BUITEN DE MAATSCHAPPIJ? PATTI SMITH IN DE AB

patti smith 4th of july 2

Dat je alleen in clichés over muziek kunt schrijven is uitermate storend. Weinigen is het gegeven een behoorlijke, inzichtelijke en gevoelvolle recensie van een rockconcert of van een cd te schrijven. Zelf kan ik het niet, de muziek is te heilig, mijn woorden te profaan. En toch kan ik er soms niet aan weerstaan. Soms wil ik mijn enthousiasme meedelen, zoals nu over het concert van Patti Smith in de AB gisteren. Maar wat kan ik meer zeggen dan dat het een schitterend, geïnspireerd, warm, levensbevestigend concert was? Dat ik er van genoten heb. Dat er nog weinig muzikanten, zangers of zangeressen zijn, die me zo uit mezelf kunnen halen en meevoeren naar een andere dimensie.
Patti Smith bezweert, met haar stem, haar ogen, haar gebaren, af en toe met de betoverende tonen van haar klarinet. De muziek van haar band stijgt naar het hoofd, verwarmt de hersens en stimuleert de verbeelding. Ze is als een sterke en heilzame drug, zonder neveneffecten. Vervoering is het resultaat van de tomeloze energie waarmee Patti Smith haar songs bezielt. Soms is het alsof ze engelen en duivels ten tonele voert, die daar dan even in innige omhelzing met elkaar staan te dansen, zich herinnerend dat William Blake zowel met de hemel- als de helbewoners converseerde. Patti Smith had alle recht om te zingen dat ze ervaring had. Ze legde – onuitgesproken, maar onmiskenbaar – het verband tussen Are You Experienced? van Jimi Hendrix en The Songs Of Innocence And Experience van William Blake. Het verband was vooral aanwezig in haar klarinetsolo. En wij, het publiek, konden deelhebben aan die ervaring. Soms ook zag ik hier en daar een paradijsvogel in de zaal klapwieken, onder meer toen Patti Smith een ‘dérèglement de tous les sens’ bewerkstelligde tijdens de voordracht van Birdland, een song geïnspireerd door de autobiografie van Peter Reich, de zoon van de grote Wilhelm Reich. En wat nog meer? Smells Like Teen Spirit was een lang aangehouden ingehouden extase. Wie anders dan Patti Smith slaagt erin om een hele zaal Feed Your Head te laten meezingen – en niemand die nog aan Grace Slick denkt, tenzij uren later bij het drinken van enkele liters bier, om weer op adem te komen. Natuurlijk was er ook het omineuze Privilege (Set Me Free), waar ik het gisteren al over had, waarin de protagonist niet alleen vloekend wacht op een god, maar ook smeekt om energie. De protagonist die om energie smeekt kan Patti Smith zelf niet zijn. Ik ken namelijk niemand die zoveel energie uitstraalt. Zou ze die uit het bronwater halen of uit de Marrokaanse muntthee of uit de cakejes uit Amsterdam? Of gewoon uit zichzelf?
Wat een mooi cadeau was dat voor Ann Demeulemeester, en voor ons allemaal, die romantische cover van Lou Reeds Perfect Day… En wat een ontroerende verschijning van George Harrison toen Within You Without You werd uitgevoerd. Pissing In A River, dan maar, of Gloria, met de absolute beginselverklaring ‘Jesus died for somebody’s sins but not mine’ – waar ook weer het refrein door de hele zaal, nu helemaal uitzinnig, werd meegezongen. Een mooi intermezzo van Lenny Kaye, trouwens, met zijn cover van You’re Pushing Too Hard, oorspronkelijk van The Seeds. In 1971 voor hij gitarist werd in de Patti Smith Group schonk Lenny Kaye ons de baanbrekende en invloedrijke compilatie Nuggets: Original Artyfacts From the First Psychedelic Era 1965-1968, een verzameling van 24 vroege punk rock-pareltjes.
Wat nog meer? De apotheose van Rock & Roll Nigger, met deze onsterfelijke regels:

Jimi Hendrix was a nigger.
Jesus Christ and Grandma, too.
Jackson Pollock was a nigger.
Nigger, nigger, nigger, nigger,
nigger, nigger, nigger.

Outside of society, they’re waitin’ for me.
Outside of society, if you’re looking,
that’s where you’ll find me.
Outside of society, they’re waitin’ for me.
Outside of society.

Ik had een zeer vreemd gevoel toen ik ‘outside of society’ meebrulde, dat moet ik eerlijkheidshalve toegeven. Maar dat doet niets af aan de waarde van dit concert. Mijn excuses voor de clichés. Ik kon niet anders.

JESSE SYKES: THE AIR IS THIN

LikeLoveLustTheOpenHallsOfTheSoul

Gisteren zag ik in een zaaltje van de Kruidtuin Jesse Sykes & the Sweet Hereafter, maar ik kan er haast niets over schrijven. Ik ben te moe. Voor de langharige zangeres met de toch wel bizarre stem aan haar optreden kon beginnen moesten we eerst een lange rij Franse, zeer vervelende en eentonige folkies ondergaan. Was het dan nog the Incredible String Band geweest, met een uitvoering van The Hangman’s Beautiful Daughter of Françoise Hardy met haar hele oeuvre… Maar neen, het waren Franse folkies op akoestische gitaren, fluitjes en kora’s met 28 snaren. Please come back, Toumani Diabate! Het was bijna middernacht eer aanving waar we voor gekomen waren. Ik zat niet bepaald naar mijn donsdeken te verlangen, maar kon me toch ook niet echt goed meer concentreren. Jesse Sykes is een vrouw met een jongensstem, ze heeft mooie lange haren; ik heb een sterk vermoeden dat ze Amerikaans-Indiaanse voorouders heeft, haar uitspraak van het Engels is niet helemaal Amerikaans of Canadees. Dat is een pluspunt. Haar liederen klinken melancholisch, ze zijn geschreven vanuit een diep verdriet, maar ook een groot verlangen naar ik weet niet wat. Het zoete hiernamaals, misschien, hoewel ik betwijfel of ze in die onzin gelooft. Jesse Sykes raadde ons aan om Neil Youngs Tonight’s the Night aan te schaffen, als we die cd nog niet in ons bezit hadden. Het is een van haar favoriete langspeelplaten. De dag tevoren had ik de titelsong gedraaid in mijn ‘nachtprogramma’: een verwantschap. Haar relatie met haar gitarist is even vreemd als haar verschijning en haar stem. Haten ze elkaar of hebben ze elkaar lief? The air is thin, zingt de zangeres, met een stem vol bittere weemoed, of is het toch lustgefluister? De band lijkt wat op Crazy Horse, maar dan meer ingetogen. Wat moeten we van dit alles denken? Wordt ze even beroemd als Christina Aguilera, als Paris Hilton, als Geronimo, als Billy Green Bush (die nog in Five Easy Pieces van Bob Rafelson meespeelde)? Alles is mogelijk. Maar het is vooral vermoeiend om over zulke dingen na te denken. Zeker als je al moe bent.

Ja, het leven is vermoeiend en de kranten schrijven niets dan onzin. Wat ik over Cat Power heb gelezen in De Standaard en in De Morgen grenst aan verbale misdadigheid tegen de menselijkheid. Maar – ogenschijnlijk – hebben deze kenners het laatste woord. Het zijn snobs die denken dat ze het allemaal beter weten omdat ze artiesten al tien jaar geleden zagen optreden in een klein zaaltje in Denderleeuw in het voorprogramma van De Mens of Het Dier. Wat is het allemaal vermoeiend en wat zet het aan tot buitensporig drankgebruik, waar je dan wel nog meer moe van wordt. Genoeg! De volgende keer zal ik het nog eens over mijn interessante zelf hebben.

RENE POLLESCH / L’AFFAIRE MARTIN

rene pollesch,theater,kunstenfestival,party,waanzin,volksbuhne,kaaitheater,politiek

Wie zijn toch de anderen? Dat is de vraag die René Pollesch zichzelf en ons, de anderen, stelt. De anderen blijken altijd andere anderen te zijn. Je raakt er gewoon niet uit. Ben ik niet altijd de andere, zelfs mijn eigen andere, omdat ik gescheiden ben van mijn taal en mijn denken los lijkt te zweven, zonder deel uit te maken van mijn lichaam? Ik ben als mens gescheiden van het dier dat ik desondanks ben. Over zulke dingen hebben de personages van René Pollesch het bijna de hele tijd. Wie durft nog beweren dat de Duitsers geen gevoel voor humor hebben? René Pollesch is de geniale regisseur van de Volksbühne Am Rosa-Luxemburg-Platz in Berlijn. Ik zag gisteren in het kader van het kunstenfestivaldesarts zijn stuk ‘L’affaire Martin! Occupe-toi de Sophie! Par la fenêtre, Caroline! Le mariage de Spengler. Christine est en avance’. Inderdaad, een kanjer van een titel, maar die is op zichzelf al grappig, en ik vind het bovendien leuk dat mijn naam erin voorkomt. Enkele maanden, nu jaren geleden, ben ik vanop een afstand verliefd geweest op een meisje dat Christine heette. Ik heb haar mijn liefde nooit verklaard. Maar dat doet hier niet terzake. Als u alles wilt weten over het leven van de anderen, over het verschil tussen een ouderwetse in stofjas gehulde regie-assistent en een regie-assistent met een eigen mening, over Jane Goodall en de chimpansees en hoe de Tanzanianen in de mist verdwijnen, over het leven van bacteriën en virussen, waarom de Duitsers neo-nazi’s nodig hebben, hoe dat nu eigenlijk zit met de Sileziërs en de Tsjechen en de Polen, over de ware, niet-biologische aard van Jan Ulrich en de echte betekenis van de gele trui, dan moet u vanavond naar dit stuk gaan kijken, in het Kaaitheater. Het is uitermate boeiend en het lijkt nergens anders op, ook niet op het leven van de anderen.

In het programmablad zegt René Pollesch het volgende: “Mijn voorstellingen vallen bepaalde denkwerelden en beelden aan die we nog met ons meedragen en waar we ook naar willen handelen. Maar dat lukt ons niet meer. Ik ben erg geïnteresseerd in dat conflict. Als er bij mij sprake is van een desoriëntatie in de sociale omgang, dan oriënteer ik me met mijn teksten.” En ook: “Wij zijn geen autonome subjecten, zoals het klassieke drama die kent. We hebben de controle verinnerlijkt, en onze subjectiviteit is datgene waaraan we werken, wat we verkopen.”

Nu moet ik boodschappen gaan doen en daarna vertrek ik naar Antwerpen voor mijn radioprogramma. Mijn playlist hebt u nog van mij te goed. Het thema dat ik heb gekozen is de nacht. Het vervelende is dat er massa’s songs zijn over de nacht; het was dan ook moeilijk om een selectie te maken. Maar dat zijn de kleine ups en downs van het leven. Niets om over te klagen. Mijn kater daarentegen!

CAT POWER IN HET KONINKLIJK CIRCUS

rock,bob dylan,cat power,soul,eigenzinnig,brussel,koninklijk circus,recensie

Gisteren beleefde ik het genoegen Cat Power aan het werk te zien in mijn favoriete Brusselse concertzaal, het Koninklijk Circus. De voorbije dagen heb ik het al meermaals over koningen gehad, reden waarom ik dat nu nalaat. Ik voel me bovendien allesbehalve koninklijk en Cat Power is evenmin een koningin. Al dat gedoe met die titels kan me gestolen worden. Vandaag nog meer dan anders. Mijn huidige toestand – waterzuchtig – is van katachtige oorsprong. Cat Power, die volgens de roddelrubrieken de drank heeft afgezworen, is dan weer een doodgewoon soulmeisje, dat zich heerlijk eigenzinnig op een podium beweegt, niet bepaald katachtig, meer menselijk al te menselijk. Sommige soortgenoten schijnen daar problemen mee te hebben, las ik de voorbije weken en maanden in sommige teksten en blogs. Dat begrijp ik helemaal niet. Als het over – om maar eens een voorbeeld te noemen – Ryan Adams gaat heeft niemand daar problemen mee, ook niet als hij stomdronken over het podium strompelt en glazen stukslaat. Als Cat Power haar armen in de lucht steekt, voor zichzelf applaudisseert – terecht – of wat aan haar hemdje friemelt, fulmineert de ‘schrijvende’ goegemeente. Uitermate dom, vind ik dat, en echt iets voor ‘mannen’.

Ik houd van stemmen. Voor de stem van Cat Power ben ik naar het Koninklijk Circus gegaan – en ze heeft me niet teleurgesteld. Voor mij is ze, zeker qua frasering, voortaan de jongere zus van Bob Dylan. Haar begeleidingsband, de Dirty Delta Blues, met Judah Bauer op gitaar, Jim White aan de drums, Gregg Forman aan de toetsen en Erik Paparozzi op basgitaar, deed me meermaals denken aan de band die Bob Dylan begeleidde op Bringing It All Back Home en Highway 61 Revisited (uit 1965!). Helemaal die sound, dat scherpe kwikzilveren geluid, met toch een stevige basis in de ritmesectie. Soms gingen mijn gedachten ook wel naar the Small Faces (de latere Faces) en veranderde Cat Power in een vrouwelijke versie van Steve Marriott, ook een unieke en onvoorspelbare blanke soulzanger, een van de beste. Judah Bauer had bovendien heel wat geleerd van de rifpiraat bij uitstek, Keith Richards.

Laat ik dit zeggen: een zangeres die een concert inzet met Naked If I Want To, een song van de tweede beste Amerikaanse band uit de sixities, ik heb het over Moby Grapy, de beste was the Byrds, heeft niet alleen veel lef maar tevens een uitmuntende smaak. En dat eerste nummer zette de toon: gedurende het hele optreden waren de eigenzinnigheid en de pure emotie aan de macht. Aanstekelige grooves en een goed gevoel. Veel bekend werk uit The Greatest, oudere nummers, schitterende covers van ( I Can’t Get No) Satisfaction en These Arms Of Mine, een mix van soul en blues en luisterlied zoals alleen Cat Power die kan brengen. En daar bovenop die warme uitstraling en die heerlijke, eerlijke lichaamstaal van deze Southern Lady. Meer heb ik niet nodig om tot de zevende hemel te geraken. Koninklijker dan ik al was ben ik er echter niet door geworden. Aan degenen die zich storen aan het dansen van Cat Power raad ik een dansje aan in de stijl van Ian Curtis, dance dance dance to the radio!

Voetnoot (toegevoegd op 4 mei). Door een rare kronkel in mijn hersens (of ten gevolge van teveel pils) vergat ik in mijn korte lofzang van het Cat Power-concert het hoogtepunt te vermelden. Dat was zo goed als zeker haar doorleefde versie van Dark End Of the Street, een song van Dan Penn en Chips Moman. Haar versie was bijna even mooi als die van James Carr en overtrof die van the Flying Burrito Brothers, en dat wil veel zeggen.

DE LAATSTEN ZULLEN DE EERSTEN ZIJN

danny and dusty

Het concert van Danny & Dusty was delicieus. Hoe daar op dat podium van de AB de rock & roll opnieuw werd uitgevonden, dat was mooi om te zien en vooral om te horen. Dan Stuarts stem is er op de twintig jaar tijd die er verlopen is sinds The Lost Weekend werd opgenomen werkelijk op vooruit gegaan; ze klinkt voller en expressiever. Hij is zelf ook nogal volumineus, maar dat neemt niet weg dat hij tevens charmant is, ontwapenend zelfs, zij het altijd met een dreigend kantje. Het dreigende dat mensen soms hebben die op het randje van de waanzin leven. Ik weet niet of dat voor Dan Stuart zo is, maar het lijkt er wel op. Steve Wynn is minder exuberant, maar zelfs nog charmanter, met zijn lieve glimlach en zijn beheerst voorkomen. Het is duidelijk dat hij de zaken goed in de gaten houdt, zodat de waanzin niet uit de hand loopt. Enigszins beheerste gekte werkt beter.
Bij het begin van het concert is de elektrische machine nog niet helemaal goed gesmeerd, maar na een tweetal songs loopt het allemaal lekker: de keyboards van Chris Cacavas, de bas van Bob Rupe, de steelgitaar en de elektrische gitaar van Stephen McCarthy, de drums van Johnny Hott, de elektrische en akoestische gitaren van Steve Wynn en Dan Stuart. Vertederend is het dat beide heren op elkaars instrumenten spelen. Sommige muzikanten hebben wel twintig gitaren op het podium staan, Danny & Dusty samen twee. Hoogtepunten waren er niet echt, omdat het hele optreden één lang hoogtepunt was. Maar ik ben misschien het meest opgewonden geraakt bij King Of the Losers en Down To the Bone. Dat laatste werd met een extreme intensiteit gespeeld, zonder dat de muzikanten in de clichés van de hardrock vervielen. Deze band zou Bob Dylan moeten begeleiden, dat zou pas vuurwerk geven. De stemmen, de akkoorden, de woorden zinderen nog na in mij – en dat mag nog een tijdje blijven duren.

De eerstvolgende dagen schrijf ik geen woord meer over muziek. Ik ben geen muziekrecensent, hoewel muziek mijn halve leven is – of meer. Het echt diepzinnige werk van popjournalist laat ik aan geniale wijsneuzen als Serge Simonart. Ik ben maar een loser, nee, erger nog, ik ben maar een blogger. Mamma mia! Ik beloof meteen ook dat ik de naam van de wijsneus nooit meer zal neerschrijven, want negatieve reclame is net zo goed reclame.

 

LUCINDA WILLIAMS: ROCK & ROLL WOMAN

muziek,rock,lucinda williams,country,live,pop,concert,ab

Ik heb niets geschreven over het concert van Lucinda Williams. Lezers van deze notities weten dat ik nochtans een fan ben. Het was een goed concert, maar vrij kort en toch ook wel een beetje een teleurstelling, vooral wegens het hoge rockgehalte. De mythe van seks en drugs en rock & roll is Lucinda kennelijk een beetje naar het hoofd gestegen. Ik heb niet bepaald iets tegen harde rockgitaren en stevige bas en drums, maar vrijdagavond leed de subtiele zinnelijkheid, zo kenmerkend voor Lucinda Williams, daar toch wel onder. Ze was wel heel goed bij stem. De paar nieuwe songs die ze ten gehore bracht beloofden veel goeds voor de nieuwe cd. Een van die nummers was, zo merkte ze bescheiden op, geïnspireerd door God en Jim Morrison. Mij deed het vooral aan Patti Smith denken, maar ja, die dame is ook in de leer geweest bij de Lizard King. Ik laat het hierbij, omdat er sinds het concert en dit moment al te veel tijd verstreken is om nog echt spontaan te kunnen zijn. Versta me echter niet verkeerd: mijn lichte teleurstelling ging echt wel gepaard met veel luisterplezier. Alleen weet ik dat Lucinda tot meer en beter in staat is.

RYAN ADAMS IN HET KONINKLIJK CIRCUS

flying burrito brothers,ryan adams,cardinals,brussel,koninklijk circus,grateful dead,allman brothers,pop,rock,country,blues,popcultuur,live,concert,batman,robin,maskers,communicatie

Gisteren traden Ryan Adams & the Cardinals op in het Koninklijk Circus in Brussel, een heerlijke ouderwetse concertzaal, met staanplaats voor de mensen die dicht bij het podium willen staan of die graag wat dansen en met knusse zetels voor degenen met stramme leden of een zwak gestel. Ryan Adams trekt heel wat dronkaards aan: die kunnen ook in de zetels terecht.

Wat hebben wij gisteravond gehoord? Veel, heel veel. Ik probeer een korte opsomming te geven. Singer-songwriter stuff; traditionele en alternatieve country; Canned Heat-stijl blues; Rolling Stones-achtige blues & gospel funk, denk hierbij aan Tumbling Dice of Can’t You Hear Me Knocking; Bo Diddley beat, acid rock in de traditie van the Grateful Dead (met heel wat schitterende spacy jams); door Prince geïnspireerde funk; piano-pop met een knipoog naar Elton John; een flard van The Wind Cries Mary; een beetje disco en punk rock, denk hierbij vooral aan The Clash; en nog het meest southern boogie in de stijl van de grootmeesters van het genre, de Allman Brothers; en natuurlijk ook harmonieuze country rock met als referentie de perfectie van Chris Hillman en Gram Parsons ten tijde van The Gilded Palace of Sin. En dat allemaal zonder aan eigenheid in te boeten: Ryan Adams, dames en heren, een man die de zich de hele geschiedenis van de rock & roll van 1950 tot nu eigen heeft gemaakt. Ik denk dat hij zijn hele platencollectie – die ongetwijfeld zeer uitgebreid is – kan naspelen. Maar nogmaals, Ryan Adams is geen epigoon, hij is geheel en al zichzelf. Een wonderkind van 32 jaar.
In The Cardinals heeft Ryan Adams de ideale band gevonden om zijn songs op de beste manier vorm te geven, om zijn soms extreme emoties enigszins aan banden te leggen, om hem in zekere zin met zijn voeten op de grond te houden, ook al bereiken ze samen grote hoogten. Of zoals Adams zingt: To Be Young (Is To Be Sad Is To Be High), wat, nu de zanger toch ook al weer 32 is, bijzonder nostalgisch klonk. Want is het alles bij mekaar niet mooi om jong te zijn, en droevig, en high?

Ryan Adams en zijn band speelden zo lang en zoveel songs dat het onbegonnen werk is ze hier allemaal op te sommen. Bovendien heb ik lang niet alles herkend. De man is trouwens bijzonder productief. Vorig jaar alleen al heeft hij drie cd’s uitgebracht, waarvan één dubbele. Toch een aantal titels die me door hun intense, vaak emotioneel overweldigende uitvoering zijn bijgebleven. A Kiss Before I Go, The End (over zijn geboortestad Jacksonville), Cold Roses (uit de gelijknamige dubbel-cd), Easy Plateau, het hierboven al genoemde To Be Young, New York, New York (prachtige versie van de eerste track uit ‘Gold’), Dear Chicago (uit Demolition), Magnolia Mountain, Peaceful Valley, Beautiful Sorta, Rescue Blues, Blue Hotel, 29 (dit was qua stijl echt een mix van Canned Heat en Grateful Dead), Shakedown On 9th Street, Wharf Rat (een Grateful Dead cover) en tot slot I See Monsters, uit Love Is Hell. Ik dacht ook Elton Johns Rocket Man te hebben gehoord. Maar na meer dan twee uur hemelse muziek ga je misschien hallucineren.

Ryan Adams is niet bepaald verbaal communicatief. Maar vergeleken met concerten in andere Europese steden viel het in Brussel nogal mee.Zo excuseerde hij zich voor zijn rasperige stem, vanwege een griepje. Zijn stem deed hem denken aan die van zijn oude grootmoeder. Of stel je voor dat je ontwaakt naast de wat oudere Judy Garland, na een nachtje uit, hoe ze dan ’s morgens moet hebben geklonken… Zijn monoloog ontspoorde, ik had niets anders verwacht. Wel, zegt hij, dit is mijn manier om jullie ‘hello’ te zeggen. Let er maar niet op, spreken brengt me altijd in moeilijkheden, maar ik kan wel songs spelen. En dan zijn we weer vertrokken voor een uurtje muziek.

En andere keer heeft hij het over Batman en Robin. Ik begreep er geen woord van. De monoloog hield waarschijnlijk verband met zijn Batman t-shirt. Afsluiter I See Monsters zou hij trouwens uitvoeren met een Batman cape om de schouders en een soort van grinnikende berenkop-masker op het hoofd (of was het een weerwolfkop?). Een vreemd en vervreemdend zicht. Niemand in het publiek die nog om een encore durfde vragen. Dat had ook weinig zin. Ryan Adams & the Cardinals hadden bijna 150 minuten gespeeld en alles gegeven wat ze in zich hadden.

Dit concert staat reeds genoteerd in de toptien van de beste concerten die ik ooit heb bijgewoond (en die nu in mij wonen).