JUNGLELAND

Hoe beschrijf je een leegte, een afwezigheid? Hoe verwoord je datgene waarvoor je geen woorden vindt? Hoe uit je je diepste ‘binnenin’? En ook dit: waarom zeg je ‘stop’ als je nog niet bent begonnen?

Ooit gaf ik een lezing over ‘wat is poëzie’. Ik herinner me dat het vooral gericht was tegen de verheven opvattingen over poëzie van Jacques Hamelink. Ik was net aan mijn tweede jeugd begonnen, had me een frisse, onverschrokken punk attitude aangemeten. Geen zwart leder weliswaar maar een wit linnen pak uit Firenze. Mijn lange haren afgeknipt, niet echt kort en zeker geen hanenkam. Maar veel korter dan voorheen, al die jaren in de wildernis. Terzake. Aan de luisteraars in het zaaltje in de Ommeganckstraat in Antwerpen gaf ik een banaan, een baksteen. Doorgeven alstublieft! Dat is poëzie, verkondigde ik. Ook een kroontjespen liet ik door de luisterende handen gaan. Dit was niets nieuws, natuurlijk. In Cabaret Voltaire hadden zich nog wel straffere zaken afgespeeld. Maar waarom het nieuwe van dada niet nog eens herhalen, zal ik gedacht hebben. Het nieuwe opnieuw. Ik praatte nog wat, meanderde, omcirkelde, zweeg tenslotte. Drukte op de knop van de cassettespeler en zei, dit is poëzie. Wat weerklonk was Bruce Springsteens ‘Jungleland’.

Nu besef ik dat ik toen al, op die mooie zaterdagmiddag in 1978, geen woorden vond. De leegte van vandaag kondigde zich reeds aan in een baksteen, in de wall of sound van ‘Jungleland’, waarin ik zo graag verdwaalde.

SLAM EN DE OBSCENE GRENZEN VAN PÖEZIE

P1020615

Het is vreemd en opvallend dat er altijd weer enkelingen opduiken die graag op een podium gaan staan, een beetje hoger dan de andere mensen. Dat ze, zo lijkt het, door, gedurende de tijd dat zij, de enkelingen, zich boven hen verheffen wat lagere anderen, wensen beoordeeld te worden, en wellicht zelfs gestenigd of veel liever nog gekoesterd en begeerd.
En dat degenen die ervoor kiezen om tijdelijk een lagere plaats in te nemen, op de grond of op een ongemakkelijke stoel, en met te veel kleren aan, waardoor er gezweet wordt, graag om degenen die zich verheffen lachen, ze veroordelen, erom huilen, als het moet ze stenigen als waren ze martelaren, terwijl ze in dit bepaalde geval toch alleen maar de blues zingen – en sommigen hun gedachten laten afdwalen, laten afdalen naar de vreemden in henzelf aanwezig, en dat die laatsten, die weinigen, dan schrikken van dat vacuüm in hen.
Maar de dichters verlaten op tijd de zaal waar hoger en lager wordt gespeeld en keren huiswaarts, harden zich en wachten geduldig af. Af en toe peilen ze de diepte van hun afgrond, en soms lukt het hen een spoor te vinden van de weg die ze gingen toen ze de hoge, zacht glooiende heuvels van hun kinderjaren beklommen. Geduld moet je oefenen, zei de meester, daar komt het op neer, tot je het wijsje hoort, je diepste gezang. Van dat ogenblik af, en misschien al veel eerder, laat je je niet meer van de wijs brengen door harde stemmen en ingewikkelde manifesten op grijs papier gedrukt.
Het is vreemd dat er zulke mensen bestaan, die de ‘obscene grenzen’ die Lawrence Ferlinghetti ontwaarde nog langer willen bestrijden. En dat er anderen zijn die beamen wat Marcel Proust zei: degene die lijdt onder de liefde – als hij lijdt – is degene die ze ontvangt, niet degene die liefde schenkt. Maar hij moet het wel weten, anders is hij een dwaas. Alleen dwazen lijken gelukkig te zijn.

TROONSAFSTAND NU!

Wat is poëzie, wat betekent ze in je leven? Om te beginnen is poëzie geen autobiografie, hoewel je gebruik maakt van autobiografische elementen, als bouwstenen, als basismateriaal. Bepaalde emoties, waarnemingen, belevenissen kunnen uitgangspunten zijn voor een gedicht.

In poëzie probeer je, zonder je daar altijd bewust van te zijn, iets te zeggen over wat ogenschijnlijk onzegbaar is. Vaak raakt het gedicht die leegte aan in jezelf, die holte die je zo onrustig maakt, die je maar niet gevuld krijgt. Afwezigheden, lacunes, zwarte gaten… Ik denk dat om die reden elk gedicht gedoemd is op de ene of andere manier te mislukken. Je krijgt het maar niet gezegd, je blijft aarzelen, twijfelend over je woorden struikelen. De woorden leiden je om de tuin, terwijl je een tuin van woorden wilde maken.

Sommige van je gedichten gaan over zichzelf, en vertellen hoegenaamd niets, drukken alleen maar zichzelf uit; het zijn spelletjes waar geen vaste regels voor bestaan. Een ander deel van je gedichten is meer verhalend. Maar het gaat dan ook weer om verhalen die je onmogelijk als een verhaal kunt vertellen. In het gedicht vind je alleen maar de sporen (het tracé) van dat verhaal. Woorden en beelden, metaforen zijn zulke sporen.

Sommige van je gedichten – of misschien allemaal – zijn muren die je optrekt. Waarom je die muren optrekt weet je niet goed. In een boek van Paul Auster, The Music Of Chance, wordt ook zomaar een muur gebouwd. Als een soort van weddenschap met de afwezigheid. Dat je het toch kunt, ook al zegt die kunde niemand wat. Een muur van stenen. De woorden moeten stenen zijn. Dat hebben dichters al vaker gezegd. Waarom zouden ze niet de waarheid spreken? Een dichter is een bouwmeester. Een bouwmeester van kathedralen, wolkenkrabbers, blokhutten, iglo’s, shotgun shacks, labyrinten, casino royales. Woorden zijn sneeuwvlokken. Wit op zwart, hanteerbaar maar vluchtig, gedoemd om te verdwijnen.

Een gedicht schrijven betekent troonsafstand doen. Een gedicht is de bekentenis, de aanvaarding van de troonsafstand. Een dichter kan onmogelijk heersen over mensen of dingen.

Je wilt met je gedichten een soort van religie beoefenen. Je weet wel dat er geen goden en geen echte priesters bestaan. Daarom moet jij, dichter, sommige dingen kunnen bezweren. Soms kun je die bezweringen meedelen, als je een opening kunt laten, langs waar de andere naar binnen kan kijken.

Een gedicht moet open zijn, of gesloten. Fijnmazig of ruw als rotsen. Een gedicht moet onzuiver zijn. Elke aanspraak op zuiverheid is verdacht. Er bestaan geen absoluut goede mensen. Er bestaan geen absoluut goede gedichten. Een perfect gedicht is een glazen cirkel met zijn centrum in de eeuwigheid.

Met een gedicht geeft de dichter realiteit terug aan de realiteit. Poëzie is een verheven materie. Poëzie is iets schandelijks. Elke dichter is een revolutionair. Hij onttrekt tijd aan de tijd, productie aan de productie, leven aan het leven. De dichter is een bedrieger, een verrader, een ontrouw minnaar. Wat is een dichter eigenlijk? Wat is een gedicht? Wat betekent poëzie in je leven?