IN DE TUIN VAN PABLO PICASSO EN PAUL CEZANNE (VAUVENARGUES)

Paul Cézanne, Montagne Sainte-Victoire

Vauvenargues, maandag, 23 juli 1979

Het is nu vier uur. Het duurt nog even voor de bus naar Aix-en-Provence hier aankomt. Hoewel we op het terras van een restaurant zitten hebben we alleen nog maar een stuk appeltaart gegeten en twee koppen koffie gedronken. Het was ofwel dat ofwel helemaal niets. Overigens is dit het enige eethuisje in Vauvenargues, of ik moet de bar-pizzeria Chez Jo meerekenen, maar daar worden uitsluitend tijdens het weekend pizza’s opgediend.

Le Moulin de Provence is benevens een restaurant ook een hotel. Je kan moeilijk zeggen dat je hier vriendelijk wordt bejegend. De klandizie lijkt merendeels uit België te komen. Op het terras hoor ik voornamelijk Frans, maar met een Vlaams accent. Het is hier zo stil dat je elk woord kan horen. De aanwezigen doen uitstekend hun best om als bourgeois over te komen. In hun maniertjes, hun kleding, hun banaliteit. Hun gespreksonderwerpen lijken zo uit Flauberts ‘Woordenboek van Conventionele Ideeën’ [1] te komen. Voor deze medemensen zijn Senga en ik kennelijk een lagere diersoort. Ze schijnen te denken dat we hen niet zien als ze blikken boordevol misprijzen op ons werpen. Maar ik hoef maar even op te kijken van dit cahier om ze te zien. Af en toe komen uit het hotel nog wel logés van een ander type naar buiten. Ze dragen eenvoudige vrijetijdskledij en gymschoenen, de mannen hun haren zijn halflang, de vrouwen hebben veelkleurige broekrokken aan (het kunnen ook rokbroeken zijn). Die zullen dan wel in de goedkopere kamers logeren.

We zijn naar Vauvenargues gekomen voor de illustere naam van het dorpje maar ook om te wandelen. Eerst naar het dal, in de richting van de Montagne Sainte-Victoire. Heel nabij zo lijkt het, maar bergen bedriegen altijd. Het was moeilijk om ons een weg benedenwaarts door dicht struikgewas te banen. Senga was beducht voor muggen, dazen en ander ongedierte. Zaten hier geen slangen? Een noemenswaardig wandelpad vonden we niet. Wel rook het alom heerlijk naar lavendel. Het stuk grond behoort toe aan de erfgenamen van Pablo Picasso en hoort bij het schitterende Château de Vauvenargues. Ooit waren deze grond en het kasteel eigendom van Luc de Clapiers, hertog van Vauvenargues, vooral bekend van zijn Réflexions et Maximes, verschenen in 1746. Veel beroemder dan de hertog is Pablo Picasso, die het kasteel in 1958 kocht. Lang heeft hij er niet gewoond, van 1959 tot 1962, al keerde hij er wel vaak terug. Picasso, gestorven op 8 april 1973, ligt hier begraven. Jammer dat we zijn graf [2] niet konden bezoeken. In plaats van daarover te treuren zong ik een oud refreintje van Paul McCartney:

Drink to me, drink to my health
You know I can’t drink any more
Drink to me, drink to my health
You know I can’t drink any more
Drink to me, drink to my health. [3]

Pablo Picasso en Jacqueline Roque

Nadat Picasso het kasteel en de grond had aangekocht grapte hij tegen zijn vrienden dat Cézanne de Montagne Sainte-Victoire had geschilderd maar dat hij, Pablo Picasso, hem had aangekocht. Pablo Picasso never got called an asshole, aldus Jonathan Richman. Een beetje asshole was Picasso echter wel. De Montagne Sainte-Victoire is van Paul Cézanne. Hij heeft hem mogelijk zelfs voor het eerst werkelijk gezien. Hij heeft hem uit elkaar gehaald en weer in elkaar gestoken. Hij heeft via zijn werk aan de berg betekenissen gegeven die hij tevoren niet had. Zelfs Picasso kon die niet negeren. Zodra de Montagne Sainte-Victoire van Cézanne bestond kon niemand hem meer ongedaan maken. Andermaal denk ik aan een song, een van de troubadour Donovan Leitch, en wel First There Is a Mountain, waarin hij deze wijze woorden zingt:

First there is a mountain, then there is no mountain, then there is
First there is a mountain, then there is no mountain, then there is
First there is a mountain, then there is no mountain, then there is
First there is a mountain, then there is no mountain, then there is
First there is a mountain.

Omdat we niet verder konden keerden we terug naar het dorp, helemaal die helling weer op. Le Moulin de Provence was op dat ogenblik nog een onbeschreven blad. Na wat zoeken hebben we dan toch een pad gevonden dat naar de bergen voerde. Zo hebben we de top van de berg bereikt die tegenover de Montagne Sainte-Victoire ligt maar minder hoog is.

Eindelijk nog eens een keer ondergedompeld in de natuur. Doordringende geur van Provençaalse kruiden. Tijdens de klim wordt aan alles geroken en worden takjes en blaadjes geplukt om in onze rugzakken naar Antwerpen mee te nemen: wilde tijm, salie, laurier, rozemarijn. Overweldigend is het gezang van de krekels. Wat moeten zij elkaar veel te vertellen hebben. Jammer dat wij hun vrolijke taal niet begrijpen. Hoornaren, een soort van horzels, zie je hier ook wel. Leeggezogen door enorme mieren en uitgedroogd hangen ze aan takjes. Alleen nog maar doorzichtige omhulsels zijn die hoornaren, helemaal intact.

Zodra je de top hebt bereikt voel je je beetgenomen. Een vlakte met veel zon en weinig schaduw. Moesten we daarvoor al die inspanningen doen? Je weet niet goed waar naartoe, dus keer je maar op je passen terug. Op de terugweg worden geen geuren meer opgesnoven en wordt niets meer geplukt. Je loopt door. Je hebt een duidelijk doel voor ogen.

Weer op het dorpsplein. Op de fontein staat in groene, moeilijk leesbare letters gespeld: EAU NON POTABLE. We lopen naar Le Moulin de Provence en gaan op het terras zitten. Het duurt lange tijd eer een meisje ons vragen komt wat we wensen.

Nu ik dit hier zit te noteren ervaar ik de verveling van het dorpsleven. Vauvenargues bestaat uit niet meer dan enkele huizen; er zijn weinig mensen op straat. Stilte. De geluiden van de natuur maken deel uit van die stilte. Het is een zware stilte. Het is een stilte waar je moedeloos en lusteloos van wordt. Af en toe het vermoeid geblaf van een oude hond. Dan weer stilte. Hier is niets te doen. Il n’y a rien à faire. Je denkt dan maar terug aan de wandeling, de honderden fladderende vlinders in alle kleuren van de regenboog, aan de sprinkhanen en de krekels. Aan Cézannes berg, die je nu niet kunt zien. Daar is de bus. We hebben de rekening toch al betaald?

[Nachten aan de Kant 53]

Pablo Picasso, Jacqueline assise dans un fauteuil

[1] Gustave Flaubert, Bouvard en Pécuchet, Woordenboek van conventionele ideeën. Vertaald door Edu Borger.
[2] Ook het graf van Jacqueline Roque, de tweede echtgenote van Picasso, bevindt zich in Vauvenargues. Op 15 oktober 1986 maakte zij een einde aan haar leven.
[3] Picasso’s Last Words (Drink to Me), op de elpee Band on the Run (1973) van Wings.

IN AIX-EN-PROVENCE

Atélier de Cezannne. Foto: MP

Aix-en-Provence, zondag 22 juli 1979

Gisterenmiddag, na een schietgebed voor de heilige Sara en de drie Maria’s, dan toch uit Saintes-Maries-de-la-Mer kunnen vertrekken. Met de bus tot Arles, daarna de trein naar Marseille. De treinreis was een genot en daardoor zelfs wat te kort. Meestal verdiep ik mij tijdens zo’n reis in een boek, nu keek ik door het raam, gefascineerd door het snel veranderende landschap. De vlakte maakt plaats voor heuvels, bossen, rotspartijen.
Kunnen bomen ontroeren? De hoge, kaarsrechte cipressen alom deden dat bij mij zeker wel. Ik noteerde vlug enkele woorden, het begin van een gedicht, maar hield er meteen mee op want ik wilde niets missen van wat daar zo zonverlicht zichtbaar was. Overigens zou ik Goethes woorden over de cipressen in de Giardino Giusti in Verona nooit kunnen overtreffen. [1]

In Marseille een oponthoud van ongeveer een uur. Dan een lokale trein naar onze bestemming, Aix-en-Provence, waar we omstreeks zes uur zijn gearriveerd. Op camping Chanteclerc, dichtbij Cours Gambetta, een eind buiten de stad, kregen we gelukkig nog een plaatsje. Vanuit onze tent kijken we uit op een klein zwembad en op de Montagne Sainte-Victoire, de berg van Paul Cézanne, in het Oosten. Toen we in Chanteclerc aankwamen was het al volop feest. Belgen, Nederlanders en enkele Fransen vierden broederlijk en zusterlijk de Belgische nationale feestdag. Na de ervaring met de cipressen was dit een bevreemdend schouwspel. In België heb ik me al altijd een outsider gevoeld, nu werd ik dat, heel even toch, in het kwadraat. Sommigen hadden zich verkleed, er werd uitbundig gedanst en gezongen. Kort voor middernacht was het gedaan met de geforceerde nationale trots. Enkele Nederlandse punks die zin hadden om nog te gaan dansen in een discotheek in de stad, vroegen ons om met ze mee te gaan. Senga had er wel oren naar, maar we beseften allebei dat we te moe waren. Bovendien voelden we nog altijd de nasleep van die lange, uitputtende wandeling in de hemelse hel van de Camargue.

Na het ontbijt vanmorgen hebben we het idyllisch gelegen Atelier Cézanne bezocht. Werken van de meester zijn er niet te zien, maar de plek is zeker een uitstap waard. Te bezichtigen zijn er een aantal voorwerpen die de schilder gebruikte voor zijn stillevens: flessen, melkkannen, glazen, fruitschalen, doodskoppen, tapijten, boeken. Ook kleren, wandelstokken, schildermateriaal, een schildersezel. Er is een weelderige tuin achter en naast het huis, waar je vrij in mag rondwandelen. Hier kuierde ooit Paul Cézanne, de voorloper van de modernen, de schilder die kunstenaars en schrijvers – waaronder Rainer Maria Rilke en Peter Handke – leerde zien.

Na de lunch bezochten we Ecole des Beaux Arts, voor de tentoonstelling Présence Contemporaine. Een boeiende keuze van werk van hedendaagse, vooral Franse kunstenaars. Bij sommige werken heb ik notities gemaakt. Na zoveel jaar en zonder reproducties van de werken erbij weet ik niet of ze nog veel leeswaarde hebben. Je kan ze lezen in een lang uitgevallen voetnoot hieronder. [2] De werken van Bram van Velde, Hans Hartung en Jean-Paul Riopelle waren zo opmerkelijk dat ik er geen woorden bij kon bedenken.

Nog onder de indruk van zoveel dwarse schoonheid liepen we in stilte over Cours Mirabeau, een straat die meer op een plein lijkt. Aan weerszijden platanen die er mogelijk al stonden ten tijde van de Franse revolutie. Nu was het tijd voor een glas Provençaalse wijn.

[Nachten aan de Kant 52]

Paul Cézanne, Montagne Sainte-Victoire

[1] Goethe, Reis naar Italië, vertaald door Roel Houwink p. 58.

„Diese Zweige bracht’ ich aus dem Garten Giusti, der eine treffliche Lage und ungeheure Zypressen hat, die alle pfriemenartig in die Luft stehen. Wahrscheinlich sind die spitz zugeschnittenen Taxus der nordischen Gartenkunst Nachahmungen dieses herrlichen Naturprodukts. Ein Baum, dessen Zweige von unten bis oben, die ältesten wie die Jüngsten, gen Himmel streben, der seine dreihundert Jahre dauert, ist wohl der Verehrung wert. Der Zeit nach, da der Garten angelegt worden, haben diese schon ein so hohes Alter erreicht.”
Goethe, Italienische Reise, Projekt Gutenberg.

[2] Notities gemaakt in Ecole des Beaux Arts

HENRI LE CHENIER
zwartwit, breuk, twee vlakken
zwart gebroken door witte bliksem
zwart land van scheiding door witte rivier
topografische kaart, luchtgezicht –
toeschouwer boven wolken en nevel

PAUL REBEYROLLE
nieuw gevecht van kleuren: groen, marineblauw,bruin,
zwartwit, nauwelijks begonnen geel
grenzen opgelost
de hemel mislukt

PIERRE TAL-COAT
zwart (landschap) passief verzet
zwart (landschap), niet veel meer dan niets
en toch beweging, enkele witte nevels,
witte schaduw die van links komt aanzweven,
of die terugwijkt.

GERARD TITUS-CARMEL
déambulatoire, carré n° 3
potloodtekening, fantasie –
de vier hoeken van het getekende kader
met getekende doeken omwikkeld
wat heel gewoon is, dat is geheimzinnig
het kader in het centrum
geen verwijzing geen betekenis.

PABLO PALAZUELO
labyrint
ook weer zwart met witte lijnen (korte rechte lijnen)
je herkent een bepaalde structuur: intuïtie?

GUILLAUME CORNEILLE
vrouw in het centrum
totem, tekens en kleuren van de azteken
pre-columbiaans
kleuren vooral rood, geel en groen (ik denk aan Van Gogh)
fantastische faunen
warme waanzin

ANTONIO TAPIES
kruisen in het witte vlak gekerfd

PIERRE ALECHINSKY
verrassende speelsheid, zogenaamd primitivisme
opvallend de zoete warmte van vruchten,
van nieuw leven, geboorte
het warme zoete rood.