OP INDIAANSE GROND II

donald rumsfeld,slang,dh lawrence,jack nicholson,new mexico,indianen,hippies,tiwa,santa fe,honden,rilke,patti smith,facebook,youtube,taos,easy rider,vs,greyhound,philoctetes
Taos, New Mexico, september 1993.

Ik luisterde nog een keer naar Patti Smiths ‘Dancing Barefoot’ en ging op zoek naar een stukje film. Ik heb er meerdere gevonden, de technologie staat voor niets stil, niet alleen kun je vrouwen kopen op de markt van Facebook, op YouTube vind je alle bewegende beelden die je maar wilt, en veel meer zelfs.

Ik schreef dat ‘Dancing Barefoot’ me aan dansende Indianen doet denken – en binnen de kortste keren zag ik mij en Laura teruggeflitst worden naar New Mexico in september 1993, tijdens de vooralsnog mooiste reis van ons leven, van het Oosten naar het Westen van de Verenigde Staten. We verbleven enkele dagen in Taos, een bijzonder pittoresk stadje van Indianen, (toen al) oude hippies, en Easy Riders. Taos was een plaatsnaam waar ik me sinds 1969 veel bij had voorgesteld. Lang geleden werd er Tiwa gesproken, een taal waarin Taos ‘rode wilg’ betekent. DH Lawrence woonde er een tijd; hij bezat er een ranch. De film ‘Easy Rider’ van Dennis Hopper werd er gedeeltelijk gefilmd, onder meer de gevangenisscène met Jack Nicholson. Het stadje was al van in het begin van de twintigste eeuw een kunstenaarskolonie. En nu waren wij er, met de Greyhound die uit Santa Fe was vertrokken, ook aangekomen.

Op een dag maakten we een wandeling in de vrije natuur ten Westen van Taos. Omdat veel  gebied er privé-eigendom is, is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan. We hadden de adobe huisjes al een heel eind achter ons gelaten toen er een hond op ons afkwam. Omdat ik ooit gebeten ben door zo’n beest ben ik er niet altijd gerust in. Maar aan deze loebas zag je meteen dat hij ongevaarlijk was. Hij kwam meteen op Laura en mij toe lopen als om ons te begroeten. Achteraf, toen ik Rilke herlas, zag ik deze zachtaardige hond als de incarnatie van het goede en trouwe in de dieren.

We wandelden door, en de hond volgde ons als een brave schaduw. Even later kruiste een jongen ons pad. Hij maakte ons op vriendelijke en beleefde wijze duidelijk dat we ons op heilige Indiaanse grond bevonden. Hoewel het geen privé-eigendom was mochten we daar niet zijn.

Nu breng ik de hond, als wakend dier, in verband met Philoctetes. Laura en ik hadden echter heel wat meer geluk dan dat mythologisch personage. Net als wij betrad Philoctetes immers een heilige plek, op het eiland Lemnos. Hij werd echter in zijn voet gebeten door de slang die de plek bewaakte. Ik heb gelezen dat er inmiddels in Taos ook een giftige slang waakt, een ratelslang die de gedaante heeft aangenomen van Donald Rumsfeld. DH Lawrence, Laura en ik zouden er niet langer welkom zijn, zo heb ik vernomen.

MEDEDOGEN MET PHILOCTETES

philoctetes 3

Philoctetes, onderweg om met de Grieken in de Trojaanse oorlog te gaan vechten wordt op het eiland Lemnos in de voet gebeten door een slang. Al kort daarna druipt stinkende pus uit zijn voet en vloekt hij het uit van de pijn. Zijn gezellen laten Philoctetes verzwakt en hulpeloos achter op het onbewoonde eiland. Philoctetes is kreupel en heeft geen andere hulpmiddelen dan zijn boog en zijn pijlen, “zonder andere vrienden dan de dieren die tevens zijn voedsel waren.”
Tien jaar later komen de Grieken hem weer zoeken, want inmiddels hebben ze begrepen dat ze zonder de boog van Philoctetes de oorlog tegen Troje niet kunnen winnen. Ze komen niet terug om hem te helpen, of uit schuldgevoel en schaamte, maar alleen omdat ze hem kunnen gebruiken. Hij is niet meer dan een middel om een doel te bereiken.

Bij Sophocles, de schrijver van deze tragedie, is er echter de troost van het koor dat smeekt: “Heb mededogen met hem!”
En Philoctetes zegt het volgende:
“Red me, heb mededogen, in het besef dat elk sterfelijk leven vatbaar is voor gevaar en vreselijk onheil. Er kunnen goede dingen gebeuren, maar ook het omgekeerde is mogelijk. Iemand die niets te lijden heeft moet op zijn hoede zijn voor vreselijk onheil en vooral als het je goed gaat in het leven, moet je oppassen dat je niet onverwacht te gronde gaat.”
Sophocles was kennelijk negentig toen hij deze tragedie schreef.