SCHMERZ / PAIN / PIJN

IMG_5963 (2)

In Berlijn bezocht ik in het Hamburger Bahnhof – Museum für Gegenwart een tentoonstelling over pijn, ‘Schmerz’. In het Duits klinkt het tegelijk pijnlijk en troostend, je hoort in het woord de echo van de ‘compassio’. Ik vond deze tentoonstelling zo op mijn lijf geschreven – zelfs voor ik er nog maar iets van gezien had – dat ik er haast niet naartoe durfde. Als ik een artikel lees over een of andere ziekte, moet je weten, krijg ik die ziekte zelf bijna meteen, of op zijn minst de symptomen ervan. In het Museum für Gegenwart is er echter zoveel pijn te zien dat je die onmogelijk tijdens een – zelfs lang – mensenleven allemaal kan voelen. Op de affiche van Schmerz / Pain staat een detail van een van die vele kruisigingen van Francis Bacon. Op het werk uit 1965 heeft de Gekruisigde heel wat trekken van een beest, met name een varken. Bij Bacon roept de kruisiging van Christus immers vooral associaties op met het slachthuis. Op die wijze schildert hij zijn ‘Crucifixion’. Een beestige mens zit vast aan een bijna onzichtbaar kruis. Overigens zijn specialisten het niet eens over het aantal spijkers dat werd gebruikt om Jezus te kruisigen. Waren het er drie of vier? Op de tentoonstelling is zulke spijker te zien, geen echte natuurlijk, maar wel een die eeuwenlang ‘aanbeden’ werd. In de middeleeuwen en later nog waren de mensen zeer nieuwsgierig naar het lichaam van Christus, dat zoveel geleden had, maar dat ook goddelijk was. Want Christus is natuurlijk de zoon van God. Hij is mens geworden, zo staat geschreven, maar heeft hij ook organen, ingewanden? Er zijn heel wat afbeeldingen waarop Jezus te zien is met een opengesneden buik, waarin je zijn organen duidelijk kunt zien. Er bestaan ook beeldjes met een luikje in de buik. Dat kun je openklappen. Kijk, Jezus heeft inderdaad organen! Ongelovige Thomas is nu overtuigd van Jezus’ mens-zijn en van zijn pijn en lijden.
Nu moet je niet denken dat de hele pijntentoonstelling over het lijden van Christus gaat. Er is een schitterend werk te zien van Tiepolo. De reproductie ervan staat hieronder. Agatha’s borsten werden afgehakt. Degene die de gruweldaad heeft begaan staat naast haar, met het bebloede zwaard nog in de hand. Aan haar andere zijde bevindt zich een jongeman met een schaal waarop de afgehakte borsten. In de blik van Agatha lees je niet enkel pijn maar ook extase. Die verwevenheid van pijn en genot wordt in ‘Schmerz’ voortdurend benadrukt. Naast kunstwerken zijn er talloze gebruiksvoorwerpen uit de geneeskunde en vooral de chirurgie te zien.

Ik ben eerst naar de permanente collectie gaan kijken, maar alleen naar de zeer indrukwekkende installaties en doeken van Anselm Kiefer. Meest opvallend is het gigantische loden werk Census (Volkszählung) uit 1991, met de enorme grijze, loden boeken. Lood wordt toegeschreven aan Saturnus, de planeet van de rampspoed. De hoofdthema’s in de saturnische kunst van Anselm Kiefer zijn vernieling, oorlog en dood. Maar ook de afwezigheid van de goden, daarin beïnvloed door de poëzie van Hölderlin en Celan.

De rest van de tentoonstelling moet je gaan bekijken in het nabijgelegen Charité-ziekenhuis. Daar ben ik weggevlucht, omdat het er vooral om zieke organen ging, netjes gecatalogiseerd en in rekken achter vitrines gerangschikt. Eerst krijg je de hersens met de goed zichtbare tumoren, daarna de levers, door cirrose aangetast, de van het roken zwarte longen, de door artrose kromgetrokken voeten, enzovoort. Zoals ik al eerder schreef ben ik naar café Oranium gerend, om me daar met enkele Krusovices wat nieuwe moed in te drinken. De pijn echter is gebleven, nu weer eens hier, dan weer daar.

NA DE VAL / AFTER THE FALL

after the fall miller

Van het dagelijks front is er weinig nieuws. Ik zit thuis te wachten op herstel. Neen, ik ben niet overvallen. Eigenlijk wilde ik er niets over zeggen, maar wat doe je eraan, een mens kan niet zwijgen. Ik ben gevallen. Uit het paradijs maar ook in de werkelijkheid, in het weinig nieuws verkondigende dagelijkse leven. Het voorbije weekend wilde ik na een etentje in de stad de metro nemen aan Sint-Katelijne, maar er lagen wat winterbladeren op de prefabtrappen – het metrostation wordt gerenoveerd – en ik gleed uit en viel op mijn gat. Ik viel helemaal tot beneden, tsjak, tjsak, tsjak. Op mijn rug een rugzakje met als inhoud de dvd Reds van Warren Beatty, de cd Live At Budokan van Bob Dylan (zijn enige echt slechte plaat) en de soundtrack van Walk the Line + nog wat medicijnen. Ho, ho, geen drugs; medicijnen voor de slokdarm en tegen astma. Mijn val is gebroken door die meer dan drie uur durende Reds, de verpakking is helemaal stuk, gelukkig niet de dvd’s (hoewel het een saaie film is), en door mijn bil. Die is nog altijd inktzwart. In het midden wat blauw. Een geluk dat je wat gedronken had, zei mijn huisdokter. Daardoor waren je spieren ontspannen en ben je goed terechtgekomen. Je had op je staartbeentje kunnen vallen of op je ruggengraat. Ja, ik begrijp het. Ik had nu in een rolstoel kunnen zitten. Heb ik toch chance. Jongens toch. James T. Chance. That’ll be the day! Ik ga, zodra ik weer normaal kan lopen, naar de kerk wat kaarsen branden voor de ene of andere god. De voorzienigheid heeft het goed met mij voor. Terwijl mijn vrienden vallen als vliegen of vliegtuigen ga ik onoverwinnelijk door het leven. Ik tart het lot en het lot tart mij maar we blijven even goede vrienden.

Ik zit nu thuis te wachten op het verdwijnen van het postmoderne blauw. Zit? Ik sta, ik loop, ik lig. Zitten gaat niet goed. (En zaterdagavond, na middernacht, zag zelfs mijn gitaar er opeens postmodern blauw uit, zoals die van Peter Case, niet die van Wallace Stevens.) Zitten gaat slecht. Ik wacht. Ik wacht tot ik het zittend bestaan van de kantoorslaaf kan hervatten en weer kan zwanzen met mijn collega’s. Hun geroezemoes en gelach mis ik zeer. Ondertussen probeer ik opnieuw te leren lachen, diep vanuit de buik (de billen ontziend), omdat lachen goed is voor de slaap, naar het schijnt. Dat heb ik toch ergens in een blaadje gelezen. Elke dag een portie hartelijk lachen en je slaapstoornissen verdwijnen als zon door een sneeuwbui. Alleen een kleine glimlach is me nog maar gelukt, na wat valentijnchampagne, maar ik span me in, ik doe mijn best, voor ik straks in bed ga wil ik echt één keer schaterlachen. Misschien moet ik die Chinese encyclopedie van Borges nog maar eens ter hand nemen. Dat ik aan slaapstoornissen leed had ik nog niet verteld?

OVER EEN DICHTER EN ZIJN TOREN

holderlin,toren,materiaal,tubingen,hitte,pijn,artaud,reizen,kleist,kester freriks,lezen,poezie,rilke,waanzin

De tekst hieronder beschouw ik niet als ‘poëzie’. Het is een lectuur van nagelaten fragmenten van Friedrich Hölderlin. Meer bepaald van de derde versie van het gedicht Mnemosyne. Ik zou dit hölderlinmateriaal willen noemen, zoals er ook medeamateriaal bestaat. Ik heb me in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw intensief bezig gehouden met Hölderlin, maar ook met Kleist, Artaud en Rilke. Tussen alle documenten die toen zijn ontstaan zal nog wel wat waardevols zitten. Het zou digitaal moeten worden omgezet, maar ik heb daar geen tijd voor, en ik wil evenmin geconfronteerd worden met dat verre verleden.

Ik las in die dagen veel over het werk van Hölderlin, ook wel wat over zijn leven. Heideggers Erlauterungen Zu Hölderlins Dichtung, Peter Szondi’s Hölderlin-Studien, uit 1967, Jean Laplanches Hölderlin et la question du père, M.B. Benns Hölderlin and Pindar, het Hölderlinstuk van Peter Weiss, interessante essays van Georg Lukacs, Klaus Pezold, Martin Walser en Pierre Bertaux, en, ook interessant vanuit een linguïstische hoek, Roman Jakobsons studie getiteld Hölderlin. Klee. Brecht. Ik hield veel, herinner ik me, van Pierre Jean Jouves Poèmes de la folie de Hölderlin,waarin tevens fragmenten uit dagboeken en brieven van Bettina Von Arnim en Wilheml Waiblinger waren opgenomen.

Hölderlin was een dichter met wie ik me om een mij nu niet meer zo duidelijke reden nogal verwant voelde. Ik denk dat de ontroostbaarheid er een rol in speelde; zijn eenzame strijd tegen de tijdgenoten, om boven de idyllische romantiek uit te stijgen en iets nieuws en blijvends te stichten – en meer nog de miskenning en minachting die hem ten deel vielen, onder meer van Goethe en Schiller, de grote Duitse helden.

In 1980 verbleven Laura en ik een week in Tübingen, waar ik de hele tijd echt gelukkig was. We bezochten er de Hölderlin-toren, aan de Neckar, de rivier waar Hölderlin met zoveel liefde over schreef. Hölderlin verbleef in de toren gedurende de tweede, ‘donkere’ helft van zijn leven (van 1807 tot aan zijn dood op 7 juni 1843). We stonden natuurlijk, terwijl het zacht regende, aan het graf van de dichter en voeren met een bootje op de rivier, zoals de dichter wellicht zelf ook had gedaan. De toren die in Tübingen staat is niet meer de echte. Hij is in 1875 afgebrand. Nadien werd de toren en het aanpalende huis weer opgebouwd. Nu is het een literair-toeristische attractie. Kester Freriks heeft een vrij mooie roman geschreven, getiteld Hölderlins toren.

Het is alweer zo heet en ik heb nog altijd pijn, vooral aan de linkerkaak. Ik kan zeer moeilijk kauwen. De dokter veronderstelt dat ik te hard gegild heb, waardoor mijn kaakgewricht ontwricht is. Ik weet het niet. Het sleept wel lang aan. Die gekneusde ribben en die blauwe plekken, daar valt wel mee te leven. Maar die kaak… Ik bijt zo graag, vooral in de zachte hals van een vrouw.

WILHELM REICH VERNIETIGT HET KARAKTER

reich_artist_01

De eerste echte lentedag. Maar voorlopig toch een dag die weinig om het lijf heeft. Een zieke vriend met wie ik het bureau deel, met als gevolg veel geklaag, ook van mijn kant, want als hypochonder ben ik daar zeer bedreven in. Ooit was ik een wandelende encyclopedie van huidziekten. Die zijn nu al lang allemaal verdwenen, op miraculeuze wijze zou je bijna denken, want ik heb er niets tegen gedaan. Nu heeft de vijand zich geconcentreerd op mijn darmen: irritable bowel syndrome, noemt hij zich nu al een hele tijd. In deze gedaante bestrijd ik mijn vijand wel, maar nog altijd zonder resultaat. Het is een pijnlijke zaak en zeker niet prettig als je graag lekker eet en drinkt. Gisteren ben ik, door wanhoop gedreven, bij de acupuncturist geweest, in de hoop dat de naalden soelaas zullen bieden. Als dat niet werkt zal ik moeten berusten. Het is allemaal de schuld van de economie. Als we het niet druk druk druk hebben bestaan we niet voor de anderen. Die levenswijze wordt ons opgedrongen door de spektakelmaatschappij, het ‘empire’ zo je wil. Wij moeten produceren en consumeren. Dat is onze enige rol en velen onder ons denken daarin de zin van hun bestaan te kunnen vinden. Geloof het maar. We zullen pas de zin van ons bestaan vinden als we ons aan het spektakel onttrekken, het ons opgedrongen masker (of karakter) vernietigen (Wilhelm Reich) en onze identiteit heropbouwen als een nieuwe stad van liefde en vriendschap. Waar wachten we op? De toekomst lacht ons toe: het is de eerste lentedag.