VERKOELENDE REGEN

magritte__lapleinedel'air

Zelden heeft de regen me zo in verrukking gebracht als vandaag. Toen ik weer thuis was van de supermarkt, nog nagenietend, dacht ik aan Hölderlins “verkoelende regen” en het water in de mystieke songs van Van Morrison. Vier dagen lang heb ik moedig weerstand geboden aan de hitte. Maar de verleiding om op de houten vloer te gaan liggen was groot. Wat me dan weer te fatalistisch leek. Om het half uur de handen en armen en soms ook het hoofd onder het koude water houden bracht geen soelaas. De dagen gingen nooit zo traag voorbij als de afgelopen week. Bijna wanhopig wachtte ik op het einde van die genadeloze hittegolf. Ik zal niet de enige zijn. En het ondergaan van een dergelijke hitte heeft ook iets orgastisch, als een kleine dood. Als dat een troost mag zijn.

Ik weet niet hoeveel graden het in ons appartement was, maar ook met alle ramen en gordijnen dicht in het donkerste hoekje van de minst hete kamer was het te heet en kon ik maar met moeite ademhalen.

Naar de dichtstbijzijnde metrohalte is ongeveer een kwartier lopen. Ik heb het drie keer gedaan;  het lijkt wel of je door een oven loopt. Na enkele uren koelte in de bioscopen Palace en Toison d’or en het Magritte Museum en in de koele galerijen aan de Naamsepoort moet je toch weer opnieuw de hitte trotseren. Weer de metro in en een kwartier via een omweg door een verschroeid park naar huis lopen, een slapeloze nacht tegemoet.
Maar wat een luxe dat wij deze regen hebben. Dat ons op het einde toch nog ten deel valt waar we gedurende die oeverloze dagen zo naar hebben uitgekeken.

Afbeelding: René Magritte, La plaine de l’air (1940)

VAN REGEN WORD JE NIET ZIEK

antwerpenstation1.jpg

Je hebt gelijk. Van regen, ook niet van de grillige en wrede van eind april, word je niet ziek. Zelfs niet als je uit een beschimmeld katholiek klooster naar buiten stapt, met je hoed op, het vilt al gauw stinkend door de beenderlijm die nat wordt, en je een doolhof betreedt van vrome chassidische straten. Niemand buiten zijn huis, buiten zijn kamer. It’s a wide open road, denk je. Maar dat is slechts schijn. Je kunt niet zomaar kiezen waar je gaat. Er zijn de beperkingen die je lichaam je oplegt. Je ontmoette een paar uur geleden nog een man die je meedeelde, van elke drie van onze leeftijdgenoten heeft er nu een kanker. Dat zei hij, dat mocht, het was tijdens een nacht van de poëzie, in dat klooster.

De bloem die me werd toegeworpen nam me de biecht af. Niet dat het een echte biecht was: ik vertelde dat ik toen ik nog gelovig was nooit had gezondigd. Ik moest elke keer – hoe vaak was dat? – mijn zonden verzinnen: ongehoorzaam, onoplettend, slordig; uiteindelijk ten prooi gevallen aan onkuise gedachten. Die onkuise gedachten hebben mij op het slechte pad gebracht, wat ik nu een goed pad vind, want dat rechte pad ging helemaal in de verkeerde richting, hemelwaarts, waar de leugens heersen van degenen die ons eeuwenlang hebben onderdrukt. In grotten, holen, labyrinten, tussen varens, op heirbanen, snelwegen, in donkere en vals verlichte steden.

Had ik toen ik zo jong was maar geweten dat het goed is te zondigen. Maar je weet nooit iets, tenzij het al laat is, donker wordt, in de herfst, als je moeder en vader begraven zijn en veel van je vrienden je de rug hebben toegekeerd.  Maar kijk, dat heb ik de waterlelie, nat waren haar voeten, opgebiecht. Waarna ik op straat stond, zoals ik al zei, tussen de schimmen, de afwezige chassidim. Waar zijn ze toch allemaal naartoe? Tien jaar heb ik in die buurt gewoond, voor hen op de bel gedrukt, in de keuken het gasvuur gedoofd, hen in het Stadspark geobserveerd, waar ze nu ook niet zijn, alleen wat joggers – en goudvissen in het water. Vreemd. Ik heb het niet zo voor Zionisten, degenen die Palestina koloniseren, maar toen in mijn straat een bom ontplofte in een bus vol joodse kinderen, heb ik begrepen dat de vijand van elke kant komt. Maar waarom komt de vijand van elke kant? Waarom is er een vijand? Dat heb ik nooit begrepen en misschien wil ik het niet begrijpen.
Wat ik nu wel begrepen heb is dat de regen niet ziek maakt, want ik ben nu al drie dagen thuis en ik ben nog altijd niet ziek. Nochtans heb ik er veel voor gedaan om het te worden.

Met natte kleren aan en mijn hoed druipend van de aprilregen zat ik bier te drinken bij een Libanees. Daarna lag ik mij te masturberen in een kleine kamer in de Diamantwijk, tot ik bijna blind werd van het licht. En dat zonder muziek! Ik streelde mezelf om de geur van de stad te vergeten, de geur van het vergaan, van afwezigheid, van riolen en donkere moerassen. Het vochtige land waarop de kathedraal, de Boerentoren en alle huizen die zich binnen de grens van de Eroev bevinden, werden gebouwd. Ik streelde mezelf om mezelf terug te vinden, en jou, die ik altijd overal zoek.

 

 

OM 4 UUR ‘S MORGENS

biljarten

Opgedragen aan Cesare Pavese

Miezerige regen van vier uur ’s morgens dringt door je demi-saison. Er ontsnapt damp aan je mond, een teken van je eenzaamheid, dat als een vreemd verschijnsel, het spoor van een vergeten offer, ten hemel stijgt. Het zou iets moois kunnen zijn, maar je hebt er geen aandacht voor, je voelt alleen maar de pijn van onuitgesproken woorden, ergens achter in je keel.

Je hebt uren over de kermis gelopen tussen luidruchtige mannen en vrouwen, die dikke beren en roze olifanten torsten. Je voelde je niet misplaatst in het gedreun van rock ‘n’ rol en de melancholie van de neonverlichting. Niets is wat het lijkt op de kermis en niets lijkt er op jou. Je voelt je door niemand aangesproken en je bent tot niets verplicht. Je loopt gewoon door, je laat je meedrijven door de stroom, je netvlies ontvankelijk voor purperen spreuken, voor gifgroen opflitsende mascarons. Veelkleurig grijnzen, denk je, dat zou je moeten kunnen. Niet alleen frieten met mayonaise eten, maar ook veelkleurig grijnzen.

Later, in de miezerige regen van vier uur ’s morgens, zou je moeten kunnen zeggen: “Het is allemaal goed”. Terwijl de regen uit de hemel je dorre lippen vruchtbaar maakt. Terwijl de woorden zich al beginnen los te maken, duiven, nog in de omgeving van Barcelona, maar al op weg naar huis.
Foto: Martin Pulaski

NATTIGHEID IN SPA

spa 1

Ik ben dan toch als dezelfde man uit Spa teruggekeerd. Niets veranderd. De treinreis erheen was aangenaam en vooral zeer goedkoop. Ik heb geen Simenon gelezen, evenmin iets anders. We hebben gepraat over reizen, over New York, Chicago, Nashville. Over Lissabon, waar we in maart naartoe gaan. Over allerlei bestemmingen, maar niet over Spa. Ik heb veel naar de winterse landschappen gekeken en zitten mijmeren. Sommige vergezichten deden me aan Breughel denken. In Verviers gingen mijn gedachten naar Luc Sante en zijn schitterend boek over – onder meer – deze streek, ‘De feitenfabriek’.
In Spa regende het hard, en het was een heel eind naar het hotel. Druipnat worden in de nabijheid van de thermen, dat was weer eens iets anders. Aangezien het hotel maar niet in zicht kwam hebben we in een toeristisch informatiecentrum een taxi laten bellen. Het stadje telt er drie. Drie taxi’s.

Dat ik ondanks de goede nachtrust niet zou veranderen, daar had ik al een vermoeden van, ik had me dan ook wijselijk ingedekt.

Over het verblijf in het hotel en het feest heb ik weinig te melden. Het was een personeelsfeest zoals er twaalf in een dozijn zijn. Drinken, eten, speeches, muziek en dansen op oubollige muziek. Af en toe wat praten over wat je nog te binnen wil schieten. Laat op de avond vroeg iemand me, wat heb je graag gelezen in 2006? Ik kon geen antwoord geven, ik wist niets meer, geen enkele titel, geen enkele naam. Na een paar minuten of zo hebben we het over Borges gehad, en nog wat later over Paul Auster en Ian McEwan. Ik zei dat ik die hedendaagse schrijvers zeer bewonderde. Mijn hersens hadden zich kennelijk helemaal op het oppervlakkige ingesteld en waren niet meer soepel en scherp genoeg om dieper te graven. Na al de wijn moest ik dringend een Duvel drinken om weer wat op gang te komen. Maar zoals Boudewijn De Groot al zong, we zijn niet meer als toen.

En zo ben ik nu weer thuis in Brussel, dezelfde man voor het raam, de man die zichzelf moet aanvaarden, die geen vat heeft op de dagen en het klimaat. De man die zich afzondert en vanuit de verte bewondert en liefheeft.
Neen, het was geen gewoon feest, het was een mooi feest. Ik heb fijne mensen ontmoet, lekker gegeten en gedronken, fijn gepraat, mezelf vergeten. Ook heb ik op muziek van James Brown gedanst. Een in memoriam dans.