WONDERLIJKE VISVANGST

boek paul rigaumont 001

“With haunted hearts through the heat and cold
We never thought we could ever get very old
We thought we could sit forever in fun
But our chances really was a million to one”
‘Bob Dylan’s Dream’

Het was een wonderlijke visvangst. Want waren we niet stuk voor stuk wonderlijke vissen gevangen in het net dat Paul gedurende een groot deel van zijn leven met zijn lyrische kleuren en met zijn hersens en geest verzoenende vormen geweven had? Mooi is het om op een zondagochtend zo in hechtenis te worden genomen door de Geest van de vrijheid. Want het visnet – of was het een web? – gaf ons precies dat, vrijheid, in plaats van gevangenschap. Pauls labyrint leidde ons niet naar de Minotaurus maar naar de Geest van de vriendschap. Die hele zondag heeft mij ook in een lyrische toestand gebracht. Dat verklaart meteen waarom ik Geest met een hoofdletter schrijf.
In het atelier waar Paul Rigaumont al die jaren zijn zowel melancholische als vrolijke oeuvre bij elkaar geschilderd had waren wij nu bij elkaar gebracht door een boek waarin dat voorbeeldige werk eindelijk de aandacht krijgt die het verdient. Paul heeft nooit veel aandacht gewild. Hij schilderde liever in de schaduw. Schaduw bij wijze van spreken want net als elke andere schilder had hij meer licht dan schaduw nodig. Dat hij niet in de belangstelling wilde staan betekent niet dat hij – of zijn werk – die niet verdient. Van alle kunstenaars die ik persoonlijk ken verdient hij die het meest. Paul is al drie jaar dood, daar valt niets aan te veranderen. Maar zijn schilderijen zijn springlevend. Omdat zij zo springlevend zijn waren wij, gasten, dat zondag opeens ook. Al waren de akelige dood, de bespottelijke aftakeling en het giftige verdriet eveneens van de partij. Ik denk dat die schamper lachten met mijn idee van vrolijke vissen in een veelkleurige bokaal. Of dat van gelukkige bezoekers badend in het licht van Pauls abstracte doeken. Terwijl op het dak van zijn atelier de regen neerviel en aan onze schoenen nog stukjes geplette kastanjes kleefden.

Oude vrienden die elkaar terugzien – soms na vele jaren omzwervingen, avonturen, verzoekingen, en wat niet nog allemaal – in een warme omgeving: dat is heftig. Ieder van ons heeft zoveel meegemaakt. Talloze herinneringen komen daar binnengewandeld, bijna tastbaar of anders zeker toch latent. Alle mooie momenten, alle pijn, alle verdriet, elke seconde van extase. De muziek van de wereld die in onze hoofden zit. De schoonheid van elke steen en elke bloem die we zagen. De burgeroorlogen die ons woest maakten, die ons tot hoopjes verdriet herleidden, tot niemendalletjes. De nieuwe burgeroorlogen die eraan zitten te komen. Het is niet allemaal schoonheid wat in die hoofden van ons zit. Niet allemaal Tintoretto, Mapplethorpe, Aretha Franklin en Bach. De namen van het lelijke en van het kwaad wil ik nu evenwel niet noemen.
Mijn oude vriend Guillaume Bijl zegt sorry, net als Ronald Gipharts Phileine. Met een glimlach en de mogelijkheid van een verwijzing als resultaat. Ria Pacquée drijft de spot met wat ons ketent en blijft er heel kalm bij, een vrouwelijke Gary Snyder. Een soort van dichter en zenboeddhist was dat, die ik ontdekte in The Dharma Bums van Jack Kerouac. Veel humor bij de andere kunstenaars, en veel raadselachtigheid. Menno Meewis, Michel Kolenberg, Fred Michiels, Anne Niveau, Tamara Van San, Christian Van Haesendonck. Christian, die ik altijd Chris heb genoemd en die Gottfried van Salzburg heette toen we samenwerkten aan ons boek ‘Kamertjeszonden’. Salzburg, nota bene de stad waar mijn vader een jaar lang heeft vastgezeten als krijgsgevangene. Samen hebben we dingen gedaan, Gottfried en ik. Niet alleen maar gepraat, wees daar maar zeker van. We hebben woorden opgespoord en zijn brutaal geweest, onder meer. Chris heeft  vorig jaar samen met Olga, de weduwe van Paul, het initiatief genomen voor het sublieme boek dat ons hier nu samenbrengt: Retrospectief Paul Rigaumont. Bij de opening van deze tentoonstelling in het atelier waar soms ook wild werd gedanst, bij weer een andere voorstelling, bijvoorbeeld van een van de achttien delen Anekdota van Paul Rigaumont, want die boeken waren er ook nog. Of op een nieuwjaarsparty of iets anders dat moest gevierd worden. Of ik ook een bijdrage wilde leveren aan het boek, vroegen Olga en Chris mij. Dat heb ik graag gedaan. Zoveel herinneringen aan Paul. De mooiste en de meest frappante heb ik neergeschreven. Terwijl ik zat te schrijven kwam Paul weer even tot leven. Maar toen het werk af was is hij opnieuw gestorven. Er is niets aan te doen. Zondag leek Eddy Borms zijn lieve vriend met zijn poëtische invocatie heel even uit de dood te kunnen opwekken, maar toen de adem van zijn laatste woord verdampt was, was ook Paul weer weg. Niemand van ons is Jezus, niemand Lazarus. En zoals Eddy later tegen me zei in een kort gesprek over Patti Smith: niemand sterft voor onze zonden.

Menno Meewis overleed plots in Montréal in 2012, alweer zes jaar geleden. Hij is nog altijd aanwezig in de ogen van Liliane, een van die oude vrienden die we al zo lang niet meer zagen. Maar wel alsof de laatste keer gisteren was. Zo is het zo vaak met goede vrienden. Met Ginette hetzelfde. Ook dat waren avonturen. Zij woonde een tweetal seizoenen bij ons, in de Dolfijnstraat in Antwerpen, in de periode dat Agnes en ik met Paul samenwerkten in de Filosofische Kring Aurora. Dankzij de vrienden van Ginette hadden we altijd lekkere verse groenten in huis. Aan de overkant in diezelfde legendarische Dolfijnstraat woonden Leo en Flor, eeuwenoude vrienden. Leo heb ik altijd Job genoemd, ik weet niet of hij dat weet. Net als in 1969 toen hij in mijn testfilmpje voor het Ritcs de Nowhere Man speelde (met een van zijn schilderijen als rekwisiet) gelooft hij nog steeds in de Verwondering. En vooral in de Geest. Flor of Flora, geboren in Congo, is net als Paul drie jaar geleden gestorven. Twee of drie dagen voor haar dood was ze nog springlevend. Verontwaardigd over Wolfgang Schäuble en geestverwanten, over de geldwolven en machtsslaven die de Grieken vernederden en uithongerden. En dan geen woord meer. Gedaan met de flamenco, haar lievelingsdans.

En toch is het waar dat die hele zondag een feest was en dat we gelukkig waren. Zelfs onze vriendin Guche, die er eerst ongelukkig en ontdaan uitzag, ging stralen. Haar levensgezel Wout Vercammen ging er begin dit jaar voor altijd vandoor. Manneke minder, noemde mijn moeder de dood soms. Wat een mooie, poëtische uitdrukking voor zoiets akeligs! Guche die ook Gislinde heet kan buitengewoon goed schrijven; zij heeft een stijl die je nergens mee kunt vergelijken. Absurd, prettig gestoord… geen enkel adjectief is hier toepasselijk. Zij is een fan van mijn werk, maar dat is niet de reden waarom ik haar graag zie. De reden is Guche zelf.
Nu ik fotograaf Marc Schepers terug voor me zie (en op een foto die Agnes van ons maakte) herken ik Theseus in hem. Ongetwijfeld had hij zondag de Minotaurus kunnen doden, maar dat was niet nodig, dat zei ik al, er was geen Minotaurus. En hoewel ik hier lijk te treuren om de doden is dat niet zo, zij waren er allemaal, levend in ons aanwezig, in onze woorden en in onze blikken. Ik heb ze allemaal gezien.
Met mijn oude vriend Jan Van Veen, over hem zou je meerdere boeken kunnen schrijven, dat is in zijn geval helemaal waar, met hem gaat het niet goed. Hij is slecht te been, heeft erge rugproblemen, astma, bronchitis. Roken is nergens goed voor. Maar het is nu te laat voor lesjes moraal. Straks ga ik hem bellen. Hij was zo vlug weg dat ik niet eens met hem heb kunnen praten. Heel even overviel mij een immense tristesse. Maar kort daarna zaten wij, opnieuw vrolijke vissen, in een pizza-aquarium met onze vissenmonden wijn te drinken en te praten en te lachen, alsof we nog altijd met zijn allen in die kamer van onze prille jaren zaten, waar Bob Dylan over zingt in ‘Bob Dylan’s Dream’, terug te vinden op het meesterwerk The Freewheelin’ Bob Dylan, dat ook over ons gaat, over onze generatie, over de mensen die we toen waren en die we nu zijn.

2018-09-23-paul rigaumont opening 005 (2)
2018-09-23-paul rigaumont opening 006 (2)2018-09-23-paul rigaumont opening 015 (2)

Foto’s: Agnes Anquinet / Martin Pulaski

RETROSPECTIEF PAUL RIGAUMONT

UITN_CCM_PAUL RIGAUMONT (1)

Volgende zondag 23 september om 11 uur in Atelier Paul Rigaumont, Braziliëstraat 38, 2000 Antwerpen:

boekpresentatie: ‘retrospectief Paul Rigaumont’ met Olga Rigaumont-Tanghe, Martin Pulaski / Matti Brouns en Christian Van Haesendonck

en tentoonstelling ‘subj. zkt. obj. (Paul Rigaumont and Friends)’ met werk van Paul Rigaumont, Guillaume Bijl, Francis Denys, Michel Kolenberg, Menno Meewis, Fred Michiels, Anne Niveau, Ria Pacquée, Albert Pepermans, Maggie Richardson, Paul Rigaumont, Marc Schepers, Leo Steculorum, Guy van den Heule, Christian Van Haesendonck, Tamara Van San en Jan Van Veen.

BESCHOUWINGEN OVER ‘CLOSER’ VAN JOY DIVISION

Eind 1980 wilde ik als kerstcadeau voor Agnes de elpee ‘Closer’ [1] van de Britse postpunkgroep Joy Division kopen. We vonden het beiden de mooiste en meest aangrijpende plaat van het jaar. We waren romantici en voelden ons aangetrokken tot melancholische kunstenaars en outsiders. Ian Curtis, de zanger van Joy Division, had zich op 18 mei verhangen. Kort voor zijn zelfmoord had hij de film ‘Stroszek’ van de Duitse regisseur Werner Herzog gezien. Op een koude nacht in januari waren wij toevallig ook naar die film gaan kijken. Het soms grappige maar vooral wanhopige verhaal had ons danig aangegrepen. Ik had er zelfs bij zitten huilen. ‘Stroszek’ vertelt de geschiedenis van de straatmuzikant Bruno S. en zijn vriendin, de prostituee Eva. Als Bruno S. over zichzelf praat, hanteert hij aldoor de derde persoon. Nooit ‘ik’, altijd ‘der Bruno’. Stroszek spreekt alle woorden uit met een grote inzet van zijn hele lichaam. Daaraan kun je zien dat elk woord door de onfortuinlijke straatmuzikant uitgesproken de waarheid is.

stroszek

Voor ik naar huis ging met de elpee van Joy Division stapte ik nog even binnen bij Aurora, ons filosofisch atelier in de Lange Leemstraat. Daar stelde ik vast dat in de kerstdrukte een verkoper bij platenzaak Brabo mij per vergissing de maxisingle ‘Love Will Tear Us Apart’ verkocht had. Mijn vriend (en bij Aurora collega) Paul Rigaumont zag meteen hoe teleurgesteld ik was en stelde voor dat hij de single zou overkopen. Maar dan heb ik geen cadeau, zei ik. En die andere elpees dan, vroeg Paul. Hij had gelijk, ik had samen met wat ik dacht dat ‘Closer’ was ook nog langspeelplaten van Public Image Limited, Suicide en the Jam aangeschaft. Dat waren ook mooie cadeaus. Wat ik niet besefte was dat Paul nieuwsgierig was naar Joy Division. Ik dacht dat zijn voorstel alleen maar een gebaar van vriendschap was (wat het natuurlijk ook was). Later begreep ik dat Paul helemaal weg was van Joy Division en Ian Curtis. In 1995 verscheen in de reeks Aurorasporen een vertaling van de teksten van de band uit Manchester, een uitgave waar Paul aan had meegewerkt. In het voorwoord schreef hij: “Muziek en woorden die op de moeilijke keerzijde van ontspanning willen wijzen. Om geijkte gelederen te breken. Om hiërarchieën aan te wijzen. Muziek in de gecontroleerde gebieden van de muziekindustrie. Enkelvoudige stemmen en woorden met verbindingen naar ‘ontheiligd leven’, naar ‘gehoorzame gelederen’, naar wanhoop en fear. Muziek in bezette gebieden. Joy Division is bezeten muziek in bezette gebieden. Dit is onze reden om naar deze muziek te blijven luisteren en te blijven luisteren, om de teksten van Ian Curtis te lezen, te lezen met menselijke ogen die ook nog worden bedreigd, die ook nog met verblindend licht worden verleid. [2] ”

polaroid 1983

Heel wat van de beste vertegenwoordigers van onze generatie liepen tegen een harde muur, kwamen in het gekkenhuis terecht, maakten een eind aan hun leven. (Iets vergelijkbaars had Allen Ginsberg in zijn jonge jaren al moeten vaststellen (“I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving hysterical naked, dragging themselves through the negro streets at dawn looking for an angry fix…”). Bruno S. (fictief) en Ian Curtis (reëel) waren tragische voorbeelden van dat eindspel. Maar ook in mijn omgeving, bij mijn vrienden en kennissen, werd er gezocht naar a means to an end. De permanente tentoonstelling van wanstaltigheden in de supermarkt van het neokapitalisme werd sommigen te veel. Harde drugs of de dood waren dan de ultieme uitweg.

Voor mezelf was de rock ‘n roll van die periode (‘Lost In The Supermarket’ van The Clash en ‘She’s Lost Control’ en ‘Atrocity Exhibition’ van Joy Division, ‘Typical Girls’ van The Slits, ‘Street Hassle’ van Lou Reed, ‘Shout It Out’ van Burning Spear) een levensnoodzakelijk en bitterzoet antidotum tegen de gewichtigheid van Husserl en Descartes [3] , een middel om het voortdurende gevecht, dat tegelijk een ludiek spel is, met de demonen van het bewustzijn aan te kunnen.

dak (2)

Sommige van de mensen die er toen bij waren, kunstenaars, dichters, dokwerkers (denk aan Ludo Mariman van the Kids), intellectuelen, punks, waren trashmen. Ik noemde ze zo uit ontzag en liefde. Het was meer een verwijzing naar de Amerikaanse surfband the Trashmen, die een hit hadden gehad met het volstrekt absurde lied ‘Surfin’ Bird’, later gecoverd door the Ramones en the Cramps, dan naar echte vuilnismannen. Maar uiteraard zat die tweede betekenis er ook in. Hoe meer betekenis hoe liever. Had ik mijn vriend Guy Bleus, op dat ogenblik instant popart-frescoschilder, dat woord ook al niet horen gebruiken? Sommigen van hen, van ons, zijn trashmen gebleven. Misschien hoorde het zo. Hadden we niet uit trouw aan onszelf en aan onze idealen met zijn allen trashmen moeten blijven? Of was die opstandige attitude niet veel meer dan een stadium op de levensweg, onderdeel van een initiatie? Of kunnen we ze als een schakel in een minderheidswording [4] beschouwen?

ian curtis

[1]  Closer, de tweede elpee van de Britse rock band Joy Division kwam uit op 18 juli 1980 op Factory Records.
De groep bestond uit:
Ian Curtis – zang
Bernard Sumner – gitaar, synthesizers
Peter Hook – basgitaar en zessnarige basgitaar
Stephen Morris – drums, elektronische drums, percussie
Producer: Martin Hannett.
De prachtige hoes was ontworpen door Martyn Atkins en Peter Saville.
De titel van de song ‘Atrocity Exhibition’ verwijst naar een boek van J.G. Ballard.
[2] Joy Division, Aurorasporen, Antwerpen, 1995
[3] Enkele van de filosofen die we in die tijd bij Aurora bestudeerden.
[4] Minderheidswording. In zijn ‘Anekdota VIII’ beschrijft Paul Rigaumont Aurora als een “plaats van een minderheidswording. (…) Een verstervingsoefening die een afstandelijkheid ten overstaan van de Staat en zijn apparaten veronderstelde. Een oefening die vooral impliceerde dat wij als gezworenen zouden ‘stotteren’ in de talen die men ons had toegespeeld. In onze spreek- en schrijftaal, in onze denktaal, in al die talen die door instellingen worden gebruikt om individuen te onderwerpen.” ‘Anekdota VIII’ (p. 81).  Toen ik dat las dacht ik meteen aan Roger Daltreys gestotter in ‘My Generation’ van the Who, dat in zekere zin het lijflied van onze generatie was.

Foto’s: Closer, Martin Pulaski, 2018; Stroszek, Werner Herzog; Polaroid, Lamorinièrestraat, vroege jaren 80, fotograaf onbekend; Pulaski op het dak door Agnes A., 1981; Ian Curtis, fotograaf onbekend.

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (6)

barbara_ina.jpg

Dag 3: 4 november 2016 (avond/flashbacks)

“De woorden barbaar en barbarij zijn kwaadaardige en gewaagde woorden en ik durf ze niet zonder uitleg vooraf te gebruiken: en als het waar is dat de Grieken de tongval van uitheemse volken aanduidden als gekwaak en daar dus dezelfde uitdrukking voor gebruikten als voor kikkers, dan zijn barbaren kwakers – zinloos en lelijk gebrabbel. Gebrek aan esthetische opvoeding.”*

thomas-jefferson-.jpg

4 november 1800.Thomas Jefferson, een wijnkenner, wordt tot 3de president van de Verenigde Staten verkozen. De Amerikanen beschouwen Jefferson als de geestelijke vader van de Verenigde Staten. Hij ontwierp de grondslagen van hun natie: alle mensen zijn gelijk geschapen, volkssoevereiniteit, het recht op verzet tegen de overheid wanneer die zich zelf niet aan de wet zou houden, en het natuurlijke recht op individuele vrijheid, leven en het nastreven van geluk (the pursuit of happiness). Deze basiswaarden had hij voor een deel opgedaan uit geschriften van de Britse Verlichtingsfilosoof John Locke, bij wie hij het principe ‘natuurrecht’ vond. Spinoza was daarbij ook een inspiratiebron. Maar wacht even. Voor Jefferson waren de Indianen (‘native Americans’) kennelijk niet ‘gelijk geschapen’. Jefferson was een van de bedenkers van de Indian Removal Act. Zijn eerste stappen om de Indian Removal Act te promoten zette hij tussen 1776 en 1779, toen hij adviseerde om de Cherokee en de Shawnee van hun grondgebied te verdrijven naar het gebied ten westen van de Mississippi. Was de uitroeiing van de Indianen geen genocide? Amerikanen blijven daar nogal stil over (er zijn uitzonderingen). Heel lang geleden, toen ik nog niet kritisch denken kon, heeft Hollywood geprobeerd mij in te prenten dat zij wilden waren, geen echte mensen, eerder barbaren. En is daar sindsdien veel veranderd? Wie lag vorige nacht wakker van Standing Rock? Een handvol neo-hippies, kunstenaars en muzikanten, dat wel. Waaronder Maria McKee, de fantastische zangeres die korte tijd veel succes had maar nu al lang zo goed als onzichtbaar is geworden, with no secrets to conceal.

novemberrevolutie.jpg

4 november 1918. In Duitsland begint de Novemberrevolutie. Eind oktober plande de marineleiding eigenmachtig om de Duitse vloot tegen de Britse Royal Navy ten strijde te laten trekken. Ook al kon Duitsland de oorlog niet meer winnen, moest de vloot ten minste in een heldhaftige laatste slag ondergaan. De betrokken zeelui en mariniers zagen het echter niet zitten dat ze zich voor een verloren oorlog nog moesten opofferen: ze verzetten zich tegen dit plan en kwamen in opstand. Om hen te vertegenwoordigen kozen ze raden, de Arbeiter- und Soldatenräte. Deze beweging begon op 4 november in Kiel, Wilhelmshaven en andere havensteden en zette zich door in vele Noord-Duitse en later ook Zuid-Duitse steden. In Beieren werd zelfs de koning afgezet en de linkse sociaaldemocraat Kurt Eisner riep op 7 november in München een socialistische republiek uit.

tseliot.jpg

4 november 1948. T.S Eliot, een van mijn uitverkoren dichters, won de Nobelprijs literatuur. Dat was nog eens wat anders dan die Bob Dylan van nu. Een echte dichter! En vooral: hij zou tijdens een banket met vertegenwoordigers van de upperclass, bankiers en andere dieven, kortom: de nieuwe rijken, niet uit de toon vallen.
“With a bald spot in the middle of my hair —
(They will say: “How his hair is growing thin!”)
My morning coat, my collar mounting firmly to the chin,
My necktie rich and modest, but asserted by a simple pin —
(They will say: “But how his arms and legs are thin!”)”
Maar laten we aannemen dat deze verzen niet autobiografisch zijn, de titel van het gedicht is immers ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’.

Arrow_Cross_Party.jpg

4 november 1956.  Sovjettroepen trekken Hongarije binnen om de Hongaarse opstand die op 23 oktober begon, de kop in te drukken. Duizenden komen om, meer raken gewond en bijna een kwart miljoen mensen verlaten het land. Ik herinner me Mitzi, de moeder van mijn uitverkoren vriendinnetje, Henrietta P. Mitzi was een Hongaarse, aan haar keukentafel proefde ik voor het eerst paprika en goelasj. Uit haar mond hoorde ik voor het eerst het woord poesta en zo kwam ik ertoe van wilde paarden te gaan dromen. Zo werd Budapest later een van mijn uitverkoren steden. Maar dat is allemaal voorbij. Wie reist er nog af naar een land waar een fascist de scepter zwaait? Overigens is dat niets nieuws. Ooit hadden daar de Pijlkruisers (Nyilaskeresztes Párt – Hungarista Mozgalom) het voor het zeggen, een fascistische bende. Hun tegenstanders, communisten, joden werden aan de Donau langs achteren in het hoofd geschoten en vielen vervolgens voorover in de Donau. Ik kan me voorstellen dat er bij die opstandelingen van 1956 nogal wat van die Pijlkruisers betrokken waren. Maar rechtvaardigt dat de inval van de het Sovjetleger?

2016-11-20-thuis 022.JPG

4 november 1958. Kroning van Paus Johannes XXIII in Rome. Toen was ik een katholieke jongen, die elke dag naar de mis ging. Ik hield van onze Paus. Hij was de beste mens van de wereld. Was hij wel een gewone sterveling? Hij was de plaatsvervanger van god. Alles wat hij zei was waar. Hij kon zich niet vergissen. En zelf vergiste ik me zo vaak. Soms denk ik dat mijn hele leven een aaneenschakeling van vergissingen is. (“Once a Catholic, always a Catholic”, schrijft Bruce Springsteen in zijn autobiografie ‘Born To Run’.)

amos-gitai-.jpg

4 november 1995. Na een vredesdemonstratie te hebben bijgewoond, wordt in Tel Aviv premier Yitzchak Rabin dodelijk gewond door een extreemrechtse Israëlische schutter. Onlangs in Avignon zag ik een tentoonstelling over die aanslag. Van de Israëlische filmregisseur/beeldkunstenaar Amos Gitai. “Can there be a naive modern art? It seemed to me that without the naivete still found among children and old people and, to some extent, in ourselves, the work of art would be flawed. I tried to correct that flaw.” (Amos Gitai)

Gilles_Deleuze.jpg

4 november 1995. Ook in 1995 overleed op 70-jarige leeftijd Gilles Deleuze. Het verlangen is geen tekort, maar een productieve kracht. Deleuze maakt een eind aan zijn leven door uit het raam van zijn appartement te springen. Ik herinner me mijn worsteling in 1974 met ‘L’anti-Oedipe’ (van Gilles Deleuze en Félix Guattari). Ik herinner me zijn extreem lange nagels. Ik herinner me mijn experimentele – volgens mijn toenmalige beste vriend Jos ‘onleesbare’ – teksten ‘Anastasis’ en ‘Stasis’ – en nu moet ik huilen omdat een andere goede vriend, Paul Rigaumont, die mij aanmoedigde in mijn experimenten, mij vlak voor zijn dood, vorig jaar, schreef dat hij van mij geleerd had grenzen te overschrijden in schilderkunst en literatuur en zijn eigen weg te gaan.

paul rigaumont.jpg

Afbeeldingen: de zangeres Barbara; Thomas Jefferson; Duitse novemberrevolutie; TS Eliot; Hongaarse Pijlkruisers Partij; Bruce Springsteen, Born To Run; Amos Gitai; Gilles Deleuze; Paul Rigaumont leest voor uit zijn Anekdota.

*Nietzsche, Nagelaten fragmenten 1, 19 [313]

IN DE RAND VAN HET VERLANGEN*

paul rigaumont,schrijver,filosoof,schilder,vriend,aurora,anekdota,popcultuur,tegencultuur,protest,minderheid,minderheidswording,verlangen,beat generation,gilles deleuze,my generation,leven,dood

Voor Paul Rigaumont

BEAT GENERATION

“I’ve got every reason on earth to be mad”, zong John Lennon als jonge Beatle. Aan die woorden moest ik denken toen ik hoorde dat Allen Ginsberg was overleden.
Nu zal ik het hier niet over de dood van Allen Ginsberg hebben en evenmin zal ik anekdotes over zijn wonderlijk leven vertellen. Maar ik wil wel even wijzen op het belang van figuren als Ginsberg in wat ik met een woord van Paul Rigaumont onze ‘minderheidswording’ noem.
Toen ik als jonge filosofiestudent in de eerste helft van de jaren ’70 Paul Rigaumont leerde kennen, waren Allen Ginsbergs teksten voor mij belangrijke levenslessen. Van Ginsberg leerde ik niet schrijven, maar wel het leven binnenbrengen in het schrijven; zowel het ‘platvloerse’ als het verhevene moest een plaats krijgen in mijn werk. (Zowel John Keats als Elvis Presley, zowel Lee Marvin en Angie Dickinson als Theseus en Ariadne).

Thelonious-Monk.jpg

Allen Ginsberg las wijze boeddhistische teksten, luisterde naar Thelonious Monk en the Beatles. Van die ervaringen – maar uiteraard van nog veel meer –  zijn sporen terug te vinden in zijn uitbundige gedichten en dagboeknotities. Zoals veel schrijvers van de beat generation ging hij uitvoerig in op zijn seksleven. Zijn taal was een taal van het verlangen en van het lichaam, geschreven vanuit een diepe ervaring met alle zintuigen open (en vaak nog gestimuleerd door geestverruimende middelen).
Het verlangen en het lichaam zijn twee thema’s die Paul Rigaumont zeker niet onberoerd hebben gelaten. De zes Anekdota die intussen zijn verschenen (hoewel we al aan nummer 8 hebben bereikt) kunnen daarvan getuigen.

Paul Rigaumont schrijft in ‘Anekdota VIII’: “Daar waar het verlangen zich manifesteert is er geen uitstel en geen berekening en geen beslag. (Een verlangen is onherleidbaar tot het gehoorzame reproduceren van regels en normen.)” (p.137)

De taal van het verlangen breekt met de algemeen geaccepteerde regels. Luis Bunuels films, en in het bijzonder ‘Un chien Andalou’ zijn er welsprekende voorbeelden van. Verlangende lichamen ontwrichten de spelregels van het menselijk verkeer. Bliksem en donder zijn, bij wijze van spreken, hun beste vrienden. Allen Ginsberg schrijft in zijn Indian Journals: “Throw doubt on whole of previously accepted human humanistic reality”.

burroughs-kerouac.jpg

Het is geen toeval dat Paul Rigaumont zich in zijn filosofische dagboeknotities ent op filosofen als Deleuze, Foucault en Nietzsche. Wat zij gemeen hebben is de aandacht voor het verlangen, het wilde leven, het lichaam. Voorts hebben zij heel wat op te merken bij allerlei instellingen en tradities die precies het verlangen, met name de seksualiteit en de waanzin, in toom moeten houden.

TRASHMEN

Paul en ik leerden elkaar beter kennen toen we gingen samenwerken aan het Aurora-project. Dat zal in 1977 zijn geweest, het jaar van de Sex Pistols. De begindagen van punk en new wave waren vergelijkbaar met de naoorlogse beatnik-periode en met bepaalde elementen uit de jaren ’60 (in hoofdzaak de beweging van de mods in Engeland gecombineerd met thema’s van de situationistische beweging in Frankrijk en elders). Opnieuw hing de elektriciteit van de revolutie in de lucht. Zowel in de kleine Aurora-ruimte als in de grote Montevideo-hangar gingen jonge en minder jonge mensen met wapens van de verbeelding de verveling van de heersende stijlen en de economische crisis te lijf.

In die dagen klonken de Trashmen (die van ‘Surfin’ Bird’) weer nieuw en terzake. Mijn vrienden en ik waren zelf Trashmen: we hadden geen job, geen vooruitzichten op een glansrijke carrière of een andere clownerie. We maakten ons weinig illusies. We spraken onszelf tegen, leefden van dag tot dag en zaten desondanks met de toekomst in ons hoofd. We droegen tweedehands kleren, dansten op muziek van the Clash, Television en Patti Smith. We (her)ontdekten de bijzondere charmes van plastic en neon-licht, we dronken goedkope wijn en tequila, waren niet vies van amfetamine en marihuana. Opnieuw gaven Kerouac, Ginsberg maar ook Sartre ons het goede voorbeeld. Wat vroeger het leven in de goot werd genoemd en tegenwoordig kansarmoede, was voor ons een flitsende levensstijl.

patti-smith-by-judy-linn-7.jpg

Sommige van de mensen die er toen waren zijn Trashmen gebleven. Misschien hoorde het ook zo. Om trouw te blijven aan onszelf hadden we wellicht allemaal Trashmen moeten blijven. Maar misschien was het alleen maar een stadium op de levensweg, onderdeel van een initiatie – of toch ook weer element van een minderheidswording.Voor mezelf was rock ’n roll (‘Lost In The Supermarket’ van The Clash en ‘She’s Lost Control’ van Joy Division) een levensnoodzakelijk en zoet antidotum tegen de gewichtigheid van Husserl en Descartes, een middel om het voortdurende gevecht, dat tegelijk een ludiek spel is, met de demonen van het bewustzijn aan te kunnen.
Heel wat van de beste mensen van onze generatie liepen tegen de muur, kwamen in het gekkenhuis terecht, maakten een eind aan hun leven. (Jos D., Willy B., Renée S. om de onbekendsten te noemen.)  Iets gelijkaardigs had Allen Ginsberg in zijn jonge jaren al moeten vaststellen (“I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving hysterical naked, dragging themselves through the negro streets at dawn looking for an angry fix…”)

gilles-Deleuze.jpeg

Wij treurden maar waren sterker dan de dood. Ons verlangen naar een ander leven was niet uitgeschakeld. Alle decibels van de Cinderella en alle arbeidsbemiddelaars van de RVA waren niet bij machte dat verlangen uit te schakelen. Wij bleven dromen van proza en poëzie en van een ruimte waarin we konden schreeuwen en schilderen, experimenteren en ontdekken. We werkten aan het eigenzinnige tijdschrift Aurora, waaraan ik nu met trots terugdenk, we organiseerden poëziemiddagen en -avonden in het Filmhuis in de Lange Brilstraat, Paul begon zijn hardnekkige onderzoek naar vormen en kleuren. We volgden sporen van Friedrich Nietzsche, Friedrich Hölderlin, Virginia Woolf, Edmund Husserl, Gilles Deleuze, Michel Foucault, Francis Bacon, Bram Van Velde, Maurice Wyckaert en, dichter bij huis, van Leopold Flam en Annie Reniers.
Paul had in die jaren onafgebroken onzichtbare handschoenen aan. Ik weet het, ik heb ze gezien. Ik heb ook de stekelige wereld gezien, die hem niet bijster veel keuze liet.

P-P-PEOPLE TRY TO PUT US DOWN, TALKING BOUT MY GENERATION

Maar hoe is het allemaal begonnen? Waarschijnlijk met gestotter. Gestamel dat voortvloeide uit frustratie. In de rij staan op tochtige plaatsen die men speelpleinen noemde, smakeloze soep eten en gelaten de blaffende stemmen van meesters en opvoeders in de gehoorgangen toelaten. Ons dagelijks leven tijdens de koude oorlog van de jaren ’50 en ’60 was niet bepaald een pretje.

Tot plotsklaps het pistoolschot klonk waarmee ‘Like A Rolling Stone’ opende. Dylans bevestiging van de naamloze, de hoer, de zwerver, de onbekende. Personages die allemaal in onszelf sluimerden. Die elkaar tegenspraken en zich systematisch vergisten.
Op Radio London hoorden we het gestotter van ‘My Generation’. Stotteren mocht, vond Pete Townshend. Je kon anders zijn, ook al werd je in dat anders-zijn niet zomaar aanvaard.

my generation.jpg

En meteen wisten we: dit is het nieuwe leven. Dit is het nieuwe leven dat wij gaan maken. Paul De Wispelaere had het over “een eiland worden”. Maar mijn vrienden en ik zouden geen eilanden worden, maar wel minderheden, we gingen ondergronds, werden “subterraneans” om een woord van Jack Kerouac te gebruiken.
Paul Rigaumont heeft het daarover in ‘Anekdota VIII’ als hij Aurora beschrijft als een “plaats van een minderheidswording. (…) Een verstervingsoefening die een afstandelijkheid ten overstaan van de Staat en zijn apparaten veronderstelde. Een oefening die vooral impliceerde dat wij als gezworenen zouden ‘stotteren’ in de talen die men ons had toegespeeld. In onze spreek- en schrijftaal, in onze denktaal, in al die talen die door instellingen worden gebruikt om individuen te onderwerpen.” ‘Anekdota VIII’ (p.81).
Natuurlijk waren we jong in 1965 en we wisten niet dat we in een traditie stapten: die van beatniks, van dada en sommige surrealisten, van prerafaëlieten als William Morris, van allerlei opstandige/utopische bewegingen in de middeleeuwen. Dat zouden we later vernemen, toen we al volop bezig waren ons te harden, toen we filosofie studeerden, toen we in gesprekken en teksten schrijvend vaststelden dat ons verlangen naar de wereld onverzadigbaar was.

In weerwil van de traditie – met haar akelige leuze ‘alles is voltooid’ – volhardden we met Ernst Bloch in het ‘principe van de hoop’ en wilden we iets van onszelf aan de wereld schenken. Omdat we kristallen waren geworden die moesten schitteren. John Lennon – alweer John Lennon – had het daarover in ‘Instant Karma’, een ingenieuze tegenspraak vol wanhopige vreugde (want hoe kan karma ‘instant’ zijn zoals koffie ?). We waren kristallen geworden die nooit af geraken. Het soort kristallen waarvoor André Breton een lofzang schrijft in ‘L’amour fou’:

(Ik parafraseer) Een kunstwerk heeft geen waarde als het niet die hardheid, regelmaat en schittering van een kristal bezit. Een hardheid die onverenigbaar is met het bewuste streven naar perfectie en naar formele schoonheid. Het kristal van het verlangen krijgt spontaan vorm.

Volharding is niet hetzelfde als verstarring. Het is jong blijven, met de zintuigen in de war, de chaos aanvaarden. Jong blijven zoals Simon Vinkenoog jong is gebleven. Niet op de valse manier van mode en reclame, maar op de manier van Gombrowicz, Picasso en Beckett. Zoals mijn vriend Paul Rigaumont, de dagboekschrijver van het verlangen, het verlangende lichaam, de verlangende tekst, ook al hebben zijn zinnen soms handschoenen aan.

In zijn woorden hoor ik de echo van een wereldverlangen. In zijn woorden hoor ik tederheid en woede, systematische vergissingen, zinvolle begoochelingen. Ik zijn woorden zie ik sporen van nachten vol donkere zon, gesprekken met duivels en demonen en met engelen die weliswaar met uitsterven zijn bedreigd. In zijn woorden vind ik vertrouwen in de minderheden die wij worden. Zijn woorden maken mij nieuwsgierig naar toekomstige ontluisteringen en taalgeschitter. Zij zetten mij aan om zelf weer woorden te gaan vinden om mij vanuit de stilte stotterend tot een publiek te richten, in liefde en tegenspraak.

‘Anekdota VIII’ is een universum dat direct uit het hart van Paul Rigaumont komt. Wat kun je meer van een schrijver verlangen?

flam vub.jpg

* Dit is de tekst van een redevoering gehouden in Antwerpen op vrijdag 16 mei 1997, naar aanleiding van Paul Rigaumonts ‘Anekdota VIII’.
Afbeeldingen: Paul Rigaumont; Thelonious Monk; William Burroughs & Jack Kerouac; Patti Smith; Gilles Deleuze; My Generation single; Leopold Flam circa 1972-73.

AURORA – EEN VERGETEN RUIMTE?

aurora.jpg
Onze kinderen in Ruimte Aurora, Antwerpen 1980.
Foto: Martin Pulaski.

Ik vind het nog altijd vreemd en onterecht dat je via google of andere zoekmachines zo weinig aan de weet komt over het in veel opzichten baanbrekende tijdschrift Aurora, van de gelijknamige filosofische kring. Aan een min of meer objectief artikel daarover waag ik mij niet: het is allemaal te lang geleden en ik ben maar een viertal jaar lid geweest van de redactie. Aurora zag het daglicht in 1976 aan de VUB, toen die universiteit nog geen eigen campus had, wat ik heerlijk vond. De stichter van het tijdschrift was de enigszins controversiële filosoof Leopold Flam, schrijver van talloze filosofische werken, die nog altijd zeer het lezen waard zijn. Stuwende kracht was de eigenzinnige schilder en schrijver Paul Rigaumont. Mijn vrienden en ik zijn Leopold Flam altijd als een mentor blijven beschouwen.

Het secretariaat van ‘Aurora’ bevond zich niet in Brussel maar in Antwerpen. Spoedig werden in het pand aan de Lange Leemstraat allerlei boeiende activiteiten georganiseerd. Voor mij was dat een aansporing om na het behalen van mijn filosofiediploma en enkele mislukte experimenten met door Antonin Artaud geïnspireerd theater – in ons appartement in Sint-Joost-Ten-Node en in ‘Doorndal’ – naar mijn geboortestad terug te keren. In Ruimte Aurora werd werk tentoongesteld van toen nog onbekende kunstenaars (onder meer Ria Pacquée*, Guillaume Bijl, Guy Rombouts), er werden lezingen gehouden over poëzie, literatuur en uiteraard filosofie; er werden poëzienamiddagen georganiseerd, soms werd er zelfs gedanst.
Wat evenmin zou mogen vergeten worden zijn de talloze gesprekken, vaak een dialoog van kunst en filosofie. Naast het driemaandelijks tijdschrift publiceerde Aurora werk van Leopold Flam, Annie Reniers, Eldert Willems, Eric Min en anderen.

In het tijdschrift verschenen essays, beschouwingen, gedichten, experimentele teksten van bekende en minder bekende auteurs. Ik heb een sterk vermoeden dat er tussen decenniaoud kaf nog heel veel koren aan te treffen valt. Het is de hoogste tijd dat dit werk wordt ontsloten. Het is tevens de hoogste tijd dat Aurora als unieke experimentele ruimte de aandacht krijgt die ze verdient in de cultuurgeschiedenis van dat deel van België dat zich Vlaanderen noemt en zo begaan is met zijn cultureel erfgoed.

*”Na zelf enkele performances te hebben geïnitieerd, solo of in groep, stelt ze in 1977 samen met Guillaume Bijl tentoon in de Filosofische Kring Aurora in Antwerpen. Pacquée presenteert er assemblages met goedkope spulletjes die ze in een supermarkt had gestolen.” Koen Brams, Dirk Püttau, in: De Witte Raaf.

~~~
Oorspronkelijk gepubliceerd op 24-11-2012.