RUSTIG SLAPEN IN EEN GENADELOZE WERELD

STOCKHOLM 017.JPG

Tawny port op een regenachtige zaterdagavond in de late zomer schenkt je enkele ogenblikken breekbare rust. Later de waterachtige smaak van de groenten op je bord. Herinner je je nog hoe jaren geleden, bij je moeder, alles zoveel krachtiger smaakte en echt lekker was?

Je leest wat in een roman, maar zonder veel aandacht te geven aan de woorden en zinnen. Althans: ze roepen niets bij je op. Je bent te moe van te veel afkeer en verwensingen en gruwel. Moe, maar dan lig je toch nog uren wakker, en daarna volgen er nachtmerries over mensen die je in werkelijkheid of in je verbeelding hebben bedrogen of verraden.

Er zijn dagen dat je vergeet hoe teder en vriendelijk en liefdevol sommige mannen en vrouwen voor je zijn.  Dan is alles in jou gesloten, als een auto in een garage, een auto die aan herstel toe is en al met een laag grijs stof bedekt.

Maar werpt het geen positief licht op je karakter, op je moreel bewustzijn dat je niet goed slaapt? Want in zekere zin zou je kunnen zeggen dat rustig slapen in een genadeloze wereld iets is om je voor te schamen. Zoals in een park zitten met je arm om een geliefde gelegd en zo, in die innigheid, het leed van de bedelaar een beetje verderop vergeten.

Toch ook dit nog: wat is er mis met de trage stilte, die misschien wel op het vallen van plataanbladeren lijkt, trage stilte waarin je enkele momenten van geluk kunt beleven? Als je de warme rode lippen van je geliefde kust.

Ω

Foto: How, Stockholm, 16 8 2013, Martin Pulaski

MELANCHOLISCHE WARMTE IN PORTO EN ELDERS

cristina regadas porto 2006

Op een frisse novemberavond in Porto zat ik met mijn goede vriendin Cristina in restaurant Vitoria. Een rustige, aangename plek, die ik op mijn eentje nooit had gevonden. Ik had een immens bord vol lamskoteletten, waar ik niet bijzonder veel zin in had. Maar je kunt toch niet elke dag twee keer vis eten? Het was mij meer om de rode wijn te doen, een lekkere Dialogo – en nog veel meer om het gesprek. Een dialoog met Cristina is altijd een vrolijke gebeurtenis, zelfs al is de ondertoon melancholisch, soms bijna fatalistisch. Alleen al om dat te kunnen meemaken reis ik graag naar Porto. We houden van heel uiteenlopende dingen, maar zijn denk ik toch zielsverwanten. We praten graag over kwalen en ziektes, maar doen dat niet zonder zelfspot en bevrijdend lachen.
Onze gesprekken zijn associatief: zo heb ik ze het liefst. Zowel Cristina als ik lezen weinig auteurs van ‘eigen bodem’.  Welke Portugese auteurs moet ik lezen, vraagt ze zich af. Welke Nederlandstalige auteurs moet ik lezen, vraag ik me af? Wat hebben ze ons te vertellen? Maar verarmt onze woordenschat daardoor niet? En door zoveel Engels te lezen, want dat doen we beiden, ontspoort onze syntaxis misschien wel? Misschien wel, ja. Maar is een arme woordenschat een ramp? Ik heb altijd van de magere taal van iemand als Kafka gehouden. Zijn wereld spreekt me veel meer aan dan die van bijvoorbeeld James Joyce in ‘Finnegans Wake’. En Hölderlins ontspoorde syntaxis, wellicht te wijten aan zijn vertalingen uit het Grieks, maakt zijn poëzie net zo uitzonderlijk.

Door ons niet te verdiepen in de ‘eigen’ literatuur blijft onze taal authentiek; we worden niet beïnvloed door geografisch bepaalde trends en hypes, zielige opflakkeringen van bijna uitgedoofde geesten. Desondanks zullen we altijd beïnvloed worden door wat dieper stroomt, door filosofische ideeën, door globale ‘evenementen’, door gesprekken, door wat ons uit sociale netwerken tegemoet komt. Het zijn onvermijdelijke en misschien wel noodzakelijke invloeden. Tegelijk onderhevig aan de fenomenen die onze tijd bepalen en oneigentijds (“unzeitgemäss”, bij Nietzsche) zijn, daar is het ons om te doen, denk ik.

Tijdens ons lang, intens gesprek hadden we het over angstaanvallen, astma, paniek, horror (‘The Shining’, ‘Rosemary’s Baby’), poezen, hoe je een kat kunt oproken, allergieën, William Burroughs en de beat generation, mijn liefde voor westerns, het verschil tussen ‘linkse’ en ‘rechtse’ westerns (Fred Zinnemans ‘High Noon’ tegenover John Fords ‘The Searchers’: de revolutionaire Jean Luc Godard had een zwak voor de republikeinse, soms racistische John Ford), over geesten, werkelijke en onwerkelijke spoken, de vraag ‘wat is realiteit’, Paul Auster (zijn werk verschijnt eerder in het Nederlands dan in het Engels, zo ben ik gedwongen een meestal niet erg elegante Nederlandse vertaling te lezen), Haruki Murakami (‘Kafka On The Shore’, ‘Norwegian Wood’), ‘Le Rouge et le Noir’, vakanties, reizen, vliegangst, ziekenhuizen, hallucinaties, openbaringen, onthullingen, liefde en het verdriet dat daarmee gepaard gaat, mensen die zich willen dooddrinken (dachten we aan Fernando Pessoa?), hedendaagse kunst, onafhankelijke platenlabels, boeken aanschaffen via internet, de onbetrouwbaarheid van de Brusselse post en Guust Flater.

Cristina vertelde me dat Guimarães, de geboortestad van haar vriend José, culturele hoofdstad van Europa 2012 is. Ze zei dat ze nog niet zo lang geleden de kans had gehad om met Aki Kaurismäki, wiens werk we beiden bewonderen, te praten in een bar in Guimarães. Maar ze heeft het niet gedaan, wellicht uit schuchterheid. Of was het er te druk?
Samen met Manoel de Oliveira, Pedro Costa en Victor Erice was de Finse filmregisseur door de Stichting Cidade de Guimarães gevraagd om een film te maken over het collectieve, historische, geheugen van Portugal (onder de gemeenschappelijke noemer ‘Centro Historico’). Kaurismäki’s bijdrage, ‘Tavern Man’, vertelt het verhaal van een eenzame barman in het historische centrum van de stad. Een typisch onderwerp voor de zwarthumoristische Fin, lijkt me.
Ik heb de film nog niet gezien. Variety schrijft er dit over: “and humanity spreads to every corner of the frame with compassionate, melancholy warmth.” Meer verwacht ik van Kaurismäki niet. Evenmin verwacht ik meer van mijn vrienden, in Portugal, in België, waar dan ook.

 

HET WARE BEELD VAN DE HEER*

ware beeld.jpg
Martin Pulaski, Via Dolorosa, Guimarães, 12 november 2012.
“Jezus wordt van zijn kleren beroofd.”

Voorlopige stuur ik je gedachtensnippers, flarden van denkbeeldige gesprekken met jou. Je antwoordt me niet, wat ik begrijp: antwoorden is een kwestie van tijd en temperament. Om van die conversaties geen monologen te maken verzin ik je reacties. Waarom ben je het over alles wat ik beweer met me eens? Of vergis ik me in wat ik verzin?

Zo kort duurt mijn verblijf in Guimarães dat het lijkt op een droom die ik ergens tussen vijf voor zeven en zeven uur ’s ochtends had. Deze oorspronkelijke hoofdstad in het Noorden van Portugal is een mooie, relatief klein en proper, vergelijkbaar met Brugge maar dan op zijn Portugees. Geen Minnewater maar groene, glooiende heuvels rondom. Veel pleinen en terrassen waar bijna geen mens te zien is. Het is maandag, de musea en andere bezienswaardigheden zijn gesloten. Een ideale dag om hier te lanterfanten.

Waarom lijkt alles veel duurder dan in Porto, dan in Lissabon? Waarschijnlijk omdat het de culturele hoofdstad van Europa is… Maar volgend jaar dan? Blijft alles dan net zo duur als nu? Gelukkig geldt dat niet voor de sardienen… Die zullen wel altijd goedkoop zijn.

’s Avonds, opnieuw aan tafel, in Porto, vroeg ik mijn vriend José of het normaal is dat er zoveel helder bloed in die vissen zit. Terwijl ik daar in dat oude Guimarães aan die sardienen zat te wriemelen vreesde ik even dat de kok mij wilde vergiftigen. Zulke dingen gebeuren in zulke stadjes. Misschien kwam die gedachte ook wel bij me op door de Vinho Verde die mij werd uitgeschonken. Ik houd van zowat alle Portugese wijnen, alleen de Vinho Verde smaakt me niet. Ja, zei José, dat heldere bloed wijst erop dat de sardienen vers waren. Prijs jezelf gelukkig, vriend.

Niet alleen in Porto is iedereen vriendelijk tegen me, ook in Guimarães is dat het geval. Zelfs de garçon die me Vinho Verde brengt is vriendelijk. En nog ongewoner: het meisje in het toeristisch informatiecentrum is vriendelijk. Ze is vriendelijk en schuchter en lijkt op een Portugese heilige – een bevallige combinatie, hoewel ik een voorkeur heb voor zondaars. Een vriend van me, overleden in 1991, schreef me ooit uit Lissabon – in de zomer van de grote brand – dat de Portugezen een ‘onbeschoft volkje’ waren. Onzin, maar dat wist ik toen niet. Ik ben al vaak in Portugal geweest en heb nog maar een onbeschofte Portugees ontmoet. Dat was in het toeristisch informatiecentrum van Sagres, van god en bijna alle mensen verlaten stadje.  Mocht er toch een god bestaan, hij zou die man streng straffen. Ja, zijn lijden zou misschien vergelijkbaar zijn met wat ik zag op afbeeldingen van de veertien staties van de via dolorosa, in de buurt van Lagos.

Wat later, mijn glas rode wijn was leeg, vertelde ik José, nogal enthousiast denk ik, over de staties die ik in Guimarães aandachtig bekeken had, in het bijzonder over statie zes, “Veronica droogt het aangezicht van Jezus af”. Maar wie is toch die Veronica, ik heb al zoveel over haar gehoord, zei hij. Veronica, zei ik, is het ware beeld van de heer, Vera Icona… Moest ik nu echter die hele geschiedenis weer uit de doeken doen, vroeg ik me af. Ach nee, vervolgde ik, Veronica, dat was mijn eerste liefje. Mijn Portugese vriend lachten hartelijk, wat waarschijnlijk mijn bedoeling was; toch was ik zelden zo ernstig geweest.

Meer snippers volgen later misschien. Als ik minder overhoop lig met de tijd en met mijn temperament. Als je het in mijn monologen met jou wat minder met me eens bent. En zeker als ik snippers van jou ontvang. Snippers van je dagelijks geluk en je dagelijks afzien. Snippers van je denkbeeldige gesprekken.
*Bewerking van een notie van 30 november 2012. Gepubliceerd op 3-12-2012.

EEN OGENBLIK IN SERRALVES

serralves.jpg
Martin Pulaski, Serralves (Porto), 11 november 2012.

In de boekwinkel van Fundacão Serralves sloeg ik op een willekeurige plaats een willekeurig boek open (essays over hedendaagse kunst). Ik las dat de essentie van de kunst is: het leven zoveel mooier en beter maken dan de kunst. Ik was niet naar Serralves gekomen voor de kunst. De man van het Cale Hotel, waar ik logeer, had me gewaarschuwd dat de tentoonstellingsruimte gesloten was. Ik was er voor het park, een van de aangenaamste plekken die ik ken. Daar vond ik het leven opeens overweldigend, het leven en de wereld rondom me, met de zon die mijn lichaam verwarmde, met de dwarrelende kleuren van de herfst en de verrukkelijke tinten –  onnoemelijk veel kleurschakeringen – van het water, het water dat misschien nog beter en mooier is dan het leven, het water dat de essentie van het leven is. Alles zoals het op dat ogenblik was – want de tijd was stil blijven staan, was alleen nog moment – was voldoende, was alles. Wat diep binnendrong in mij, een immense en tegelijk erg zachte kracht, kon mij verzoenen met jou en kon me verzoenen met mezelf.

Ω

Oorspronkelijk gepubliceerd op 11-11-12.

VROEGER IS NU

berlijnse vrienden

Als stro zijn de dagen, ook al zie je geen velden, geen heuvels, geen vuren branden. Je ruikt een korte, felle brand, en daarna, terwijl je een glas bier drinkt, het smeulen. Je zit op een krat te piekeren over de voorbije weken en maanden. Is alles echt gebeurd? Heb je geleefd tijdens die maanden, of was het maar een droom? Was je werkelijk in Umbrië, in Rome, in Berlijn, in Wenen, in Porto, in Lissabon, in Barcelona? Zag je er alles wat je gezien hebt. De heuvels van Spoleto, het drukke verkeer, de oudste kerk van Rome door het raam van je hotelkamer, liep je opnieuw over de Auguststrasse en in Prenzlauerberg? Werd je uitgenodigd voor een Vietnamees etentje ergens in Kreuzberg en werd je zo dronken van de wodka dat je er scheel van zag? ’s Anderendaags op het vliegtuig. Het lijkt op een droom.

Ook in Porto. Je vrienden, de nachten, de kunstgaleries, de sterren van José, het museum waar Cristina jullie de weg wijst, waar A. ten val komt, de lekkere Portugese wijn in café Guarany, en aan de oceaan waar de golven wild te keer gaan. Wat blijft nog over van Wenen? Altijd maar dat MuseumQuartier, een hele week lang, vaak in de regen. Waar je Cy Twombly ontdekt, een kunstenaar van wie je alleen de naam maar kende en die je nu verheerlijkt, op een even hoog niveau plaatst als Anselm Kiefer.

En Ray Johnson, haast vergeten, de wanhoop van Jesper Just, de indrukwekkende tentoonstelling ‘Silences’, bijeengebracht door Marin Karmitz, in Lissabon. De nieuwe kennismaking met het werk van Tadeusz Kantor. Het onzichtbare dansen boven je hoofd in een Berlijnse kunsthal – een installatie van Allora & Calzadilla.

En van al de vrienden die je ontmoette. De geliefden. De omarmingen. De dode broer. De dode helden. De wandelingen door de stad, de terrassen van leven en dood. Waarom kus je elkaar? Heb je elkaar dan niet innig lief? In de zomer of in de koude cafés van de winter, als een profeet met blijde getijden welkom zou zijn, zo net na een vreselijke aardbeving.

Nachten van waanzin en euforie in Antwerpen, in Gent op het huwelijk van je vriendin I., lezingen, concerten van Bob Dylan en the Duke & the King, de cafés in Brussel… Back to the starting point. Gesprekken met arbeiders over hout, centrale verwarming, sleutels… Taxichauffeurs die je behoeden voor het gevaar. Met hun verhalen en hun scherpzinnig ogen.

De stad puilt uit van liefde en haat, maar je zoekt slechts liefde. Omdat zo de wereld opnieuw ontstaat. Je moet puzzels ontwarren, als waren het knopen in lange, weelderige haren. Wat betekent dit allemaal, een nachtmerrie kan het niet zijn, als er trompetgeschal bij weerklinkt en beelden van engelen je gezicht vertroebelen. Je gelooft niet in het bovennatuurlijke, nee. Maar een engel is een mens. Dat weet je van Rilke en van Wim Wenders. Engelen, en jij met je hoofd in de voor een keer niet giftige wolken.

Maar nu heb je hoge koorts en moet je weer gaan rusten. Niet alleen taxichauffeurs beschermen je tegen het gevaar. Niet alleen engelen. Je moet jezelf ook in bescherming nemen. Je moet zien dat je overleeft, het positieve accentueren.

Ω

Afbeelding: Berlijnse vrienden, 2009, M.P.

 

IN CAFE GUARANY

no smile

Hier zit ik dan in een van mijn favoriete cafés, Guarany in Porto. Ik geloof dat AA deze foto van me nam op 3 of 4 november 2009. Waarom kijk ik zo droef? Aan wat denk ik? Ik weet het niet. Ongelukkig was ik niet, maar het had de hele dag geregend. Kan dat echter zulke blik verklaren?

Sindsdien ben ik thuis in Brussel en het is mogelijk dat ik nog altijd een droeve blik heb, ik kijk zelden in de spiegel, scheer me als een blinde. Alleen om mijn teennagels te knippen moet ik uitkijken. Een verkeerde beweging en ik ben een teen kwijt. Een teen zou nog niet zo erg zijn, maar twee…

In Brussel regent het niet, maar het is wel koud, en vooral donker. Weer voor winterdorpen, niet voor buitenwijken, waar shopping centers en brede straten de velden van weleer hebben vervangen. En als er sneeuw valt wordt alles hier meteen een grijsbruine brij.

Wat doet een mens dan? In mijn geval slapen, winterslapen. En lijsten maken, zoals nu een lijst van de beste platen uit de periode 2000-2010. Een hele klus! Het is tijd voor andere tijden.

GELUKKIGE DAGEN

friends

Terug naar de vrienden in Porto. De warmte en schoonheid van die stad aan de Douro. De geuren, het licht, de mooie dagen en nachten. Tot ziens, lezers, Belgische en Nederlandse vrienden. Het ga je goed. Maar af en toe is het nodig aan de oever van een rivier te verblijven. Een kanaal is geen rivier, en de Zenne in Brussel zit onder de grond verborgen, alsof het een melaatse is, een hoer met een SOA. Daarom andere rivieroevers opgezocht en andere vissen, gastvrije mensen, hospitalité en de wijn van Pessoa. De wijn van de passie en het verdriet. Tot binnenkort. Ik hoop dat jullie aangename herfstdagen mogen beleven, luisterend, al veel te vroeg, naar de gekke kerstplaat van Bob Dylan. Wie had gedacht dat we ooit zo’n geschenk zouden krijgen?

Ω

Foto: Martin Pulaski. José Almeida Pereira, Cristina Regadas & Agnes Anquinet in Porto.

HET MEISJE IN CAFE MAJESTIC

MEISJE IN MAJESTIC

majestic2

Je zat met je vrouw in café Majestic in de Rua de Santa Catarina in Porto. Café Majestic is een van die plaatsen waarvan je zegt, er bestaat niets mooiers dan dit. Als je jonger was zou je er uren doorbrengen, de ene koffie na de andere bestellen, de plaatselijke krant lezen. Maar nu heb je de tijd niet meer. Je moet je haasten om nog iets anders van de wereld te zien, en om je bestaan hier alsnog zin te geven. Je dronk wat van de koele witte wijn uit de Douro en keek afwezig om je heen. Je voelde je ziek, de nacht in het hotel – een en al vergane glorie – was moeilijk geweest. Waarschijnlijk had je iets giftigs gegeten, schelpen of intkvis. Of kwam het door de wijn, die al zoveel van je geestverwanten heeft vernietigd? Toch wilde je de pijn en de vermoeidheid niet voelen; je wilde de vruchten van de wijn proeven en licht in het hoofd zijn. Je wilde maar een ding: leven.

Een blond meisje in een donkerroze jurk kwam voorbijgelopen, heel dicht bij, je had haar aan kunnen raken. Maar nu was ze al uit het zicht verdwenen, de trap af. Je bleef kijken tot ze terugkwam. Tranen vulden je ogen toen je haar gezicht zag, haar lichtroze lichaam in de donkerroze jurk, haar blonde haren die aan Botticelli deden denken.
(Schrijf ik nu opeens met de pen van een reclameschrijver? Verheerlijk ik nu rode rozen en pralines? Ben ik in een val getrapt? Schoonschrijverij, leugens?)
Nee, je zat in café Majestic en werd diep geraakt door de schoonheid van dat meisje, een bloem die nog maar net was ontloken. Ze kondigt mijn dood aan, dacht je. Maar desondanks kon je je ogen niet van haar afwenden. Ze was weer aan haar tafeltje gaan zitten en las in een boek. Haar mooie blote rug.

Je vrouw ging de camera halen: er moest een foto worden gemaakt. Nooit eerder in je leven had je je aan voyeurisme overgeleverd. Maar nu moest het, het kon niet anders. Een demon had je dronken gemaakt. Je mocht geen tijd verliezen. Terwijl je vrouw zich naar het Grande Hotel do Porto haastte, aan de overkant van de straat, dacht je opeens aan Aschenbach en Tadzio, aan de dood in Venetië, je hoorde Thomas Manns stem het einde van het verhaal voorlezen, je zag de beelden van Visconti, je hoorde het adagietto uit Gustav Mahlers 5de symfonie. Je voelde je even pathetisch als Aschenbach. Je vrouw kwam terug en maakte enkele foto’s vanuit de deuropening van het café. Wat later zat je met je camera in je handen te wachten op het meisje, maar toen ze nogmaals voorbijkwam kon je geen foto maken, je handen beefden. In dit meisje – dat je je verbeeldde – was alle schoonheid van de wereld bijeengebracht. Je kon niet langer blijven. Laten we gaan, zei je. Je moest naar de kamer om vergetelheid te zoeken in je slaap.

majestic

Foto’s: Agnes Anquinet, Martin Pulaski.

EEN HALF JAAR WACHTEN

Ik zou vertellen over mijn aankopen. Maar ik ben verstrikt geraakt in de woorden van Cormac McCarthy. Ik heb al veel van hem gelezen in de jaren negentig, maar dit, ‘The Road’ overtreft alles. Wat lijkt een lijst van mijn aankopen nu zinloos. Vroeg of laat vergaat het allemaal. Van ons blijft niets over, van de dingen evenmin. Als onze tijd gekomen is zullen de dingen onze sporen zijn, maar niet lang, want zij zullen eerst hun betekenis verliezen en dan vergaan. Vroeg of laat. Als je dat boek van Cormac McCarthy leest weet je het wel zeker. Daarom zullen we gedurende de tijd die we hier doorbrengen maar best vrolijk wezen en liederen zingen. Gedichten schrijven, films maken. Het lelijke en het slechte de rug toekeren.

Om mijn aankopen te verklaren moet ik eerst vertellen wat ik de voorbije weken en maanden heb gedaan. Dat is niet veel. Tot midden april heb ik mijn woning nauwelijks verlaten. Er waren enkele concerten, Iron & Wine, en Mavis Staples. Met mijn beste vrienden heb ik gegeten en gedronken. Maar ik ben vaker bij artsen geweest dan bij vrienden. Graag had ik mijn broer in Limburg een keer bezocht maar ik blijf het uitstellen. Met mijn vriend Koen ben ik naar een lezing van Kamiel Vanhole geweest. Reisverhalen, subtiel en vol humor en ironie. De man, die ik helaas niet heb leren kennen, is inmiddels overleden. Ik zal die avond niet snel vergeten, omdat er ondanks de ziekte en de aangekondigde dood euforie in de lucht hing. Ik ontmoette zielsverwanten. We praatten over muziek, over Peter Guralnick, over Greil Marcus, over ‘Matty Groves’ van Fairport Convention. Midden april ging ik weer werken, halftijds. Het viel me zwaar, omdat de depressie of wat het ook moge wezen wat ik heb, niet weg was. De dagen dat ik niet ging werken sliep ik vooral. Ik ben altijd moe. Antidepressiva schijnen geen vat te hebben op mijn aandoening. Een belangrijke deel van mijn budget ging naar grotendeels overbodige geneesmiddelen. Maar je hoopt natuurlijk dat ze wel werken. Vitamines en voedingssupplementen kosten eveneens veel geld. Omega-3, een wondermiddel, zo wordt beweerd.
Werken was moeilijk, niet werken was ook moeilijk. Ik maakte geen foto’s meer en schreef weinig. Ik ging niet naar de bioscoop, dat was toch al een besparing. Naar het theater ging ik evenmin: ik was bang voor de mensen. Ik was niet bij machte om tegen iemand iets te zeggen. Eind mei verbleef ik twee nachten in een ziekenhuis, voor een slaaponderzoek. Ik kocht een pyjama en een kamerjas. Dat waren kledingstukken die ik niet bezat. Natuurlijk moest ik ook boeken hebben om te lezen in het ziekenhuis. Ik moet altijd boeken hebben, ook al ben ik veel te moe om te lezen. Aan boeken en muziek ben ik verslaafd. Maar dat weet je al langer. Ik kocht boeken van alle schrijvers die ik ken en goed vind en die nieuwe boeken uit hadden. Ik kocht ook boeken van dode schrijvers, zoals Shakespeare en Stendhal. Het beste boek dat ik dit jaar las was Lucien Leuwen van Stendhal. Tenzij ik een ander werk over het hoofd zie. Over tien jaar zal ik misschien zeggen dat het dat van Cormac McCarthy was, maar nu niet.

Om naar Porto te gaan kocht ik geen nieuwe boeken, want ik had nog een hele stapel, en onze reisgids (Rough Guide) was nog niet echt verouderd. Zo’n gids kost al gauw 25 euro. Ik kocht wel nieuwe schoenen, maar ik ben er niet echt tevreden mee. Dat is vreemd want ik ben al jaren wel tevreden met de schoenen die ik koop. Ik kocht sokken en onderbroeken: dat doe ik altijd als ik op reis ga. Ik gaf geld uit aan tassen voor toiletgerief en voor medicijnen. Ik neem altijd massa’s medicijnen mee als ik op reis ga, zelfs als het maar voor een week is. Ik kocht een nieuw pak. Als ik dat aan heb voel ik mij een beetje een nieuwe man. In Porto droeg ik het om de toeristen belachelijk te maken. Zelfs op het vliegtuig had ik mijn pak aan. De meeste mannen zaten in hun onderbroek in het vliegtuig, en op hun sandalen. Ook in de kathedraal van Braga zag ik mannen met blote benen. Maar ik werd berispt omdat ik mijn Panamahoed op had op de patio van diezelfde kathedraal. Nochtans was ik, al ben ik ongelovig, blootshoofds voor het altaar verschenen. Ik had zelfs geknield, maar dat was om een foto te maken van de grote voeten van Jezus. (De foto is mislukt). Ik ben natuurlijk zelf ook een toerist, maar wat haat ik toeristen! En als ik het patois van Vlamingen hoor maak ik me snel uit de voeten. In del uchthaven van Porto heb ik Patrick en Johan gehoord, je weet wel. Patrick belde, niet met zijn dochter, maar met zijn zoon, ergens in de Kempen. Ach, het vaderland. In Porto kocht ik hemden en T-shirts en boeken en cd’s. Fado…

Vorige woensdag zijn we naar een filmvoorstelling van de jongste film van Paul Auster geweest. We zaten vlak bij het hoge podium. Annelies Beck stelde Auster een aantal grotendeels overbodige en onbenullige vragen, maar de schrijver bleef er charmant en geestig op antwoorden. Hij heeft zowat de mooiste ogen die ik ooit bij een man heb gezien en zijn stem is de stem van een verteller. Je verstaat elk woord, elke zin, niets ontsnapt aan je aandacht. Als mijn dokter een dergelijke stem had, dan was ik al lang kerngezond. Er waren ongeveer tweeduizend bewonderaars van Paul Auster in het Paleis voor Schone Kunsten bijeengekomen om naar de voorstelling van ‘The Inner Life Of Martin Frost’ te kijken. Een interessante mislukking, waarvan het verhaal voor degenen die ‘The Book Of Illusions’ hebben gelezen weinig verrassends te bieden heeft. Aan de mooie beelden, de montage, de stem van de verteller en het schitterende acteerwerk zie je natuurlijk wel meteen dat Paul Auster van film houdt. Na de voorstelling stonden honderden mensen in een rij aan te schuiven om zijn nieuwe boek, ‘Man in het duister’ te laten signeren. Zijn echtgenote, Siri Hustvedt heeft ook een nieuwe roman uit. Ze zat naast haar man. Door het raam zag ik de energie die van de ene naar de gaat en weer terug, twee energiebronnen die elkaar versterken. Wij hebben ons echter vlug uit de voeten gemaakt. Ik had het boek niet gekocht en wilde ook niet in zo’n lange rij staan. Ik dacht, ik wacht op de Engelse vertaling, die in september verschijnt. Maar gisteren kon ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en ben ik toch maar de Nederlandse vertaling gaan kopen. Dat ik geen handtekening heb vind ik niet erg, maar ik had de grote schrijver wel graag de hand gedrukt. En als ik dan Siri Hustvedt ook nog had mogen zoenen…

Toen ik dit stuk begon dacht ik een lijst te zullen maken van alle cd’s die ik dit jaar al heb gekocht. Maar het toeval heeft mij in een andere richting gestuurd. En daarover hoor je mij niet klagen. Voor een lijst heb ik nog alle tijd van de wereld. ‘The Inner Life Of Martin Frost’ werd in Portugal gedraaid. Er staan enkele foto’s uit Porto op flickr.

LET THE MYSTERY BE

Ik ben terug uit Porto en om dat te vieren laat ik u luisteren en kijken naar Iris Dements ‘Let The Mystery Be’. Voorlopig doe ik er nog even het zwijgen toe. De oevers van de Douro leggen nog teveel beslag op mijn gedachten. Toch dit: deze opname van ‘Let the Mystery Be’ is een fragment uit de fantastische ‘Transatlantic Sessions’, een tiental jaar geleden uitgezonden door BBC2. Iris Dement wordt onder meer begeleid door Molly Mason op contrabas, Russ Barenberg op gitaar en, als ik me niet vergis, Jay Ungar op fiddle. Voor mij is dit een magisch moment – alleen dit al, dit nog eens terugzien, maakt het de moeite waard om weer thuis te zijn. De vraag is of er veel meer redenen zijn. Toch ben ik blij dat ik met een wat frisser hoofd weer in het vaderland ben. Maar liever was ik bij de vrienden in Porto gebleven. Dicht bij de Douro, en het licht van de Atlantische Oceaan.

GROTE PLANNEN, TOEKOMSTDROMEN, VERLANGENS

Natuurlijk denk ik nog aan de vele mooie dingen die de wereld heeft te bieden. Maar ik ben in de war, het is moeilijk om alles op een rij te zetten, orde te brengen in de chaos van mijn denken en voelen. Ik zou op dit ogenblik graag mooie volzinnen formuleren, maar dat is me voorlopig niet gegund. Alsof dat een toepassing is, die gewist is. Ik slaap, eet, drink en luister wat naar muziek. ’s Avonds bekijk ik een film, een aflevering van Berlin Alexanderplatz (maar daar zit ik bijna aan het tragische einde, aflevering 13). Het is een vreselijk verhaal, dat me heel vaak woedend maakt. Ik bedoel met ‘vreselijk verhaal’ niet dat het slecht geschreven is of zo, integendeel. Het is vreesaanjagend, het doet je werkelijk pijn. Hoe kan iemand zo blind op zijn noodlot toestappen – ik wil die Franz Biberkopf toeroepen: niet doen, niet doen! Maar dat heeft geen zin, dat weet ik ook wel, ik ben geen kind dat naar een poppenkastvoorstelling zit te kijken. En wat zit ik in met die onschuldige Mieze, met haar roze strikje in haar haren. Wat een fijne actrice ook, Barbara Sukowa. Ze is even oud als ik en woont samen met de kunstenaar Robert Longo. Maar Mieze toch! Biberkopf! Fassbinder heeft ons daar een mooi vergiftigd geschenk gegeven… Dank je, Rainer Werner.

Ik zou graag naar Canada reizen, maar niet nu, volgende zomer. Ik heb er een nichtje, veel ouder dan ik, met een dochter die al volwassen is. Sinds mijn vijfde of zesde jaar heb ik Josephine niet gezien. Toen was ik verliefd op haar, nu zal ze al heel wat rimpels hebben, wat verschroeid zijn van de Canadese zon. In Toronto wil ik ook graag een keer Stephanie Fysh gaan bezoeken, een fascinerende vrouw. Ik denk dat we veel zouden lachen, samen. Ja, Canada. Met een bus door het land rijden en de landschappen aanschouwen die Neil Young bezingt, de landschappen die Atom Egoyan in beeld brengt, het land van Joni Mitchell en the Band.

Net zo graag wil ik naar Porto, maar dat kan al in de lente, dan is het daar al warm. In Porto heb ik mijn hart verloren. Daar langs de Douro wandelen tot waar hij in de oceaan stroomt, en tegen zonsondergang terugkeren naar het centrum, langs de vissers lopen, en langs mannen die eenzaam in hun auto’s naar de zonsondergang zitten te kijken, alsof ze wachten op een mirakel. Mooiere dingen kun je niet doen. En ’s avonds ga je met Cristina naar een bar, ingericht in seventies stijl, en drink je een amêndoa amarga, en een paar glazen koel bier, en je praat over de films van Roman Polanski, die jullie beiden bewonderen. Ik ben gek op Cul de Sac en Repulsion, Cristina bekijkt één keer per week Rosemary’s Baby. We lezen graag, Murakami, Virginia Woolf.

Maar je zou niet in Canada, niet in Porto kunnen blijven. Op een dag zou je je koffers moeten pakken en terugkeren naar dit mooie land België waar je maar niet kunt aarden. Dit onvriendelijke land waar ongeveer iedereen de toekomst schijnt vergeten te zijn en waar het moeilijk is om nog mannen en vrouwen te ontmoeten die grote plannen hebben en grote dromen. Waar hartstochtelijk leven naar het asiel of het kerkhof leidt. Of is dat maar een idee van mij, perceptie, zoals de politici graag zeggen? Ja, het is allemaal perceptie, zeggen zij, en zeggen de journalisten hen na. Die mooipraters, die papegaaien. En op televisie kwist men er lustig op los; bekende Vlamingen, weduwen en wezen, allemaal kwissen ze er lustig op los. En toch is dit een mooi land. Dat zag ik nog op een foto van een eenzame wandelaar. En hier zit ik nu in mijn kamer en luister wat afwezig naar The Reminder van Feist.

UIT HET HART (EEN LANG VERHAAL KORT II)

taag

Zeven dagen lang op en af door de rua Alegria, van en naar het hotel. In de Rua de Passos Manuel koop je op een zonnige dag cd’s van Madredeus (O Paraiso), Mariza (Fado Curvo), Cesaria Evora (Miss Perfumado) en Mísia (Drama Box). Misia heeft je inmiddels helemaal ingepalmd. Op 4 december ga je samen met Theo H. naar haar concert in het Koninklijk Circus. Een koninklijke drama queen uit Porto in een koninklijke concertzaal. Drama Box bevat herinneringen aan Maria de Medeiros, Ute Lemper en Miranda Richardson. De laatste een van de mooiste Britse stemmen, ook als de moordenares Ruth Ellis, in Dance With A Stranger (scenario van Shelagh Delaney), een film waar mijn zoon als kleine jongen helemaal weg van was. Wat je volkomen begreep, je wilde zelf zo’n kleine jongen zijn, betoverd door Miranda Richardsons stem, en door de blik in haar ogen.

Je denkt nu onwillekeurig – neen, niet werkelijk onwillekeurig – aan Herman Brood, die je in de jaren zeventig verfoeide, vooral vanwege de drugs en de slechte smaak; nu heb je echter het gevoel dat je hem enigszins hebt miskend. In de sixties bewonderde je hem nog als pianist van Cuby & the Blizzards en als herrieschopper. Maar dat hele gedoe met Wild Romance – en die leren broeken en al dat zweet – stond je niet aan. Je droeg toen zelf witte pakken, uit Firenze afkomstig. Excuseer, ik was even afgeleid: die verdomde kranten ook.

Je geeft je over aan de clichés van een stad en tegelijk ontwricht je ze ook. Fado komt oorspronkelijk uit Lissabon meen je je te herinneren, zoals Fernando Pessoa en al zijn heteroniemen, zoals Amalia Rodriguez. Toch hoor je die bijna denkbeeldige fado uit vele huizen in de binnenstad van het oude Porto opklinken. Mísia groeide op in Porto. Ze is niet zuiver op de graat wat de fado betreft. Wat een prachtige stem ook! Portugees is misschien de mooiste, de meest muzikale taal van de wereld. Luister naar Astrud Gilberto’s Take Me To Aruanda, een lied waar Haruki Murakami je de weg naar wees. Niet dat je The Girl From Ipanema niet kende. Ja, in het Engels zingt zij – maar het blijft een Braziliaanse stem. Luister daarna naar haar liederen in de Portugese taal: Tristeza, So Tinha De Ser Com Voce. Haar stem zalft zachter dan palmolie.

En dan ga je opieuw via metrostation São Bento naar de Ponte Dom Luis I tot aan Jardim do Morro. Daar, aan de overkant, in de Gaia wijk, ga je langs de oever van de Douro wandelen, langs de portozaken en de bootjes voor de toeristen. Je laat je niet verleiden voor een bezoek aan een portomagazijn. De geur, de sfeer volstaan. Geen polonaise aan mijn lijf, Alfred Döblin indachtig, Franz Biberkopf. Opeens staat hij hier voor je, de anti-held par excellence, met in zijn gevolg tal van uitvreters die jenever drinken en sardientjes uit blik eten. Tom Waits begeleidt hun schranspartij met een hemels-helse versie van Danny Says, de beste song van the Ramones. Die jongens zijn nu bijna allemaal dood. Ook weer zo’n droevige zaak.

“Hangin’ out in L.A.
And there’s nowhere to go.
It ain’t Christmas if there ain’t no snow.
Listening to Sheena on the radio.
Oh-ho oh-ho.”

Om tranen bij in de ogen te krijgen. Ook als je aan zo’n vijvertje zit in het park van Palácio de Cristal en je denkt aan je jeugd, en aan de verwoesting van de tijd en de gedane zaken die geen keer nemen. Zou je niet beter alles de rug toekeren, zoals Portugal tot voor kort met Europa deed? Nu nog steeds de ogen gericht op de oude oceaan. Jij aan verwarring ten prooi, nu in deze tekst. Was je echte mentor de bijna blinde James Joyce, tegen wie Vivane Demuynck als Claire Goll gisteren in ‘Alles is ijdelheid’ zo tekeer ging? Gisteravond in het Kaaitheater herinnerde je je weer waarom je zo’n afkeer had gehad van die Claire Goll. Een vrouw zonder betekenis, die zichzelf als het centrum van de wereld beschouwde. Zoals Alma Mahler. Zoals Yoko Ono. In tegenstelling tot de miljoenen vrouwen die wel een centrum van de wereld zijn. Paula Rego. PJ Harvey. Patti Smith. Neko Case. Virginia Woolf. Jane Bowles. Isabelle Huppert. Ach. Namen noemen is soms zo vervelend. Aan de Cais da Ribeira is het heerlijk flaneren, en in de meer binnensteedse straatjes. Overal lekkere vis en de wijn van de Douro. Blijven dagdromen, jongen, de tijd tikt door, blijven dromen, tegen de tijd, tegen de demonen, de machtshongerigen.

Foto: Martin Pulaski

UIT HET HART (EEN LANG VERHAAL KORT I)

cristina regadas porto 2006

Je drinkt Bitterzoete Beirao-likeur, ’s avonds in een bar aan de oude oceaan.“Oude oceaan, je bent het symbool der volkomen gelijkheid: altijd aan jezelf gelijk. Jij verandert niet wezenlijk, en als je golven op één plaats in opstand zijn, dan verkeren zij wat verder, in een andere streek, in de volmaaktste rust. Jij bent niet als de mens, die op straat stil blijft staan om te kijken naar twee buldoggen die elkaar naar de keel vliegen, maar die niet stil blijft staan, als er een begrafenisstoet voorbijgaat; die vanmorgen genaakbaar is en vanavond in een slecht humeur; die vandaag lacht en morgen huilt. Ik groet je oude oceaan!” Dat schreef Lautréamont in De zangen van Maldoror. Of mal d’aurore? Isidore Ducasse, in Montevideo geboren, in Brussel gepubliceerd. In die bar, daar, aan de oude oceaan. Muziek van Herbie Hancock op de achtergrond, Canteloupe Island, terwijl we converseren over Parijs, Brussel, Amsterdam, Porto. Door de bizarre verlichting lijkt het strand op een maanlandschap. Snelle foto’s, alsof de momenten eeuwig willen duren. In een kleine auto over de brede boulevard, en door de nauwe, steile straatjes. De nieuwe metro dendert over de brug van de Belgische architect Théophile Seyrig, de Ponte Dom Luís I, wij te voet over het gangpad ernaast, diep onder ons het verlokkelijke water van de Douro, dat het land binnenstroomt. Op de heuvels in de verte de druiven. De naam van de architect wekt herinneringen op aan de diepbetreurde actrice. Delphine Seyrig. In galerij 111, tegenover het Palacio de Cristal het verbluffende werk van de Portugese kunstenares Paula Rego. Vrouwen die veel weten van het leven, die tederheid en berusting uitstralen in de nabijheid van hulpeloze varkens. De mannen even hulpeloos als de varkens. Oker, groen, oud roze, bruin. Wastafels, een man met schildpaddenhanden, abortus als een soort van mysterie. Een portret van een zachtaardige jongeman die nooit meer zal boksen. De ogen doen een beetje denken aan die van dokter Paul Gachet, de oren aan een boer in Novecento.

Later in park van het Palacio de Cristal, waar je helemaal alleen op een eilandje zit te mediteren. Het zeer mooie park van Fundaçao de Serralves. De zalvende warmte van november. De sobere, strakke metrostations met de opschriften in een buitengewoon stijlvol lettertype. Een koude vrijdagnacht op een onbekend plein in het hart van de oude stad. De vriendinnen van Cristina zijn dronken. Wat ze allemaal niet willen weten over België. Ze zeggen dat het in België altijd donker is. Neen, zeg je, in de zomer schijnt er de zon. Zelfs nu nog, in de late herfst. Een van hen studeert filosofie. Maar alcohol nivelleert ons, maakt ons leden van een groot broeder- en zusterschap. Misérable miracle.

Hoe Agnes en Cristina elkaar vinden. Hoe ze praten over familietragedies en elkaar herkennen in hun zeer persoonlijke doden. Zelf heb je het gevoel dat er een ander leven begint in Porto. Een beter leven. Geld speelt geen rol meer, tijd, vergankelijkheid. Ofwel, alles is vergankelijk. Waarom je er dan nog langer zorgen over maken? Het vriendelijke personeel in het hotel aan de Rua da Alegria. Een van de mooiste cafés van Europa is café Majestic in de Rua de Santa Catarina, de winkelstraat van Porto. Bij Zara koop je witte hemden, gestreepte t-shirts (denkend aan Andy Warhol).

In weer een andere bar, jaren zeventig stijl, lang na middernacht, drink je bier en discussieer je met Cristina over Francis Bacon. Zijn geweld schrikt haar af. Je vertelt over je schuilnaam, Pulaski, waar hij vandaan komt. Dat je niet wist dat Pulaski een stadje was in het Zuiden van de Verenigde Staten, waar de KKK werd gesticht. Er zijn daar trouwens meer stadjes die Pulaski heten. Dat je je daar over schaamt. Maar dat generaal Casimir Pulaski, een vrijheidsstrijder was. Je hebt je pseudoniem in Twin Peaks gevonden, de serie van David Lynch, vertel je haar. Ronette Pulaski was helemaal aan het begin van de serie verkracht en gefolterd door een bende wilde vetzakken. Daarna lag ze voortdurend in het ziekenhuis. Je vond het een gepaste naam voor je openbare alter ego. De rest heb je pas later ontdekt. Nu moet je ermee door het leven. En hoochiekoochie dan? Dat schijnt slang te zijn voor zuipen en neuken. Dat wist je natuurlijk wel. Je hebt die naam met veel ironie gekozen. Het laatste wat men van je kan denken is dat je een macho bent. Voor Muddy Waters is het echter een perfect epitheton ornans, zonder dat het in enige mate afbreuk doet aan de waarde en de schoonheid van zijn blues. Vaak heeft Cristina het over haar geliefde vriend die in Amsterdam werkt. Hij is een Bosniër. Hij is bij het leger geweest. Een ongelovige moslim. Hoe kun je geloven, na zulke wrede burgeroorlog? Hoe kun je hoe dan ook geloven als er ooit een KKK werd gesticht? We praten alsof ons leven er van afhangt. En het is waar: ons leven hangt ervan af. De vriendschap is het hoogste goed.

Foto: Martin Pulaski, Cristina Regadas.

ROMANTIC AGONY?

porto 2006

Iemand voor het eerst in levenden lijve ontmoeten – MIP in de taal van de moderne mens – die je alleen maar kent van het internet is een vreemde ervaring. Toen we die maandagmiddag in Porto uit het vliegtuig stapten hadden we al een onnoemelijk stresserende ochtend achter de rug. Toevallig vertrokken we op de dag dat de nieuwe Europese veiligheidsmaatregelen voor luchthavens en vliegtuigen in voege traden. We waren goed op tijd in Zaventem, maar er stonden ellenlange rijen wachters bij de controle. Het leek uitgesloten dat we onze vlucht naar Porto nog zouden halen. Mijn reactie op dergelijke situaties is er een van verlamming, of is het catatonie? Ik ben niet meer tot handelen of beslissen in staat. In een rij is er trouwens niet veel handels- en beslissingmogelijkheid. Ik kan er over meespreken: ik heb al jaren in rijen gestaan. Maar wie niet eigenlijk? Mijn gezellin echter gaat zich in allerlei bochten wringen, windt zich op, maakt zich op zowat iedereen boos. Vooral op mij, vanwege mijn passiviteit. Die maandag scheelde het niet veel of ze zou de hele zeer trage rij neergemaaid hebben; gelukkig had ze geen machinegeweer bij. Toch is ze er in geslaagd ons helemaal naar voren in die vreselijke rij te loodsen. Heel vreemd vind ik dat die mensen aan de kop ons wilden laten voorgaan. Het lijkt me nog altijd een scène uit een mooie droom.
Bij de controle dacht ik opeens dat de vele medicijnen – ik heb altijd massa’s medicijnen bij, in navolging van Elvis; het verschil met hem is dat ik ze niet inneem, het is alleen maar voor het geval er iets zou gebeuren – misschien wel verboden producten waren. Kunnen pilletjes niet tot ontploffing gebracht worden? Je kunt er, als je er voldoende van gebruikt, in ieder geval iemand mee vergiftigen. Mijn rugzak ontlokte echter geen enkele opmerking bij het controlepersoneel. Mijn lichaam, geheel van metaal ontdaan, gaf wel een signaal. Wat de oorzaak was weet ik niet. Ik heb alvast geen ijzeren wil.

In Porto zou Cristina ons komen oppikken in de luchthaven. Hoewel ik al honderden foto’s van haar heb gezien en ze heel mooi en opvallend is, was ik toch bang dat ik haar niet zou herkennen. En wat moest ik zeggen? Kon ik wel spreken tegen een reeks foto’s? Bovendien schrikt schoonheid me af. Waarschijnlijk leg ik onbewust een verband met verschrikking en horror, zoals romantici als Shelley dat ook al deden. (Mario Praz heeft daar zeer boeiend over geschreven in zijn lijvige studie Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek, een boek dat beter bekend is onder de titel The Romantic Agony. Voor mij is het een werk dat een hele wereld heeft geopend.)

Er was niemand in de hal die ik meteen herkende. Was ze er niet? Hadden we slecht afgesproken? Had ik me iets op de mouw laten spelden? Terwijl ik een sms stond in te tikken – ik gebruik daarbij nog de gewone omgangstaal – stond ze echter opeens voor ons. Een jonge vrouw van vlees en bloed. Ze zag er minder extravagant uit dan op haar foto’s, wegens minder make-up, maar nog steeds bijzonder mooi. Maar wat was ze mager! Later zag ik haar van die fijne sigaretjes roken die heel goed bij haar pasten. Onze bagage ging maar net in haar kleine auto. Op een half uurtje waren we in ons hotel. Na de middag zou ze ons door het oude Porto gidsen. We zouden lang zitten praten in het bruine café Ceuta, we zouden elkaar goed leren kennen. We zouden ontdekken dat we zielsverwanten zijn. Ik zou vaststellen dat schoonheid niets met horror en verschrikking heeft te maken. Echte schoonheid is ook niet oppervlakkig, maar is de uitdrukking van diepe gedachten, een rijke verbeelding, empathie en mededogen, van een buitengewoon vermogen tot vriendschap en van nog wel wat andere dingen. Een mooi voorbeeld is Tom Waits: één en al schoonheid.

Foto: Martin Pulaski, Porto, 2006

EEN NACHT IN PORTO

cristina-porto

Onze ideale gastvrouw Cristina had ons uitgenodigd voor een vegetarisch etentje in haar ruime en smaakvol ingerichte appartement dat uitkijkt op de Avenida dos Aliados. Aan de overkant van de boulevard, die veel weg heeft van een plein, kun je lekker gaan eten of koffie drinken in Guarany, een van de mooiste cafés van Porto. Bij het binnenkomen in Cristina’s salon werden wij meteen zacht ondergedompeld in de samba van de Braziliaanse zangeres Elis Regina en de tijdloze composities van Antonio Carlos Jobim.

We hadden rode Evel en witte Platano Reserva meegebracht, lekkere wijn uit de Douro-streek. Cristina’s woning is een oord van muziek, poëzie en kunst. Ze bezit honderden tijdschriften, de meeste over kunst, literatuur en mode. Het enthousiasme waarmee ze boeken, tijdschriften en voorwerpen toont waar ze van houdt, en erover praat, doet me terugdenken aan jaren ’70 en ’80, toen ik zelf zulk enthousiasme ten toon spreidde als er vrienden te gast waren. Heel even had ik weer de indruk dat tijd niet bestaat, dat mijn jonge geest nog steeds in een jong lichaam huist. Maar een of andere spierkramp of een ander symptoom van aftakeling brengt me snel terug tot de realiteit. We praten over onze levens, onze families, vaak zijn het verhalen over ziekte en dood, alsof de melancholie van Porto ons aan haar onweerstaanbare wetten onderwerpt. Maar we hebben desondanks veel plezier; we drinken er lustig op los; af en toe laat de kat Marcelo zich zien, hij wordt graag gestreeld; Cristina rookt de hele tijd flinterdunne sigaretten. Af en toe maakt zij een foto met een van haar Nikons. Ik durf mijn Canon niet eens uit mijn rugzakje halen, ik bevind me in het gezelschap van een echte fotografe.

Als het bijna middernacht is begeven we ons naar het Museu Serralves, waar een tentoonstelling opent over de jaren ‘80 (ANOS 80: UMA TOPOLOGIA). Het museum ligt een heel eind buiten het centrum van Porto. Na eerst een korte botsing zonder blikschade – voor Cristina’s deur – en een woordenwisseling met een boze chauffeur wordt het toch nog een vrolijke rit: om in de stemming te komen zingen we flarden liedjes van Duran Duran, Human League en ABC. Weet je waar Duran Duran die gekke naam vandaan heeft, vraag ik? Natuurlijk, zegt Cristina, dat komt uit Barbarella. Ondanks haar jonge leeftijd weet ze alles over die antieke films. Ze houdt het meest van Polanski’s Rosemary’s Baby.
In het museum is het buitengewoon druk. Veel bezoekers hebben zich in de stijl van de jaren ‘80 gekleed (of zoals zij zich die stijl voorstellen; sommigen zullen wellicht het tijdschrift The Face ter hand hebben genomen om wat voorbeelden te vinden.) Hoewel ik denk dat heel wat van hen op de gratis drank zijn afgekomen zie ik toch niemand met een glas wijn of bier. Aangezien ik al wat aangeschoten ben, vind ik dat niet erg. Later blijkt dat de drank in een rokerige kelder wordt geschonken. Het is dan al veel te laat om nog iets anders dan Coca Cola te bemachtigen.

In de vele zalen van het schitterende museum zien we werk van heel wat Belgen: onder meer van Thierry De Cordier, Lili Dujourie, Luc Tuymans en Jan Vercruysse. Het valt op hoezeer België en de Belgische kunsten geliefd zijn in Porto. Al de eerste dag van ons verblijf in de stad troffen we in het kleine museum waar Cristina werkt monografieën aan van Belgische kunstenaars en zagen we vertalingen in het Portugees van gedichten van Leonard Nolens. In het Museu Serralves liep een kleine tentoonstelling over het lichaam in de kunst van de 20ste eeuw net af. Heel interessant, met werk van Hugo Ball, Marcel Duchamp, Herman Nitsch, Günther Brus en het Wiener Aktionismus, de performances van Gina Pane, de bizarre aanwezigheid van Valie Export, de lichaamskunst van Yves Klein, de poëtische lichaamstaal van Joseph Beuys en de directe lichamelijkheid in het abstract expressionisme van de manisch-depressieve kunstenaar Jackson Pollock. De curator van die tentoonstelling was de Belg Guy Schraenen. Een overzichtstentoonstelling van het werk van Luc Tuymans was net afgelopen. De banieren hingen nog in de straten. Cristina zelf was vol lof over toneelgroep Stan, Ultima Vez, Anne Teresa De Keersmaeker, de Belgische rock van deus, Dead Man Ray, Rudy Trouvé en nog heel wat andere(n). Als anti-chauvinist was het bijzonder moeilijk om aan deze passie te weerstaan. Toch heb ik sinds die avond nog altijd geen Belgische cd’s gekocht.

Maar ik wil even terugkeren naar de jaren ’80-tentoonstelling. De curator, een mij onbekende Duitser, had zeer veel materiaal uit de periode bijeengebracht. Naast de reeds genoemde Belgen werd ik vooral getroffen door het werk van Marleen Dumas, Richard Deacon, Jenny Holzer, Ilya Kabakov, Martin Kippenberger, Matt Mullican, Raymond Pettibon, Richard Prince, Cindy Sherman en Jeff Wall.

Lang na middernacht begaven we ons met een groepje dronken vrienden – zeer nieuwsgierig naar de Belgische politiek en demografie – van Cristina naar de goedkoopste bar van Porto, die echter net ging sluiten. Een geluk, zo kon ik zaterdagochtend, the day after, toch nog op tijd uit bed voor het ontbijt. In mijn hoofd zoemde nog steeds Inutil Paisagem van Antonio Carlos Jobim en Elis Regina. Ik had het klaargespeeld de hele vrijdag geen druppel Porto te drinken.

Foto: Martin Pulaski

 

EEN ZWERVER KOMT THUIS

casa de serralves

De rusteloosheid zit me in het bloed. Ik ben graag thuis tussen mijn boeken en mijn muziek en ik breng veel tijd door aan mijn computer, werkend aan oude en nieuwe teksten, of contacten onderhoudend met mijn cyberspace-vrienden. Vroeger zat ik graag aan een tafel met een boek en potloden. Al lezend onderstreepte ik en schreef uitspraken die me troffen over in een werkschrift. Dat was grondstof voor eigen geschriften. Nu gebeurt het nog maar zelden dat ik met een boek aan tafel zit en nog minder dat ik zinnen onderstreep. Ik vind het zinloos en nutteloos, haast compulsief gedrag. Als ik nog lees is het vooral in bed. Aan tafel eet ik en drink ik wijn, en als er bezoek is praat ik ook wel wat. Maar van lange tijd thuis blijven is de pret af. Werkelijk genieten van de hierboven genoemde bezigheden doe ik niet langer. Zelfs de beste film op dvd gaat me al snel vervelen. Een volledige cd beluisteren is onbegonnen werk. Na drie songs heb ik het wel gehoord. Meer van hetzelfde! Bespaar mij het cocoonen. Het zwerven zit me in het bloed. Ik wil weg van huis. Het liefst verblijf ik in een hotelkamer. Daar kom ik eindelijk wat tot rust, daar slaap ik enige uren aan een stuk. Ja, ik cocoon in een hotelkamer, en zelfs in een metrostation. Ik houd van het flaneren in een nog niet stuk geflaneerde stad. Ik verplaats me wel graag met metro en tram, desnoods zelfs met de bus, maar wat ik echt boven al verkies is te voet gaan. Dat is in mijn ogen de beste manier om een stad of een land te verkennen. De voorbije dagen in Porto heb ik mijn schoenzolen niet gespaard. Het is een magnifieke stad om in te wandelen. Vervallen, maar schrijnend mooi van (oude) architectuur. ’s Middags de geur van gebakken vis en altijd – ook al hoor je hem niet echt – de droeve klanken van de fado. Beleefde, bescheiden, wat schuchtere mensen. Ze spreken stil, alsof ze zich enigszins schamen voor hun aanwezigheid. Het katholicisme heeft er zijn akelige sporen getrokken, maar ook de kerken, vaak parels van barokkunst, baden in het helderste licht van de Atlantische Oceaan. Overal waar je kijkt zie je azulejo’s – en bovenal in het São Bento station -, een troost voor het te veel gelezen en geleden hebbende, vermoeide oog.

Terug in België, in Brussel: de duisternis hier is wat mij meteen opvalt, de terneerdrukkende duisternis en pas daarna de vochtige kou. Je hele appartement is al na een week afwezigheid een vreemde plek geworden, vijandig aan je lichaam. Het is gaan toebehoren aan die donkere wereld van vocht, kou. Het heeft iets boosaardigs gekregen. Net als veel inwoners van dit land is het niet gastvrij, zelfs niet voor zijn oude vertrouwde bewoners, die het nochtans koesteren en zelfs met liefde bejegenen. Misschien is het appartement zich bewust van mijn ontrouw, van mijn diepe wens om het voor altijd de rug toe te keren en een zwervend bestaan te gaan leiden. Mijn kamers mogen echter op twee oren slapen: gebrek aan financiën, zwakte en vermoeidheid kluisteren mij gemiddeld veertien uur per dag aan ze vast. Tussen hun muren ontvang ik nieuwe woorden en luister ik naar soul, blues, country, en voortaan ook fado of bekijk ik nog een keer Days Of Heaven. De straten van mijn stad ontwijk ik zoveel mogelijk. God die niet bestaat, laat het maar regenen op de slechte mensen!

Foto: Martin Pulaski, Casa Seralves in Porto.