I CAN’T STOP LOVING YOU

ray charles i can't stop loving you

Waar komt die stem vandaan? Een tegelijk warme en zeer droeve stem, de stem van Ray Charles, als hij ‘I Can’t Stop Loving You’ zingt? ‘They say that time heals a broken heart / But time has stood still / Since we’ve been apart…”
Waar komt die stem vandaan? De intensiteit, de gretigheid, het verlangen en vooral het allesdoordringende verdriet dat samenhangt met een breuk. Het enige wat die stem komt verstoren zijn andere, blanke, zielloze stemmen – die de producer er waarschijnlijk aan heeft toegevoegd, om de blanke markt te veroveren.

Maar dat laatste wist ik nog niet. Toen. Ik was ongeveer twaalf jaar, een zeer gelovige katholieke jongen, een misdienaar zelfs. Een priester in de kinderkolonie in Rekem, waar ik op internaat zat vanwege astma, al vier jaar, was ervan overtuigd dat ik een ‘roeping’ had. Bij gebrek aan andere interessante lectuur zat ik altijd in het ‘Nieuwe Testament’ te lezen. Ik kende ongeveer alle evangeliën van buiten. Wat in die boeken gebeurde ging alleszins veel dieper en verder dan wat ik ‘las’ als ik in het ziekenpaviljoen lag: Nero en Suske en Wiske, en zelfs Kuifje. De priester die mij de stripverhalen bracht, evenals lege sigarenkistjes, deed altijd nogal vreemd als hij mij een kruisje op mijn voorhoofd gaf en mij ‘slaapwel’ wenste.

De evangeliën gingen bijna altijd over de strijd tussen goed en kwaad, en over Jezus die partij trok voor de meest kwetsbaren, zondaars, outsiders, verstotenen. Zo zie je die evangelische taferelen ook terugkeren in de kunst uit de renaissance. Met zulke outsiders voelde ik me al lange tijd verwant, wellicht door mijn ziekte, waardoor ik niet aan alle spelletjes kon deelnemen en vaak uitgelachen werd, verstoten zelfs, evenals door het feit dat mijn ouders schippers waren, een soort Zigeuners; alleszins geen normale mensen met een huis en een varken of een paar koeien in een wei.

Op mijn twaalfde deed ik mijn plechtige communie. Ik kreeg een echt ‘kostuum’, met lange broek, een polshorloge, zakdoeken met mijn initialen, lederen handschoenen, en nog allerlei andere parafernalia – en wat ik vooral niet mag vergeten: een missaal. Voor wie het niet weet: een missaal is een mooi boek in leder gebonden, goud op snee, met alle verhalen in over het leven van Jezus Christus. Ongeveer dezelfde verhalen als in het Nieuwe Testament. Aan de ene kant stond de Latijnse versie, aan de andere kant de vertaling, zoals je dat nu hebt met de betere vertaalde poëziebundels. Mijn exemplaar bevatte 1702 bladzijden met nog een toevoegsel van 80 bladzijden in verband met ‘feesteigen van de Belgische Bisdommen’.

Ik was bijzonder trots over mijn uiterlijke verschijning, vooral mijn haartooi vond ik zelf adembenemend. Ik dacht dat alle meisjes nu voor me in zwijm zouden vallen. Mijn ‘tante’ Barbara, een dameskapster van beroep, had mijn haren ‘bewerkt’, het was nu een vaste massa, vol ‘lak’ gespoten. Ik voelde me eigenlijk meer toegerust om in een nachtclub rock & roll te gaan dansen dan om de heilige hostie te ontvangen en de hele ermee samenhangende ceremonie te ondergaan, hoewel ik daar ook naar uitkeek. Iedereen kent zulke gevoelens en verlangens wel, als hij zowel het ene als het totaal tegenovergestelde andere wil doen. Van het ritueel kan ik me eigenlijk niet veel meer herinneren. De mis was wat plechtiger dan op andere dagen en ik geloof dat er een bisschop aanwezig was. Er werden plechtige uitspraken over onze toekomst gedaan, wij die de belofte van katholiek België vertegenwoordigden.

Daarna begon het feest. Allemaal familieleden en vrienden van mijn ouders die ik nauwelijks kende. Ik had alleen maar aandacht voor mijn achternichtje Denise, en nog veel meer voor Henriette, de dochter van de sluismeester. We zaten stijfjes aan tafel, dronken water en aten en aten, maar later zou er worden gedanst, iets wat ik nog niet vaak had gedaan in zo’n bont gezelschap. Als ik nu aan die dag terugdenk lijkt het op een dronken roes, op een tocht met een ‘dronken boot’, terwijl ik zeker weet dat ik in die tijd geen druppel alcohol aanraakte. Ik vroeg Henriette ten dans voor een tango, maar ze wees me vriendelijk af. Ik denk omdat ze geen tango kon dansen, maar dat kon ik evenmin. Ik voelde me echter zeer gekrenkt. Het meisje van mijn dromen wilde niet met me dansen! Vervolgens volgde een zwoel nummer van Fats Domino, en ik vroeg dan maar aan Denise of zij wel wilde dansen. Meteen! Ze was als smeltende chocolade in mijn armen. Maar in mijn hoofd zat Henriette. Je wilt altijd datgene en diegene wat en wie je niet hebt. Toch denk ik niet dat Denise er iets van heeft gemerkt (en ik hoop evenmin dat ze dit leest, of juist wel, want ik vond het heerlijk om met je te dansen, mooie Denise, jij die me mee inwijdde in de rock & roll).

plechtige communie 2

Mijn familie was een tragische familie. Mijn grootouders aan vaderskant waren al dood of iets dergelijks voor mijn geboorte. Inderdaad, mijn grootmoeder was vrij jong gestorven, maar wanneer precies werd me nooit meegedeeld en ik weet het nog altijd niet. Ze schijnt te zijn gestorven van verdriet, een soort verdriet zoals in ‘I Can’t Stop Loving You’, om een man die haar bezwangerd had, maar haar vervolgens in de steek gelaten. De vrucht was mijn vader, een natuurlijk kind, een bastaard. Zoon van een stalknecht of van een baron? Want mijn jong gestorven grootmoeder aan vaderskant werkte op het kasteel van Hocht. Wat daar allemaal niet gebeurde! Maar dat was voor mijn tijd, voor de geboorte van mijn vader zelfs. Het roept herinneringen op aan een toneelstuk van Strindberg. Wie is je vader eigenlijk, vader? Wist Ray Charles wel wie zijn vader was, zijn grootvader, zijn oude familie: de slaven die uit Afrika waren ingevoerd in de VS en er in New Orleans en andere steden aan de Mississippi werden verkocht? Toch doet het me meer aan het Noorden denken, aan Strindberg, aan Ibsen – de geestelijke vader van James Joyce.  Ik heb het er vaak over met mijn vrouw, want zij is ook de kleindochter van een stalknecht of een baron. Op dat gebied zijn wij elkaars spiegelbeeld. Als wij samen voor een grote spiegel staan – meestal in een hotel in Umbrië of Toscane – zie ik haar met een snor en heb ik zelf een spleetje tussen mijn benen. Op zulke momenten verlang ik niet naar haar, maar eet liever nog wat olijven en drink een laatste glas Montefalco. Dan lees ik wat in een boek van Italo Svevo, of neem ‘Dubliners’ van James Joyce nog eens ter hand, enkele minuten, en val in slaap.

Die oude man was onbekend en onbemind en er werd niet over gesproken noch gegist naar zijn identiteit. Het was het onuitgesprokene, het taboe. En de manier waarop mijn grootmoeder was gestorven was evenmin duidelijk. Vaders tante, de zus van zijn moeder, heette moe, of zo noemde iedereen haar toch. Zij was een schim in het zwart die altijd in een zetel zat met een portemonnee en een zakdoek stevig in de handen geklemd. Spreken deed zij niet. Vader zei dat zij vroeger wel had gesproken, maar dat zij er op een gegeven moment mee was gestopt. Zij sprak geen gebenedijd woord, ook al gaf zij tekenen van herkenning als ik weer eens op bezoek kwam – wat vrij vaak was. De dochter van moe was Barbara, een nicht van mijn vader, de kapster van hierboven. Zij woonde in een huis en had een man en een varken. Haar man werkte in de grindfabriek aan de rechteroever van de Zuid-Willemsvaart. Rechteroever is relatief. Voor ons was het eigenlijk de linkeroever. De grindwasserij, noemden wij de installatie, die vreselijk veel lawaai maakte. Dat hoorde je vooral op zaterdag en zondag als er alleen klokken luidden en verder nog wat gehinnik van paarden en geloei van koeien in de lucht hing en soms een bij om je hoofd zoemde. De muggen in die streek maakten geen geluid.

Elke keer als ik bij Barbara op visite kwam, mijn ‘tante’, was ik gefascineerd door moe die daar voor zich uit zat te staren, met haar zakdoek en haar portemonnee in haar hand geklemd. Waarom zeg je toch niets, moe? Zij kende het geheim, dat wist ik op den duur wel zeker. Zij wist wie de vader van mijn vader was, baron of stalknecht of iets daartussenin.

Jean, de man van Barbara zei al evenmin iets. Als hij thuiskwam van de grindwasserij was hij vuil, bezweet en moe. Soms moest hij dan ook nog eens het varken eten geven. Op mooie zomerdagen speelde ik met Denise in de moestuin. We deden dan alsof ik prins en zij prinses was. Zij was echter niet de echte prinses. De echte prinses was Henriette, en zij heerste over de ‘abri’, de schuilkelder, aan de andere kant van het kanaal. Maar soms moet een mens ontsnappen aan de verstikkende realiteit, zelfs als kind met veel fantasie, en dan was Denise mijn prinses en ik haar prins. Voor enige minuten heersten we dan over de wereld en zagen dat hij goed was. Dat stuk land is voor mijn erfgenamen, zei ik, en dat stukje voor die van jou. Goed, zei Denise. Aan onze rechterzijde knorde het varken instemmend. Ik dacht, als we dan onze beide stukken samenvoegen bezitten we de hele wereld.

plechtige communie 1

De familie aan moederszijde was veel ingewikkelder en zou ik beter een volgende keer beschrijven, want ik zit nu naar George Jones, een notoire dronkaard, te luisteren, beneveld door ik weet niet hoeveel Duvels. Mijn moeder was zuinig; mijn ene tante – die ook mijn meter was – was extreem gierig; mijn andere tante verkwiste al haar geld aan mannen en aan couponnetjes. Dat waren stukken stof die zogezegd veel waard waren, maar waar nog maar kleine hoeveelheden van over waren, voldoende bijvoorbeeld om er een rok mee te maken. Toen tante Georgette stierf  – door zelfmoord – bleek ze koffers vol te hebben met couponnetjes. Maar ook met talloze zijden sjaaltjes, waarvan ik er in mijn ‘modtijd’ nog heb gedragen. Ook van haar broches, overigens. Ik was in die latere periode een fan van Brian Jones en die man droeg toch ook broches? Dan had je nog mijn nonkel Frans die bijzonder vrijgevig maar ook erg rijk was. Hij was de peter van mijn broer. Wie zijn meter was weet ik niet meer.

Ik heb nog niets verteld over mijn peter. Hij en zijn vrouw, een nicht van mijn vader, hoorden bij de armste mensen van heel Lanaken. Slechts weinigen spraken over hen. Mijn peter, Martin, naar wie ik ben genoemd, was de dronkaard, de lanterfanter van het dorp. Ze woonden met zijn beiden in een klein huisje, kraaknet, maar zo goed als leeg. Het grootste geschenk dat ik van mijn peter ooit heb gekregen was een karamel van Côte d’Or.

Als ik me nu goed probeer te herinneren had ik alleen een gierige meter, en een straatarme peter en had mijn broer alleen een peter, een rijke vrijgevige man, een reder in Antwerpen. Wat is er dan met mijn broers meter gebeurd? Ik zei het al, wij zijn een tragische en ingewikkelde familie.

De peter van mijn broer, nonkel Frans, de broer van mijn moeder, die op vrij jonge leeftijd gestorven is aan een beroerte, heeft van mijn plechtige communie op zijn manier – met geld – een prachtige dag gemaakt, maar niet alleen een prachtige dag, hij heeft eveneens onvrijwillig geïnvesteerd in mijn emotionele en culturele toekomst. Want met het geld dat hij me had gegeven kocht ik een Philips draagbare platenspeler en vijf singles, waarvan ik mij er nu nog twee kan herinneren en die nu ook nog meetellen: ‘I Can’t Stop Loving You’ van Ray Charles en ‘Don’t Be Cruel’ van Elvis Presley – ach ja, en ook nog ‘A Steel Guitar And A Glass Of Wine’ van Paul Anka. Misschien zegt die laatste titel nog het meest over wie ik nu ben  en hoe ik nu leef.

Maar zo weten we nog altijd niet waar die stem vandaan komt? Ze komt in de eerste plaats van Ray Charles, de man die god verving door de vrouw en van gospel soul maakte. Zijn singles – en die van Fats Domino – waren de eerste platen waar blanken op durfden dansen zoals het hoorde, met de heupen en hij was de eerste die de blanke white trash-wereld binnenbracht in het zwarte bewustzijn.

Voor mij was die stem het enige echte plechtige communiegeschenk, waar ik mijn nonkel Frans, in weerwil van zijn kapitalisme – waar hij zich overigens niet bewust van was, hij leefde er maar op los – tot het einde van mijn dagen dankbaar voor zal zijn. De keuze voor Ray Charles, echter, heb ik zelf gemaakt. De stem van Ray Charles komt van mij, ook al kan ik niet zingen. De stem van Ray Charles komt van hemzelf en van de geschiedenis die hem heeft gemaakt wat hij is, was.

ray charles 1

‘I Can’t Stop Loving You’ en ‘Born To Lose’ zijn onder meer terug te vinden op de uitstekende dubbele verzamel-cd ‘the definitive Ray Charles’ op het Rhino-label.

Foto’s: Op de bovenste foto zitten we met zijn allen aan tafel tijdens het communiefeest.
De tweede foto is buiten genomen. Ik sta rechts op de foto, naast mij Henriette, en naast Henriette, Denise. De tweede foto maakt ook duidelijk, vind ik, welk verschil er al was tussen onze generatie en die van onze ouders en grootouders. Hoewel we die generaties nog imiteerden in ons gedrag en onze kleding, hadden we toch een geheel andere uitstraling.
Die twee foto’s doen me nu aan ‘Heimat’ denken. En eigenlijk is wat ik bezig ben te schrijven niet alleen een subjectieve geschiedenis van de rock & roll in mijn leven maar ook mijn eigen ‘heimat’ (dat ik nooit heb gehad).

IN MEMORIAM BUCK OWENS

buck owens 2

“It’s crying time again, you’re gonna leave me.” Dit waren waarschijnlijk de eerste woorden uit een country & western song die ik ooit hoorde, of die een bewuste indruk achterlieten. Een grote droefheid sprak uit dat eindoordeel, maar het werd gezongen met een bepaalde vrolijkheid, en de melodie van het lied deed ook niet voor honderd procent naar euthanasie verlangen. Het waren overigens geen tijden van euthanasie, het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw. Als je er een punt achter wilde zetten moest je je opknopen aan de hoogste boom in het meest nabije bos of een fles Javel La Croix leegdrinken (wat waarschijnlijk geen kans op slagen had, wel veel nare gevolgen). Ik hoorde die woorden van Buck Owens, die manier van zingen (op de manier van Bakersfield in Californië, waar veel ‘immigranten’ uit Oklahoma woonden), die eenvoudige levenswijsheid, die melodie meteen zeer graag.

Mijn vader bracht toen ik nog een kleine jongen was van zijn vrij zeldzame maar toch geregeld terugkerende nachtelijke escapades ‘afgedankte’ 45-toerenplaatjes mee, ‘singles’ noemden wij ze, het leken wel archeologische vondsten, sporen van een andere wereld. Sommige exemplaren, zoals ‘Diana’ van Paul Anka waren grijsgedraaid, andere zoals ‘The Boppin’ Rock Boogie’ van The Sparkletones waren nog zo goed als nieuw.
Ik wil eerlijk zijn in het oog van andermans dood. Ik weet niet meer of bij er die singles die mijn vader meebracht van de Rekemse nachtcafés, bijvoorbeeld van bij Leontine, of van de Congo Bar, een bij was van Buck Owens, maar ik denk het wel. Door Buck Owens en Ray Charles heb ik de buitengewone schoonheid en het sterke realisme van de countrymuziek ontdekt. De zogenaamde tranerigheid was het leven zoals het was. Toen, zonder dat het al een commercieel ‘format’ was, op maat van voyeurs gemaakt. Het leven was gewoon zoals in het lied. ‘Listen to what the blues are saying’, in de woorden van Willie Nelson.

Buck Owens was niet meteen een held van me. Wel hoorde ik het genre meteen graag. In zijn vaderland had Buck Owens veel succes, en veel epigonen. Veel fans ook, die in bars hun verdriet met hun vrolijkheid probeerden te combineren. In Groot-Brittannië had Buck Owens, en zijn begeleidingsgroep the Buckaroos, bijzonder veel bijval. In die periode verloor dat machtige imperium zijn macht; koloniën glipten als zand door zijn vingers. Het Verenigd Koninkrijk werd zelf een kolonie, van de Verenigde Staten, zeker op cultureel gebied. En wij luisterden naar Britse zenders, Amerika was te ver. WDIA zouden we pas veel later in bluesgeschiedenisboeken ontdekken, en bij bezoeken aan Memphis en New Orleans. Op die Britse zenders, en vooral op Radio Luxembourg, leerden we the Beatles kennen. Twist and Shout, een cover, natuurlijk. De Britten hadden zichzelf nog niet heruitgevonden. (De Belgen ook niet, overigens.) Buck Owens was een held van the Beatles, vooral van Ringo Starr (die altijd een zwak had gehad voor het erfgoed van de ‘rednecks’ en ‘the appalachians’). Buck Owens’ ‘Act Naturally’ maakte deel uit van de doorsnee merseybeatgroep, ook van the Beatles. Op die manier was de stap snel gezet.

Ik leerde Buck Owens echt kennen via een zwarte rhyhtm & blueszanger, Ray Charles. Hij was wel een van mijn eerste muzikale helden, wat ik hier al heb verteld. De eerste single die ik ooit kocht was zijn ‘I Can’t Stop Loving You’, op ABC-Paramount. Ik bezit hem nog altijd, maar waar? Niet veel later had de blinde zanger (en junkie) een hit met Buck Owens’ Crying Time.

Ik herinner me nu ook een feestje in het Atheneum van Tongeren. Er trad een Nederlandse zangeres op, misschien was het Conny Vandenbos (van ‘Ik ben gelukkig zonder jou’ en ‘Paleis met gouden muren’), maar ik ben niet zeker, ik zou het moeten opzoeken, maar een mens is moe, en zijn energie is uitputtelijk. Misschien was het iemand anders, dat kan ook. In ieder geval zong ze dat overrompelende lied, Crying Time, en wij internen zongen allemaal mee, zij het niet met tranen in de ogen. Want wilden wij niet zelf op dat podium staan zingen, of liever nog, gitaar spelen of drummen? Zoals Mick Jagger, Keith Richards, Keith Moon, En hoe kun je dan om die kleine mislukkingen van het leven huilen? Je kent dat nog niet. Je hebt nog niet geleefd.

Korte tijd later werd ik een part time countrymuziekliefhebber (ongeveer vijftig procent, ik hield ook wel van Soft Machine, Albert Ayler, Led Zeppelin en the United States Of America, en vanzelfsprekend van the Velvet Underground). The Byrds en the Flying Burrito Brothers hadden mij de weg gewezen naar de ‘echte country’. Alleen vond ik nergens platen. Niet één elpee. Ooit heb ik een Duitse plaat gekocht, vol vreselijke covers van allerlei bekende bluegrass- en countryliedjes, om toch met iets te kunnen meezingen. Er was niets anders te vinden. Uit pure ellende heb ik me aangesloten bij een boeken- en platenclub en zo ben ik in het bezit gekomen van een verzamelelpee, de titel ben ik vergeten, met één of twee liedjes van een aantal countryzangers en –zangeressen op, waaronder Merle Haggard en Buck Owens (en vooral mindere goden). Van Buck Owens was het Sweet Rosie Jones. Inmiddels was ik in Brussel gaan wonen om er naar de filmschool te gaan. De studenten daar hadden, zoals je wel kunt raden, nooit van Buck Owens maar evenmin van The Velvet Underground gehoord. Ze hielden vooral van kleinkunst., genre Zjef Vannuytsel. De progressieven onder hen hadden een voorkeur voor Yes, Pink Floyd, Deep Purple. Die jongens waren de toekomst van Vlaamse cinema en televisie. Lang ben ik er niet gebleven. Ik vond het prettiger joints te roken met mijn vriend O. en onder invloed naar al die heerlijke landelijke muziek te luisteren, ondertussen boekend lezend van Henry Miller, Dylan Thomas en Remco Campert.

Kort nadien ben ik getrouwd. Ik had kennis gemaakt met de groep Pendulum, de eerste en enige echte countryrockgroep in België. Erik Vaneigen is korte tijd een goede vriend van me geweest. We hadden elkaar ontmoet in een Brussels café en ontdekt dat we allebei fans waren van the Byrds en heel veel van countrymuziek hielden, vooral van Buck Owens. Erik heeft dan met een paar leden van Pendulum op ons trouwfeeest gespeeld, onder meer Sweet Rosie Jones. Zij zaten gewoon op ons bed, en wij zaten op de grond te luisteren en goedkopen Chianti te drinken. (We hadden maar twee kamers.) De benedenverdieping was een zwarte club, Les Anges Noirs. De tegenstelling kon niet groter geweest zijn: boven de rednecks, beneden de negers. Maar hoe zat dat dan met Ray Charles, en Buck Owens zelf die rock & roll speelde van Chuck Berry? Dat is een ander verhaal. Het was een alleszins gedenkwaardig trouwfeest, waar ik Erik Vaneigen nog altijd dankbaar voor ben. En de politie die plotseling binnenviel om allerlei dingen te controleren!Want eigenlijk leefden we in die dagen in een politiestaat. Als je nog maar aan marihuana dacht werd je voor een tweetal maanden in Leuven, Gent of Antwerpen opgesloten. Ik overdrijf niet. Maar ik ben de jongens in uniform toch dankbaar, want zij maakten de avond nog spannender.

Ik sla tenminste tien jaar over.

Later, na punk en new wave, kwam ik weer op het spoor van Buck Owens door de betere epigoon Dwight Yoakam (die tevens een stukje kan acteren). Dwight Yoakam maakte duidelijk waar het allemaal vandaan komt. De Bakersfield Sound, Buck Owens, The Buckaroos. Ik heb enkele weken een radioprogramma gemaakt dat Buckaroo heette. Nu is de de echte Buckaroo dood. Laten we toch nog maar eens naar dat liedje luisteren, en naar Crying Time, en naar The Streets Of Bakersfield. Laten we vooral deze minzame
pionier nooit vergeten.