DONKERE DAG, HELDERE NACHT

anselm-kiefer-the-orders-of-the-night-die-orden-der-nacht-1996.jpg

Dit is je gelukt overdag: wat licht werk aan je minuscule tuin in de zon; zonnebloemen, wat klaprozen, groenachtig gras. Onkruid gewied. Om twaalf uur stipt valt de stilte. Niemand zingt, zelfs niet de gewillige varens, als de hand Gods slaat en het hart van slag raakt. Een te hoge dosis van dit of van dat, te veel Ethiopische koffie? Een hond ligt lui uitgestrekt in de schaduw van een onooglijke maar gevaarlijke bar.

Ja, overdag ben je radeloos. Je wist het al lang: geen miniatuur vervangt de natuur. Nooit valt een vrouw je in de armen als je in een nuchtere bui de wolken bekijkt of als je aan de rand van de afgrond  je adolescentenjaren staat te verschonen. Nooit daagt een vriend op, een raadgever, als je daar niets staat te zijn. Als je zegt: ik ben de woorden die ik niet ken. Zie mijn wanhoop in dit treurige reservaat.

Als in die gouden tijd de avond viel zongen we zo graag samen en huppelden soms in het rond met onze handen op onze knieën. Zilveren rook om onze hoofden. Aardbeien, sinaasappels uit China, jasmijnthee. De geur van sandelhout ons enige gebed. Van wie waren jouw knieën, haar enkels, mijn tenen? Onherstelbaar viel onze grote spiegel al spoedig uiteen. Verweesd keken we een tijdje naar zijn scherven. Nergens was er nog iets om vat op te krijgen. Loden dagen waren op komst, avonden vol zinsverbijstering.

Om tien uur binnenskamers, bij kunstlicht, staat zwart op wit beeldig. Op dat uur nog buiten verliezen je zinnen hun zin. In slecht verlichte straten onthouden oude en nieuwe boeken je hun gefluister. Suf gecatalogiseerd werpt zich een bibliothecaris op weg naar zijn woning onder tram 56, de traagste van alle. In de stilte van zijn vertrek verminkte hij zijn vingerafdrukken, wiste zijn wachtwoorden, elimineerde zijn existentie.
Op dun papier in Consolas 11 lees je de namen van zijn erfgenamen. De stuiptrekkingen van zijn geslacht. Gewillige varens, giftige digitalis vergaren schaduw in je minuscule tuin. Wie zou zich liever niet onttrekken aan de onontkoombare nacht?

‘s Nachts verklaar je niets. Geen mysterium tremendum, geen brakende albatros. Wat omklemt je donkere hand? Welke woorden prevelen je blauwe mond? Niets weet je, niets ben je, het is donker in je ziel en daarbuiten, ook al staat daar aan de hemel de stille Poolster te schitteren – en boven de stad heerst de heldere nacht.

Ω

Afbeelding: Anselm Kiefer, Die Orden der Nacht, 1996

DUIVEL VAN DE ONRUST

night and the city 2.jpg

Je had genoeg van de stad. Ze had je afgemat: het rumoer, de kitsch, de uitlaatgassen, de shoppers, de junkies en dronkaards en het nachtelijk geweld. Het gebrek aan manieren, aan savoir-vivre. Je dacht aan Will Oldhams woorden, “I could fuck a mountain”. Zo kwam het dat je naar de bergen ging, één week, twee weken… Daar vergat je de tijd, de dagen. Je was in goed gezelschap. Friedrich Nietzsche, Thomas Mann, Werner Herzog, Percy Shelley. Maar die mannen hadden nog een air van stedelijkheid. Je ging naar de hillbillies. Naar Dolly Parton met haar bergluchtstem. Naar Bill Monroe, en de vele bluegrassbroers, de McReynolds, de Stanleys, de Delmores… Je zag er muzikanten hun instrumenten inpluggen en hoorde ze je oren verdoven, maar onder die laag elektriciteit hoorde je nog steeds de ziel van de hillbilly. En zo, met een reiskoffer vol bergliederen, keerde je terug naar de stad, waar je altijd naar was blijven verlangen. Omdat de stad nooit inslaapt en het er nooit volstrekt donker is. Maar je wist dat je er op een dag weer van zou gaan walgen, dat je weer naar de heuvellanden zou afreizen. Naar Kentucky of, dichterbij, naar Tirol, Umbrië, de Twelve Bens in Ierland. En zo zou het blijven duren, met die duivel van de onrust in je ziel.

Ω

Afbeelding: Jules Dassin, Night and the City.

BLOND OP BLOND

nico1.jpg

Als je me volgt naar de vergeten straat vergeet ik alles wat het vergeten waard is en meer. Zinloos is het leven in de waarheid als de waarheid je waardevolste leugens vernietigt. Je springt op de bühne, een automatische reflex, en spreekt de toeschouwers toe. Een audiëntie bij een ongehoorde vijand met ‘n ontwapenende blik in de ogen.

De dagen zijn kogels die verloren zielen afvuren, misschien wel uit schrik om ze onderweg te verliezen. Want wat voor, welke zin hebben ze in hun hulzen met het kruit en het koper, ongeschonden? Op jou vuren ze; in je hart, in heel je wezen word je geraakt. La vida, Alselma, mi corazon.

Heeft de dwaasheid je nu ingekapseld, de nuchtere waanzin je zinnen verbijsterd? Luister je niet langer naar de stem van de raadgever, oud en wijs en voorbij elk kruispunt. Terwijl jij knielt, geknield ligt, onderweg ergens voor een hotel op een hoek waar de wegen uiteenlopen. Geknield of gebogen een wiegenlied zingend, een lullabye voor de nog niet slapende baby. Baby die niet in je armen ligt, in een rode jurk onthuld, of balschoenen uitschoppend, even rood als de ochtendzon.

Als je me volgt naar de vergeten straat vergeef ik alles wat het vergeven waard is en meer. Wat ik nooit heb gekregen, nooit heb gegeven, nooit uit mijn lijf heb geperst – en wat is een leugen? Of meer nog, wat is een leugen om bestwil? Van mij verneem je dat niet, nooit – de eeuwigheid (of een dag) is mijn getuige.

In Tempus Fugit drink ik koffie tegen de maagpijn en water omdat jij dorst hebt. Het is een genoegen of is het een ongenoegen om genoeg van dit alles te hebben. Het niet meer te willen doorstaan en er geen iota van te verstaan – of bedoelde je begrijpen?

De vergeten straat in het Noorden waar je altijd blond bent zoals de zangeres, blond op blond. En een zilveren jurk onder de sterren betekent er niet eens veel, weinig zelfs, helemaal niets. Op het gegeven woord komt het aan in het Noorden, buiten de wet staan van de mensen, alleen de goden begroeten. En alleen de goden de rug toekeren als waren ze vrienden of teerbeminde slavinnen.

Schitteringen in je donkerste nachten zijn klanken die soms woorden worden, meer niet. Want zo is het altijd, dat er niet veel meer is dat waarde voortbrengt dan woorden. Als je me volgt naar het Noorden schenk ik je de weinige woorden die ik ken of ik zing ze. En dan luister je en lig ik aan je voeten en ben ik de teerbeminde en voel geen pijn. Want in elk woord lost de lust op en de pijn, net zoveel als je lief is en je goedkeuring verdient. Vingers op snaren, op toetsen, op huid. Zo zijn de woorden die je neerschrijft op een wit. Die ik neerschrijf, wit op een wit, en net zoals jij, blond op blond.

THUISKOMST*

giotto_di_bondone_-_stygmatyzacja_sw__franciszka_1295-1300.jpg

Voor mijn verwanten.

Ik keer naar huis terug. De onweersvogel roept de dag wakker. Uit de Alpen komt hij gevlogen en van verder, van Azië misschien. De morgen was altijd een feest als ik aan thuis dacht. Waarom dan naar verre streken gereisd, op zoek naar mensen die me niet kenden?

Herinner je hoe het dorp aan de rivier ontwaakte. De Maas was heilig als er mist uit opsteeg en rondom het gekraai van de haan, de gehoorzame kippen en daarna ontwaken de volwassenen en kinderen met nog de doornen en vleugels van de slaap in hun hoofd. Maar nu begeven zij zich naar werkplaats en school. Een hele dag zwoegen en leren over de steden van de wereld en de stromen en wat er in de grond zit.

In de winter dikke lagen sneeuw die alles verstommen. Niemand durft nog te liegen in dat landschap. Waarom weet niemand. Want een God die allen begroet, ons vreugde geeft en genot, die geluk brengt in de steden en huizen en na de winter de aarde vruchtbaar maakt met zijn regen, die alles nieuw maakt en open, die treurigen verblijdt en het hart van wie ouder wordt teder beroert, die is er niet. Als zijn naam nog ergens wordt genoemd stelt die niets voor, niet meer dan een schim; het is een laatste wegstervende echo.

Maar jong en onschuldig sprak ik tot hem. Ik was een dichter en wat een dichter deed was spreken met engelen en met hem. Ik sprak tot hem en vroeg hem over het gevaar dat de mensen bedreigde, dat ons schuilkelders deed bouwen en voorraad opslaan voor vele donkere winters. Dat was vaak als ik wat uitrustte van het roeien in mijn bootje, op de Zuid-Willemsvaart. Het frisse water van de Kempen dat glinsterde in de zon. Of als ik op de oever zat tussen de stille vissers sprak ik tot hem over een onbekende kracht in mijn borst en tintelingen in mijn slapen. Ik vroeg hem wat er achter de bergen lag, voorbij het soms verlammend gevaar.

Ik maakte wandelingen over smalle paden door de velden. Klaprozen en boterbloemen lachten me toe en de liederen van de vogels verkwikten me, ook al waren hun boodschappen geheimzinnig. Onderweg ontmoette ik vriendelijke boeren, altijd groetend ook al liepen zij voortijdig gebukt van het geploeter.

Het was mijn vaderland. De streek waar mijn vaderloze vader zijn wieg stond en waar ik zelf ook mijn vaderland van maakte omdat ik er zoveel vrienden vond en de aarde en het water er heilig waren. Waar ik naar terugkeer om er namen en woorden te zoeken, of terug te vinden, want die ben ik vergeten of heb ik nooit gekend. Hoe kan ik je dan roemen? Dorp met je gastvrije boerderijen en schaduwrijke bossen en de Maas zo vredig in de zomer maar in de winter altijd dreigend, na wekenlange sneeuwval en daarna de dooi. Het licht dat daar op de bescheiden huizen schijnt en de geluiden van de eerste industrie, het grint dat wordt gewassen voor de aanleg van wegen naar ver weg, naar dit verblijf en naar de andere plaatsen waar ik me altijd een vreemde voelde.

Een hele weg heb ik nog af te leggen naar jou, Maasvallei. Een reis in mijn hoofd, in mijn kamer, over gevaarlijke wegen en door de tijd terug naar jou, geliefde in alle kleuren van de regenboog. Ik zie je bomen staan in Zutendaal, Neerharen en Rekem, groen in de zomer en sterk geurend in de herfst, en de paden ’s nachts, het geroep van de uil en de dartele konijnen. En als de heren op jacht gingen in hun rode jassen en het geschal van de hoorns, want ik wist niet wat doden was en bloedend vlees kende ik nog niet. De eiken en berken en populieren die zich verenigden als mensen van verschillende kleur, met één doel voor ogen. Samen de god te vinden die in hen woont en die ze zelf zijn als ze hem willen worden in een innige omhelzing.

Ja, het oude bestaat nog en wordt weer nieuw. Niets is verloren, niets is beter, niets is best. Alles wat liefheeft en leeft blijft zingen ook als de tijd hard is en de mens wreed en bloeddorstig. Het klinkt dwaas als ik het zo uitspreek of neerschrijf. Maar dat is van blijdschap. Weldra ben ik terug. Dan gaan wij samen het gewas op de velden zien en wandelen onder de bloesem en vieren het lentefeest. En dan ’s avonds zal ik liederen zingen voor jou bij het vuur dat altijd al brandde voor de vrijheid. Veel heb ik daarover gelezen in de boeken die ik hier om mij heen heb verzameld. Dat de vrijheid ons toekomt, de hemelse gaven die aardse gaven zijn, de engelen van vlees en bloed en niet anders dan duivels en saters. Alleen de macht van de sterkste en zijn geweld wil zij niet en bezing ik niet in mijn lied. Want helder blijft altijd mijn gezang.

Ik keer naar huis terug. Toch is het niet daarom dat elk uur van de dag vrolijke wetenschap zijn moet. Nee, het moet zo zijn omdat het zo moet zijn. Je moet kunnen liefhebben, je moet onbezorgd lachend je leven kunnen veranderen en feest vieren omdat je je leven verandert. Het leven moet zo zijn omdat het leven heilig is en wanklank weigert. Ik weet dat ik dwaas klink. Om het allemaal te vatten is onze vreugde te klein. Het gejubel drijft ons tot waanzin, die verrukkelijk kan zijn. Maar vaak is het beter daarover te zwijgen, want wat betekent heilig als we er geen woorden voor hebben en de spraak ons wordt ontzegd?  Wat me overblijft is werken aan het lied dat de zorgen bezweert. Zorgen over wat niet kan worden gezegd maakt zich de zanger opdat ze de anderen blijven bespaard.

Ω

* Geen vertaling, maar inzake beeldspraak, ritme, toon, filosofie en religiositeit geïnspireerd door Hölderlins late elegie ‘Heimkunft’ uit 1801. Bij het in één ruk schrijven van deze neo-elegie zaten diverse vertalingen van Hölderlins werk in mijn onbewuste te wroeten. De nacht was onrustig en vol dromen, onder meer over het gedicht van Hölderlin. Vanmorgen ben ik enigszins slaapwandelend naar mijn kamer gekomen om deze ‘idiote’ woorden uit mij te laten vloeien.

VERZEN VOOR ALEXANDER SPENCE

alex spence2.jpg

Zijn stem van begane lijdensweg vergalde de dag en maakte nachten onzinnig.
Je dwaze en extatische nachten, donkerblauwe lelies in het licht van de maan
Door het raam en de herinnering aan je veel zachtere ogen in een kleine spiegel
Van je moeder, je handen klein en kwetsbaar als vlinders, als kolibries.

Zijn schaarse woorden zo verschillend van zijn naam, Alexander; dwarse koning
Nooit op weg geweest om wat dan ook te veroveren of te stichten in deze wereld
Noch in een andere, ook al zocht hij daar naar jou maar vond je overal nergens.
Zoekend wankelde hij bij de rivier, zijn droom een zware last om te torsen.

Hij is anders dan jij: hij heeft de rand van de afgrond bereikt en kan niet verder.
Wat hij zingt is wanhoop die gevleugeld is om niet meteen neer te storten,
Maar om eerst nog wat harten te breken en pijn te stillen van hen die gedoemd zijn
Alles te willen zien schitteren terwijl het toch zo grauw en dof is, zo tekort schiet.

 

Foto: Moby Grape. Alexander ‘Skip’ Spence links op de foto.

NOG VOOR DE TIJD BEGON

la luna.jpg

Nog voor de tijd begon. Nog voor de tijd begon kende ik je naam, reikte ik naar je handen, nam ik je in mijn armen. Je handen schilderden bloemen in de velden waar we gingen, wolken in de lucht. En altijd lagen we bij het water te lachen of te drinken. Altijd was er muziek van sterren en dansten we en zeiden we: je bent mijn spiegelbeeld, je bent mijn a tot z, altijd nog voor de tijd begon.

Zo kon je mij verkwikken, je dorstige en onbekende soldaat. Van voor het begin ongewapend en ontregeld à la Rimbaud, elk ogenblik vurig als je woorden, de schaarse en sublieme woorden die je me schonk. En zo kon ik je zingen, je hele lichaam, je stem, je bliksem, jij gekke soprano!

Nog voor de tijd begon ging ik al niet meer op zoek naar jou. Ik herkende je in de velden, in de wolken, in het bergpad, in de wassende maan. Overal riep je me toe, met zachte stem, dat ik moest ontstaan, dat ik je toe moest roepen, met zachte stem. Overal zong je me tot leven en herkende je me. In de velden herkende je me, in de bomen, in de irissen en het riet, in de afwezigheid van clausules en argumenten. Je herkende me in mijn lied voor jou. Het lied dat je nog voor de tijd begon voor me zong, het lied dat ik dronk, dat me dronken maakte, waarin ik verdronk en waaruit ik ontstond. Ontsta!, riep je. Je stem een droom van wolken, een droom van rivieren.

Herken mij. Herken je mij? Ik herken je. In jou herken ik je. Ik blijf mij jou in mij herkennen. Nog voor de tijd begint blijf ik zo. Of klim ik zoals in een ander lied, vergeten al, langs de letters van je naam omhoog, een touwladder naar de maan. Daar zit ik dan naast jou te kijken naar onze tijd hier op aarde, nog voor de tijd begon. Het gerinkel van de tijd hier en alles wat ik over jou en mij verzon.

le-voyage-dans-la-lune-oeil (1).jpg

IN DEN BEGINNE

IMG_4499.JPG

In den beginne, op het groene gras van je uitverkoren oord, waar het altijd elders is, kronkelt van lieve lust een adder. Hij wendt zich een poos naar het stralen van je zonnestelsel, daarna weer weg, naar waar zelfs een duivel zich niet waagt.

Op die dag – of was het vandaag? –  dacht je terug aan de dag toen het leek of Renata’s lichaam een onbegonnen lied voor je zong. Een lied waar ze altijd opnieuw aan zou beginnen, op die dag. Een lied om later te kunnen ontginnen. In haar handen hield ze volstrekt genadevol erts. Zie hoe het fonkelt, hier in deze zinnelijke alchimistenkamer.

De tonen van het lied bouwden een ladder waarlangs je ontsnapte, gevleugeld je woorden, naar weer een andere plek, een ander licht. Of gelijkend op het licht dat je in de sluimerogen scheen op de dag dat je terugdacht aan haar lange dag – en na die wedergeboorte de reis naar een donker dat ogenschijnlijk al lang achter je lag, maar in werkelijkheid in de nabije verte, net voorbij de heuvel van het Verdriet.

Het licht dat uit je ogen straalt, je ogen op het gras gericht, op de adder, zijn kronkelig pad. De schaduwtonen in haar stem, elke noot in haar gezang, denk je, de aanvang van een verhaal dat altijd begint met ‘in den beginne’.

ΩΩΩ

Foto, Martin Pulaski, 30 september 2013