WORSTELEN MET LOUIS PAUL BOON

lp boon 001

In 2013 begon ik aan een soort van geestelijke genealogie. Ik ging op zoek naar de wortels van mijn bestaan, los van de wederwaardigheden van mijn ouders, grootouders en dergelijke meer. Ik wilde te weten komen hoe ik geworden ben wie ik ben en nagaan wie in die menswording en bewustwording een invloedrijke rol had gespeeld. Het zouden korte autobiografische schetsen worden over de psyche, de geest of de ziel – hoe je dat rare ding, dat soms ook de zetel van het zelf wordt genoemd, ook mag noemen. Daarbij wilde ik niet uit het oog verliezen dat die geest niet bestaat, of toch niet los van het lichaam en van de gemeenschap, van de anderen. Ik wilde het toeval een rol laten spelen in het ontstaan van de teksten. In de eerste reeks die ik op die manier schreef ontdekte ik dat het toeval ook al aan het werk was geweest in ontmoetingen die ik op jonge leeftijd had met voorbeeldige mannen en vrouwen, met leraren, mentors en vrienden, met schrijvers, filmregisseurs, componisten en kunstenaars.

Enkele weken geleden nam ik die draad weer op. Mijn aandacht ging daarbij naar een aantal boeken en schrijvers die mijn wereldbeeld hebben beïnvloed en zelfs bepaald. De eerste schrijver die mij voor de geest kwam was Edgar Allan Poe. Mijn tweede beschouwing moest over Louis Paul Boon en De Kapellekensbaan gaan. Allerlei remmingen, mogelijk waren het listen van dat raadselachtige onbewuste, hebben me die taak zeer bemoeilijkt. [1] Daar is dan nog eens een flinke griep bovenop gekomen. Werken die vaccins écht of zijn die spuitjes alleen maar een onderdeel van een winterritueel, iets wat ons mogelijk sterker maakt als we er maar voldoende in geloven en niet de hele tijd twijfelen en wanhopen?
Wat maakt het mij écht zo moeilijk om over Boontjes werk te schrijven? Ik weet wel heel zeker dat hij me omstreeks mijn zestiende diepgaand beïnvloed heeft. Dat kan ik zonder meer toegeven. Mogelijk zijn er in mijn stijl zelfs nog sporen van terug te vinden, al heb ik er veel voor gedaan om die zo gauw mogelijk uit te wissen. Vooral heb ik er zorg voor gedragen geen boontjessporen meer te maken. Stel je voor: barokke taaltekens die alle richtingen uitgaan en toch stevig op het blad staan in plaats van heldere bloedsporen in de sneeuw (die soms zwart ziet van de romantiek).
Zou het kunnen dat ik niet opnieuw wil geconfronteerd worden met die zo Vlaamse verankering van Louis Paul Boon? Al vroeg heb ik de ‘Vlaamse richting’ – die met Hendrik Conscience, Ernest Claes en zelfs Filip De Pillecyn begonnen was – samen met de romantiek van de Gulden Sporenslag, Jacob van Artevelde en de hele vermaledijde Vlaamse Beweging (waar ik me niet bewust van was)– de rug toegekeerd en me naar het Noorden en daarna de rest van de westerse wereld gewend. Maar ik kan niet ontkennen dat die Louis Paul Boon-periode er is geweest. Dat ik dweepte met vergeten straten, dat ik ook een kleine oorlog voerde, dat ik het gevoel had dat ik de mensen een geweten moest schoppen (maar hoe?), dat ik gesprekken voerde met mossieu colson van tminnesterie, professor spothuyzen, tippetotje, de kantieke schoolmeester en vooral met de kleine ondine. En soms vond ik net als de meester uit Erembodegem dat het allemaal geen zin had.
Zou het kunnen dat ik op mijn zestiende al een boek wilde schrijven zo rijk als De Kapellekensbaan, een boek dat een wereld zou zijn, dat honderd werelden zou zijn, maar dat ik bijna meteen ook al besefte dat ik dat allemaal uit mijn duim zou moeten zuigen en dat ik die vervolgens bekeek, en dat ik zag dat die nogal bleek en bloedeloos was, al hing er wel wat inkt aan? Dat boek is er nooit gekomen en zal er ook nooit komen: ik heb die rijke Vlaamse taal van me afgeschud, in het begin met allerlei fantasietjes in de stijl van Edgar Allan Poe en John Lennon; later in die van de romantici en de surrealisten; soms bijna verdrinkend in de taal van Hölderlin en Nietzsche en Heinrich von Kleist; soms ten hemel opstijgend in de taal van Lucebert; maar ze in een tegenbeweging schoonspoelend met die van Remco Campert en Nescio en Raymond Carver. Tot ik stilaan mezelf werd en bijna niets meer over had. Niets om te bezingen, niets om te beschrijven, bijna geen woorden om je toe te vertrouwen. Ja, dat zou kunnen.

Het was een lange, vermoeiende, gevaarlijke en weinig dankbare reis door de taal en de literatuur. Waarbij ik Louis Paul Boon helemaal uit het oog verloor. Tot ik nagenoeg zijn volledig werk erfde van onze benedenburen, tweetalige Brusselaars, socialisten oude stempel, die Boon nog gekend hadden en zelfs bevriend waren geweest met Herman Teirlinck en Maurice Carême, die hier aan de overkant van onze vergeten straat woonde. Er is nog steeds een klein Carême-museum, dat ik tot mijn schande nooit heb bezocht. Maar dat is een ander verhaal: dat van mijn ontmoeting op latere leeftijd met mijnheer en mevrouw Spanoghe.

Een tweeling, zegt men, is gespleten, heeft een dubbele persoonlijkheid, heeft zoals Janus – de god van het begin en het einde – twee kanten, is zijn eigen dubbelganger, en meer van dat moois. Het zou wel eens waar kunnen zijn. In mij zijn het magische, het verhevene, het romantische en het realistische met elkaar in een wankel evenwicht. Je zou ook kunnen zeggen dat de twee principes voortdurend, tot verlammens toe, strijd leveren met elkaar. Met Edgar Allan Poe bereikte ik hogere sferen, zowel van licht als duisternis, zowel van schoonheid als pure afschuw. Met Louis Paul Boon kwam ik dan weer met mijn voeten op de grond terecht. Ook al verdrong ik zijn invloed en vergat ik zijn spoor, wandel ik toch nog altijd op de bittere grond van toen, op de vuile grond van toen, onder de heldere onschuldige hemel van toen.

[1] Toen ik las dat Joachim Pohlman, de uitermate rechtse ideoloog van de N-VA (ik wil het woord  ‘fascistisch’ liever niet gebruiken) op zijn zestiende sterk beïnvloed werd door Louis Paul Boon nam mijn zin om dit stuk te schrijven nog meer af. Pohlman, las ik in hetzelfde artikel in Knack, is eveneens een bewonderaar van de antisemiet Louis Ferdinand Céline en van de bloeddorstige oorlogsschrijver Ernst Jünger.

lp boon 2 001

STEMMINGSWISSELINGEN iv

jon voight in heat 2.jpeg

Meestal begint het met een titel. Ik had hierboven al ‘dagboek van een verloren ziel’ genoteerd, maar toen herinnerde ik me dat ik eerder dit jaar een reeks dagboekachtige notities ‘stemmingswisselingen’ noemde. Het was toen mijn bedoeling daar iets regelmatigs van te maken, niets gigantisch, zoals bijvoorbeeld de dagboeken van Henry David Thoreau, maar toch iets voor de langere duur. Discipline en planmatig werken zijn me echter vreemd. Ik ben onrustig van aard, wil allerlei dingen tegelijk doen, bijna alles interesseert me. Of er breekt een periode van ziekte en lusteloosheid aan. Dan beschik ik over geen greintje energie. (Eén greintje zou al zoveel zijn. Hoewel aldus Johannes een graankorrel moet sterven om veel vrucht te dragen.) Of ik vertrek op reis en schrijf wat observaties neer in kleine, dunne notitieboekjes. Eens thuis lees ik daar dan niet meer in. Of ik kan mijn handschrift niet ontcijferen. Soms doe ik er een week over om een radioprogramma van twee uur voor te bereiden.

Zijn we niet allemaal verloren zielen? Als er al zoiets als een ziel bestaat. Een psyche, een geest. Beschouw het als een wijze van spreken, niet als een verwijzing naar een meesterwerk uit de wereldliteratuur.

bonaventura 001.jpg

Vreemde gevoelens maken zich van me meester als ik Leopold Flams ‘Ontbinding en protest’ na vele jaren nog eens doorblader en hier en daar een fragment lees. Ik heb onmetelijk veel van de kleine professor geleerd, niet alleen op gebied van filosofie maar zeker ook op dat van literatuur. Zwarte romantiek, onder meer Bonaventura leerde ik via hem kennen; Sade, Casanova, Artaud, surrealisme, dada, existentialisme. Zijn werken en – meer nog – zijn cursussen zadelden mij met een onlesbare leesdorst op. De dag dat ik het Koninklijk Atheneum verliet was dat allemaal nog onbekend terrein. Heb ik wel iets van waarde geleerd op de middelbare school? Ik bedoel niet van mijn vrienden of uit sommige boeken die ik toen las, maar van het onderwijzend personeel en van de opvoeders? Ik kan me niets van waarde herinneren. Namen van rivieren, ja, van bergen, van planten. Dat een rechte lijn onbegrensd doorloopt. Dat Hendrik Conscience zijn volk leerde lezen. En is Hendrik Marsman niet in volle zee verdronken? Maar goed. Ik neem me voor om ‘Ontbinding en protest’ dit jaar van begin tot einde te herlezen. Eerst moet ik wel Peter Sloterdijks ‘De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd’ voltooien. (‘Uitlezen’ is in verband met dit boek niet op zijn plaats.) Dat is een magistraal werk over voornamelijk bastaards, met als (relatieve) kerngedachten: ‘Après nous le déluge’ van Madame de Pompadour, minder bekend als mevrouw Le Norment d’Etiolle, geboren Poisson. En ‘Pourvu que ça dure’ van Laetitia Ramolino, de moeder van Napoleon Bonaparte. Het boek van Sloterdijk brandt gaten in mijn tafel, het verpulvert mijn schaarse dagdromen. Ik ben de zoon van een bastaard, mijn vrouw is de dochter van een bastaard. Waren we daar niet op zijn minst een beetje trots op? Wat blijft er nu nog over om trots op te zijn? Verschrikkelijke kinderen hebben verschrikkelijke ouders en zijn zelf ook verschrikkelijke ouders. En hoe is het met hun kinderen, met onze kinderen gesteld? Maar je moet niet alles geloven wat Peter Sloterdijk schrijft. Zijn stijl grenst aan het perfide, in dat opzicht is hij bijna de gelijke van Nietzsche. Hij ontsluiert wel en doet dat op onverbiddelijke manier, maar wat je dan te zien krijgt is niet zomaar de waarheid.

Madame_de_Pompadour.jpg

Voor de derde of vierde keer Michael Manns ‘Heat’ gezien. Wat is Jon Voight met zijn minimalistisch acteerwerk geweldig. Zijn voortdurende aanwezigheid, al zie je hem maar in enkele scènes. De hele film is een reflectie over de kortstondigheid van het leven, over de sterfelijkheid, over de dood. Wat we ook doen, we zijn altijd verloren. Verloren zielen.

ZO SCHITTERT DE WERELD

schrijven,denken,dichten,gedicht,holderlin,heidegger,lucebert,machine,droom

Hoe krijg je de machine weer op gang, even van de veronderstelling uitgaande dat het menselijk lichaam een machine is? Vorige zondag had ik het in een gesprek met vrienden over de begrippen ‘geest’, ‘psyche’, ‘ziel’, ‘verstand’, ‘gezond verstand’, en een aantal equivalenten in andere talen, zoals ‘Geist’, ‘Seele’, ‘Vernünft’, ‘esprit’, ‘common sense’, ‘soul’, ‘mind’,  ‘âme’, et cetera. We hebben er wel een warboel van gemaakt, Pinksteren is duidelijk geen overbodig feest.

Maar die warboel is niet noodzakelijk een negatief gegeven: hij stelt ons met name in staat om met de woorden en met de taal te spelen, en om steeds weer nieuwe dingen te ontdekken. Ik denk dan vaak aan de uitspraak: “wat blijft stichten de dichters”. De dichters leven moeilijke levens; eigenlijk leven en sterven ze voor niets anders dan voor het gedicht. Al de rest is bijzaak, ook als ze niet bezig zijn gedichten te schrijven is hun geest – wakker of slapend – met woorden bezig, met klanken, met vormen, met het oude en zeker ook met het nieuwe, datgene wat er nog niet is. Je zou kunnen zeggen dat de dichter subversief is en de taal ondermijnt, maar net zo goed is hij de behoeder en de ‘verzorger’ van de taal. De echte subversieve pervert is de reclamemaker, die de taal probeert te vernietigen door de woorden in dienst te stellen van de verkoop van nutteloze goederen, of van politiek en macht. Dat doet de dichter niet. Hij geeft de woorden aan de woorden terug, en laat zin geven aan zijn zinnen. Hij geeft zijn woorden ademruimte door ze aan te bieden aan lezers en toehoorders. De dichter is een vrije geest en hij is een dienaar.

Nee, de mens is geen machine. Hij is een luchtwezen, dat niet alleen leeft van brood en liefde, maar ook van licht, zuurstof en beelden van woorden. En, zoals Lucebert al wist, van uitstapjes langs de afgrond. De dichter wacht op zijn muze, maar verlangt naar een beeld van een vrouw en blijft zo in beweging, zoals alles altijd in beweging is. De mens kijkt niet alleen maar naar de maan en de sterren. Hij schittert soms, en niet alleen in zijn stoutste dromen. Dromen van proza en dromen van gedichten. Zo schittert de wereld.