ARMOEDE EN DE RELIGIE VAN BOEKEN

400 coups

Veerle Bekkers, een trol met vele onzichtbare gezichten, schrijft me dat ik rijkdom niet belangrijk vind. Dat ik één keer minder op reis moet gaan en met het op die manier gespaarde geld een mens in armoede moet helpen. In mijn grote kamer waar nu alleen maar boeken staan voor mij alleen, schrijft ze, moet ik een dakloze te slapen leggen. Dat is toch mijn boodschap, voegt ze eraan toe.

Mijn pleidooi in het manifest waar ze commentaar op geeft, was er echter een voor broederschap, voor de wereld intrekken, letterlijk of figuurlijk, voor openheid. Opnieuw leren zien, horen, voelen. Een pleidooi dat impliciet ook te lezen valt in Rilkes Aantekeningen van Malte Laurids Brigge. Ik schreef dat ik verlangde naar het neerhalen van muren en het openen van grenzen. Een muur is veel meer dan een stenen muur waar je niet door kunt; een grens is veel meer dan die tussen twee landen. Een grote kamer vol boeken is veel meer dan een grote kamer vol boeken, het is een droom, een toekomst opgebouwd uit woorden en zinnen, een nachtmerrie, een gevangenis, een zachte machine, een erotisch ballet, een taxi naar Timboektoe, een raket naar de maan en naar Venus.

Mijn pleidooi was er een voor gelijke rechten voor iedereen en overal. Ik voelde een sterk verlangen naar geluk voor alle mensen, overal. Voor me zag ik een visioen van vrede op aarde voor iedereen, mensen, dieren en planten. Ik betreurde de mogelijke ondergang van onze mooie wereld. Wat betekenen al onze bezittingen, onze rijkdom, ons aangenaam tijdverdrijven als daarbuiten – en binnenin onszelf – alles verwoest wordt? Ik schreef dat de meeste dingen die je thuis welvarend hebt vergaard niets voorstellen in vergelijking met een nacht van liefde onder heldere sterren.

Ik wilde helemaal geen autobiografische tekst schrijven en zeker geen rechtvaardiging voor wat ik doe en laat. Mevrouw Bekkers heeft mij er vroeger, onder andere namen, al van beschuldigd dat ik alleen maar over mezelf schrijf. Dat ik een narcist ben.
Nu zie ik mij genoodzaakt om toch enkele dingen te verklaren. Ik ben een groot deel van mijn leven arm geweest. Als je weet dat ik een schipperskind ben weet je eigenlijk al genoeg. Je moet heel hard vechten om aan die wereld te kunnen ontsnappen. Als je daar al zin in hebt. Als je zoals ik als kleine jongen de lokroep van het andere, in mijn geval van kunst en cultuur, hoort. De nieuwe wereld waar je in terechtkomt, die van kunst en cultuur, van o zo verfijnde mensen, is veel harder dan de oude, in mijn geval die van de binnenschippers. Je wordt er niet meteen toegelaten, wees daar maar zeker van. Talloos zijn de hindernissen op je levensweg, manieren om je uit te sluiten die de bourgeoisie sinds 1789 heeft bedacht. Schoenmaker blijf bij je leest, de appel valt niet ver van de boom, je weet wel. Ik ben vaak gevallen, af en toe weer opgestaan. Terug naar Reims, het boek van Didier Eribon dat nu zo in de belangstelling staat, vertelt veel over het parcours dat ik heb afgelegd. Over de uitsluiting, en over het triomfantelijk gevoel als de schone zielen je uiteindelijk aanvaarden. Eigenlijk heb ik dat triomfantelijk gevoel nooit gehad. Op zijn minst was het altijd gemengd. Ik heb me meestal vervreemd gevoeld van zowel de oude wereld, die van mijn ouders en van mijn broer, als van de nieuwe wereld, die van de stedelijke cultuur. Alleen als een dronken outlaw in bars en clubs voelde ik me met mezelf samenvallen.
Wat me sterkt heeft gemaakt – en gehouden – zijn boeken. Met boeken, met woorden van schrijvers en dichters heb ik rondom mij een wereld opgebouwd. Zij gaven uitleg bij wat mij in verwarring bracht, zij hielpen mij teleurstellingen en ontgoochelingen te verwerken en te boven te komen. Zij spraken me moed in, gaven me troost. Liefde voor boeken is een religie. Je kunt dat heel mooi zien in Les 400 coups van François Truffaut, als de jonge Antoine Doinel een altaartje bouwt voor zijn geliefde schrijver, Honoré de Balzac als ik me niet vergis. De boeken die mevrouw Bekkers zo verwenst zijn inderdaad ook materiële voorwerpen, maar tegelijk zijn ze immaterieel. In mijn ogen zijn ze heilig, een woord dat ik niet gauw gebruik, ik ben geen Allen Ginsberg. Samen met mijn muziekverzameling zijn de boeken mijn kerk. Ze zijn een onmisbaar deel van mijn existentie. Zonder boeken ga ik ten onder. Ik herken mij in veel van de dichters en schrijvers die zich hier rond mij verzameld hebben. Het is echter niet waar dat ik me er met huid en haar, op narcistische wijze, in terugvind. Ik zie mezelf avonturen beleven met Don Quichot, met Julien Sorel, met Geoffrey Firmin, Humbert Humbert, met de dubbelgangers van Borges. Als ik lees word ik een personage, een verzinsel. In boeken en hun verhalen, in de woorden en beelden van mooie gedichten, wis ik mezelf uit. Ik verdwijn uit mezelf zoals ik die ene keer toen ik opium gerookt had uit mezelf verdween. Met dit verschil dat ik van een roman of verhaal of gedicht nooit ziek geworden ben.

Het is absurd om mij ervan te beschuldigen dat ik hier in deze kamer waar mijn boeken staan geen dakloze te slapen leg. Ik ben oud en moe en al te vaak ziek. Lopen valt mij moeilijker met de dag. Ik ga mensen uit de weg omdat mijn geheugen erop achteruit gaat. Ik leef van een klein pensioen omdat ik geen volledige loopbaan heb. Ook dat is een gevolg van uitsluiting en de faalangst die daarmee samenhangt. Faalangst, existentiële onzekerheid. Ik lijd aan angst- en paniekaanvallen. Tegelijk houd ik van mensen, ben ik heel graag in hun omgeving. Ik kan niet zonder mijn vrienden. Ik kan niet leven zonder vriendschap. Ik ben gek op steden, wandelingen, ontmoetingen. Ik voel me leeg zonder de input van tentoonstellingen, concerten, films. Dat is de emotionele kant van het verhaal.

Hoe zit het met de rationele kant? Hoe zit het met armoede? Zijn wij als individuen verantwoordelijk voor onze armen? Zijn wij geen gemeenschap, hebben wij geen sociale zekerheid, hebben wij geen politici verkozen? Zijn er geen instellingen om armoede en andere maatschappelijke problemen aan te pakken? Willen wij niet zoals iedereen bijdragen aan het verbeteren van die instellingen? Willen wij als gemeenschap geen humane aanpak van de armoede en van de vluchtelingen in het Maximiliaanpark en elders?
Al heel lang, sinds ik Marx heb gelezen, ben ik tegen liefdadigheid. Liefdadigheid bestendigt armoede. Het is ook weer een vorm van uitsluiting en onderdrukking. Als er armoede is moet de samenleving veranderen, moeten de structuren veranderen. Dat kunnen wij niet als individu, als enkeling, als eenzame en toch empathische ziel. Niemand heeft het recht ons ervan te beschuldigen dat wij niet aan liefdadigheid doen.
(Overigens weet niemand of ik me wel zo streng aan die principes houd. Niemand weet of ik stiekem toch niet een beetje aan liefdadigheid doe. Je krijgt zoveel verzoeken voor dit of dat, dat je hart wel van steen moet zijn om niet af en toe gehoor te geven aan al die jammerklachten. Toch blijf ik ervan overtuigd dat een instelling als Artsen zonder grenzen, of welke andere vergelijkbare organisatie dan ook, de volledige financiële steun van de overheid zou moeten krijgen. Daarvoor dient ons belastinggeld. Mijn geld hoeft niet zo nodig naar de verstikkende ring rond Brussel te gaan. Maar daar beschuldigt me vooralsnog niemand van: dat ik via die belastingen mijn steentje bijdraag aan allerlei werken die de lucht verpestende auto’s de toegang tot deze stad vergemakkelijken.)

Maar wat voor zin hebben deze woorden nog? Iemand als mevrouw Bekkers wil alleen maar beschuldigen en beschadigen. Ik ben ermee gestopt me af te vragen waarom sommige mensen ervoor kiezen zo door de wereld te gaan. Ze moeten het zelf maar weten. Er is altijd een andere, een betere wereld.

Fahrenheit-451-don quichot

Afbeeldingen: Les 400 coups, François Truffaut; Fahrenheit 451, François Truffaut.

LECTUUR VAN EEN FOTO (OPEN BRIEF AAN MARLON VANCO)

4-30-2013_007 (2)

Mao 1, Martin Pulaski, 1980.

Marlon, je praat volledig naast de kwestie. Jij begon plots te fulmineren over een foto, een kunstwerk van mij uit de jaren ’70 (of zeer waarschijnlijk uit 1980), terwijl mijn stukje over ‘Mefisto forever’ ging, een toneelproductie uit 2006. Aan mijn muur hangt geen foto van Mao, wel van Madonna en van James Brown. Die ‘foto’ van Mao waar jij het over hebt was deel van een enscenering (in 1980 dus, 26 jaar geleden). We construeerden een scène met als subtekst een aanval op de censuur van de culturele revolutie en meer bepaald van ziekelijke onderdrukkers als de heer Mao (figuren waar onder meer Wilhelm Reich ons zo voor gewaarschuwd heeft). Tegelijk was het tegen de toenmalige strakke maoïsten gericht. De inspiratie was Buñuel en meer nog Dusan Makavejev. Het was een deconstructie van de mythe van Mao en van de Bende van Vier, godnogantoe. Wel geen deconstructie van de Bende van de Stronk. Dat is voor een andere keer.

Wat jij doet is insinueren. Je insinueert dat ik sympathie heb voor Mao en misschien zelfs voor Maoïsten. Wat ik met mijn fotoserie – want er zijn meer foto’s dan die ene waar jij je zowat blind op staart – heb gedaan is net het tegenovergestelde aantonen. Je moet wel even naar de foto kijken, niet alleen naar het model, maar naar het geheel. Ook naar de titel en naar de tekst die er onlosmakelijk deel van uitmaakt. Ben je zo wereldvreemd en verblind dat je niet ziet dat dat een scène is? Dit maakt mij zo boos: het lijkt op Orwells Big Brother, mensen worden beschuldigd van net het tegendeel van waar ze voor staan. In 1984 is oorlog vrede. Zijn we nu ook zelf al zover gekomen? Dat kan toch niet in deze tijd, waar je met een klik in google de min of meer juiste informatie kunt krijgen.

Ik moet trouwens geen bestsellers lezen om te weten dat de Mao-dictatuur een bloederig regime was. Geen polonaise aan mijn lijf, ook geen wilde zwanen. De echte realiteit is veel gruwelijker dan de voorstelling ervan in een op Hollywood gerichte bestseller. Ik las destijds de kranten, Le Monde, om er maar één te noemen.

Zal ik het eens simpel zeggen: die foto die jij uit zijn verband rukt is een protest tegen Mao en tegen de toenmalige seksuele en andere repressie. Hij is een uitgesproken pleidooi voor de vrijheid. Overigens mag het duidelijk zijn dat ik destijds helemaal niet leefde en zeker nu niet leef in een wereld van boeken en muziek. Ik heb dit jaar nog maar één boek uitgelezen: The Wind Up Bird Chronicles van Haruki Murakami. Wellicht ook een bestseller. In de tegenspraak toont zich de meester. De realiteit is de wereld. Ik probeer zoveel mogelijk wereld te zien en te zijn. Maar ik ben wel zeer kwetsbaar. Gebrek aan empathie, gevoelloosheid en domheid maken sommige mensen kwetsbaar.

DE WAARHEID OVER BETTYE LAVETTE EN DE ECHTE SOUL

Bettye lAVETTE

Ik wil hier – zij het wat laat, maar wat is tijd? – reageren op een stukje van een zekere Marlon Vanco. Ik denk dat de brave man in een parallel universum leeft. Dat was zeker zo die avond toen Bettye Lavette in de AB optrad. De heer Vanco bevond zich in een geheel andere AB en heeft een geheel andere Bettye Lavette & band bezig gezien en gehoord dan de rest van het publiek. Ik schreef het hier eerder al, het was een schitterend concert, maar, toegegeven, de zangeres en haar muzikanten waren moe.
De heer Vanco heeft kritiek op de haardracht van twee van die vermoeide, maar toch uitstekend spelende muzikanten. Ik ben van mening dat iedereen met zijn haar mag doen wat hij wil. Bovendien had ik menen te begrijpen dat de parallelle heer een bepleiter was van authenticiteit, van zoveel mogelijk jezelf zijn, wars van trends en hypes.

Wat de heer Vanco niet schijnt te weten is dat wat hij ‘geïmproviseerde reclame’ noemt, de intro’s en het geklets tussen de songs, de bluf ook, zoals Bettye Lavette deed, typisch is voor soulconcerten. Het hoort bij de stijl. Ze hield alvast geen pleidooi voor zinloos geweld of stond niet lekker cool te wezen met haar rug naar het publiek.
Tars Lootens ken ik niet en de verwijzing naar Mac Rebennack (Dr. John) is volledig uit de lucht gegrepen. In verband met Janis Joplin draait Vanco de zaken om. Het was Joplin die soulzangeressen als Bettye Lavette imiteerde. Piece Of My Heart was oorspronkelijk een single van Erma Franklin (zus van Aretha). Janis Joplin heeft daarnaast nog soulnummers gecoverd van onder meer Bobby Womack, Howard Tate, Garnett Mimms (van The Enchanters), Nina Simone en Big Mama Thornton. Bettye Lavette had net zo goed in dat rijtje kunnen staan. Waarschijnlijk zou dat ook gebeurd zijn, als Janis Joplin niet zo jong zou gestorven zijn. Maar het gekrijs van Janis Joplin zou nooit de sublieme kracht hebben gehad van de echte soul, waar Bettye Lavette een voortreffelijke ambassadrice van is.

In tegenstelling tot wat onze paralllelle reporter beweert was er trouwens uitbundig applaus, en waar ik stond werd, vooral door mooie jonge mensen, flink wat gedanst. Overigens is het spelen en zingen van encores of bisnummers pas uitgekiend spektakel. Een echte kunstenaar houdt op als het gedaan is. Wel sympathiek dat Vanco de aanwezigheid van mijn schaduw vermeldt.