bush, zegt Osama Bin Laden, zegden de zusters van onze smarten.

Foto: Marc Didden (Marco)

DE GEEST VAN ROCK & ROLL

marina

Tequila als medicijn tegen nostalgie en afgrijzen. De dagen na 1956, na Hongarije, na de wereldhonger van de twee verbeten broeders. Het groene loof en de dennen lachten hem toe toen hij met zijn jonge bruid de paden plat trad. Maar het sprookje bevatte ook een beproeving: verbanning in een oneindig woud. Lang voor het midden van het leven vond hij al geen uitweg. Mission Impossible. Kuifje in de hel, tussen de vijanden in nonnenkleren, die hem nog het liefst van al dood hadden geknuppeld.Een wildernis, nog zonder beschaving. Tenzij die van de zoetere huid van de jonge vrouwen voor wie hij danste als een bosgod. Je had zijn grimassen moeten zien, zijn rubberen gewrichten. Allemaal voor de witgejurkte bosmeisjes. Zij vonden hun orgasme uit tijdens zijn ontdekking van de rock & roll. Graag hadden ze hem in hun bed genomen. Maar er waren hindernissen, heilige en schijnheilige normen. Was hij niet veel te jong?

Overigens droomde hij zelf van een andere, zuivere liefde voor een meisje even ongeschonden als hij. Zo bestonden er volgens hem twee, de ene een Griekse, de andere half Hongaars. Veronica S en Henriëtte P. Was hij een vriend van de vreemden? Ja. Het kon ook niet anders. Hij was zelf een vreemde.Hij dacht, laten we maar eens écriture automatique proberen. Zoals in de naïeve tijd na 1956. Maar hij denk teveel na. Keer terug in de tijd… De tijd dat hij gekweld en gelukkig was. Een heilige die de wereld van goud zou maken, dacht hij. Hoe? Dat zou hij onderweg wel zien. Mission Impossible. Voorlopig was er toch al het lichaam, zacht en hard als koorts. Vrouwen werden zwanger en bevielen…

Niet dat alles gesmeerd liep. Ze waren geen machines, liepen niet op wieltjes. Voorlopig waren er boeken. Hendrik Conscience, Dostojewski, Tolstoj, Alexandre Dumas. Voorlopig was er rock & roll. Wat hij rock & roll noemde. Elvis Presley. Het verdriet van Connie Francis en het wild genot van Wanda Jackson. Fats Domino met zijn platte kop en New Orleans funk. The Land Of 1000 Dances. Little Richard’s oerschreeuw. De geboorte van de soul en meteen ook van de zwarte country in de stem van Ray Charles. Alles moest nog beginnen: weelderige angsten, tulpensnijdend lachen.

Weet je wat je bent? Een benevelde agrariër. Armand zei dat, en hij had gelijk. En alles wat je zegt ben je zelf. Uit rock & roll geboren. Was dat Nietzsche, die dat zei?