EAST-WEST: THE BUTTERFIELD BLUES BAND

martin scorsese,bob dylan,mike bloomfield,platenhoezen,studeren,centrum,autobiografie,pop,rock,popcultuur,blues,genk,jeugd,chicago,paul butterfield blues band,roland,elektra,drugs,drank,schoonheid,rolling stones,droom,psychologie,sam peckinpah,toots thielemans,electric flag,newport,1965,1966,1968,televisie

Nee, je hebt gelijk. Ik stop ermee. Ik moet tot rust komen. Ik stop met mijn studie aan de universiteit. Het is afgelopen. Waarom zou ik nog langer psychologie studeren? Is één diploma dan niet genoeg? Ik kan de spanning van de examens niet langer verdragen. En door die lange, tochtige gangen lopen. Overal vervalsing van het ware leven, namaak. Het ware leven is elders, dat weet iedereen, daarvoor moet je geen psychologie gestudeerd hebben. Weet iemand nog wat een trimester is, een semester, en is vacature geen tijdschrift? Zitten we op de trein naar Babylon, of een andere stad, die tot de grond werd afgebrand? Zitten we met andere woorden niet met een probleem?

Ik heb trouwens al een diploma. Bovendien vergeet ik toch altijd alles. Het enige wat ik mij van al die lessen nog herinner is de uitspraak ‘bad girls go to hell’. Daar is een ander verhaal aan verbonden, dat ik nu liever niet vertel. Er zijn de buren, die zouden het maar eens moeten horen, als ik hier met luide stem de slechte meisjes zit te verheerlijken. Een filosoof die psychologie studeert is belachelijk, of op zijn minst niet ernstig. Nee, mijn beste vriend, ik stop ermee.

Het vorige kwam uit een droom die ik had.

Nu alweer eergisteren – wie weet waar de tijd heengaat? – zag ik in werkelijkheid de deejay-van-toen Zaki en zijn zonen Dewaele op televisie, evenals de door velen zeer gewaardeerde Roland. Ongetwijfeld is hij de nieuwe oude Belg, die zal moeten opdraven als Toots Thielemans het laat afweten. Ach. Er is zelfs geen Sam Peckinpah meer onder ons, voor wiens films hij soundtracks zou kunnen maken (zoals Thielemans voor ‘The Getaway’).

Er was een tijd dat ik Roland & the Blues Workshop zag optreden op een klein festival in Limburg. Dat greep me zo naar de keel, dat ik nu (eergisteren, bedoel ik) dacht, waarom worden wij allemaal oude zakken en waarom vertellen wij als we oude zakken zijn zoveel onzin? Maar wacht even! The Butterfield Blues Band, zei Roland in dat programma dat eigenlijk over de wereldtentoonstelling had horen te gaan, alsof er niet voldoende materiaal is te vinden om daar alleen al een fijne reeks televisieprogramma’s mee samen te stellen. Maar dat terzijde. Want deze aflevering over (vooral) de sixties was echt wel de moeite waard om voor op te blijven, niet vanwege wat Zaki en zijn zonen vertelden, want dat stelde niet veel voor, maar wel vanwege de blik in de ogen van Roland,  toen hij de naam, the Butterfield Blues Band uitsprak. In die blik zag ik de jonge Roland, met alles wat hij toen in zijn lijf en zijn hoofd had, maar al gauw kwam ikzelf weer in het centrum van mijn eigen belangstelling te staan. Zo is dat. Als je niemands centrum bent, moet je maar je eigen centrum worden. Je eigen centrum van de wereld. Je hebt dat nodig om te overleven in een schijnbaar onverschillige wereld. Je moet een centrum zijn, het middelpunt van een cirkel of een kring om de vijandige krachten die je willen verslinden het hoofd te bieden. Het hoofd te bieden? Niet echt. De strategieën, spinachtig, die je hoofd bedenkt. Het lokaas, de leugens, het zaaien van twijfel, het doen ontstaan van onzekerheid, vooral het zwijgen. De jonge Roland zag ik, en ik zag hem ook weer in die oudere man met baard, hij leefde nog in hem als een hem wat vreemd geworden ziel. Was hij de golem en zat de echte Roland in hem, of was het net omgekeerd? De blues had hij ontdekt dankzij the Butterfield Blues Band, zei hij. Zo belandde ik  opeens in Genk, bij mijn vriend Harry, in de zomer van 1968. Ik was op mijn gele Garelli naar Genk komen rijden. In dat gat was werkelijk niets te doen, toen. Wat er nu gebeurt zou ik niet kunnen zeggen. Harry liet mij een plaat horen van Blue Cheer. Natuurlijk kende ik ze. Het was ‘Vincebus Eruptum’, onze favoriet elpee in die dagen, hoewel ik ook dol was op ‘Bee Gees 1st’ en ‘White Light White Heat’ van the Velvet Underground. We dronken een glas limonade. Mijn gele Garelli stond af te koelen in de schaduw van Harry’s ouderlijk huis. Na het drinken van de limonade besloten we een tochtje te maken door het centrum van Genk. Honderden keren ben ik in die stad geweest, maar een echt centrum is er niet, was er niet en zal er waarschijnlijk nooit zijn. In dat opzicht is het net een stadje in de Verenigde Staten. Maar die dag was er wel een centrum, magisch bijna: omdat we ernaartoe werden gezogen. Een winkel waar elpees werden verkocht. Harry zei dat ik niet moest binnengaan, tenzij ik de Heikrekels of de Zangeres Zonder Naam op prijs stelde. Dat was niet het geval. Maar het vinyl liet zijn oerkreet horen: kom, luister, koop. Eens binnen viel mijn oog meteen op de (nu nog altijd) prachtige hoes van ‘East-West’ van the Butterfield Blues Band. Ik had nog nooit iets gelezen over die band. Maar ik twijfelde er niet aan dat dit verzengende muziek zou zijn. Bovendien kostte ze maar 99 frank. Het was wel een Franse persing, op Vogue in plaats van het originele en legendarische Elektra. Het was zo’n hoes met punten op die je kon uitknippen en als je die opstuurde naar Frankrijk kreeg je een of ander gadget. Mijn hoezen kapot knippen zeker! Ik heb de grijsgedraaide elpee later, toen ik in Antwerpen woonde, verkocht bij Brabo, voor 20 frank meen ik mij te herinneren. Daar konden we brood, jam, aardappelen en uien mee kopen. Nu ben ik in het bezit van een exemplaar op Edsel, degelijk van klank, maar het is natuurlijk niet the real thing.

the getaway 3

Ik weet niet wat Harry en ik na de aankoop van de elpee nog deden. Ik wilde zo snel mogelijk ‘East-West’ horen. De beluistering van die blues, vooral van de titeltrack, was mijn eerste en mischien wel enige trip. Nee, ik overdrijf. ‘Music From Big Pink’ was er bijvoorbeeld ook een, en ‘Electric Ladyland’, en ‘John Wesley Harding’ en ‘The Notorious Byrd Brothers’. Et cetera. Van trips gesproken:‘East-West’, in de VS verschenen in 1966, had een grote invloed op de acid rock uit San Francisco.

Ik was altijd een grote fan van the Rolling Stones geweest, vooral van hun bluesy nummers, zoals ‘Walking the Dog’ en ‘Litte Red Rooster’. Echte blues kende ik  niet, die werd niet op de radio gedraaid en niet in de platenwinkels verkocht waar ik kwam. En nu hoorde ik de echte blues, uit Chicago. Gelukkig voor the Rolling Stones maakten zij op dat ogenblik popmuziek (‘Between the Buttons’, een heel mooie popelpee), zodat ik niet moest vergelijken. Later zijn ze trouwens echte blues gaan spelen, op ‘Let It Bleed’, ‘Sticky Fingers’ en ‘Exile  On Main Street’. Nooit echter zouden zij de dromerige intensiteit van ‘East-West’ evenaren. Het was 1968, revolutie in de steden van de wereld, communes, underground, psychedelica, vrije liefde en seks, dope, noem maar op. Maar ik hield me ver van het tumult en luisterde naar deze geweldige songs op ‘East-West’. Het driftige mondharmonicaspel en de bezielde zang van Paul Butterfield, de stevige drumsound van Billy Davenport, het koppige ritme van basspeler Jerome Arnold, het enigszins psychedelische orgel- en pianospel van Mark Naftalin, het jonge, delicate geweld van gitarist Elvin Bishop en de ultieme schoonheid van Mike Bloomfields gitaarspel. Ik geloof niet dat ik ooit een betere gitarist heb gehoord. Later ontdekte ik dat het Mike Bloomfield was geweest die meespeelde op ‘Like A Rolling Stone’ van Bob Dylan. Mike Bloomfield was de man van tientallen ‘supersessies’. Hij was een  bescheiden gitarist, maar beter dan de meesten, met uitzondering misschien van Jimi Hendrix.  Je kunt hem trouwens aan het werk zien, samen met the Butterfield Blues Band, als backing band van Bob Dylan op het folkfestival van Newport in 1965, in de documentaire ‘No Direction Home’ van Martin Scorsese.

Helaas heb ik de band nooit live gezien. Daar had ik toch wel een paar maanden van mijn leven willen voor geven. Paul Butterfield en Mike Bloomfield zijn al vele jaren niet meer onder ons. Ook in hun geval eisten drugs en drank hun tol. Maar hun meesterwerk blijft overeind.

Voor wie meer blues van Butterfield wil horen is er een fraaie verzamelaar: The Elektra Years – An Anthology.

Photo of Michael Bloomfield

WELKOM BIJ DE BARBAREN

hitte,brussel,spraakverwarring,pornografie,seks,heidegger,marco ferreri,bunuel,nerval,rimbaud,metro,pissen,surrealisme,ecriture automatique,blowjob,paul butterfield,michael bloomfield,blues,robert johnson,liederlijkheid,henri michaux,babylon,geert mak

Opnieuw in de hete kamer. De hitte maakt me euforisch, geeft me zin in een slapeloze nacht, hier thuis tussen mijn boeken en muziek of liever nog in de gevaarlijke straten en cafés van de stad. But goodbye to all that. De rust wacht op mijn omhelzing, de nacht zonder beven en zonder schaduw. Alsof ik de nachtzon weer wil oproepen, die van Gérald de Nerval, maar dat mag ik natuurlijk niet doen. Dat is iets van vroeger, nog iets van voor Bunuel, dat is de tijd van de romantiek, toen er nog post bestond en postduiven, zelfs. Toch blijf ik naar heldere dagen en heldere nachten verlangen. Vraag mij niet om twee uur helder bewust in een kunstmatig verlichte kamer door te brengen want dan vraag je gewoonweg troubles, diepe messteken zo je wil. Ik kan wel een godganse nacht in een kelder doorbrengen met luide muziek, sigarettenrokende zelfverminkers, in het gezelschap van hun aan levercirrhosis lijdende vaders, en kleine rode peertjes aan het plafond. Maar dan moet ik zelf ook stomdronken zijn van stella of rode wijn afkomstig uit wat de vertaler van Rimbaud een negorij noemde. Wack wack! De bedenking die ik me maak bij deze zelfcensuur is: waarom geen aangeklede bruidegom en pissijnen in de straten van de stad in plaats van in het museum. Nu pist iedereen in de metro en vele bejaarden vinden het enig om met hun roestige karabijnen de schaarse straatverlichting kapot te schieten. Of anders rijden ze je met hun gebrekkigenwagentjes zonder zelfs hun wenkbrauwen te fronsen van het trottoir. Dat had Marco Ferreri al voorspeld, net zoals de andere dingen die we elkaar en onszelf volgens hem zouden aandoen: uit verveling ons doodeten en drinken, van wanhoop als een cultuurtoerist in zee duiken op de plaats waar Lord Byron doodging in bed – van een lichte koortsaanval (in zijn strijd tegen de Turken).

Alles is mogelijk, je werpt een dobbelsteen op tafel en sneller dan de bliksem zit je met een geletterde slet op schoot, met slechte adem weliswaar, zodat je bedankt voor een blowjob. Neen, jongens waar gaan we met de wereld naartoe? Het is allemaal om over naar huis te schreeuwen, als huis nog bestond. Maar we gaan allemaal overal op reis naartoe, en huizen bouwen we om er uit te weg te gaan en met in het achterhoofd dat het toch ook kleine WTC’s zijn. “Maar wil de mens ooit nog in de nabijheid van het zijn komen, dan moet hij eerst leren in het naamloze te bestaan. Hij moet de verleiding van het publieke domein evenzeer onderkennen als de onmacht van het privé-domein.” Heidegger vat het weer mooi samen.

En zo komen we bij de blues terecht en Paul Butterfield, met I got a mind to give up living and go shopping instead, met de ijzige gitaarstukjes van Michael Bloomfield. Beide heren rustend in het veld van de afwezigheid, slachtoffers van hun hybris, hun hete kamers, hun verveling en natuurlijk ook van de worp van hun dobbelstenen. Les jeux sont faits, mon ami. De hele namiddag hoorde ik Robert Johnsons Come On In My Kitchen. Liederen van liederlijkheid, bluf en doodsverachting. Geen mens die er niet van onder de indruk is. Maar wat is ons bestaan daar ver van verwijderd. Van die wereld die we barbaars mogen noemen, een barbaarsheid die natuurlijk ook verloren onschuld is, iets wat we niet kunnen noemen, zoals Beckett zei, iets wat we niet kunnen thuisbrengen, unheimisch, it’s just no longer here, with its satin eyes. Of precies het tegenovergestelde: want zijn wij dan niet de barbaren, zoals Henri Michaux vaststelde, al zeventig jaar geleden of zo, toen hij door Azië reisde, het land van de opgaande zon en het papier en het gekruide eten? Come on in my kitchen because it is going to be raining outdoors. Perfecte pornografie. Maar wij zijn blanke broeders en weten geen weg met onszelf en met onze seks en met ons doodsverlangen en met het einde van onze cultuur.

Je weet ook wat Heidegger zegt over de taal. “De taal is het huis van het zijn. In haar behuizing woont de mens. De denkers en de dichters zijn de behoeders van deze behuizing. Hun waken is het volbrengen van de openbaarheid van het zijn, voorzover zij deze door hun zeggen ter sprake brengen en in de taal bewaren.” De schrik voor Babylon slaat me op het hart als ik dat lees. Of voor anti-Babylon, de domme ontkenning van de absolute spraakverwarring die Brussel heet. Want wat schrijft Geert Mak (en het is de waarheid): “Een experiment voor Nederlanders: probeer eens om in deze officieel tweetalige stad uw eigen taal te spreken. U wordt bekeken als een boerenhufter, een gek. En, ernstiger, dit geldt ook voor ander Europese talen. (…) …overal elders bestaat, ondanks de problemen, een sterke wil om elkaar te verstaan. In Brussel niet. Hier heerst nog altijd een opvallende verkramptheid rondom het verschijnsel taal.” Wat nu gezongen? Elders het geluk gezocht? Het nieuwe Babylon. Ik wil jullie niet ontmoedigen, beste vrienden, maar de toestand is niet rooskleurig. Misschien hebben Faust en Johnson hun ziel voor niets aan de duivel verkocht? En wat is er met dat vuur gebeurd dat Prometheus van de goden stal? Een foto van een goede vriendin, geportretteerd als surrealistische nachtgodin, kan misschien enkele minuten troost bieden. Anders zul je zuster morfine moeten opzoeken of ander gezeik op een andere weblog.

Foto: Agnes Anquinet door Martin Pulaski, Antwerpen 1977.