OP STAPEL

2018-06-03-nice-lyon 424 (2)

Wegens de hele reddingsoperatie van mijn blog, die maar gedeeltelijk geslaagd is en mij nooit zou gelukt zijn zonder de steun van een aantal vrienden (waarvan ik er sommige helemaal niet ken), is mijn werk in het veld van de letteren nog meer verstoord dan de diensten van De Lijn. Sinds maart werk ik gestaag aan een soort van verslag van een verblijf in Valle Gran Rey op het eiland La Gomera. Dat verslag is gaandeweg een raamvertelling geworden. De reden daarvoor is dat ik tijdens onze wandelingen daar, en ook op andere momenten, door herinneringen werd overspoeld en die vaak aan A. vertelde. Zo zijn ze, bijna tegen wil en dank, in die notities terechtgekomen. Het werken aan dat reisverslag, wat haast vanzelf leek te gaan, is in mei stilgevallen. De sfeer van het eiland, het dorp en het appartement, waar we een maand verbleven, vervaagt. Omdat ik de herinneringen die toen bij me zijn opgekomen schetsmatig in notitieboekjes heb opgeschreven, vervagen zij in veel mindere mate. Hoewel de structuur van dat verslag me wat moeite kost wil ik er toch mee doorgaan. Zo valt er nog heel wat te vertellen over de mensen die in La Gomera en Valle Gran Rey wonen. Het thema van de hoogtevrees moet zeker nog aan bod komen. Er moet dieper ingegaan worden op de muziek die op het eiland wordt gespeeld en op mijn fascinatie voor de zangeres Gloria. En ik moet een plaats vinden voor de herinneringen die in de notitieboekjes staan.

Ondertussen zijn de jaren zestig (en vooral 1968 opgedoken). Ik wilde dat hele gedoe van mei ’68 nog zo vermijden. We leven toch nu? We kunnen onze herinneringen niet zomaar kiezen. Zij kiezen ons. En toch is dat jaar er nu weer in al zijn glorie en al zijn ellende. Het lijkt erop dat ik niet anders kan dan er ook over schrijven. Uiteindelijk ben ik een bevoorrechte getuige. Een overlever.

Los van de sixties werk ik aan een reeks teksten over langspeelplaten die een belangrijke rol hebben gespeeld in mijn leven. Het gaat niet over welke platen ik de allerbeste of allermooiste vind of zo. Dat is een andere invalshoek. Ook hier gaat het weer om herinneringen, veel minder om schoonheid. Voor ik naar Nice vertrok en een treinreis door Frankrijk maakte, waardoor wat ik in La Gomera beleefde nog dieper weggezonken is, had ik zes albums de revue laten passeren. Nu ik weer thuis ben wordt het stilaan tijd om aan de resterende vier te denken. Dat is werk voor de volgende dagen (of weken). En misschien schrijf ik tussendoor nog wel iets over Arles, Saintes-Maries-de-la-Mer, Henri Matisse, Jean Cocteau of de heerlijke stad Lyon? Duidelijke plannen heb ik niet. Improviseren is de boodschap. Schrijven als een vorm van free jazz, maar wel met duidelijke grammaticale regels.

Ω

Foto: Martin Pulaski, Arles, mei 2018

 

ALLEEN MAAR ADEM EN HUID

davidson_wales-1965.jpg

“De steden en landen verliezen hun vertrouwde geuren. En toch blijf je er naar op zoek gaan…” Mocht je kunnen zou je naar de verste uithoeken van de aarde reizen. Op de wereldkaart kijken en een willekeurige bestemming selecteren. Als kind wilde je al – samen met je oudere broer – ontdekkingsreiziger worden. Maar je kunt niet naar de verste uithoeken en er valt ook niets meer te ontdekken. De verste uithoeken zijn illusies, die voor eens en voor waarschijnlijk altijd tot het spektakel behoren. Tot de reisprogramma’s op televisie en de bijlagen van de kwaliteitskranten. In de keuze van je bestemmingen is er wel altijd een willekeur aanwezig. Maar je moet met allerlei factoren rekening houden: geld, zwakke gezondheid, ongedierte, afkeer van luchthavens, afwezigheid van verste uithoeken.

Je hebt vrienden die veel reizen. De ene dag zitten ze daar, de andere dag al daar; waar ze neerstrijken is altijd een verrassing. Maar vaak ook niet. Er lijkt een systeem in hun manier van reizen te zitten, en zeker in wat zij als bestemming kiezen. Misschien minder in de weg ernaartoe? Hun reizen zijn, denk je, in zekere zin doelgericht, zinvol, hebben nuttigheidswaarde – waar je hoegenaamd niets negatiefs in ziet. En of zij een grote ecologische voetafdruk maken? Wat maakt jou dat uit? Je vrienden zijn geen fabrieken, geen vliegtuigmaatschappijen, geen kernreactoren.

Jouw manier van reizen, waarbij de ecologische voetafdruk je evenmin zorgen baart (je leeft een bijzonder verantwoord leven wat dat betreft), is echter anders. Je reist anders dan zij, maar ook anders dan in de dagdromen van je kindertijd. Je verlangt niet naar ontdekkingen, zelden of nooit hoor je de lokroep van exotica, van nieuwe grenzen, van halfnaakte Balinese danseressen, van de ongerepte natuur en de wildernis. Er bestaat geen wildernis noch een ongerepte natuur. Je bestemmingen, nooit doelbewust of op basis van duidelijke plannen gekozen, zijn meestal dicht bij de deur. Grote steden, kleine steden of ergens dichtbij de oceaan. Meestal weet je al van tevoren wat je er zult aantreffen: geen verrassingen. Maar aangezien willekeur een belangrijke factor is bij de keuze van je bestemmingen is het toch heel goed mogelijk dat je wel verrast wordt. Net zoals wanneer je in je eigen stad de deur uitgaat en een ander parcours neemt dan datgene wat je vertrouwd is. Maar is het je daar om te doen? Wil je verrast worden door wat je vertrouwd is? En het gedwongen planmatige aspect van je keuzes houdt uiteraard eveneens de mogelijkheid in dat je verrast wordt. Want worden plannen niet altijd in mindere of meerdere mate gedwarsboomd?

Je reist, denk je, vooral om terug te kunnen keren, om weer naar huis te kunnen gaan. Niet noodzakelijk naar het huis waar je nu in woont, maar naar iets wat je bij gebrek aan een betere term ‘het oorspronkelijke huis’ durft noemen. Je bent ervan overtuigd dat dat huis, eigenlijk is het een ‘thuis’ (maar heel zeker geen ‘tehuis’) niet bestaat, nooit bestaan heeft, nooit zal bestaan. Maar als je op je bestemming bent aangekomen en je verlaat daar voor de eerste keer (of de tweede, derde keer) je hotel, dan neem je iets waar, een soort van metafysische tegenwoordigheid, wat je herinnert aan die oorsprong. Waar je misschien vandaan komt, maar misschien ook niet, want het kan net zo goed een voorstelling zijn, iets wat je je inbeeldt. Je loopt door de enigszins vreemde straten met het gevoel dat het de straten van het eerste begin zijn, van je verleden dat er nooit is geweest.

Je gaat op reis zonder er al te veel over na te denken. Maar toch gaat het om een fenomeen dat aandacht vraagt, dat misschien wel een diepere zin geeft aan je leven. In de oorden waar je naartoe trekt hoop je – meestal onbewust – de oorsprong aan te treffen van je leven, een oorsprong die er niet geweest is. Vooral hoop je er manieren te vinden om er naar terug te kunnen keren. Terug te keren naar het begin – toen er nog geen woorden waren, geen muren, geen huizen, geen straten, alleen maar adem en huid.

Ω

Foto: Bruce Davidson, Wales, 1965.

ONGESCHREVEN

large_last_tango_in_paris_blu-ray_1.jpg
Marlon Brando en Maria Schneider in ‘Laatste Tango In Parijs’.

Waar ik vorige week over wilde schrijven:

‘Profession: Reporter’ van Michelangelo Antonioni – het landschap en de architectuur.
Maria Schneider in ‘Profession: Reporter’ en ‘Laatste Tango In Parijs’ (van Bernardo Bertolucci).
‘Laatste Tango In Parijs’: de eindscène.
Verraad en verlatingsneurose.
Paranoia.
‘The Panic In Needle Park’ van Jerry Schatzman.
De cameraman (director of photography) Laszlo Kovacs.
De romantiek van Mercury Rev.
Yo La Tengo: ‘This Is The Day’ en andere oorstrelende songs.
Stendhal en de romantische liefde.
Obessies bij Pascal Mercier.
Een vreemde leeservaring: Ian McEwan’s ‘Sweet Tooth’.

Ziekte (vooral een hinderlijke hoest, maar ook de nasleep van een operatie) heeft weer een keer roet in het eten gegooid. Maar er komen betere tijden.

800__last_tango_in_paris_blu-ray_subs_.jpg

CONTINUÏTEIT EN DISCONTINUÏTEIT

young parents and kids

Ik heb nog heel wat autobiografische notities in kladversie over mijn eerste Brusselse periode (van 1969 tot 1977, het jaar dat Laura en ik naar Antwerpen verhuisden). Maar voorlopig zet ik een punt achter dat verhaal. Ik stel vast dat het mij geen goed doet om intensief in mijn verleden te gaan wroeten. Ik geloof dat Ester me daar ook al voor gewaarschuwd heeft in een ‘voetnoot’. Twee keer ben ik in psychoanalyse geweest; ik wil dat hier niet nog eens over doen, hoe verleidelijk het ook is, vooral als je geen nieuwe ideeën hebt. Dat sluit niet uit dat ik later de draad weer opneem.

Want ik wil nog schrijven over het Living Theatre in Brussel; de schoonheid van Julian Beck en Judith Malina; een gast in de Karmelietenstraat die Ildemaro heette en een film had gemaakt over Frederico Garcia Lorca in New York; mijn eerste grote liefde; Sarah; de geboorte van mijn zoon; de geuren en kleuren van een nieuw leven; de schitterende jaren dat ik filosofie studeerde aan de VUB; hoe Leopold Flam mijn kijk op de wereld en op de menselijke werkelijkheid veranderde; het tijdschrift Aurora; Oswald in de gevangenis; een trip in Holsbeek; ziekenhuiservaringen; ingebeelde geslachtsziekten; champagne drinken bij de schoonouders; vegetarisme en macrobiotiek; nieuwe vrienden in Tram 81; een weekend met Oswald in Neerharen; wandelingen in het Zoniënwoud; twee concerten van the Rolling Stones, een van Lou Reed en een van Traffic; Angie; Oostduinkerke (waar Rilke verbleef); astma-aanvallen ten gevolge van het roken van teveel hasjiesj; hoogtes en laagtes van mijn huwelijksleven; kennismaking met de eerste platen van Neil Young; vrienden in Amsterdam; Luc D. en de andere vrienden aan de VUB; de dandy Eric DC; de echtscheiding, het gevecht met J. (die mijn beste vriend zou worden); Nietzsche en Marx; flirten met extreem-links; Trotski; toneelspelen in Doorndal; twee toneelstukken, waarvan maar een werd opgevoerd; mijn ‘echte’ ontdekking van William Blake, Walt Whitman, Hölderlin en het surrealisme; mijn liefde voor de VS, vooral gevoed door schrijvers, regisseurs en het tijdschrift Rolling Stone; de tegencultuur; mijn licentiaatsthesis over het einde van het gezin; enz. enz.

Dat is natuurlijk allemaal boeiend materiaal, onder meer omdat het zijn oorsprong vindt in een bijzonder boeiende periode, de eerste helft van de jaren zeventig. Maar ik moet het een tijdje laten rusten en me met het veel saaiere heden en de onzekere toekomst bezighouden. Met echte angsten en echte demonen; met vriendschap en liefde; met België; met mijn plaats in de gemeenschap; met mijn eenzaamheid en de eenzaamheid van zoveel mensen; met de imbeciliteit van film, radio en televisie; met de leugens en de waarheid in de kranten; met de weinige bewonderenswaardige mensen die zich verzetten tegen wreedheid, onrecht, onverschilligheid en lelijkheid; met schoonheid.

Foto: met vrienden en kinderen in Brugge, 1973

DROMEN VAN DE TUIN VAN DE FINZI-CONTINI

Finzi-Contini

Over reizen had ik het, onder meer. Over vluchten, verdwijnen. Ook nu, nadat ik een lange blik heb geworpen op het zinken dak en de blauwe hemel daarboven, denk ik aan reizen in het verschiet. Over minder dan een maand vertrek ik naar Berlijn. Ik houd van Berlijn. Ik denk dat die stad mij het dierbaarst is, nog dierbaarder dan New York, the city that never sleeps. Een rationele verklaring voor die aantrekkingskracht kan ik niet geven. Het is gewoon zo. Op de avond van 15 juli begeef ik mij naar een hotel in de buurt van de Oranienburgerstrasse om er mij in een soort van wellicht aangename eenzaamheid onder te dompelen. Ik zal alleen zijn, een week lang. Maar Berlijn trekt eenzame mensen aan en op die manier zal ik niet echt alleen zijn. En als ik me toch soms alleen zal voelen zal ik mij tot de engelen richten, op het bestaan waarvan Wim Wenders ons lang geleden heeft gewezen in Der Engel Über Berlin. Als ik verdwaal, wat heel goed mogelijk is, zullen zij me de weg wijzen. Het enige spijtige aan die zaak is dat het mannelijke engelen zijn. Ach, als het lot mij gunstig gezind is kruisen misschien wel enkele vrouwelijke engelen mijn pad. Of het kan ook zijn dat ze helemaal geen geslacht hebben, want ik vermoed dat de strijd nog altijd niet beslecht is.
Ik weet nog niet wat ik in Berlijn ga doen. Samen met Laura heb ik er alles al bezocht. Alles? Nee, dat is niet mogelijk. Streunerin, een Berlijnse, schreef me dat zoals elke mens elke stad op zijn minst twee gezichten heeft. Laten we er dan maar van uitgaan dat ik een tweede, derde, of vierde gezicht ga zoeken. Dat ik het aandachtig ga observeren. Mag ik hopen dat ook dat gezicht mij zal bevallen en inspireren?

In augustus maken we – dit keer samen – een nostalgische en literaire reis naar Noord-Italië. Eerst naar Triëste, de stad van Italo Svevo en waar diens vriend James Joyce een groot deel van Ulysses schreef. Vlakbij ligt het dorp Duino waar Rainer Maria Rilke in 1911 en 1912 logeerde bij de gravin Marie von Thurn und Taxis. Je kunt er in de omgeving, heb ik gelezen in Triëste autrement, een Rilke-wandeling maken langs het traject waar Rilke wandelde en nadacht over zijn meesterwerk, De Duineser Elegien. Tegenwoordig is Triëste de stad van Claudio Magris, de onvolprezen schrijven van onder meer Donau.

Van Triëste reizen we naar Ferrara, niet al te ver van Bologna. Ferrara is de stad van de Estes-familie, die ervoor zorgde dat het een van de allereerste renaissancesteden van Italië werd. Petrarca verbleef aan hun hof. Overigens zag ik enkele jaren geleden een mooie tentoonstelling over de Estes, in het Paleis voor Schone Kunsten hier in Brussel (Een bijzondere renaissance. Het hof van de Estes in Ferrara.) Ferrara is voor mij evenwel in de eerste plaats de stad van de meesterlijke schrijver en uitgever Giorgio Bassani. Zijn Ferrara-romans zijn in het Nederlands vertaald en uitgegeven in één deel. Het hoogtepunt is De tuin van de Finzi-Contini, een meeslepende roman over een rijke Joodse familie. Daar maakte Vittorio De Sica dan weer een meer dan behoorlijke film van met de de nu wat vergeten Dominique Sanda, een van de vamps van de jaren ’70. Hoewel die tuin van de Finzi-Contini verzonnen is ga ik hem in Ferrara toch bezoeken. Ik ben er zeker van dat ik hem zal vinden. En heel zeker zal ik eveneens het graf van Giorgio Bassani vinden.
Om onze reis af te sluiten gaan we drie dagen naar Venetië, de stad waar Laura ooit in een woeduitbarsting in mijn duim beet. Dat is dan het nostalgische deel van de trip. Venetië is voor mij minder een stad van schrijvers dan van filmregisseurs, hoewel Henry James er heeft gewoond en The Comfort Of Strangers van Ian McEwan zich er afspeelt. Venetië associeer ik heel sterk met Don’t Look Now van Nicholas Roeg, een film die al even luguber is als het boek van McEwan. Maar wel mooi. Met Julie Christie en Donald Sutherland. Bijna even mooi is natuurlijk Dood in Venetië van Luchino Visconti, maar uiteraard is dat gebaseerd op een klassiek verhaal van Thomas Mann.

Tot het zover is probeer ik niet de dagen te tellen. Elke dag geteld is een dag verloren. Je moet vind ik de dagen niet tellen maar ze leven. Anders heeft het leven geen zin.

Foto: uit de film Il giardino dei Finzi-Contini.

TERUGKEER NAAR BERLIJN

himmel uber berlin

Morgen heel vroeg vertrekken we naar Berlijn. Ik ben een hele week weg en zal waarschijnlijk niets op mijn weblog plaatsen. Waarschijnlijk zal ik helemaal niets schrijven. Ik ben een zwakke mens en beschik maar over een kleine voorraad energie, die ik zuinig moet gebruiken. Wat ik zal doen is wat ik altijd doe: door de straten slenteren, mij door de stad en haar inwoners laten overweldigen, musea bezoeken, kunstwerken in mij opnemen, mij laten inspireren, luisteren naar de Duitse taal, met dat mooie Berlijnse accent, dat me zeker zal doen terugdenken aan Franz Biberkopf, op terrassen zitten in het voormalige Oost-Berlijn, waar het gonst van het nieuwe leven, van jonge mensen die lang droomden van een project en dat nu verwezenlijken. Ik zal tijdschriften en boeken en folders lezen. In boekwinkels in boeken bladeren en ze weer terugleggen of als ze een heel lekkere geur hebben ze kopen; in muziekwinkels, zoals ik die zaken noem, mij overgeven aan mijn obsessie voor cd’s. Ik zal oog in oog staan met de verschrikkelijke geschiedenis van de vorige eeuw, op elke plaats waar ik kom; elke plaatsnaam die ik lees zal er mij aan herinneren; in de schaduw van elk gebouw zal ik de kilte ervan even voelen. Ik zal veel tijd doorbrengen in een mooie hotelkamer met een parketvloer en een zacht bed. Ik zal genieten van het heerlijke ontbijtbuffet en het éne kopje koffie dat ik nog mag drinken, ’s morgens. Ik zal lang gemiste gesprekken hebben met mijn levensgezellin. Na zeven dagen zal ik terugkeren en zal ik mij mijn nachtmerries en dagdromen proberen te herinneren en, na een paar dagen rust hier thuis, zal ik die dan neerschrijven en, indien ze interessant zijn, zal ik ze, samen met een aantal indrukken en mogelijk ook wat woedeaanvallen en ergernissen, hier onder de aandacht brengen. Tot ziens en geniet van elk ogenblik.

Foto: Der Himmer über Berlin, Wim Wenders