KLEINE TRIOMFJES

[Nachten aan de Kant 37. Juni-juli 1979]

Een tijdje geleden zat er een brief in de bus van Ivo Michiels, directeur van het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Mijn verhaal ‘Een brief lezen in de metro’ zal in het volgende nummer van NVT gepubliceerd worden, schreef hij. Een hele eer en dan toch een eerste erkenning. Dat heb ik wat het schrijven betreft aan mezelf te danken maar voor deze publicatie aan de genereuze, vaderlijke vriend Wim Meewis, die geloofde in mijn talent en me onlangs nog op het hart drukte dat ik in mijn werk moest volharden. Dat mijn verhaal [1] nu in NVT is verschenen, en wel in een nummer waarin ook gedichten van Hugo Claus en een stuk van Herman Teirlinck zijn opgenomen, geeft mij nieuwe moed om door te gaan met schrijven.
Ivo Michiels was de leraar die ik aan het Ritcs het meest waardeerde. Ik houd ook van zijn boeken, die zo anders zijn dan die van de mainstream. Mogelijk zal ik hem nu eens een keer ontmoeten en met hem kunnen praten. Dat heb ik als student nooit gedurfd. Terwijl ik de houding aannam van iemand die het allemaal niet interesseerde. Wij waren vanaf nu de anderen, dachten we, wij waren volop bezig de wereld te veranderen. Wat lag ik toen met mezelf overhoop, onzeker in ongeveer alles behalve popmuziek en de undergroundbeweging, boordevol twijfels en angsten. De vraag is of ik tien jaar later ten goede veranderd ben.

Bij Aurora hebben we niet stilgezeten. Van onze vriend Eddy Devos hebben we in onze nieuwe reeks Aurorasporen met ons kleine budget zijn verhalenbundel De man in de reus uitgegeven. Hij is er blij mee en dat zijn we zelf ook. Het is een nieuw begin. Terwijl we met dat werk bezig waren nam Paul af en toe een soort van pauze in zijn klein atelier dat zich naast de keuken bevindt, die onze werkruimte is. Hij is met olieverf op groot doek begonnen te schilderen.

Je zou bijna vergeten dat er ook nog een echte wereld is, die door zakenmensen, industriëlen, ondernemers – of is dat één en dezelfde soort? – en politici wordt bestierd. Zij die zo vaak vergeten dat de werkende mensen het allemaal moeten doen, het allemaal maken, het allemaal bouwen, het allemaal herstellen, het allemaal in stand houden. Zij die zo vaak vergeten dat de plannen die zij in hun bureaus en vergaderzalen ontwerpen dankzij werkende mensen werkelijkheid worden.
Er waren Europese verkiezingen. Ik heb zonder veel overtuiging voor de Revolutionaire Arbeidersliga gestemd. Waarom zonder veel overtuiging? Omdat de trotskisten met veel te weinig zijn om wat dan ook ten goede te kunnen keren. Mijn stem is eerder door boosheid ingegeven dan door geloof in de politieke strijd. Maar ook omdat ik blijf dromen, dat mag ik nooit opgeven.

+

[1] ‘Een brief lezen in de metro’ verscheen in Nieuw Vlaams Tijdschrift, jaargang 32/4, mei/juni 1979. Met als auteursnaam Matthias Brouns. Je kan het verhaal online terugvinden in dbnl, de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren.

EROTISCHE VERBEELDING

morning flesh

Vaak denk ik, onterecht, dat ik geen verbeelding heb. Maar zonder verbeelding zou ik niets begrijpen van de wereld rondom me, zou ik zonder meer niets begrijpen en niets voelen. Wat ik mis is fantasie, de gave om een ‘andere werkelijkheid’ te kunnen verzinnen.  Als ik dagdroom kom ik niet in vreemde landschappen terecht en beleef ik geen exotische avonturen. Ik verbeeld het bestaande, ik combineer bestaande beelden, ik bedenk geen nieuwe personages. Als ik iets schrijf is het op de werkelijkheid gebaseerd, op wat de Fransen ‘le vécu’ noemen. Mijn teksten zijn autobiografisch, ook mijn gedichten. Voor gedichten maak ik gebruik van woorden die mij door mijn omgeving worden aangereikt, of die als het ware komen opborrelen. Samengevoegd worden ze interessante beelden, of hun opeenvolging is welluidend. Omdat ik geen verhalen kan verzinnen ben ik geen schrijver. Ik kan niet zoals Jef Geeraerts over misdadigers, wilde achtervolgingen, mensen die aan geheugenverlies lijden en andere onzin schrijven. Ik wil dat ook niet. Ik praat over wat ik heb meegemaakt en over de mensen die ik rechtstreeks of onrechtstreeks ken of heb gekend. Als ik al wijsheid heb, komt die uit boeken. Ik heb nogal veel gelezen. Maar ik heb ook veel gereisd, gezien, gehoord.

Al een hele tijd geleden was ik eens laureaat van een verhalenwedstrijd, ingericht door De Morgen en Meulenhoff. Mijn verhaal, Sandra’s Blues, zou je als pornografisch kunnen omschrijven;  het is existentiële pornografie. Maar ongeveer alles wat daar in voorkomt, moet ik toegeven, is echt gebeurd. Sommige elementen heb ik toegevoegd of gedramatiseerd, omdat het tenslotte een verhaal moest zijn. En natuurlijk heb ik de namen en de plaatsen enigszins veranderd. Waarmee ik wil zeggen dat mijn erotische verbeelding niets nieuws voortbrengt, ik breng – in mijn hoofd of op papier – verslag uit van een aantal ervaringen. Als ik weer eens een keer erotisch zit te dagdromen, want dat gebeurt, dan is dat altijd op het verleden gericht: ik herinner me erotische situaties, en ik beleef er opnieuw plezier aan, de herinneringen winden mij op.

Het fantastische blijft in het vacuüm van mijn onbewuste opgesloten. ’s Nachts in mijn dromen en nachtmerries kan het van zich laten horen. Soms herinner ik me flarden. Het is een kwestie van oefening. Vroeger hield ik een nachtboek bij. Dat stond na een tijd vol fantastische verhalen: fragmenten van dromen. Ik ben ermee opgehouden omdat ik liever in de realiteit leefde, tussen echte mensen, wandelend in de schaduw van echte bomen, met aan de horizon echte bergen, en dichterbij het ruisen van een echte rivier. In mijn armen wilde ik een echte vrouw houden. Haar wilde ik kussen en nog veel meer. Ja, zeker, dat is wat ik hoe langer hoe meer wil.

Ω

Foto: Martin Pulaski, Laura, Antwerpen, Lamorinièrestraat, 1980.

SCHRIJVEN ALS MORANDI

schrijven,schrijvers,grieken,stijl,emoties,natuur,essentie,grieks,woorden,waarheid,mens,blues,zanger,deugd,morandi,turner
Morandi, Stilleven.

Ik heb in mijn leven maar een boek uitgegeven, Kamertjeszonden, een dichtbundel, en dan nog onder een andere naam. Naar die titel heb ik niet lang moeten zoeken, ik leende hem van Herman Heijermans. Toch koos ik hem niet alleen omdat ik die roman zo uitstekend vond – wat zeker het geval was – maar ook omdat ik het leven binnenskamers, gedichten schrijven en zo, zonde van de tijd vond. Ik zal toen ongeveer vierenveertig geweest zijn, in de zomer van mijn leven. Het rouwen om de dood van mijn vader had ik net achter de rug. Nu was het wachten op een volgende dood. Daarna zou ik nooit meer naar huis kunnen.

Van mijn hand zijn nogal wat verhalen, experimentele prozateksten en gedichten verschenen in allerhande tijdschriften. Ik som ze hier niet op, om de eenvoudige reden dat het geen belang heeft. Ik schrijf, maar ik ben geen schrijver. Dat wereldje van schrijvers hangt mij de keel uit. Hoe ze elkaar met prijzen en lofzang overladen, zeker als een cameraman in de buurt is, en elkaar elders afmaken. Ik wil die schrijvers nu niet afmaken, ze doen niemand kwaad, de meesten van hen toch niet. Alleen minachting koester ik voor ze.

Niet omdat ik niet goed schrijf zal van mij geen boek uitgegeven worden, maar omdat ik een vreemde ben in dat wereldje van de schone letteren. Ik heb er enkele jaren in vertoefd, maar ik bleef toch altijd de zoon van een schipper, zoals August Strindberg altijd de zoon van een dienstbode bleef. Je schudt dat niet van je af, het is als een lijfgeur, maar dan zilter. Je aanwezigheid roept stilte, haat, wrevel, geweld op. Soms, als ze dronken zijn, slaan ze je in je gezicht. Of ze schelden je uit, ze noemen je Judas, of onnozelaar. Ze beweren dat je geen schrijver bent. Ze zwijgen je liefst van al dood.

Nee, ik schrijf, maar ik ben geen schrijver. Ik probeer een mens te zijn. Maar ook dat lukt me niet goed. Aansluiting vinden bij de andere mensen is een zware opdracht. Waar praat je over? Over het weer? De kinderen? Mijn zoon woont ver van me vandaan en in een andere wereld. Leven we niet allemaal in andere werelden? Ik heb minachting voor schrijvers, maar waarom eigenlijk? Misschien is het wel rancune. Wat maakt het uit! Onze tijd hier op aarde is kort. Ik probeer een goede mens te zijn. Ik lees en ik luister. De bloemen, de bomen, de natuur. Wijn, vrouwen en gezang. Holle wegen, grote steden, dieren, rivieren, de zee. Altijd de zee, en de regen. Veel meer ken ik niet. De beste schrijvers zijn blueszangers, met hun eenvoudige taal en hun krachtige stemmen. De beste schrijvers zijn mensen bij wie de woorden naar binnen regenen. Ik gebruikte gisteren het woord ‘terrasje’. Dat doe je niet. Dat is verkeerd. De meeste adjectieven zijn overbodig. De essentie moet in elk woord zelf zitten. Is niet elk woord de hele taal? En woordspelingen zijn des duivels. Een tekst waar woordspelingen in staan is waarschijnlijk een aaneenschakeling van leugens. Ik loop sommige dagen gebukt onder het gewicht van mijn woordspelingen. Maar dan sta ik vermoeid weer op, een nieuwe dag is aangebroken!

De beste schrijvers zijn oude Grieken. Je hebt zo van die mensen die overal als eerste bij zijn. Alsof dat een verdienste is. De oude Grieken lezen, dat is een verdienste. Voor iemand die de oude Grieken in het oud Grieks leest, daar heb ik veel bewondering voor. Maar persoonlijk ken ik zo niemand, mezelf inbegrepen. Ik ben te oud om nu nog Grieks te leren. Enkele woorden, zoals ‘logos’ (λόγος), ‘arete’ (αρετή) en ‘alethea’ (αληθεια)) ken ik nog wel van vroeger, toen ik dacht een schrijver te zullen worden. In mijn tijd van dwaasheid, mijn tijd van nood. Een schrijver op het water, zou ik worden, op de zee van Cortez, op de zee van Homerus, op de zee van Herman Melville. Ik zou één worden met de golven, zoals de verf van Turner. Ja, mijn woorden zouden als de verf van Turner worden. Maar mijn woorden zijn zoals de verf van Morandi geworden. Ik weet niets over de wereld. Niet meer dan Morandi. Maar misschien ook niet minder.