BUITEN DE MAATSCHAPPIJ? PATTI SMITH IN DE AB

patti3

Dat je alleen in clichés over muziek kunt schrijven is uitermate storend. Weinigen is het gegeven een behoorlijke, inzichtelijke en gevoelvolle recensie van een rockconcert of van een cd te schrijven. Zelf kan ik het niet, de muziek is te heilig, mijn woorden te profaan. En toch kan ik er soms niet aan weerstaan. Soms wil ik mijn enthousiasme meedelen, zoals nu over het concert van Patti Smith in de AB gisteren. Maar wat kan ik meer zeggen dan dat het een schitterend, geïnspireerd, warm, levensbevestigend concert was? Dat ik er van genoten heb. Dat er nog weinig muzikanten, zangers of zangeressen zijn, die me zo uit mezelf kunnen halen en meevoeren naar een andere dimensie.
Patti Smith bezweert, met haar stem, haar ogen, haar gebaren, af en toe met de betoverende tonen van haar klarinet. De muziek van haar band stijgt naar het hoofd, verwarmt de hersens en stimuleert de verbeelding. Ze is als een sterke en heilzame drug, zonder neveneffecten. Vervoering is het resultaat van de tomeloze energie waarmee Patti Smith haar songs bezielt. Soms is het alsof ze engelen en duivels ten tonele voert, die daar dan even in innige omhelzing met elkaar staan te dansen, zich herinnerend dat William Blake zowel met de hemel- als de helbewoners converseerde. Patti Smith had alle recht om te zingen dat ze ervaring had. Ze legde – onuitgesproken, maar onmiskenbaar – het verband tussen Are You Experienced? van Jimi Hendrix en The Songs Of Innocence And Experience van William Blake. Het verband was vooral aanwezig in haar klarinetsolo. En wij, het publiek, konden deelhebben aan die ervaring. Soms ook zag ik hier en daar een paradijsvogel in de zaal klapwieken, onder meer toen Patti Smith een ‘dérèglement de tous les sens’ bewerkstelligde tijdens de voordracht van Birdland, een song geïnspireerd door de autobiografie van Peter Reich, de zoon van de grote Wilhelm Reich. En wat nog meer? Smells Like Teen Spirit was een lang aangehouden ingehouden extase. Wie anders dan Patti Smith slaagt erin om een hele zaal Feed Your Head te laten meezingen – en niemand die nog aan Grace Slick denkt, tenzij uren later bij het drinken van enkele liters bier, om weer op adem te komen. Natuurlijk was er ook het omineuze Privilege (Set Me Free), waar ik het gisteren al over had, waarin de protagonist niet alleen vloekend wacht op een god, maar ook smeekt om energie. De protagonist die om energie smeekt kan Patti Smith zelf niet zijn. Ik ken namelijk niemand die zoveel energie uitstraalt. Zou ze die uit het bronwater halen of uit de Marrokaanse muntthee of uit de cakejes uit Amsterdam? Of gewoon uit zichzelf?
Wat een mooi cadeau was dat voor Ann Demeulemeester, en voor ons allemaal, die romantische cover van Lou Reeds Perfect Day… En wat een ontroerende verschijning van George Harrison toen Within You Without You werd uitgevoerd. Pissing In A River, dan maar, of Gloria, met de absolute beginselverklaring ‘Jesus died for somebody’s sins but not mine’ – waar ook weer het refrein door de hele zaal, nu helemaal uitzinnig, werd meegezongen. Een mooi intermezzo van Lenny Kaye, trouwens, met zijn cover van You’re Pushing Too Hard, oorspronkelijk van The Seeds. In 1971 voor hij gitarist werd in de Patti Smith Group schonk Lenny Kaye ons de baanbrekende en invloedrijke compilatie Nuggets: Original Artyfacts From the First Psychedelic Era 1965-1968, een verzameling van 24 vroege punk rock-pareltjes.
Wat nog meer? De apotheose van Rock & Roll Nigger, met deze onsterfelijke regels:

Jimi Hendrix was a nigger.
Jesus Christ and Grandma, too.
Jackson Pollock was a nigger.
Nigger, nigger, nigger, nigger,
nigger, nigger, nigger.

Outside of society, they’re waitin’ for me.
Outside of society, if you’re looking,
that’s where you’ll find me.
Outside of society, they’re waitin’ for me.
Outside of society.

Ik had een zeer vreemd gevoel toen ik ‘outside of society’ meebrulde, dat moet ik eerlijkheidshalve toegeven. Maar dat doet niets af aan de waarde van dit concert. Mijn excuses voor de clichés. Ik kon niet anders.

JESSE SYKES: THE AIR IS THIN

Like-Love-Lust

Gisteren zag ik in een zaaltje van de Kruidtuin Jesse Sykes & the Sweet Hereafter, maar ik kan er haast niets over schrijven. Ik ben te moe. Voor de langharige zangeres met de toch wel bizarre stem aan haar optreden kon beginnen moesten we eerst een lange rij Franse, zeer vervelende en eentonige folkies ondergaan. Was het dan nog the Incredible String Band geweest, met een uitvoering van The Hangman’s Beautiful Daughter of Françoise Hardy met haar hele oeuvre… Maar neen, het waren Franse folkies op akoestische gitaren, fluitjes en kora’s met 28 snaren. Please come back, Toumani Diabate! Het was bijna middernacht eer aanving waar we voor gekomen waren. Ik zat niet bepaald naar mijn donsdeken te verlangen, maar kon me toch ook niet echt goed meer concentreren. Jesse Sykes is een vrouw met een jongensstem, ze heeft mooie lange haren; ik heb een sterk vermoeden dat ze Amerikaans-Indiaanse voorouders heeft, haar uitspraak van het Engels is niet helemaal Amerikaans of Canadees. Dat is een pluspunt. Haar liederen klinken melancholisch, ze zijn geschreven vanuit een diep verdriet, maar ook een groot verlangen naar ik weet niet wat. Het zoete hiernamaals, misschien, hoewel ik betwijfel of ze in die onzin gelooft. Jesse Sykes raadde ons aan om Neil Youngs Tonight’s the Night aan te schaffen, als we die cd nog niet in ons bezit hadden. Het is een van haar favoriete langspeelplaten. De dag tevoren had ik de titelsong gedraaid in mijn ‘nachtprogramma’: een verwantschap. Haar relatie met haar gitarist is even vreemd als haar verschijning en haar stem. Haten ze elkaar of hebben ze elkaar lief? The air is thin, zingt de zangeres, met een stem vol bittere weemoed, of is het toch lustgefluister? De band lijkt wat op Crazy Horse, maar dan meer ingetogen. Wat moeten we van dit alles denken? Wordt ze even beroemd als Christina Aguilera, als Paris Hilton, als Geronimo, als Billy Green Bush (die nog in Five Easy Pieces van Bob Rafelson meespeelde)? Alles is mogelijk. Maar het is vooral vermoeiend om over zulke dingen na te denken. Zeker als je al moe bent.

Ja, het leven is vermoeiend en de kranten schrijven niets dan onzin. Wat ik over Cat Power heb gelezen in De Standaard en in De Morgen grenst aan verbale misdadigheid tegen de menselijkheid. Maar – ogenschijnlijk – hebben deze kenners het laatste woord. Het zijn snobs die denken dat ze het allemaal beter weten omdat ze artiesten al tien jaar geleden zagen optreden in een klein zaaltje in Denderleeuw in het voorprogramma van De Mens of Het Dier. Wat is het allemaal vermoeiend en wat zet het aan tot buitensporig drankgebruik, waar je dan wel nog meer moe van wordt. Genoeg! De volgende keer zal ik het nog eens over mijn interessante zelf hebben.

 

RENE POLLESCH / L’AFFAIRE MARTIN

volksbuhne

Wie zijn toch de anderen? Dat is de vraag die René Pollesch zichzelf en ons, de anderen, stelt. De anderen blijken altijd andere anderen te zijn. Je raakt er gewoon niet uit. Ben ik niet altijd de andere, zelfs mijn eigen andere, omdat ik gescheiden ben van mijn taal en mijn denken los lijkt te zweven, zonder deel uit te maken van mijn lichaam? Ik ben als mens gescheiden van het dier dat ik desondanks ben. Over zulke dingen hebben de personages van René Pollesch het bijna de hele tijd. Wie durft nog beweren dat de Duitsers geen gevoel voor humor hebben? René Pollesch is de geniale regisseur van de Volksbühne Am Rosa-Luxemburg-Platz in Berlijn. Ik zag gisteren in het kader van het kunstenfestivaldesarts zijn stuk ‘L’affaire Martin! Occupe-toi de Sophie! Par la fenêtre, Caroline! Le mariage de Spengler. Christine est en avance’. Inderdaad, een kanjer van een titel, maar die is op zichzelf al grappig, en ik vind het bovendien leuk dat mijn naam erin voorkomt. Enkele maanden, nu jaren geleden, ben ik vanop een afstand verliefd geweest op een meisje dat Christine heette. Ik heb haar mijn liefde nooit verklaard. Maar dat doet hier niet terzake. Als u alles wilt weten over het leven van de anderen, over het verschil tussen een ouderwetse in stofjas gehulde regie-assistent en een regie-assistent met een eigen mening, over Jane Goodall en de chimpansees en hoe de Tanzanianen in de mist verdwijnen, over het leven van bacteriën en virussen, waarom de Duitsers neo-nazi’s nodig hebben, hoe dat nu eigenlijk zit met de Sileziërs en de Tsjechen en de Polen, over de ware, niet-biologische aard van Jan Ulrich en de echte betekenis van de gele trui, dan moet u vanavond naar dit stuk gaan kijken, in het Kaaitheater. Het is uitermate boeiend en het lijkt nergens anders op, ook niet op het leven van de anderen.

In het programmablad zegt René Pollesch het volgende: “Mijn voorstellingen vallen bepaalde denkwerelden en beelden aan die we nog met ons meedragen en waar we ook naar willen handelen. Maar dat lukt ons niet meer. Ik ben erg geïnteresseerd in dat conflict. Als er bij mij sprake is van een desoriëntatie in de sociale omgang, dan oriënteer ik me met mijn teksten.” En ook: “Wij zijn geen autonome subjecten, zoals het klassieke drama die kent. We hebben de controle verinnerlijkt, en onze subjectiviteit is datgene waaraan we werken, wat we verkopen.”

Nu moet ik boodschappen gaan doen en daarna vertrek ik naar Antwerpen voor mijn radioprogramma. Mijn playlist hebt u nog van mij te goed. Het thema dat ik heb gekozen is de nacht. Het vervelende is dat er massa’s songs zijn over de nacht; het was dan ook moeilijk om een selectie te maken. Maar dat zijn de kleine ups en downs van het leven. Niets om over te klagen. Mijn kater daarentegen!

CAT POWER IN HET KONINKLIJK CIRCUS

Gisteren beleefde ik het genoegen Cat Power aan het werk te zien in mijn favoriete Brusselse concertzaal, het Koninklijk Circus. De voorbije dagen heb ik het al meermaals over koningen gehad, reden waarom ik dat nu nalaat. Ik voel me bovendien allesbehalve koninklijk en Cat Power is evenmin een koningin. Al dat gedoe met die titels kan me gestolen worden. Vandaag nog meer dan anders. Mijn huidige toestand – waterzuchtig – is van katachtige oorsprong. Cat Power, die volgens de roddelrubrieken de drank heeft afgezworen, is dan weer een doodgewoon soulmeisje, dat zich heerlijk eigenzinnig op een podium beweegt, niet bepaald katachtig, meer menselijk al te menselijk. Sommige soortgenoten schijnen daar problemen mee te hebben, las ik de voorbije weken en maanden in sommige teksten en blogs. Dat begrijp ik helemaal niet. Als het over – om maar eens een voorbeeld te noemen – Ryan Adams gaat heeft niemand daar problemen mee, ook niet als hij stomdronken over het podium strompelt en glazen stukslaat. Als Cat Power haar armen in de lucht steekt, voor zichzelf applaudisseert – terecht – of wat aan haar hemdje friemelt, fulmineert de ‘schrijvende’ goegemeente. Uitermate dom, vind ik dat, en echt iets voor ‘mannen’.

Ik houd van stemmen. Voor de stem van Cat Power ben ik naar het Koninklijk Circus gegaan – en ze heeft me niet teleurgesteld. Voor mij is ze, zeker qua frasering, voortaan de jongere zus van Bob Dylan. Haar begeleidingsband, de Dirty Delta Blues, met Judah Bauer op gitaar, Jim White aan de drums, Gregg Forman aan de toetsen en Erik Paparozzi op basgitaar, deed me meermaals denken aan de band die Bob Dylan begeleidde op Bringing It All Back Home en Highway 61 Revisited (uit 1965!). Helemaal die sound, dat scherpe kwikzilveren geluid, met toch een stevige basis in de ritmesectie. Soms gingen mijn gedachten ook wel naar the Small Faces (de latere Faces) en veranderde Cat Power in een vrouwelijke versie van Steve Marriott, ook een unieke en onvoorspelbare blanke soulzanger, een van de beste. Judah Bauer had bovendien heel wat geleerd van de rifpiraat bij uitstek, Keith Richards.

Laat ik dit zeggen: een zangeres die een concert inzet met Naked If I Want To, een song van de tweede beste Amerikaanse band uit de sixities, ik heb het over Moby Grapy, de beste was the Byrds, heeft niet alleen veel lef maar tevens een uitmuntende smaak. En dat eerste nummer zette de toon: gedurende het hele optreden waren de eigenzinnigheid en de pure emotie aan de macht. Aanstekelige grooves en een goed gevoel. Veel bekend werk uit The Greatest, oudere nummers, schitterende covers van ( I Can’t Get No) Satisfaction en These Arms Of Mine, een mix van soul en blues en luisterlied zoals alleen Cat Power die kan brengen. En daar bovenop die warme uitstraling en die heerlijke, eerlijke lichaamstaal van deze Southern Lady. Meer heb ik niet nodig om tot de zevende hemel te geraken. Koninklijker dan ik al was ben ik er echter niet door geworden. Aan degenen die zich storen aan het dansen van Cat Power raad ik een dansje aan in de stijl van Ian Curtis, dance dance dance to the radio!

Voetnoot (toegevoegd op 4 mei). Door een rare kronkel in mijn hersens (of ten gevolge van teveel pils) vergat ik in mijn korte lofzang van het Cat Power-concert het hoogtepunt te vermelden. Dat was zo goed als zeker haar doorleefde versie van Dark End Of the Street, een song van Dan Penn en Chips Moman. Haar versie was bijna even mooi als die van James Carr en overtrof die van the Flying Burrito Brothers, en dat wil veel zeggen.

DE LAATSTEN ZULLEN DE EERSTEN ZIJN

Het concert van Danny & Dusty was delicieus. Hoe daar op dat podium van de AB de rock & roll opnieuw werd uitgevonden, dat was mooi om te zien en vooral om te horen. Dan Stuarts stem is er op de twintig jaar tijd die er verlopen is sinds The Lost Weekend werd opgenomen werkelijk op vooruit gegaan; ze klinkt voller en expressiever. Hij is zelf ook nogal volumineus, maar dat neemt niet weg dat hij tevens charmant is, ontwapenend zelfs, zij het altijd met een dreigend kantje. Het dreigende dat mensen soms hebben die op het randje van de waanzin leven. Ik weet niet of dat voor Dan Stuart zo is, maar het lijkt er wel op. Steve Wynn is minder exuberant, maar zelfs nog charmanter, met zijn lieve glimlach en zijn beheerst voorkomen. Het is duidelijk dat hij de zaken goed in de gaten houdt, zodat de waanzin niet uit de hand loopt. Enigszins beheerste gekte werkt beter.
Bij het begin van het concert is de elektrische machine nog niet helemaal goed gesmeerd, maar na een tweetal songs loopt het allemaal lekker: de keyboards van Chris Cacavas, de bas van Bob Rupe, de steelgitaar en de elektrische gitaar van Stephen McCarthy, de drums van Johnny Hott, de elektrische en akoestische gitaren van Steve Wynn en Dan Stuart. Vertederend is het dat beide heren op elkaars instrumenten spelen. Sommige muzikanten hebben wel twintig gitaren op het podium staan, Danny & Dusty samen twee. Hoogtepunten waren er niet echt, omdat het hele optreden één lang hoogtepunt was. Maar ik ben misschien het meest opgewonden geraakt bij King Of the Losers en Down To the Bone. Dat laatste werd met een extreme intensiteit gespeeld, zonder dat de muzikanten in de clichés van de hardrock vervielen. Deze band zou Bob Dylan moeten begeleiden, dat zou pas vuurwerk geven. De stemmen, de akkoorden, de woorden zinderen nog na in mij – en dat mag nog een tijdje blijven duren.

De eerstvolgende dagen schrijf ik geen woord meer over muziek. Ik ben geen muziekrecensent, hoewel muziek mijn halve leven is – of meer. Het echt diepzinnige werk van popjournalist laat ik aan geniale wijsneuzen als Serge Simonart. Ik ben maar een loser, nee, erger nog, ik ben maar een blogger. Mamma mia! Ik beloof meteen ook dat ik de naam van de wijsneus nooit meer zal neerschrijven, want negatieve reclame is net zo goed reclame.

 

LUCINDA WILLIAMS: ROCK & ROLL WOMAN

Ik heb niets geschreven over het concert van Lucinda Williams. Lezers van deze notities weten dat ik nochtans een fan ben. Het was een goed concert, maar vrij kort en toch ook wel een beetje een teleurstelling, vooral wegens het hoge rockgehalte. De mythe van seks en drugs en rock & roll is Lucinda kennelijk een beetje naar het hoofd gestegen. Ik heb niet bepaald iets tegen harde rockgitaren en stevige bas en drums, maar vrijdagavond leed de subtiele zinnelijkheid, zo kenmerkend voor Lucinda Williams, daar toch wel onder. Ze was wel heel goed bij stem. De paar nieuwe songs die ze ten gehore bracht beloofden veel goeds voor de nieuwe cd. Een van die nummers was, zo merkte ze bescheiden op, geïnspireerd door God en Jim Morrison. Mij deed het vooral aan Patti Smith denken, maar ja, die dame is ook in de leer geweest bij de Lizard King. Ik laat het hierbij, omdat er sinds het concert en dit moment al te veel tijd verstreken is om nog echt spontaan te kunnen zijn. Versta me echter niet verkeerd: mijn lichte teleurstelling ging echt wel gepaard met veel luisterplezier. Alleen weet ik dat Lucinda tot meer en beter in staat is.

RYAN ADAMS IN HET KONINKLIJK CIRCUS

Gisteren traden Ryan Adams & the Cardinals op in het Koninklijk Circus in Brussel, een heerlijke ouderwetse concertzaal, met staanplaats voor de mensen die dicht bij het podium willen staan of die graag wat dansen en met knusse zetels voor degenen met stramme leden of een zwak gestel. Ryan Adams trekt heel wat dronkaards aan: die kunnen ook in de zetels terecht.

Wat hebben wij gisteravond gehoord? Veel, heel veel. Ik probeer een korte opsomming te geven. Singer-songwriter stuff; traditionele en alternatieve country; Canned Heat-stijl blues; Rolling Stones-achtige blues & gospel funk, denk hierbij aan Tumbling Dice of Can’t You Hear Me Knocking; Bo Diddley beat, acid rock in de traditie van the Grateful Dead (met heel wat schitterende spacy jams); door Prince geïnspireerde funk; piano-pop met een knipoog naar Elton John; een flard van The Wind Cries Mary; een beetje disco en punk rock, denk hierbij vooral aan The Clash; en nog het meest southern boogie in de stijl van de grootmeesters van het genre, de Allman Brothers; en natuurlijk ook harmonieuze country rock met als referentie de perfectie van Chris Hillman en Gram Parsons ten tijde van The Gilded Palace of Sin. En dat allemaal zonder aan eigenheid in te boeten: Ryan Adams, dames en heren, een man die de zich de hele geschiedenis van de rock & roll van 1950 tot nu eigen heeft gemaakt. Ik denk dat hij zijn hele platencollectie – die ongetwijfeld zeer uitgebreid is – kan naspelen. Maar nogmaals, Ryan Adams is geen epigoon, hij is geheel en al zichzelf. Een wonderkind van 32 jaar.
In The Cardinals heeft Ryan Adams de ideale band gevonden om zijn songs op de beste manier vorm te geven, om zijn soms extreme emoties enigszins aan banden te leggen, om hem in zekere zin met zijn voeten op de grond te houden, ook al bereiken ze samen grote hoogten. Of zoals Adams zingt: To Be Young (Is To Be Sad Is To Be High), wat, nu de zanger toch ook al weer 32 is, bijzonder nostalgisch klonk. Want is het alles bij mekaar niet mooi om jong te zijn, en droevig, en high?

Ryan Adams en zijn band speelden zo lang en zoveel songs dat het onbegonnen werk is ze hier allemaal op te sommen. Bovendien heb ik lang niet alles herkend. De man is trouwens bijzonder productief. Vorig jaar alleen al heeft hij drie cd’s uitgebracht, waarvan één dubbele. Toch een aantal titels die me door hun intense, vaak emotioneel overweldigende uitvoering zijn bijgebleven. A Kiss Before I Go, The End (over zijn geboortestad Jacksonville), Cold Roses (uit de gelijknamige dubbel-cd), Easy Plateau, het hierboven al genoemde To Be Young, New York, New York (prachtige versie van de eerste track uit ‘Gold’), Dear Chicago (uit Demolition), Magnolia Mountain, Peaceful Valley, Beautiful Sorta, Rescue Blues, Blue Hotel, 29 (dit was qua stijl echt een mix van Canned Heat en Grateful Dead), Shakedown On 9th Street, Wharf Rat (een Grateful Dead cover) en tot slot I See Monsters, uit Love Is Hell. Ik dacht ook Elton Johns Rocket Man te hebben gehoord. Maar na meer dan twee uur hemelse muziek ga je misschien hallucineren.

Ryan Adams is niet bepaald verbaal communicatief. Maar vergeleken met concerten in andere Europese steden viel het in Brussel nogal mee.Zo excuseerde hij zich voor zijn rasperige stem, vanwege een griepje. Zijn stem deed hem denken aan die van zijn oude grootmoeder. Of stel je voor dat je ontwaakt naast de wat oudere Judy Garland, na een nachtje uit, hoe ze dan ’s morgens moet hebben geklonken… Zijn monoloog ontspoorde, ik had niets anders verwacht. Wel, zegt hij, dit is mijn manier om jullie ‘hello’ te zeggen. Let er maar niet op, spreken brengt me altijd in moeilijkheden, maar ik kan wel songs spelen. En dan zijn we weer vertrokken voor een uurtje muziek.

En andere keer heeft hij het over Batman en Robin. Ik begreep er geen woord van. De monoloog hield waarschijnlijk verband met zijn Batman t-shirt. Afsluiter I See Monsters zou hij trouwens uitvoeren met een Batman cape om de schouders en een soort van grinnikende berenkop-masker op het hoofd (of was het een weerwolfkop?). Een vreemd en vervreemdend zicht. Niemand in het publiek die nog om een encore durfde vragen. Dat had ook weinig zin. Ryan Adams & the Cardinals hadden bijna 150 minuten gespeeld en alles gegeven wat ze in zich hadden.

Dit concert staat reeds genoteerd in de toptien van de beste concerten die ik ooit heb bijgewoond (en die nu in mij wonen).

DAN PENN EN SPOONER OLDHAM: BESCHEIDEN MEESTERS

brugge,verjaardag,weekend,cactus,honky tonk,vrienden,dan penn,spooner oldham,soul,pop,muziek,stoepa,hits,muscle shoals,memphis,nashville,vs,patrick riguelle

Vorige zaterdag in Brugge hing er, zoals het cliché zegt, ‘magic in the air’. Ondanks een lichte kater na het vieren van mijn zoveelste verjaardag, de avond ervoor, met lieve vrienden, was ik in een uitstekende stemming. De rust van een zonovergoten Brugge zal daar zeker een rol in hebben gespeeld. We liepen vol verwachting door de straatjes en langs de reien, pratend over weer andere vakantiebestemmingen (Budapest, Lissabon), maar vooral over Dan Penn en Spooner Oldham, en denkend aan onze vrienden Anne-Marie en Theo, die we spoedig zouden ontmoeten. De laatste keer dat we elkaar hadden gezien was op 2 januari in Charleroi, na een heuglijk verblijf in Barcelona.

In de Honky Tonk, een cd- en platenzaak in de Brugse binnenstad, bevonden zich maar twee andere klanten; ze zouden ook naar Dan Penn en Spooner Oldham gaan. Ik kocht er een verzamel-cd van bekende en minder bekende soulzangeressen en bestelde een dubbel-cd van Al Green.
Met onze vrienden hadden we afgesproken in restaurant De Stoepa, kort bij het station en niet te ver van de Magdalenazaal, waar het concert plaats zou vinden. Een bevallig meisje, met prachtige ogen, bracht ons wijn en pasta. Even later stapten Spooner Oldham, Dan Penn en hun echtgenotes en vrienden het restaurant binnen. Aangename verrassing, en nog maar eens een toeval.

Het concert zelf was de eenvoud en bescheidenheid zelf: twee oudere mannen op een podium gezeten. Dan Penn op een stoel, de Martin gitaar als ritme-instrument in de handen, Spooner Oldham achter zijn elektrische Wurlitzer piano. Twee oudere mannen die wel een aantal van de allerbeste soulsongs hebben geschreven, vaak samen, soms alleen, soms met andere songsmeden als Donnie Fritts en Chips Moman: Out Of Left Field en It Tears Me Up (voor Percy Sledge), Dark End Of the Street (voor James Carr; er zijn talloze versies van, waaronder natuurlijk die van the Flying Burrito Brothers), I’m Your Puppet (voor James en Bobby Purify), Do Right Woman, Do Right Man (voor Aretha Franklin), Cry Like A Baby en I Met Her In Church (voor The Box Tops), Sweet Inspiration (voor the Sweet Inspirations), Is A Bluebird Blue (voor Conway Twitty, Dan Penns eerste hit), I’m Living Good (voor The Ovations), The Lord Loves A Rolling Stone (voor Roger McGuinn), de intentieverklaring Nobody’s Fool (oorspronkelijk op de gelijknamige elpee uit 1973 van Dan Penn, nu een collectors item, uitstekend gecoverd door Alex Chilton), Rainbow Road (voor Joe Simon, maar ook met veel klasse uitgevoerd door de diepbetreurde Arthur Alexander), She Ain’t Gonna Do Right en You Left The Water Running (voor Wilson Pickett, kennelijk ook opgenomen door Otis Redding, de beste versie is waarschijnlijk die van Sam & Dave), Woman Left Lonely (voor Janis Joplin) en Zero Willpower (voor Irma Thomas). Dan Penn, met zijn rijke, subtiele en gevoelige stem, en Spooner Oldham, met geïnspireerde begeleiding op de Wurlitzer, brachten doorleefde vertolkingen van bijna alle hierboven genoemde nummers, met daarbovenop nog eens het grappige Memphis Women and Chicken en de gospel Glory Train.
Zelden heb ik zulke koude rillingen gevoeld als bij Rainbow Road. De afsluiter Zero Willpower was puur gevoel, een perfecte synthese van hoe country soul hoort te klinken.
Deze blanke mannen hebben overigens bijzonder veel respect voor de meestal zwarte artiesten voor wie ze schreven en met wie ze in de studio’s in Muscle Shoals, Memphis, Nashville en Los Angeles samenwerkten. Op een bescheiden en soms wat humoristische manier werden een aantal verhalen verteld over Otis Redding, Arthur Alexander (het grote voorbeeld voor Dan Penn, als songschrijver) en Janis Joplin.

Tijdens de pauze konden we bij de echtgenotes – echte Southern Ladies – terecht voor een poster, of gewoon een babbeltje. Na het concert mochten we samen met andere jonge snaken als Roland en Patrick Riguelle in de rij staan voor een handtekening. Een mooier verjaardagscadeau dan een dergelijk uniek concert kun je je niet wensen. Maar de vriendschap van Gerda, bij wie logeerden, is al even mooi. En wat zal ik in de brieven van Pessoa aantreffen, die ik van mijn Anderlechtse muze cadeau kreeg?

LOF VOOR EIGENZINNIGHEID

In de Standaard las ik een intelligente, jubelende bespreking van het optreden van Neko Case in de Botanique vorige zondag. Het artikel van Peter Vantyghem is een hart onder de riem voor allen die van eigenzinnige kunstenaars houden, van mannen en vrouwen die hun eigen weg gaan en (daardoor) weinig bijval vinden bij het grote publiek en in de massamedia, wat voor deze outsiders wellicht een geluk is. Bedankt, Peter Vantyghem. Ik wil je graag even citeren:
“Ze is ook nog maar in kleine kring bekend. Country geniet in Vlaanderen sowieso weinig bijval en Case pakt die Amerikaanse traditie ook nog zo eigenzinnig aan, dat ze algauw voer voor fijnproevers wordt.”
“Dat ze zou eindigen met ,,Hold on, hold on”, de meest autobiografische song die ze ooit schreef, was te voorzien. Het is een van de beste songs die dit jaar al verschenen, een klein wonder van harmonie en sfeer, gezegend met een mysterieuze tekst over het gevecht tussen moraal en de demonen in jezelf.”
“Neko Case is een van de boeiendste Amerikaanse artiesten van het moment, zonder twijfel een groeier. Nu ze op een groter label (Anti) zit, is het tijd dat ze ook in Europa bekender wordt.”

Ik denk dat dit de eerste keer is dat ik de Vlaamse pers citeer. Maar ik kon er niet aan weerstaan. Het enige wat ik mij afvraag is waarom er geen woord af kon voor Catherine Irwin, nochtans ook een meer dan middelmatige ‘country noir’ zangeres. Ik vind ‘country noir’ overigens een uitstekende omschrijving voor dit genre. En het besef dat je als ‘fijnproever’ niet alleen staat geeft een bijzonder aangenaam gevoel. Mijn dag kan niet meer stuk, maar dat zeer terzijde gezegd.

VERLIEFD OP NEKO CASE

Gisteren dat concert van Neko Case & Her Boyfriends. Of hoe heet haar band? Want die schijnt nogal eens van naam te veranderen. Wat kan ik nog schrijven zonder op een teenager te zullen lijken? Ik denk dat ik voor een keer eens aan écriture automatique ga doen. Hold on to that teenage feeling… Impressies, associaties, dingen die in mijn hoofd zitten, feiten, verzinsels… Ik ben alleen al een bewonderaar van Neko Case omdat ze een heel mooie cover opnam van The Train From Kansas City van the Shangri Las. Minder goed dan de originele versie, maar beter dan die meisjes het deden is niet mogelijk: de Shangri Las waren het hoogtepunt van de meisjespopmuziek, ‘the leaders of the pack’. Neko Case werd in 1970 geboren in Alexandria. Misschien is het daardoor dat haar teksten zo literair zijn? Het is alvast geen bakvissenpoëzie in de ‘stijl’ van Avril Lavigne, Robbie Williams & Serge Simonart. Neko Case stamt af van een oud Oekraïens geslacht. Dat waren daar allemaal nihilisten in de negentiende eeuw. Er was daar in die jaren niets te doen. Daarom trokken vele Oekraïeners naar Canada en de wouden van Oregon, op zoek naar goud en pelsdieren. In zekere zin kan het nog altijd. Lees er TC Boyle maar op na. Niet dat die afkomst, dat ‘eigen volk’, veel uitmaakt. Of toch wel? Kennelijk heeft de zangeres voor de teksten van haar jongste cd, Fox Confessor Brings the Flood, inspiratie gezocht in de geschiedenis van haar voorouders, in verhalen, mythen en sagen uit Oekraïne. Daarmee is nogmaals bewezen dat countrymuziek niet zuiver op de graat is. Het is een hybride volksmuziekvorm, de invloeden komen van overal waar je reizen kan. Alexandria ligt in Virginia. België in Congo, Vlaanderen in Oost- en West-Vlaanderen.

Neko Case zag er gisteren uit als een vermoeide vos, niet meer in staat tot streken. Nogmaals een vermoeide zangeres! Ja, ook weer zulk uitgeput meisje, net als Bettye Lavette een week of zo geleden. Wat is dat toch met die vrouwen van tegenwoordig, jong en oud? Overigens is zondag niet de beste dag om naar een rockconcert te gaan. Zelf zit je al met ‘maandag op het werk’ in je hoofd en de muzikanten gaan onder hun kater of hun cold turkey gebukt en zijn verward en humeurig. Dat was nu niet anders dan toen ik ooit Television in de Botanique zag spelen. Tom Verlaine, een groots gitarist, was die avond bovendien zeer boos omdat een of andere klootzak zijn gitaar had gestolen. In die tijd werden trouwens geregeld wat oudere mannen vermoord tussen de struiken en plantjes van de Botanique. Ik had die avond een kater van hier tot in Antwerpen. Om vijf uur ’s ochtends had ik nog op de foor rondgehangen, tussen immense roze beren en miereneters. En toch niet vermoord. Some guys have all the luck.

Neko Case is een Oekraïense schone, of heb ik dat al geschreven, met haar dikke rode haren en doordringende oogopslag. Soms kijkt ze je echt brutaal in de ogen. Ik zag haar ook een jaloerse blik werpen op mijn Bettye Lavette T-shirt. Ze is sexy, zonder dat ze daar veel inspanningen voor doet. Ze had geen make-up op. Ze droeg een heel gewone, maar toch stijlvolle jeans en een Fleetwood Mac niemendalletje van een T-shirt aan. Ze had niets te vertellen. Ze zong. Eerst was dat gewoon zingen, geleidelijk aan werd het hart en ziel. (Dit lijkt wel wat op de stijl van James Ellroy, geloof ik. Of heb ik weer teveel bourbon gedronken? Die man begint elke zin met hetzelfde woord. Die man is een schrijven. Die man kan schrijven. Die man verdient veel geld.)

Haar tweede cd Furnace Room Lullaby, uit 2000 kreeg lovende kritieken in de ‘muziektijdschriften.’ Ook de daaropvolgende cd’s, Blacklisted en The Tigers Have Spoken kenden succes bij degenen die zich kenners noemen. Kenners… Pfff… De opkomst gisteren in de Botanique gaf eerder de indruk dat een debutante het podium zou betreden.

Het zogenaamde voorprogramma was ik bijna vergeten. Neen, Catherine Irwin (van de alternatieve countrygroep Freakwater) is evenmin een groentje. Haar set was boeiend en overtuigend. Het was zo’n vrouw alleen met gedeconstrueerde traditionele liederen uit de Appalachen en blasfemische gospel en ze stond daar op dat podium met in haar blikveld allemaal onbekenden, die in die kelder bijeen waren gekomen zonder eigenlijk goed te weten waarom. Waarom eigenlijk? Waarom in vredesnaam in deze witloofkelder? Songs uitgevoerd zoals het hoort, in de stijl van The Carter Family en the Louvin Brothers, maar koel en soms cynisch. Catherine Irwin vond het jammer dat de apothekers gesloten waren, omdat de “hoestsiroop zo goed is in België”. Ook ‘ons’ witloof werd bejubeld; daartegenover staat volgens Irwin dat Kentucky, waar zij woont, slechts weinig te bieden heeft. En bourbon dan, vroeg iemand in het publiek zich luid af. Ja, zei Catherine Irwin, en de Kentucky Derby (waar Hunter Thompson zo waanzinnig aanstekelijk over heeft geschreven, lang voor hij zich een kogel door de kop heeft geschoten). Het begon meteen goed met My One Desire, en ging door in de traditie van ontsporing, onoverkomelijke honger en doodsdrift, met als hoogtepunt Will You Miss Me When I’m Gone van The Carter Family. Een mooie, sterke vrouw, met ongetwijfeld haar zwakke kanten. Veel van haar liederen gaan over drank, religie, slechte seks en het zich verdrinken in diepe, donkere rivieren.

Als ik het goed heb begrepen werd Neko Case begeleid door Jon Rauhouse (pedal steel), Tom Ray (bas, maar we konden de man niet zien, omdat hij achter een zuil stond te spelen), Paul Rigby (gitaar), Kelly Hogan (backing vocals) en Jason Creps (drums). Jon Rauhouse is een van de de beste pedal steelgitaristen die ik ooit aan het ‘werk’ zag. Ik zet dit woord tussen aanhalingstekens omdat ik me afvraag of je musiceren werken mag noemen.
Veel van de songs die de vermoeide maar vurige zangeres ten gehore bracht met haar dwingende, aan Patsy Cline’s verwante stem, kwamen uit Fox Confessor Brings the Flood: Maybe Sparrow (met een mooi la dee da dee da dee dum), Star Witness, Dirty Knife, Fox Confessor Brings the Flood, Margaret Vs. Pauline, That Teenage Feeling (alleen al de titel is een manifest), en Hold On, Hold On (“the most tender place in my heart is for strangers”), de afsluiter voor de encores kwamen. Tussen die songs werden wat oude parels rondgestrooid, zoals I Wish I Was The Moon Tonight (uit Black Listed) en een onvergetelijke versie van Dylans Buckets Of Rain, echt perfect uitgevoerd.
Een mooi assortiment instrumenten stond op het veel te kleine podium van de witloofzaal, waaronder een aantal oogstrelende akoestische gitaren, ook zo’n rode Gibson Hummingbird, die Neko Case regelmatig ter hand nam. Met haar zeer kleine vingers. Deze gitaar past goed bij haar liedjes, waar vogels vaak in figureren, en bij haar aantrekkelijke rode lokken.
En dan was er de tweede en laatste afsluiter, de gospel John Saw That Number. Waarna we in de kou van de witloof bar stonden. De concertzaal is een gezellige ongezellige kelder, met zuilen die het zicht hinderen. Gisteravond bevond zich daar bovendien nogal wat onbeschoft volk. Tijdens het optreden van Catherine Irwin stonden er twee mannen van zeker twee meter voor ons, en voor alle andere kleine(re) mensen. Of is dat niet onbeschoft? Vermoedelijk wordt daar niet meer over nagedacht. Zoals de Belgen niet nadenken bij het instappen in bussen of treinen of trams. (Ikke ikke ikke en de rest kan stikke.) Tijdens het optreden van Neko Case en haar vrienden kronkelde, ik weet niet hoe ik het anders moet noemen, voor me een vreselijk onbeschoft schepsel, volgens A. was het een vrouw, vet en met heel veel haar op het hoofd. Vanaf een bepaald ogenblik zag ik geen Neko Case meer maar alleen nog die vette kop en dat haar (dat ik helaas ook kon ruiken). Maar wat geeft het! Laat de mensen maar onbeschoft zijn. Ik geraak altijd nog wel op de metro, op de bus, op de tram, op de trein. Desnoods sta ik een kwartiertje. Als ik maar niet ben zoals de anderen. Als ik maar een glimp kan opvangen van een vrouw als Catherine Irwin, van een vrouw als Neko Case, van een steelgitaarspeler als Jon Rayhouse, van een Gibson Hummingbird. Dat volstaat. Dat maakt me gelukkig. En ook dit nog:

Last night I dreamt I’ve forgotten my name
‘Cause I sold my soul
But I woke just the same
I’m so lonely,
I wish I was the moon tonight.

IVO VAN HOVE TEMT DE FEEKSEN!

Gisteren zag ik een verbluffende opvoering van De getemde feeks (of Het temmen van de feeks) door Toneelgroep Amsterdam. Ivo van Hove is een visionair, pervers en uitdagend regisseur. Shakespeare’s komedie was niet echt komisch, hoewel ik vaak heb gelachen, vooral bij situaties waar het ‘normale’ abnormaal werd genoemd, en het abnormale – bijvoorbeeld het hooliganisme – tot norm verheven. Het fijne stijlmiddel van de omkering! Ik heb ook hard gelachen met de zakenman Baptista Minola (Hugo Koolschijn, een schitterend acteur) toen die zelf in de lach schoot. Hans Kesting als Petruchio is weergaloos. Halina Reijn als Katarina, de feeks die moet worden getemd en Karina Smulders, als haar ‘brave’ zus Bianca lijken met plezier hun perverse en tegendraadse rollen te vertolken. Ze schrikken voor niets terug, niet om in een koelkast te kruipen, niet om zich voor een zaal bejaarde Rotary-leden te ‘laten’ neuken, niet om op een tafel te gaan staan en daar te pissen, niet om – ergste feit van de hele voorstelling volgens De Standaard – een werkelijk ontroerend pleidooi te houden voor de onderdanigheid van de vrouw. Waarom vinden sommigen dit zo erg? Dat is gewoon The Taming Of the Shrew: de vrouw wordt haar plaats gewezen, uiteindelijk is ze getemd en geeft ze toe dat ondergeschiktheid en gehoorzaamheid aan de man de natuurlijke toestand is. Dat staat zo in het stuk. Betekent dat ook dat Halina Reijn en Ivo van Hove dat vinden? Dat weet ik niet en dat maakt me niets uit. Ik weet wel dat Halina Reijn op een tafel heeft staan pissen. Dat lijkt me niet echt onderdanig. Dat is gewoon polymorf pervers. Het stuk was na twee uur al gedaan en kreeg helaas geen staande ovatie. De bejaarde leden van de Rotary club hebben nog tot een stuk in de nacht schuimwijn en bier staan drinken. Ze hadden nette pakken aan, geen hooligan-kostuums. Wij hebben zelf schuimwijn en bier staan drinken en hebben de bejaarde leden van de Rotary club goed in de gaten gehouden. We voelden ons zeer jong. Tot deze morgen de wekker begon te rinkelen.

THERE’S NO SUCCESS LIKE FAILURE

Kennelijk is heel Groot-Brittannië in de ban van Bob Dylan. Telkens als ik BBC2 aanzet is er wel iets van of over Bob Dylan. Loop ik voorbij een Engelse boekwinkel hier in Brussel willen etalages vol boeken over de grote songschrijver mij verleiden om even binnen te komen, waar ik wegens geldgebrek voorlopig aan heb kunnen weerstaan. Documentaires en films bekijken op televisie is goedkoper. Zo zag ik een paar dagen geleden het merkwaardige epos Masked and Anonymous, een film van een mij volmaakt onbekende regisseur die Larry Charles heet. Ik heb nog steeds geen moeite gedaan om via google te weten te komen wie dat nu eigenlijk is. Let the mystery be! De scenarioschrijver heeft een Russische naam, maar ik heb heel sterk de indruk dat die Rus in werkelijkheid Robert Zimmerman heet, een beroemde Amerikaan uit de staat Minnesota, wiens voorouders ooit uit Rusland of Oekraïne naar de Verenigde Staten zijn geëmigreerd en na lange omzwervingen in die koude staat, vlak bij de Canadese grens, een huis, een zaak hebben opgebouwd. Dergelijke reizen zijn overigens voortreffelijk gereconstrueerd in het Museum Of Immigration in New York. Alleen al voor dat museum is het moeite waard om de stad de bezoeken.

Waarom denk ik dat de meester ook de scenarioschrijver is? In de eerste plaats doordat de film heel sterk lijkt op een song van Bob Dylan, het meest van al misschien nog wel op Desolation Row. De wereld van Masked and Anonymous is de wereld van Dylan, bevolkt met personages uit zijn songs, uit zijn verbeelding en uit zijn biografie. Het is een bijzonder boeiende ervaring om gedurende twee uur in die chaotische wereld ondergedompeld te worden. Bob Dylan schreef ooit “I accept chaos. I hope chaos accepts me”. Als je deze film bekijkt doe je er ook goed aan om de chaos te accepteren, hoewel het een chaos is die een kunstenaar naar zijn hand heeft gezet, vorm heeft gegeven, Apollinisch heeft gemaakt, om met Nietzsche te spreken. Overigens zijn Dylan en Nietzsche verwante geesten, denk ik. Het komt me voor dat beiden de muziek als een soort van oorsprong zien, voor Nietzsche van de tragedie (of ook wel de opera van Richard Wagner), voor Dylan de zin van het bestaan, waar ook het tragische overheerst. Het tragische betekent dat er een noodlot heerst, bij de Grieken ananke genoemd, waar je hoegenaamd niet kunt aan ontkomen. Iedereen kent het verhaal van de jonge man die naar Isfahan vlucht om aan de dood te ontsnappen, en het is precies in Isfahan dat de dood hem op staat te wachten. Tragisch. Het noodlot, het lot, het menselijk bestaan. In de film heet Bob Dylan Jack Fate. Het is een onverschrokken schriel mannetje, niets lijkt hem te raken, liefde, haat, revolutie, om het even… Maar elk ding en elk dier en elke mens zijn het waard er te zijn omdat ze er zijn, en dwingen om die reden bewondering af. Wat zijn goed en kwaad in een tragisch bewustzijn? Toch zong de man ooit: I define these words quite clear, no doubt, somehow. Let vooral op de uitdrukkingen “no doubt” en “somehow”.

De (arche)typisch Dylaniaanse mythologische figuren, zei ik. Je ziet in Masked and Anonymous een heleboel figuranten rondlopen, die eruitzien als Gandhi of Paus Johannes Paulus of zo, maar dat zijn dan ook zo van die schriele mannetjes zoals Jack Fate zelf. Je weet toch dat Bob Dylan ooit voor de paus heeft opgetreden? En dat zowat alle Dylan-fans toen boos en teleurgesteld waren. Maar waarom zou je niet optreden voor de paus als je ook optreedt voor vijfduizend boe-roepers in Royal Albert Hall in Londen in 1966 of Manchester, waarbij ze je voor Judas uitschelden? Andere typische mythologische Dylaniaanse figuren zijn de reporter of journalist als vijand en als medestander – dat is een constante in Dylans biografie – en de vrouw als muze, als moeder en als hoer (La maman et la putain, bij de geniale filmregisseur Jean Eustache). Ik ben hier even aan het freewheelen en uit de mouw aan het schudden, dat is wel zo leuk. Graag zou ik nu ook nog, na zovele jaren van abstinentie, een lekkere joint roken, maar helaas heb ik te veel last van astma en kan dat gewoonweg niet. Ooit komt een dag dat ik me eens op een goede spacecake trakteer. (Of jij misschien Ingrid, of een van die andere Dylan fans?)

In Masked and Anonymous wordt heel goed en heel slecht geacteerd. Ik heb een mooie monoloog van Jeff Bridges gehoord, in de dubbelzinnige rol van de reporter Friend, over Jimi Hendrix en Woodstock. Dat Jimi Hendrix The Star Spangled Banner daar speelde, niet om te provoceren of als protest tegen de oorlog in Vietnam, maar om zijn liefde voor zijn land te verklaren, en vooral om liefde te krijgen, want dat was het enige wat hij echt verlangde, dat de mensen hem liefhadden? Verlangen wij dat niet allemaal dan?
Ook andere acteurs en actrices laten zich gewillig door Jack Fate manipuleren: Jessica Lange, de fantastische John Goodman, Mickey Rourke, Penélope Cruz en een klein meisje dat ons allen ontwapent als zij The Times They Are A-Changing zingt:
The first one now will later be last.

Hoogtepunt van de film is wellicht een paranoiascène op basis van het Shakespeare-thema dat de hele wereld een toneelscène is en iedereen een rol speel, met andere woorden dat iedereen anoniem is en gemaskerd door het leven gaat. Een gemaskerde hoeft geen masker te dragen maar kan wel heel goed een Jago zijn. Een Jago hoeft geen geniepige of venijnige kop te hebben, maar kan een vriendelijke jongen, een computerspecialist, een verleidelijk meisje, of een vriendelijke dame op leeftijd zijn. Wat je maar vreest. Geen klein kindje echter, dat nog niet. Dan komen we bij Roman Polanksi terecht, en dat is een heel ander hoofdstuk, voor een andere nacht.

Ik wilde het nog over een andere interessante mislukking hebben, Broken Flowers, van Jim Jarmusch, een film opgedragen aan Jean Eustache, en er via Wim Wenders en Der Amerikansische Freund ook heel subtiel naar verwijzend, maar ik ben veel te moe, zeker nu ik Doug Sahm hoor zingen, Stoned Faces Don’t Lie, zingt hij, was het maar waar, reden die volkswagentjes nog altijd maar zo vriendelijk rond, was de wereld maar liever lief, zoals in 1968 werd gedroomd, een van de wreedste jaren van de 20ste eeuw, in zekere zin… Was was was. In Golden Gate Park. Slaap. Moe. Wat zeg ik? Wie ben ik? Waar is mijn slaapmasker?

CHARLOTTE EN DOROTHEE : MEISJES!

Het probleem is echter dat ik niet kan doorslapen. Omstreeks vier uur word ik wakker en kan de slaap niet meer vatten, waardoor ik altijd moe ben. Ik heb net naar de Brusselse film ‘Meisje’ van Dorothée Van Den Berghe gekeken, op de televisie, ingeleid door Mr Proper. Toen hij nog nieuw was – de film – heb ik hem al eens in de cinema gezien en heel mooi en origineel en ontroerend gevonden. Meisjesachtig mooi. Ik had ook graag zitten kijken naar het dansende meisje met de witte huid, Charlotte Vanden Eynde. Ik weet niet of ik Van Den Berghe en Vanden Eynde juist schrijf. Vlaamse namen die met ‘van’ beginnen vind ik bijzonder moeilijk om te spellen. Er zou een regel moeten bestaan die ons ertoe verplicht dat allemaal aan elkaar te schrijven; of anders ‘van’ en ‘den’ gewoon afschaffen. In dat geval zou het Dorothée Berge en Charlotte Einde worden, veel eenvoudiger en mooier. Stel je voor dat Marilyn Monroe Marilyn From The Monhroe zou heten, en Marlon Brando Marlon From The Brandho! Neen, daar zijn die Amerikanen stukken beter in, in namen. Neem nu Woody Allen, die had in den beginne een vreselijk ingewikkelde naam, en heet al lange tijd doodgewoon Woody Allen. Bij mij doet die naam meteen aan een klarinet denken, en zo hoort het ook.

Charlotte Vanden Eynde kan prachtig dansen, zowel in haar eigen creaties als bij Jan Decorte. Maar ik moet nu to the point komen. ‘Meisje’ vond ik niet langer goed. Hoe komt dat dan toch? Niet door Charlotte, ook niet door Els Dottermans (integendeel, Els Dottermans is erg goed op dreef en ziet er bijzonder zinnelijk uit, ze straalt een verrukkelijke lust uit), zelfs niet door Mathieu Schoenaerts… Door wat dan wel? Door het flutverhaal. Dat heb ik de eerste keer niet gemerkt, waarschijnlijk omdat ik toen de hele tijd naar het spel van de actrices heb zitten kijken. Ik heb hoegenaamd niets tegen vervelende verhalen, maar er moet wel drama zijn, er moet iets zijn. In deze film is er bijna niets, en dat bijna niets stelt niets voor. Bovendien werkt Dorothée Van Den Berghe veel te veel met close ups. Daarbovenop krijg je dan nog eens oersaaie muziek voorgeschoteld van een talentloze kerel die zich Daan noemt. Dat was waarschijnlijk heel cool, een jaar of vijf geleden, dat je je Daan noemde. Ik heb in die periode een zeer boze brief geschreven naar Humo, omdat ze ‘Meisje’ ongunstig hadden besproken. Humo heeft mijn brief niet willen publiceren. Waarschijnlijk omdat ik gelijk had. Ik heb zelden gelijk, maar als een brief van mij niet wordt gepubliceerd, dan is de kans groot dat ik wel gelijk heb. Spreek ik mezelf nu tegen? Neen, want zoals Bob Dylan zegt: I was so much older then, I’m younger than that now.
Over de ‘nieuwe’ cd van Bob Dylan zal ik zwijgen. Alleen dit: luister eens naar Leopard Skin Pillbox Hat. Een andere tip is Let’s Dance, de Bowie-song, uitgevoerd door M Ward. Kippenvel, en je moet er zelfs niet op dansen. En The Lemonheads, dat is altijd kippenvel, even goede popmuziek als the Beatles en the Byrds. Het is ten hemel schreiend dat Evan Dando zichzelf zo snel verwoest heeft.

Echt jammer dat ik ‘Meisje’ vanavond vervelend vond. Maar Dorothée Van Den Berghe heeft nog een fout gemaakt. Ze had die dikke acteur nooit mogen laten meespelen: een hond in een kegelspel. Het is een heel lieve man, maar bij voorkeur beperkt hij zich tot accordeon spelen en aan quizzen meedoen. Dat zou moeten volstaan. Dorothée Van Den Berghe moet vooral films blijven maken. ‘Meisje’ is – nog altijd – een mineur werk dat grote verwachtingen schept.

 

4.48 PSYCHOSE / NANETTE EDENS / SARAH KANE

Donderdagavond heb ik tijdens het theaterfestival hier in Brussel een voorstelling gezien van 4.48 Pyschose van Sarah Kane, een toneelauteur die op jonge leeftijd zelfmoord pleegde en mede daardoor waarschijnlijk veel belangstelling kreeg, zoals dat wel vaker gebeurt. Haar toneelteksten zijn geschreven in de traditie van Antonin Artaud, als je dat al een traditie kunt noemen. Artaud was natuurlijk veel radicaler in zijn waanzin en werd dan ook zelden of nooit opgevoerd, alleen een bewerking van Shelley’s The Cenci kende wat bijval. Artaud had het stuk vertaald zonder enige kennis van het Engels. Dat had hij ook al gedaan met The Monk van Matthew Gregory Lewis. Artaud werd bewonderd door een tweetal kunstenaars en een drietal intellectuelen, en door Anaïs Nin natuurlijk. Ik bezit zijn volledig werk, dat eigenlijk zeer onvolledig is, in de witte reeks van Gallimard. Ik geloof dat het nu al in de Pléiade-reeks is uitgegeven. Aan zowat alle universiteiten worden er scripties en thesissen over Artaud geschreven. Waarschijnlijk zal de belangstelling voor Sarah Kane van meer voorbijgaande aard zijn. Haar teksten zijn zeker goed – ik heb vroeger ook al eens een voorstelling gezien van Cleansed in een regie van Franz Marijnen (zeer esthetisch, ja, maar mag dat wel, als het over geweld, psychose en doodsverlangen gaat?) – maar hebben niet de bezwerende en eigenzinnige kwaliteiten van die van Artaud. De voorstelling die ik vorige donderdag zag, door het Zuidelijk Toneel, in een regie van Olivier Povily, met Nanette Edens in de enige ‘rol’, vond ik zonder meer goed. Ik heb geboeid zitten luisteren naar de monoloog, naar sommige woorden, naar de verschillende taalregisters en tekstlagen. Ik heb zitten kijken naar de minimale lichaamstaal – het uitdoen van het jasje was een dramatisch moment van jewelste -, naar het zeer groot aantal ‘gezichten’ van de actrice. Bijna altijd speelde er een soort van sarcastische glimlach om haar lippen. Een keer heeft ze luid gebruld, haar gezicht kleurde rood, de sarcastische glimlach was weg, heel even maar. Ik heb niet alle woorden verstaan, soms sprak ze ook stil, mijmerend bijna. Er werden veel merken van medicijnen genoemd, waarbij de bijwerkingen werden vermeld. Positieve effecten hadden ze meestal niet gehad, volgens de tekst van Sarah Kane. Ik ben erg geschrokken van het feit dat ik zoveel van mezelf herkende in deze psychosevoorstelling (die geen voorstelling mocht zijn), niet alleen in verband met de medicatie die niet werkt, maar ook in verband met eenzaamheid, het gevoel van mislukking, de gedachte dat je je vrienden niets te bieden hebt, dat niets nog iets betekent, dat het leven niets waard is, dat de angst voor de dood je vaak zin geeft om er een punt achter te zetten. Soms dwaalden mijn gedachten af, dacht ik aan rekeningen die moesten worden betaald, of voelde ik pijn in de borststreek, in de keel, in de slokdarm. Het was warm, ik zweette. De avond tevoren had ik met een goede vriend veel te veel wijn gedronken. Dat is niet gezond, maar ik denk dat het helpt tegen psychose en tegen zelfmoord. Nanette Edens heeft een uitstekende monoloog gebracht. Sommige mensen vergeleken haar met Isabelle Huppert, maar ik vind dat je dat niet moet doen. Je moet zo iemand als zichzelf zien, die daar staat, met zo’n verschrikkelijke tekst. Maar zelf vergelijk ik natuurlijk ook de hele tijd. Ik heb dat nu nog gedaan met Artaud. We zijn maar mensen en hebben vergelijkingen, metaforen en metonymieën nodig.

Na het stuk waren we niet echt vrolijk gestemd, maar we hadden wel dorst. We zijn dan nog een Westmalle Tripel gaan drinken in de Greenwich. Vlakbij is een bushalte, waar ik even ben gaan kijken naar de uurregeling. Er hing alleen een rooster uit voor grote vakanties, kleine vakanties, zaterdagen en zondagen. De werkdagen waren afgeschaft. Een zeer goede zaak. Later toen de bus aankwam, stonden we wild teken te doen, omdat de chauffeur niet leek te willen stoppen. Dat heeft hij, een heel stuk verder, alsnog gedaan. De bus was helemaal leeg. Geen wonder als hij al zijn passagiers aan de bushokjes laat staan. Welke regeling van kracht was zou ik niet kunnen zeggen.

EEN PSYCHEDELISCHE GENE PITNEY

Gisteren leefde ik weer een beetje op in het Koninklijk Circus – dat ik liever het Rode Paleis zou willen noemen – bij het concert van Mercury Rev. Net voor het openingsnummer (A Secret For A Song) werd op een groot scherm zo’n beetje de geschiedenis van de rock & roll geprojecteerd aan de hand van foto’s, afbeeldingen van platenhoezen, belangrijke gebeurtenissen, etc. etc. Ook tijdens de set was er veel te zien op de achtergrond: foto’s van sterren en planeten, van insecten, van allerlei weefsels, uitspraken van filosofen als Schopenhauer en Nietzsche, religieuze denkers als Krishnamurti, wetenschappers als Max Planck, kunstenaars en doodgewone schrijvers. Eén schrijver die werd geciteerd was beatdichter Robert Creeley, die onlangs is overleden. Volgens Mercury Rev werd de man wegens zijn ‘onschuld’ vaak belachelijk gemaakt. De uitspraak die we van hem te lezen kregen was dat vorm niets meer is dan een uitbreiding van de inhoud. Wat impliceert dat je je niet moet houden aan bijvoorbeeld ritme of metrum of aan herkenbare beelden. De Amerikaanse band (afkomstig uit de Catskills) plaatste zich op die manier zonder valse bescheidenheid in een duidelijke artistieke, wetenschappelijke en historische context. Nu lijkt het wel of ik naar een literair avondje ben geweest maar dat was helemaal niet zo. Het aangename aan het Koninklijk Circus is dat je je er meteen goed voelt. Waarschijnlijk komt dat door die rode kleur, maar zeker ook door de aangename, gemakkelijke zetels en vooral door het bijzonder vriendelijk onthaal. Je staat er ook niet als slachtvee tegen elkaar gedrukt, zoals dat in de meeste poptempels wel het geval is.

Over de eerste twee bands kan ik kort zijn: ze waren overbodig. Waarom worden avonden op die manier altijd nodeloos gerekt? Het optreden van Mercury Rev daarentegen was meeslepend en mysterieus. Zanger Jonathan Donahue deed me denken aan een psychedelische Gene Pitney. De sound van de band was duidelijk geïnspireerd door Phil Spector en meer nog door de diepbetreurde Jack Nitzsche, aan wie ik vorige zaterdag in mijn radioprogramma aandacht schonk. Na elk moment verwachtte ik dat de groep Expecting To Fly zou inzetten. Dat gebeurde echter niet. Wel was er tijd voor een cover van Dylans You Gotta Serve Somebody.

Het was een bezield en bezielend concert, met een zanger en muzikanten die het publiek veel liefde en troost gaven. Het was zo’n moment waarop de tijd stilstaat (hoe clichématig dat ook mag klinken) en alle ellende van deze stad en de dieptepunten van het bestaan verdwijnen onder een bedwelmende nevel, die dan ook nog eens de geur had van seringen uit de tuin van Eden! Het eindigde allemaal met Jonathan Donahue die bleef herhalen: “In my dreams I’malways strong”… Ontroerend, want de man ziet er fysiek niet sterk uit, eerder fragiel en uiterst kwetsbaar.

Dat alles betekent echter niet dat de diepe wanhoop die mij sinds zaterdagnacht in haar greep had nu als een duivel door de goede Jonathan is uitgedreven. Nee, de duivel van de wanhoop zit nog in mijn ziel en vreet aan mijn hart. Ik wil nog even benadrukken dat ik mijn ziel niet van god heb gekregen (maar misschien wel aan de duivel heb verkocht): mijn ziel zit in elke vezel van mijn lichaam en pulseert als een organisch instrument op het ritme van de stad, van de stemmen en de adem van wie mij omringen, van de muziek en het lawaai, en soms als mijn geest tot rust komt, op het geritsel van de bladeren of het geluid van regendruppels op een houten dak.