IK ZAG BARBARA OPNIEUW

Nina Hoss en Ronald Zehrfeld in Barbara

Ik zag Barbara opnieuw. Ik kwam meer over haar te weten, over haar intrinsieke kwaliteiten, haar delicate volwassen schoonheid. Maar ook ontdekte ik – meer – van haar verwevenheid, haar inbedding in de stroom van de Europese cultuur. Ik had, zonder ernaar gezocht te hebben, enkele van haar bronnen ontdekt.
Dat zou het begin van een nieuw verhaal kunnen zijn. Je zou het ‘Barbara’ kunnen noemen, of ‘Ik zag Barbara opnieuw’. Maar je begint er niet aan. Het verhaal is er al; onnodig het nog een keer te herhalen. Er is in het leven al zoveel herhaling. Het komt erop aan die op tijd en stond te doorbreken. Je moet plaats maken voor momenten van verlichting.

Barbara is een film van de Duitse regisseur Christian Petzold, geboren in 1960 in Noordrijn-Westfalen. Het titelpersonage wordt vertolkt door de begaafde Europese actrice Nina Hoss, heel sterk in het uitdrukken van menselijke emoties. Over die Barbara schreef ik in 2014 in mijn stuk getiteld De anatomieles van doctor Nicolaes Tulp, waarin het vooral over het schitterende boek De ringen van Saturnus van W.G. Sebald ging. In de film van Petzold komt een scène voor waarin Barbara van haar overste – en later geliefde – een ‘lesje’ krijgt over het schilderij De anatomieles van Rembrandt. In 2014 wist ik nog niet dat Christian Petzold die les bijna in zijn geheel bij Sebald had gevonden. Ik had dat werk kort na het zien van de film gelezen en had gedacht dat het om een toevallige overeenkomst ging. Ik wist in die tijd niets over de regisseur, had nooit eerder een film van hem gezien. Daar komt nog bij dat ik in die dagen wel erg geobsedeerd was door toevalligheden. Zelfs nu nog blijf ik het toeval dat ik De ringen van Saturnus las net na het zien van Barbara fascinerend vinden.
Wat ik evenmin wist was dat het scenario van de film een bewerking was van een gelijknamig verhaal van de Oostenrijkse schrijver Hermann Broch, vooral bekend van Die Schlafwandler: Eine Romantrilogie en van Der Tod des Vergil. Hoewel ‘bekend’ een relatief begrip is: leest iemand die boeken nog, ook al zijn ze in het Nederlands vertaald?
Dat verhaal had ik nochtans ergens in de jaren zeventig gelezen in de bundel Vrouwen, een vertaling door M. Coutinho van Barbara und andere Novellen, uitgegeven bij Surhkamp in 1973. Mocht de Nederlandse uitgever de originele titel hebben aangehouden, had ik me die Barbara mogelijk wel herinnerd. Waarom krijgen vertalingen vaak van die wansmakelijke titels (denk maar aan ‘Er is geen vrouw die deugt’ als vertaling van een aantal opstellen uit Schopenhauers ‘Parerga und Paralipomena’)?
Waar ik destijds bij het lezen van de verhalen van Hermann Broch werd betoverd door de stijl, viel Barbara net daardoor me nu tegen. Het is me te poëtisch, te hoogdravend; het heeft te weinig vaart. Ik weet het: dit klinkt als heiligschennis. Maar de inhoud, onder te veel mooie woorden bedolven, is bij Broch even boeiend als bij Petzold. Het is een liefdesgeschiedenis. Een ziekenhuisarts/afdelingshoofd raakt geobsedeerd door een ondergeschikte dokter, de raadselachtige vrouw die Barbara heet. Zij blijkt een communistische terroriste te zijn, lid van een cel die een putsch voorbereidt. Na een mislukte bomaanslag pleegt ze in alle stilte zelfmoord in een hotelkamer. Petzold verplaatst het verhaal naar Oost-Duitsland. Barbara is verbannen van Berlijn – waar ze in het Charité ziekenhuis werkte – naar een saai landelijk stadje aan de Baltische Zee. Meer nog dan in Berlijn lijkt iedereen er voor de Stasi te werken. Ook haar overste, de dokter die al gauw van haar gaat houden, is een verklikker, zij het tegen wil en dank. Maar was dat niet voor vele inwoners van de DDR het geval? Barbara wil aan haar verstikkende omgeving ontsnappen en naar het Westen vluchten en heeft al concrete plannen. Haar moreel besef brengt haar evenwel tot het besluit om te blijven: ze staat haar plaats af aan een meisje dat de vlucht meer nodig heeft dan zij. Deze Barbara stapt niet uit het leven maar blijft. Mogelijk heeft Petzold – of is het toch Barbara? – zich de woorden van Albert Camus herinnerd: il faut penser Sisyphe heureux.

Waarom blijft Barbara me nog altijd achtervolgen? Moet ik toch mijn versie van haar verhaal schrijven? Waar ik vandaan kom was zij een heilige. Zou ik dat gegeven kunnen gebruiken? Elk verhaal, elke tekst is een autobiografie. Elke autobiografie is een verzinsel, zoals Barbara, de aardse en de heilige.

O SUSANNA

Rembrandt_-_Susanna_and_the_Elders.jpg

 

Suzanne, verlos je van je boze mannen –
En neem mij in je armen, neem mij in je ogen.
Schone vrouw, verlos me, laat me vrij.

Dat ik naar huis terug keren kan en eindelijk ouder
Mag worden. Genieten van mijn tuin, het licht
In mijn hart waar het altijd al veel te donker was.

Blijf! Of kom liever mee met me, mijn zuster,
Want ook onder mijn dak bleef het koud
En aan mijn lijf valt nog zo veel te genezen.

Suzanne, verlos je van die harde mannen
Met hun zuur en gramschap en geweld
En neem me mee naar mijn bron van lusten.

In mijn tuin staat al wat daar leeft
Bloeiend op je koele schaduw wachtend
En ik ben daar het kind dat zingt voor jou.

Naar: ‘Susanna en de ouderlingen’, Rembrandt Harmensz. van Rijn, 1650 – 1652; ‘De roman van Heinric en Margriete van Limborch’ (circa 1300); ‘From Every Sphere’, Ed Harcourt, 2003.

 

DE ANATOMIELES VAN DOCTOR NICOLAES TULP

The_Anatomy_Lesson.jpg

Ik was al een heel eind gevorderd in ‘De ringen van Saturnus’, het eigenzinnige verslag van een pelgrimage door het Oost-Engelse graafschap Suffolk, met onverwachte zijsprongen naar bijzondere momenten in de wereldgeschiedenis, naar ongewone aspecten van het dagelijks leven, naar zonderlinge personen, naar vergeten wetenschappers en schrijvers, evenals naar grote voorbeelden als Flaubert, Jorge Luis Borges, Descartes en Joseph Conrad, eer ik me afvroeg wanneer nu eindelijk Hölderlin aan bod zou komen. Want ik wist dat dat zou gebeuren: het gaat bij zo’n weten bijna altijd om een sterk aanvoelen, een vermoeden; ‘Ahnung’ is een woord dat Hölderlin zelf graag gebruikt, vooral dichters hebben zulke sterke vermoedens, voorgevoelens, bijvoorbeeld van ‘het heilige’.

Een dag voor ik ‘De ringen van Saturnus’ begon te lezen had ik de Duitse film ‘Barbara’ van Christian Petzold gezien, met de mooie en geweldige actrice Nina Hoss. Het verhaal vertelt de geschiedenis van een vrouwelijke arts die Oost-Duitsland wil verlaten maar daar door een aantal pijnlijke voorvallen – en door verliefdheid – niet in slaagt. De film bevat meerdere lagen, de laag van ‘The Adventures Of Huckleberry Finn’, die van ‘De anatomieles van doctor Nicolaes Tulp’ van Rembrandt, en is doordrongen van paranoia, achterdocht, verraad, pijn, ziekte en liefde.

Op pagina twintig van ‘De ringen van Saturnus’ las ik over Thomas Browne, die in Leiden de graad van doctor in de geneeskunde behaalde. Tot mijn grote verbazing vermeldt Sebald daar dat Browne zeer waarschijnlijk bij de anatomieles van doctor Nicolaes Tulp, zoals vereeuwigd door Rembrandt, aanwezig was. Op de volgende twee bladzijden trof ik een reproductie aan van het werk, zoals er ook een in het laboratorium in ‘Barbara’ aan de wand hing. Net als de collega van Barbara – een verklikker voor de Stasi – gaat Sebald dieper in op het werk, vooral op de ongerijmdheden ervan.

Dat Sebald wat later aandacht schenkt aan Borges’ ‘Boek van de denkbeeldige wezens’, een van de werken die ik koesterde toen ik nog veel moest leren, verbaast mij al niet meer. Ik lees door en laat me verrassen, door elke zin, door elk woord.

Ik was al een heel eind gevorderd en dacht nauwelijks nog aan Hölderlin. Op pagina 178 begeeft Sebald zich naar het plaatsje Middleton, waar hij de schrijver Michael Hamburger wilde opzoeken, die daar toen al bijna twintig jaar woonde. Michael Hamburger is me niet onbekend: ik las zijn werk over moderne poëzie ‘The Truth Of Poetry’ in dezelfde periode als ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’ en wist dat het hier nog ergens moest rondslingeren. Het bevond zich helemaal op de laagste plank van een rek in de donkerste hoek van mijn kamer. Eerst moest ik een stapel tijdschriften opzijschuiven, waaronder een exemplaar van ‘Photo’ met een zich masturberende Madonna op de kaft. De foto’s – uit haar boek ‘Sex’ – zegden mij niets meer, ze waren hopeloos gedateerd. Hadden ze mij ooit opgewonden?
J’aime ma chatte. Parfois je contemple dans la glace quand je me déshabille en me demandant à quoi elle ressemblerait sans plus de poils que quand j’étais bébé?

Ik las de korte biografie in de Pelican-uitgave van Michael Hamburger. Net als Sebald een émigré woonachtig in Groot-Brittannië, maar van een oudere generatie. In 1933 uit Duitsland gevlucht. Docent aan de universiteiten van Londen en Reading, dichter, vertaler van Baudelaire en Hölderlin. Nu zouden we het krijgen… Op pagina 184 bij Sebald las ik: “Dagen- en wekenlang breek je je tevergeefs het hoofd, je zou geen antwoord weten op de vraag of je blijft schrijven uit gewoonte of uit geldingsdrang, of omdat je niets anders geleerd hebt, of uit verwondering over het leven, uit waarheidsliefde, uit wanhoop of verontwaardiging, en ook zou je niet kunnen zeggen of je van het schrijven nu wijzer of dwazer wordt.” Hier kan alleen maar een excursie naar de wereld van Hölderlin op volgen, naar de man die zijn brieven unterthänigst ondertekent met de naam Scardanelli, met zijn zeer geciviliseerde gasten die hem als een zeldzaam dier in een kooi gevangen kwamen begluren en hem desondanks aanspraken met Uwe Hoogheid en Majesteit. En Sebald besluit dit stuk met: “Welke tijdspanne kunnen geestverwantschappen en analogieën overbruggen? Hoe komt het dat je in een ander mens jezelf ziet en zo niet jezelf, dan toch je voorganger?”

michael hamburger.jpg

Een dag later las ik het fragment over het schrijven voor aan mijn psychiater. Ik geloof dat het de eerste keer was – sinds augustus 1997 – dat ik haar iets voorlas. De hele context en reikwijdte scheen ze niet te bevatten. Ik geloof niet dat ze Sebald, Hölderlin, Borges, kent. Maar ze weet alles over duizelingen en wanhoop. Ik besef nu wel dat schrijven voor jou existentieel is, zei ze. Schrijven is je identiteit, zei ze. Dat vond ik goed, dat iemand die ik zo goed ken en tegelijk helemaal niet ken me zei dat schrijven mijn identiteit is. Maar wat maakte me dat opeens bang.