DEPRESSIE: HET DONKERE HART

Arnold BÖCKLIN, Arnold, Selbstporträt mit fiedelndem Tod, 1872

Depressie, daar staat het woord. Het wordt te pas en te onpas gebruikt, zodat je er achteloos aan voorbijgaat, eroverheen leest. Je had zelf al wel eens een dipje, je voelde je wel vaker depressief, je had vrienden die aan depressie leden, drie van hen hebben zich al jaren geleden de dood in gejaagd. Het woord ‘zelfmoord’ mag je niet gebruiken. Nu heb je zelf een depressie, een echte, een klinische depressie. Het heeft met neurotransmitters en serotonine en zo te maken, wordt gezegd. Een klinische depressie is een ernstige stemmingstoornis. Je hebt nog weinig belangstelling voor om het even wat. Alleen muziek en bewegende beelden doen je nog iets. Hoe eerlijk kun je hier over schrijven? Zijn deze openhartige notities geen vorm van exhibitionisme? Ik denk het niet. Het boek dat Geerten Meijsing over zijn depressie schreef  – ‘Tussen mes en keel’ – is een aangrijpend relaas en volkomen eerlijk. Wees gerust, zelf zal ik er geen boek over plegen, aangezien het al bestaat. Er zijn er nog andere, dan dat van Geerten Meijsing, zoals ‘Darkness Visible’ van William Styron, de schrijver van ‘Sophie’s Choice’.

Je voelt je geestelijk en fysiek uitgeput. Je loopt traag over straat, terwijl je nog niet zo lang geleden zeer snel stapte (maar nooit zo snel als je zoon). Je geraakt niet vooruit. Je hebt geen lustgevoelens. Vanavond niet schat. Toch lig je hele nachten wakker en besluipen je dan allerlei angsten en angstgevoelens. Je vreest de algehele aftakeling en de dood. Je gelooft niet in jezelf. Je denkt dat je je werk niet meer aankan. Je kan maar niet beslissen om de verzekeringsmaatschappij te bellen, of andere administratieve zaken in orde te brengen. De kraan in de badkamer moet worden vervangen, je fiets hersteld. Je kunt helemaal niets beslissen. Als je boodschappen doet vergeet je de kip voor de waterzooi. Je voelt je schuldig omdat je niet kunt werken. Je denkt dat niemand nog respect voor je heeft. Je hebt zelf geen respect meer voor jezelf. Het is alsof je in het tegenovergestelde van een roes leeft, een anti-roes. De psychiater schrijft je antidepressiva voor, maar daar word je ziek van, ze wekken braakneigingen op, je zweet ervan als een oude os, je geeuwt de hele dag door, je krijgt pijn in de borststreek… Het is een vicieuze cirkel: medicatie om te genezen en je wordt er ziek van. Catch-22, voor wie het boek van Joseph Heller of de film van Mike Nichols kent. Tijd heelt alle wonden, zeggen de mensen. Zouden de mensen gelijk hebben?


Afbeelding: Zelfportret met de dood die viool speelt, Arnold Böcklin.

OVER RIO BRAVO VAN HOWARD HAWKS

rio bravo 2

Inhoudelijk – en abstract beschouwd – is de film Rio Bravo van Howard Hawks een rechtse reactie tegen Fred Zinnemans High Noon, met Gary Cooper en Grace Kelly. Dat was inderdaad een vrij kritische film, die de Amerikaanse samenleving een aantal vragen voorhield. Zo maakte Zinneman van de held een man met problemen, en ‘erger’ nog: een twijfelaar. Het hoofdthema van Rio Bravo zou je de verlossing kunnen noemen. Een man vecht tegen zijn noodlot, tegen zijn slapheid, zijn aftakeling. Het is een ode aan morele moed, aan inzet en wilskracht. De held van weleer levert een moeilijke strijd met zijn demon, met name alcohol. Uiteraard weet iedereen dat de held – in dit geval Dean Martin, zanger van On An Evening In Roma – als overwinnaar uit die strijd, die eigenlijk een strijd met zichzelf is, tevoorschijn zal komen. Verlossing als zelfoverwinning.

Hawks toont de menselijke verhoudingen binnen een kleine gemeenschap in een geloofwaardige complexiteit, zonder evenwel het mythische element van de western uit het oog te verliezen.
Typisch voor Howard Hawks is de vrouw als sterke persoonlijkheid, gelijkwaardig aan de mannelijke held. Maar de western is uiteraard een mannenzaak; er waren nu eenmaal weinig vrouwen in het Westen. Het feit dat de heldin, uit realiteitszin, de codes van de mannengemeenschap aanvaardt, doet haar boven de typische held uitstijgen. Ook bij haar gaat het in zekere zin om een zelfoverwinning: ze moet met het verleden in het reine komen. Overigens schittert Angie Dickinson in Rio Bravo. De sheriff (John Wayne), de mannelijke held bij uitstek, staat lijnrecht tegenover Marshall Kane, het hoofdpersonage uit High Noon. Sheriff John T. Chance twijfelt geen seconde aan zijn opdracht, aan de waarden die hij moet verdedigen, aan de morele correctheid van zijn daden. Hij is en blijft wat hij altijd geweest is: de sheriff. Toch moet hij op zijn beurt zichzelf overtreffen, moet hij een bepaalde angst overwinnen, meer bepaald de angst voor de vrouw, die de beschaving, het rustige burgerleven, het anemische compromis belichaamt. John T. Chance moet een ‘andere wereld’ erkennen.

Net zoals in High Noon speelt ook in Rio Bravo de soundtrack van Dimitri Tiomkin een belangrijke rol. Opvallend is de sequens waarin Dean Martin, Ricky Nelson en Walter Brennan samen zingen (Ricky Nelson begeleidt op de gitaar): op dat moment ontstaat er een lotsverbondenheid, zelfs een soort van onsterfelijkheid, bezegeld door de ontroerde ‘vader’ John Wayne. Daartegenover staat de Mexicaanse muziek van de vijand, de muziek van de aardse vergankelijkheid, van het andere, van de dood.