REMCO CAMPERT IS NEGENTIG

remco-verjaardag 001

Op de afbeelding hierboven zie je het voorplat van Remco Camperts verhalenbundel ‘Hoe ik mijn verjaardag vierde’, verschenen bij De Bezige Bij in 1969. Vandaag viert de schrijver zijn negentigste verjaardag.
Hoewel het leven voor niemand van ons nog zo vurrukkulluk is als in de sixties (en Liesje al lang vertrokken is uit Lui Letterland) is het toch nog altijd een wonder en een lieve lust. Of om het filosofisch uit te drukken: zijn is altijd beter dan niet-zijn.

Gelukkige verjaardag, Remco Campert!

HOE IK REMCO CAMPERT WERD

remco campert liesje

Meer dan vijftig jaar geleden beeldde ik me een seizoen lang in dat ik Remco Campert was. Wat mooi dat hij nu met de Prijs der Nederlandse Letteren werd vereerd en hoe blij het me maakt dat de schrijver van wie ik in mijn jongensjaren het meeste hield nog in leven is, in tegenstelling helaas tot veel van zijn tijdgenoten. Zo zag ik in De Standaard een foto van Remco Campert drie jaar geleden wandelend in Amsterdam: zo wil ik er over twintig jaar ook uitzien.

Op school moesten we Ernest Claes, Felix Timmermans, Ward Ruyslinck en Jos Vandeloo lezen. Geen buitenlandse auteurs, geen Nobelprijswinnaars, geen vrouwen, en vooral niets hedendaags. Ruyslinck en Vandeloo waren weliswaar uitzonderingen op die laatste regel, hoewel hun stijl toch al enigszins voorbijgestreefd was. Las ik die schrijvers graag? Ik las ongeveer alles graag, mijn smaak was eclectisch, ik maakte geen onderscheid tussen pulp en klasse.
Van Claes en Timmermans had ik enkele romans gelezen (onder meer ‘De witte’ en ‘Pallieter’) toen ik dertien of veertien was. Ze lagen me niet zo, te provincialistisch, te Vlaams, het taalgebruik te oubollig. Een uitzondering was ‘Daar is een mens verdronken’ van Ernest Claes, dat ik tussen de Vlaamse Pocketsreeks van mijn toenmalige vriend Valère aantrof. Ik neem aan dat het nu even onleesbaar is als de rest.
Hendrik Conscience en Alexandre Dumas spraken meer tot mijn verbeelding. Mogelijk had ik ook al verhalen van Edgar Allan Poe gelezen? Ik kan het niet nagaan: zo jong hield ik geen dagboek bij. De dagen duurden lang, de tijd bestond niet, of was alleen maar toekomstig. Zeker op saaie momenten in de klas – bijna altijd dus – en in het internaat droomde ik voornamelijk van wat ik in de toekomst zou doen. Dat alles wat ik in die jaren deed zo kostbaar en vergankelijk was, vermoedde ik zelfs niet. Geen dagboek, en in de pocket ‘Verhalen van mysterie en fantasie’, uitgegeven bij LJ Veen, staat geen datum. Wat maakt het uit: Poe is vanaf mijn vijftiende de schrijver die mijn verbeelding en dromen stimuleert. Andere schrijvers waar ik als puber van hield waren Ian Fleming, Georges Simenon en, wat later, Dylan Thomas. Van hedendaagse Nederlandse literatuur kende ik haast niets. Het Koninklijk Atheneum in Tongeren, waar ik vijf jaar leerling en ‘geïnterneerde’ was, heeft me ook op dat gebied weinig bijgebracht.

Lange tijd heb ik graag catalogi gelezen. In 1967 ontstond in Vianen ECI, een boekenclub die, zo herinner ik mij, een aantrekkelijke catalogus had, waarin ik Hugo Claus, Simon Vinkenoog, Harry Mulisch, Louis Paul Boon en wonder boven wonder Remco Campert ontdekte. Ook Hugo Raes en Jerzy Kosinski trof ik er in aan. Van al die schrijvers bestelde ik boeken. Ik geloof dat er om de drie maanden een stapeltje bij mijn ouders aankwam. Een nieuwe, opwindende wereld ging open: (taal)spel, liefde en seks, wreedheid, huwelijk, dood: de echte wereld van echte mensen. Remco Campert sprong er voor mij uit. Zijn stijl was voortreffelijk en ik viel voor zijn lichtvoetige, soms grappige, maar zeker ook melancholische wereld. Ik geloof dat ‘Een ellendige nietsnut’ het eerste boek was dat ik van hem las. Het was verschenen in 1960, maar in 1967 was het nog door en door modern. Dat kwam door de speelsheid en de ironie. Wist ik wel wat dat was, ironie? In de lessen Nederlands hadden we alvast al geleerd wat het verschil was tussen ironie, sarcasme en cynisme. Maar dat zal allemaal nogal abstract gebleven zijn. In een zwembad toekijken hoe de andere jongens zwemmen, betekent nog niet dat je het zelf kunt.
Vervolgens las ik de prachtige verhalenbundel ‘De jongen met het mes’, die toen al bijna tien jaar oud was. ‘Liefdes schijnbewegingen’ en ‘Het gangstermeisje’ volgden. In 1968 verscheen ‘Tjeempie! Of ‘Liesje in Luiletterland’, een grappige roman in progressieve spelling en uitgegeven onder de naam Remko Kampurt. Er was verwantschap met ‘Candy’ van Terry Southern en ook wel een beetje met ‘Lolita’ van Vladimir Nabokov, maar die boeken waren toen nog buiten mijn bereik.

Van de ene dag op de andere werd ik zelf een Remko Kampurt. Niet uiterlijk, want daar had ik Brian Jones en Steve Marriott voor, en ook niet innerlijk, daar speelden mijn dagdromen en verlangensfantasieën zich af. De schrijver uit Amsterdam zag er mij op zijn foto’s wat te braaf, te burgerlijk uit. Waar werd ik dan wel Remko? In mijn taal. Remko maakte zich meester van mijn schrijfstijl en spelling. Voortaan schreef ik in de Tjeempie!-stijl. Of ik dat ook in mijn schoolopstellen deed kan ik niet achterhalen en evenmin hoe lang ik het volhield. Ik vermoed tot mijn 21ste, toen ik filosofie ging studeren en wijs werd.

In de winter van 1969, in mijn kleine kamer in de Karmelietenstraat te Brussel, las ik ‘Tjeempie!’ opnieuw en opnieuw. Al mijn oude en nieuwe vrienden verplichtte ik ertoe het eveneens te lezen, anders ging ik ze als idioten beschouwen. In datzelfde jaar kocht ik de verhalenbundel ‘Hoe ik mijn verjaardag vierde’, met Remco – in rode blazer en bloemenstropdas – omringd door halfblote meiden, ongetwijfeld een wensdroom (ook van mij). Het werd een verrukkelijk jaar lang de gids bij mijn reis door de wonderlijke dagen van films, wierook, hasjiesj en liefde. Was het toen dat ik ongewild en ongeweten een ellendige nietsnut werd?

Op de een of andere manier was ‘Het leven is vurrukkulluk’ aan mij voorbijgegaan. Dat las ik ook in 1970, maar het was al te laat. Het leven was lang niet meer zo vreugdevol en ludiek als het voor Remco Campert en zijn vrienden en vriendinnen in 1961 zal geweest zijn. Mogelijk vond ik de uitgave minder magisch omdat het zo’n goedkope herdruk met geel omslag was. De tekening van Wout Muller was echter wel erg mooi, dat zie ik nu pas.  Bovendien was het niet in progressieve spelling geschreven.
Inmiddels had mijn missionariswerk vruchten afgeworpen. De meeste van mijn toenmalige vrienden hadden op z’n minst één werk van Remco/Remko gelezen. Boeken uitlenen deed ik met tegenzin. Maar voor de werken van mijn ludiek-lichtvoetige held maakte ik een uitzondering. Zo raakte ik onder meer ‘Tjeempie!’ kwijt. Erwin, aan wie ik het uitleende, belandde in de gevangenis en later in een psychiatrische instelling. In een van die twee lugubere oorden zal het leven van Liesje net als dat van Catlyn Fiermoing in 1627 wel op de brandstapel zijn geëindigd. Ik ben niet vergeten hoe Erwin en ik, weer een keer stoned, zaten te schaterlachen als we elkaar stukjes voorlazen uit ‘Het paard van Ome Loeks’.
Vanaf het begin van de jaren zeventig doofde het vuur van de verrukking. Ik keerde Remco Campert de rug toe. Het was tijd voor ernstigere bezigheden, huwelijk, antiautoritaire opvoeding, Hegel en Marx en Country & Western.

RemcoCampert

 

DE KUNSTENAAR ALS ROLLING STONE

flower child with a knife

Ik was toen niet ik, degene die ik nu ben en niet ben. Het zal 1968 geweest zijn. Ongetwijfeld had ik mijn zeventiende verjaardag al gevierd, naar Sergeant Pepper’s, the Piper At The Gates Of Dawn, Are You Experienced? en vooral naar Between the Buttons geluisterd. Brian Jones en Steve Marriott waren mijn helden. Ja,ik was achttien jaar. Plaats van handeling – pose eigenlijk – is Sint-Idesbald. Ik meen mij te herinneren dat de fotograaf Luc Verjans was. De camera was van mij. De jas en de zonnebril waren van Henry. Het sjaaltje en het knipmes waren van mij.
(Het is niet de eerste keer dat ik met deze foto in hoochiekoochie op de proppen kom. Er gaat voor mij een onverklaarbare fascinatie van uit. Alsof ik dit nooit ben geweest.)

***

Een achtergrond.

“Wessel keek naar de jongen, die op de divan zat. Hij hield iets in zijn hand dat schitterde. ‘Verdomme, hij heeft een mes,’ zei Wessel. ‘Zie je dat, Dick? Hij is een jongen met een mes. ‘Misschien is het dan toch wel een heel gekke jongen,’ zei Dick. ‘Maar hij drinkt niet. Dat blijf ik onvergefelijk vinden.’”

Uit: Remco Campert, De jongen met het mes, 1959.

DE JONGEN MET HET MES

jongen met mes

Op het portret zie je mijn andere kant. Portrait of the artist as a violent young man. Ben ik nog steeds dezelfde? Ik kan me de jongen van de foto zelfs niet meer herinneren. En waar is hij genomen? Wel weet ik nog dat ik in die periode De jongen met het mes van Remco Campert las. Misschien leverde hij de inspiratie voor de pose. Het mes is nog steeds in mijn bezit, heb ik vandaag tot mijn verrassing vastgesteld, toen ik grote schoonmaak hield in een van mijn archiefkasten. Het zit vol schaamte weggedoken in een schoendoos achter een stapel vergeelde misdaadromans. Mijn stijl (jas, zonnebril, sjaaltje, haarsnit) was helemaal afgekeken van mijn grote held Brian Jones. Het feit dat hij net als ik astma had droeg er ongetwijfeld toe bij dat hij de hoogste plaats innam in mijn pantheon van popidolen. De zonnebril is achtergebleven in Diepenbeek, op het mooie hoofd van een meisje dat ik ontmoet had tijdens een concert van the Small Faces.

Deze foto is een stille (soms verdrongen) leidraad in mijn leven. Hij komt later in deze notities zeker terug. Of ik zal er af en toe naar verwijzen.