NACHTEN IN HET PANNENHUIS 4: ALLEEN IN DE TIJD WORDT DE TIJD OVERWONNEN

 

AURORA GB RP 001

Voor ik meer verhalen vertel over het Pannenhuis en de mensen die ik er ontmoette wil ik een idee geven van wat het jaar 1978 mij in de schoot wierp. Hier volgt een beknopte opsomming van hoogtepunten – die ook dieptepunten konden zijn. Wat ik weglaat: de meeste privéaangelegenheden (familie), de vele ziektegeschiedenissen, het merendeel van de literaire activiteiten, leesverslagen, enz. De lijst bevat vooral momenten die de nachten in het Pannenhuis aankondigen.

1 1 1978 Nacht van de initiatie. Doop, doopsel. Een mondharmonica wordt een huissleutel. Het echte Antwerpse nachtleven begint hier. Vriendschap met Guillaume Bijl, Renée Strubbe en Ria Pacquée.

21 1 1978 Bij Leo Steculorum en Flor Van Tendeloo, waar ook Guillaume B., Renée S.  en Ria P. aanwezig zijn en ik kennis maak met Chantal Strubbe, Gazoe en Yvette Van Hauwaert. Na middernacht gaan dansen in Cinderella’s Ballroom aan de Stadswaag.

1 3 1978 Mijn oude vriend Jan Van Veen op bezoek in de Dolfijnstraat. Hij praat ononderbroken van vijf uur ’s avonds tot middernacht.

6 3 1978 Van mijn sokken geblazen door Dodeskaden, een film uit 1970 van Akira Kurosawa.

10 3 1978 In de Gnoe. Met Renée en Guillaume lang gepraat over intelligent leven in andere zonnestelsels. Is het universum eindig of oneindig, vroegen wij ons af.

11 3 1978 Voordracht van Jean Paul Dollé, Le destin mondial du nihilisme. Bevraging van de geïnstitutionaliseerde waarheid.

12 3 1978 Feestje in Brussel van Wies, een vriendin van Ginette Bauwens. Ginette wil graag in Antwerpen komen wonen. Wij hebben nog een kamer vrij.

13 3 1978 Guy Bleus en Ronnie Bertels op visite in de Dolfijnstraat. We maken plannen voor samenwerking. Ik ben al een tijd aan het schrijven aan de experimentele prozatekst Stasis, een vervolg op Anastasis. Een uitgever heb ik niet nodig: als mijn teksten af zijn (en goed) worden ze in het tijdschrift van de filosofische kring Aurora gepubliceerd. Met Guy en Ronnie trek ik de stad in. Ook naar het Pannenhuis?

mean streets

17 3 1978 Een geweldige televisieavond bij Renée en Guillaume. Wonderlijke en vermakelijke woonkamerlessen esthetica en kunstgeschiedenis van Guillaume. Renée als een postmoderne gastvrouw. Mean Streets van Martin Scorsese. Alles is goed aan die film.

Jimmy: What’s a mook?
Johnny Boy: A mook, what’s a mook?
Tony DeVienazo: I don’t know…
Johnny Boy: What’s a mook?
Jimmy: You can’t call me a mook!
Joey ‘Clams’ Scala: I can’t?
Jimmy: No…
Joey ‘Clams’ Scala: [pause] I’ll give you mook! [punches Jimmy in the face]

18 3 1978 Down en out na een krankzinnige party bij Yvette in Boechout. Ik voel me door mijn vrienden in de steek gelaten. Heb de hele nacht pure Ricard gedronken. Probeerde kort voor we zouden vertrekken Chantal en Gazoe, die nogal hevige ruzie hadden, met elkaar te verzoenen. Tevergeefs. Met Senga alleen achtergebleven in het centrum van nergensland. Ten einde raad en woest en woedend en triest.

21 3 1978 Onverwacht bezoek van Guy Bleus. Hij maakt heel spontaan een muurtekening in onze keuken/salon/dansruimte: impressies van You Can Never Go Home Anymore van the Shangri Las.

00freddy bleus

25 3 1978 Patti Smith Group in het Koninklijk Circus op Paaszaterdag. Een ronduit verbluffend Easter Concert. Beter kan het niet meer worden. The Kids, vaste klanten in Cinderella’s Ballroom, als voorprogramma.

Setlist: We’re Gonna Have a Real Good Time Together (Velvet Underground/Lou Reed) / Kimberly / Till Victory / Space Monkey / 25th Floor / The Kids Are Alright (The Who cover / Tribute to the Kids) / Ghost Dance / We Three / Ask the Angels / Privilege (Set Me Free) (uit de film Privilege van Peter Watkins) / Time Is on My Side (Jerry Ragovoy) / Because the Night (Bruce Springsteen / Patti Smith) / Pumping (My Heart) / Easter / Radio Ethiopia / Gloria (Them) / Be My Baby (Ronettes) / Rock n Roll Nigger / My Generation (The Who)

Patti_Smith_in_Rosengrten_1978

27 3 1978 Guy Bleus beëindigt zijn fresco. Ik stel  voor om er een citaat van Rimbaud in te verwerken. Dat komt uit een brief van de dichter aan Paul Demeny: “Car Je est un autre. Si le cuivre – s’éveille clairon, il n’y a rien de sa faute. Cela m’est évident : j’assiste à l’éclosion de ma pensée : je la regarde, je l’écoute : je lance un coup d’archet : la Symphonie fait son remuement dans les profondeurs, ou vient d’un bond sur la scène”. We denken na over samenwerking aan een project dat we Schrifturen noemen.

29 3 1978 Koop This Year’s Model van Elvis Costello en ga met Jos Dorissen (alias Giuseppe) zitten drinken en praten in de Mok (Wolstraat).

9 4 1978 Bij Guillaume en Renée. Verjaardag Renée. Op televisie: Bob Dylan en Van Morrison.

12 4 1978 Overlijden van mijn tante Elly, mijn meter. Herinneringen aan pijnlijke gebeurtenissen in mijn kinderjaren.

15 4 1978 Naar het Bal Populaire in King Kong, met Jos, Bie, Willy en Jan. Ray, mijn vroegere collega van bij Corman, draait platen. Daarna het orkest van Raymond van het Groenewoud en dansen.

17 4 1978 Bezoek van Guy. We maken plannen voor twee nieuwe projecten: Beach Night en Move Art.

18 4 1978 Twee indrukwekkende films in Monty in de Montignystraat:  Chinesisches Roulette van Fassbinder (met Anna Karina en hetzelfde citaat uit de brief van Rimbaud aan Paul Demeny als nu in ‘ons’ fresco is opgenomen) en Il deserto dei Tartari van Valerio Zurlini, naar de roman van Dino Buzzati.

21 4 1978 Bij Renée en Guillaume de uitstekende film De angst van de doelman voor de strafschop van Wim Wenders, naar een boek van Peter Handke. Ik ben een bewonderaar van Handke en nu ook van Wim Wenders.

edith clever en peter handke

5 5 1978 Senga en ik helpen Guillaume Bijl bij het maken van zijn Pleasure Projects.

19 5 1978 Bij Renée  en Guillaume zien we Falsche Bewegung van Wim Wenders en Peter Handke, naar Goethe’s Wilhelm Meisters leerjaren. Daarna met Renée, Guillaume, Leo, Gerda en Chantal te voet naar de Gnoe in de Wolstraat, een heel eind. Alsof we personages uit Falsche Bewegung zijn, maar dan in de stad.

26 5 1978 Mijn vriend Paul Luyten geeft mij Four Quartets van TS Eliot cadeau.

“… Except for the point, the still point,
There would be no dance, and there is only the dance.
I can only say, there we have been: but I cannot say where.
And I cannot say, how long, for that is to place it in time.”
Burnt Norton, T.S. Eliot

MAISON DIEU 001

1 6 1978 Zwaar verkouden naar Brussel voor een optreden van Link Wray en Robert Gordon. Beste rock-‘n-roll concert ooit. Link Wray en Robert Gordon spelen onder meer: The Way I Walk, Mystery Train, Lonesome Train (On a Lonesome Track), Rumble, Hot Dog, Fire, (You’re So Square) Baby I Don’t Care, The Fool, Baby Let’s Play House en Red Hot.
Nadien naar De Tulp in Elsene. Paul Luyten en zijn vriend Kees daar toevallig ontmoet. Paul brengt ons naar Antwerpen terug. In de auto: Paul, Senga, ik, Maria Menten, Kees, Greta. Samen tot sluitingstijd in de Gnoe. Maria Menten besluit om naar Antwerpen te verhuizen.

2 6 1978 Mijn verjaardag. Bliksem, als geschenk van de heidense goden. Een fles Jim Beam als aardser cadeau. Ik bekijk uitzonderlijk nog eens de tarotkaarten. Mijn blik valt op de door de bliksem getroffen Toren, de zestiende kaart uit de grote Arcana. In de Tarot van Marseille heet deze kaart La Maison-Dieu, wat ziekenhuis betekent. Volgens sommige interpretaties slaat de kaart op rampen of ongelukken. Volgens anderen gaat het om “de zuivere kracht van de kosmische energie”. De bliksem is een attribuut van Jupiter of Zeus. In de poëtische verbeelding van Hölderlin speelt de bliksem een belangrijke rol. Van die verkoudheid ben ik op miraculeuze wijze verlost. Dankzij Link Wray?

Wordt vervolgd

Fig-Wray-Gordon-Stoner-at-Friendleys-3-17-1978

Afbeeldingen: Uitnodiging tentoonstelling Guillaume Bijl en Ria Pacquée bij Aurora 1977-1978; Mean Streets van Martin Scorsese; met Freddie Bleus voor het fresco van zijn broer, in de Dolfijnstraat in Antwerpen; Easter tour van Patti Smith Group; Edith Clever en Peter Handke tijdens het draaien van Die linkshändige Frau, 1978; de tarotkaart La Maison-Dieu; Link Wray en Robert Gordon, geflankeerd door Anton Fig en Rob Stoner, 1978.

MET RYLEY WALKER NAAR EEN ANDERE DIMENSIE

ryley walker 2.jpg

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN
(hoofdstuk 12)

Dag 9: 10 november 2016

Waar waren we bijna verdronken? In Patti Smith’s zee van mogelijkheden? Goed mogelijk want in een imaginaire zee kun je niet echt verdrinken, tenzij je zoals Alice een denkbeeldig bestaan leidt. Vandaag hebben we nog natte voeten, maar we staan als alle echte stuurlui weer aan wal. Ja, we lopen op wankele benen, onze geest is beneveld, in onze kamers hangt een dikke mist, ook al schijnt daarbuiten de zon. Inmiddels is het 10 november. Onze nood aan een escapade is groot. Anywhere out of the world, schreef Baudelaire. Maar hoe wankel ons bestaan ook mag wezen, toch willen we hier blijven, willen we doorgaan met een intellectuele strijd tegen onszelf, tegen het negatieve in ons, en tegen alles wat ons slaafs maakt, alles wat ons onderdrukt en verblindt. Patti Smith alleen zal ons daar niet bij kunnen helpen, hoewel ik weinig mensen ken die zo moedig als zij volharden in hun levenswerk. In hun opdracht. Lees haar boeken om te vernemen hoe ze die gevonden heeft. Maar net als ik – en mijn generatiegenoten uit de sixties – wordt Patti Smith ouder. Heel wat van onze idolen, gidsen, bewonderde kunstenaars en ja, helaas, ook vrienden, zijn al vertrokken naar het donkere land waar nooit iemand van terugkeert. Er is jong bloed nodig, jonge verbeelding, nieuwe ideeën. Een nieuwe geest van verzet zal onze wereld moeten redden. Dat hij al aan het ontstaan is voel ik in mijn vingertoppen, hij is al aan het werk. Zoniet zou ik afreizen naar het Noorden en me daar voor altijd neervlijen in de sneeuw.

patti-smith.jpg

Hier wil ik dit onderdeel van mijn kroniek even onderbreken met een mededeling van Nietzsche:
“Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke aan de dingen als het schone beschouwen – zo zal ik een van diegenen zijn die de dingen schoonheid verlenen. Amor fati: dat zij van nu af aan mijn liefde! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet eens de aanklagers aanklagen. Wegkijken zij mijn enige ontkenning! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog eens uitsluitend iemand zijn die ja zegt!”*

Aan mijn therapeute doe ik verslag van de heerlijke momenten van de voorbije dagen (een avond met Irina, mijn radioprogramma in Antwerpen, een etentje en een vrolijke treinreis met mijn geliefde Laura), maar zeker ook van de dingen die me weerom terneerdrukken, nog los van de ellendige politieke gebeurtenissen. Als zo vaak in het verleden kom ik terug op mijn schuldgevoelens. Zo voel ik me vandaag schuldig omdat ik zelfbehoud laat voorgaan op zorg en altruïsme. Of beeld ik me dat schuldgevoel maar in? Schuldig voel ik me eveneens omdat ik te weinig doe. Mijn therapeute stelt me voor om een dag per week aan vrijwilligerswerk te gaan doen. Ik zou bijvoorbeeld bij bejaarde mensen kunnen langsgaan; zij zijn als al onze soortgenoten reservoirs van verhalen, ze beleven er plezier aan hun herinneringen met een aandachtige toehoorder te kunnen delen. Wat voor mij dan weer een inspiratiebron zou kunnen zijn. Maar dat kan ik toch niet, roep ik voor de misschien wel honderdste keer uit. Ik kan mensen die ik niet ken niet onder ogen komen, zeg ik. Ik ben mensenschuw. Als ik onder de mensen kom moet ik drinken en ik wil niet drinken. Want als ik drink kan ik niet schrijven. Nee, ik wil vooral niet drinken. Veel liever zou ik in mijn kamer blijven en werken, nu het nog kan, nu ik nog enigszins helder ben. Mijn tijd van veel buitenkomen is voorbij. Je weet toch dat ik nu al wankel als ik naar de metro loop. Dat komt door mijn voeten. Die doen vaak zo’n pijn en je weet dat ik liever geen zware pijnstillers neem, want dan kan ik niet helder denken. Helder denken is zonder drank of pillen al moeilijk. Ze kijkt me enigszins berustend aan. Het is jouw leven, zegt ze, maar als je je meer en meer gaat afzonderen zal je wel heel snel oud worden. Maar goed, het is weer tijd, tot volgende week en houd je sterk.

old1.jpg

Die avond ga ik met Laura naar de AB Club voor een andere held van deze tijd: Ryley Walker. In de populaire muziek beschouw ik hem als een van de grote beloften. Enkele jaren geleden was hij nog een epigoon, nu geldt hij al als een voorbeeld voor andere muzikanten en kunstenaars (en gewone mensen). Laura en ik hebben vanmorgen bij het lang uitgesponnen ontbijt zijn twee recentste platen beluisterd, ‘Primrose Green’ (2015) en ‘Golden Sings that Have Been Sung’ (2016). Zijn eerste elpee, ‘All Kinds Of You’ (2014), bezit ik niet, omdat Ryley Walker zelf dat jeugdwerk als een mislukking beschouwt.
In de AB Club weet ik nog voor het concert begint dat het een bijzondere avond zal worden. Ja, soms voel je dat aan, soms weet je het wel zeker. We hebben vlak voor het kleine podium plaats gevat. De jonge singer-songwriter uit Chicago balanceert op het randje van de dronkenschap, maar wankelen doet hij (nog) niet.. Ik zie dat hij stevig op zijn benen staat. Hij kan tegen een stootje. En zijn muzikanten beschermen hem tegen overdaad. Als hij even wegkijkt geven ze elkaar zijn fles whisky door en nemen zelf een slok. En tijdens het concert vraagt een luisteraar of hij eens mag proeven. Dat is goed: het schept een band met het publiek en er zit alweer wat minder in die verduivelde fles. Ryley heeft al de hele namiddag bier zitten drinken in de Bonnefooi. You guys have 3000 kinds of beer and I want to try them all, zegt hij. Het lijkt of hij het meent. Zeker, hij mag zijn zintuigen ontregelen, maar vergeten dat hij voor een geïnteresseerd publiek staat, dat mag hij niet. En dat doet hij niet. Het concert van Ryley Walker en zijn band, dat begint met de kreet ‘Fuck Trump!!!!’, wordt een lange, chaotische – maar door de ritmesectie stevig in toom gehouden – trip. Daar staat hij voor me met zijn gitaar, zijn zoekende stem, een duiveluitdrijver, een sjamaan. Ja, de muziek die hij met zijn begeleidende band ten gehore brengt helpt ons de wereld daarbuiten te vergeten. Er ontstaat een ander, een magisch universum. Een net nog herkenbare song – een skelet – is voor hem en zijn band een muzikaal thema waarop langdurig geïmproviseerd wordt. Ik herken vier van die skeletten: ‘The Halfwit In Me’, ‘Funny Thing She Said To Me’, ‘Sullen Mind’ en ‘The Roundabout’. Ik hoor en zie zoektochten, in cirkels draaiend of spiraalvorming, op de elektrische en de twaalfsnarige akoestische gitaar. Ik ontwaar sporen van jazz, acid rock, folk, rembetica, Tim Buckley, John Coltrane, Jerry Garcia, John Martyn, Van Morrison en nog veel meer – Ryley Walker heeft het allemaal verwerkt in zijn freewheeling songs. Hij heeft zich al die invloeden toegeëigend – en nu staat er een eigen, sterke muzikale persoonlijkheid voor ons. Voortaan gaat hij zijn eigen weg, al weet ik niet waar die naartoe leidt en er zijn veel gevaren. Denk alleen nog maar aan Tim Buckley en zijn zoon. Vanavond heeft hij  ons alvast uit een boze droom wakker geschud en in een andere dimensie binnengeloodst.

IMG_9245.JPG

Laura en ik en mijn vrienden Wolf en Dirk en Ivo beseffen dat we iets bijzonders hebben meegemaakt. Tijd voor lange, bezielde gesprekken en voldoende drank. Morgen zal ik niet schrijven. Morgen is het wapenstiltand. Taxi!

Ω

* Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, 276

 

EEN JAAR LEZEN

modiano-hardy.jpg

Lang geleden dat ik nog eens een leeslijst heb gemaakt, waarschijnlijk omdat ik al een aantal jaren zelfs de titels van de boeken (en de namen van hun auteurs) die ik las niet meer noteerde, of bij uitzondering en zeker niet op één plaats. Vandaag heb ik het nog een keer geprobeerd. Aangezien er in 2015 in mijn agenda veel plaats was heb ik daar elke dag bijgehouden wat ik aan het lezen was. Omdat ik aanneem dat er dit jaar in die agenda nog meer plaats zal zijn, zal ik veel meer moeten gaan lezen. Films zien is ook een optie: die noteer ik eveneens opnieuw. Ik weet niet of het met mijn lectuur te maken heeft dat ik zo weinig mensen zie, maar het zal wel een rol spelen. Over boeken praten wordt sowieso nog maar weinig gedaan, denk ik, en over de boeken die ik toevallig lees nog minder. Waar praten de mensen over? Ik weet het niet.

Wat ik ook niet weet is wat mij ertoe aanzet om het ene boek wel te lezen en het andere niet. Sinds mensenheugenis verzet ik mij al tegen de markt, tegen televisieschrijvers, tegen radioschrijvers, tegen verkoopscijferschrijvers, tegen salon- een beurzenschrijvers. Ik zoek degenen op die in het donker werken, of die ziek zijn, ongelukkig, boos. En vooral de doden. Ik koester de doden en de stervenden. Schoonheid is sterker dan de tijd. Bloeddorstige barbaren mogen De Stad van Duizend Zuilen plunderen en vernietigen, ze mogen elk spoor van beschaving en religie uitwissen, de woorden in de bijbel en de koran en in zoveel andere religieuze boeken krijgen ze niet stuk. En niet alleen woorden die naar men beweert een goddelijke oorsprong hebben blijven springlevend: gelukkig voor ons, ongelovige honden, zijn er ook seculiere boeken die weigeren te sterven.

Schrijvers die alleen maar succes hadden en weinig of geen talent dringen zich gelukkig niet aan ons op. Alleen de grootsten trotseren de eeuwen. Daar gaat mijn voorkeur naartoe. Niet alleen naar de grote grootsten, ook naar de allerkleinste. Gelukkig gebeurt het af en toe dat zo’n kleine grote schrijver, die in zijn tijd geen bijval had, opnieuw van zich laat horen. Er bestaan ongetwijfeld lezers en literatuurliefhebbers die de gave bezitten om zulke schrijfkunstenaars op hun deur te horen kloppen. Als die bescheiden schrijvers daar al de moed toe hebben. Mogelijk fluisteren zij de ontdekkingsreizigers van de literatuur alleen maar iets toe in hun droomoren. Tot mijn spijt overkomt mij dat niet. Mij wordt nooit iets in het oor gefluisterd en als er op mijn deur wordt geklopt barricadeer ik ze.

Ik denk dat ik me nog steeds door het toeval laat leiden. De naam van een schrijver klinkt mooi, of een titel spreekt tot mijn verbeelding. Misschien heb ik er iets over gelezen en heb ik dat – ondanks mijn weerzin van recensies – onthouden. Mijn studies spelen eveneens een rol: die intellectuele achtergrond bepaalt natuurlijk voor een deel mijn keuze. Ik lees weinig pulp en onzin is aan mij meestal niet besteed. Meestal. Wat ik lees moet een hogere waarde hebben, moet bijdragen tot de ontwikkeling van onze soort. Ik heb gelukkig nog enkele vrienden. Hun aanbevelingen zijn me dierbaar. Daar houd ik bijna altijd rekening mee. En ik blijf trouw aan de schrijvers die ik ooit heb uitgekozen. Ian McEwan is daar een voorbeeld van. Ik lees hem al van in het begin, van toen hij nog quasi onbekend was. In 1978 trok zijn tweede verhalenbundel, ‘In Between the Sheets’ meteen mijn aandacht. Niet alleen door de titel, die verwees naar een liedje van the Rolling Stones (‘Live With Me’, op ‘Let It Bleed’) maar ook door de foto van het half blote meisje op de kaft. Nu kan een bloot meisje op een kaft mij niet meer verleiden, integendeel, maar in 1978 nog wel. Overigens is Ian McEwan vandaag een ernstige schrijver: geen naakt meer op zijn omslagen. En ik blijf hem trouw en zijn boeken blijven goed. Overigens vond ik zijn reactie bij de lafhartige moordaanslagen op Charlie Hebdo van een redelijkheid getuigen die ik bij weinig anderen, mezelf incluis, aangetroffen heb.

En Patrick Modiano dan, dat is toch een Nobelprijswinnaar? Ja, dat is zo. Mag ik mezelf tegenspreken? Moeten we altijd consequent zijn? Bovendien betwijfel ik of Modiano veel inspanningen gedaan heeft om die prijs te winnen. Hij is gewoonweg zichzelf gebleven, van helemaal in het begin. Of liever: hij is in zijn werk meer en meer zichzelf geworden, geworden wie hij in het begin al was. Hij heeft los van elke stroming, trend, maatschappelijke context, aan een schitterend oeuvre gewerkt. Zijn werk is een variant op de recherche van Marcel Proust. Of Modiano de verloren tijd ooit terugvinden zal durf ik echter te betwijfelen. Al zijn personages zijn voor altijd verloren, zowel in de ruimte als in de tijd. Patrick Modiano is de auteur die mij in 2015 het meest heeft weten te bekoren en betoveren en dromen. Door hem ben ik nog veel meer van Parijs gaan houden dan ik al deed. Op zaterdag 14 november heb ik een hele voormiddag zitten huilen, niet alleen omdat mijn zoon in Parijs woont, maar ook omdat ik het gevoel had dat ik zelf een Parijzenaar was geworden, een van die melancholische schimmen uit de romans van Patrick Modiano, schimmen van vlees en bloed, personages waar ik mezelf zo goed in herken.

Gelukkig was er na de terreur en de lockdown in Brussel ‘M Train’ van Patti Smith. Dat schitterend boek heeft me geholpen om me door die vreselijke dagen te worstelen en heeft mijn horizon opnieuw verruimd: er zijn goede mensen, er zijn kunstenaars, muzikanten, mensen die liefhebben, hartstochtelijke mensen, mensen die oplossingen zoeken, die elkaar willen helpen in plaats van elkaar de duivel aan te doen, mensen die leven voor schoonheid, mensen die het grote in het kleine zien. Mensen die zeggen: de andere, dat ben ik. En er is nog altijd koffie. Dat heb ik ook van Patti Smith geleerd.

A-Sport-And-A-Pastime.jpg

Patrick Modiano, In het café van de verloren jeugd

James Salter, Light Years

Walter Benjamin, Maar een storm waait uit het paradijs

Robert Stone, Prime Green: Remembering the Sixties

Patrick Modiano, De stad van de donkere winkels

Patrick Modiano, Zondagen in augustus

Ana Teixeira Pinto (red.), The Reluctant Narrator

Hans Lodeizen, Gedichten

Patrick Modiano, Uit verre vergetelheid

Patrick Modiano, Verloren wijk

Patrick Modiano, Aardige jongens

Evelyn Waugh, Een handvol stof

Stefan Zweig, Ongeduld

Paul Rigaumont, Anekdota XIX

Rüdiger Safranski, Hoeveel waarheid heeft de mens nodig?

Elias Canetti, Het geheime hart van het uurwerk – aantekeningen 1973-1985

Knut Hamsun, Mysteriën

Haruki Murakami, 1Q84. Boek 1

Haruki Murakami, 1Q84. Boek 2

Haruki Murakami, 1Q84. Boek 3

Sandro Veronesi, Grote reizen, kleine reizen

James Salter, A Sport and a Pastime

Patrick Modiano, Pedigree

Patrick Modiano, Dora Bruder

Patrick Modiano, De plaats van de ster

Ian McEwan, The Children Act

James Salter, Burning the Days

Patrick Modiano, Het circus trekt voorbij

W.G. Sebald, Logies in een landhuis

Patrick Modiano, La petite Bijou

Patrick Modiano, Des inconnus

Sandro Veronesi, Zeldzame aarden

Patrick Modiano, Fleurs de ruine

Patrick Modiano, Chien de printemps

Fred Goodman, Mansion On the Hill

Patrick Modiano, Livret de famille

Jonathan Swift, Gullivers reizen

Patrick Modiano, Vestiaire de l’enfance

Geerten Meijsing (red.) – Van Como tot Syracuse

Patrick Modiano, Het gras van de nacht

Stefan Zweig, Schaaknovelle en andere verhalen

Paul Eluard, Lettres à Gala

Marc De Kesel, Zizek

Patrick Modiano, Remise de peine

Michel Houellebecq, Onderworpen

Rainer Metzger, London in the Sixties

Patrick Modiano, Accident nocturne

Goethe, Affiniteiten

Vladimir Nabokov, Speak, Memory

Jacques Rancière, De fabel van de cinema

Czeslav Milosz, Geboortegrond

Stefan Zweig, Reis naar het verleden

John Cheever, Bullet Park

László Krasznahorkai, Satanstango

Daniil Kharms, Today I Wrote Nothing

Raoul Vaneigem, Rien n’est fini, tout commence, livre d’entretiens avec Gérard Berréby

Georges Simenon, Zondag

Gustave Flaubert, Bouvard en Pécuchet

Jorge Luis Borges, De geschiedenis van de eeuwigheid en andere essays

Georges Simenon, Stoplicht

Georges Simenon, Leven met Anais

J.M. Coetzee, Dagboek van een slecht jaar

Rainer Maria Rilke, Het lied van de liefde en dood van Kornet Christoph Rilke

Martinus Nijhoff, Verzamelde Gedichten

Patti Smith, M Train

patti smith m train.jpg

PATTI SMITH / JUDY LINN

patti smith,judy linn,robert mapplethorpe,sam shepard,fotografie,biografie,autobiografie
Patti Smith door Judy Linn

Eergisteren in de boekwinkel van het Paleis Voor Schone Kunsten en gisteren in Fnac (twee bijzonder onaangename winkels) bladerde ik in een mooi boek van Judy Linn, ‘Patti Smith 1969-1976‘. Ik geloof dat ik nooit zulke fascinerende foto’s van de zangeres-dichteres heb gezien. Ik ken Judy Linn niet, maar het lijdt geen twijfel dat zij en Patti Smith vriendinnen waren. De foto’s getuigen stuk voor stuk van een samenzweerderige intimiteit.

patti smith,judy linn,robert mapplethorpe,sam shepard,fotografie,biografie,autobiografie

Patti Smith & Sam Shepard.

Voor wie de meeslepende autobiografie/biografie ‘Just Kids’ van Patti Smith heeft gelezen is dit fotoalbum van Judy Linn een bijna perfecte aanvulling. Maar de foto’s zijn ook zonder het werk van de zangeres een lust voor het oog en een flasback naar de periode uit de titel.
patti smith,judy linn,robert mapplethorpe,sam shepard,fotografie,biografie,autobiografie

patti smith,judy linn,robert mapplethorpe,sam shepard,fotografie,biografie,autobiografie

 

WORLD’S END

kiefer_goldhair.jpg

Voor Patti Smith en PJ Harvey

Paarden in dromen, zoogdieren die ons dienden tot niets, nergens toe leidden – wij van troebel water en schaduwgebieden afgedaald naar lagere regionen van de kou. In zones van beheersing door fantomen en hun pijnstillingen bedwelmd. Dwergen jagen op wolven, met revolvers te groot voor hun handklappende handjes.

Alles gaat verstand te boven als het weg wordt gefluisterd, als het onbezongen blijft, van zinnen verstoken. Maar op een laat uur onderweg naar het einde, wegen woorden geen ons . Als bij doven en blinden vuurwerk blaft en waakhonden in hun witte kooien angstig zwijgen. Maretak, nachtegaal, ‘n zestal witte hengsten, geboortegejubel, doodsbedlinnen.

Nergens is het woord, voortaan, ook als je zwerft op een vlotte melodie naar wat opnieuw beginnen moet. Pas als je herhaalt kun je vergeten:  de dierenriem en wat je van oudsher bepaalde. Je driften, lusteloosheid, je verontreinigingen. Stekels altijd overeind, een filosoof van de twijfel. Een filosoof die liever het aambeeld verzwijgt waar de hamer op hamert.

De daver op het lijf in je eigen haard en boezem. De aarde opgeteld, grashalmen, zand, graankorrels, zorgenkinderen. De som gelijk aan zero grond, nul ademkristal, van generlei waarde. Afgerond staat netjes in een jurk van gewapend metaal.

Met baarden staan mannen de laatste vrouwen op te wachten tot ze vergeten waar hun mond is en hun uitingen, zich zelfs verslikken in hun wolfachtige fonemen.

Verminkte paarden leiden tot niets. Tot niets van enige waarde. Of ze galopperen tot World’s End,  waar evenmin iets in het oog springt, tenzij een dronken horizon, zwaar van verzopen schipperskinderen. Nee. Alleen niets, en geen troost voor jankende beesten, geen troost voor gewervelde en ongewervelde dieren. Niets dan een hongerig Europa hongerig naar niets.

Maar daar staan jouw paarden te grazen, hongerig naar jou. Wie zal na die dagen van afdalen je schapen hoeden, met ganzen spelen en uit je boezem de adder wegrukken, zijn gif opzuigen? Wie zal een levenslied, een doodslied voor je zingen? Wie zal die lijkwade van zich afschudden, en brullen, gedaan met slapen, gedaan met al dat gedoe. Het is tijd. Of is het geen tijd, misschien. Komen wij al te laat?

 

PJ HARVEY EN DE HOEREN II

Dit is wat ik bedoel met sexy. Maar Polly Jean is geen onderworpen vrouw, geen lustobject, ze keert het hele spektakel binnenstebuiten, zoals in de titel van de song. Dat hier echo’s van Patti Smith in doorklinken maakt niet uit. De keten is niet gebroken, de bruggen zijn niet opgeblazen. En 1 mei neemt niemand ons af.

FILM ALS VLUCHT IN DE WERKELIJKHEID

black sunday

De voorbije dagen heb ik veel films gezien. Wellicht  wilde ik mijn eigen dagelijks leven en mijn existentiële problemen niet onder ogen zien en vluchtte ik daarom weg in fictieve werelden. Maar als dat zo is, waarom koos ik dan voor grotendeels wrede, gewelddadige werelden?

‘Paradise Now’ uit 2005 van de Palestijnse regisseur Abu-Assad vertelt over de laatste dagen van twee jonge zelfmoordterroristen uit Nabloes. De twee jongens worden niet als fanatici getoond, maar als wanhopige mensen, met veel twijfels en zeer weinig zekerheden.  Terwijl een van beiden afziet van de daad, gaat zijn vriend tot het extreme uiterste en blaast zichzelf op in een bus met Israëlische militairen.  Een van de uitspraken van de regisseur: “Cars kill more people in a day than terror has in years, but people are so afraid of terror. We accept the danger from cars, not terror, and yet something always causes terror. We ignore why and focus only on the consequences. To prevent it, we must think about what creates the evil.” ‘Paradise Now’ is geen film om lekker bij weg te dromen, om je te helpen ontsnappen, maar hij helpt je wel je veelal kleine problemen te relativeren en laat je – eens te meer – beseffen in welke vreselijke omstandigheden velen onder ons moeten leven.

Onmiddellijk na ‘Paradise Now’ zag ik ‘Mar Adentro’, ook uit 2005, van de Spaans-Chileense regisseur Alejandro Amenábar, bekend van ‘Abre los ojos’ en ‘The Others’.  Javier Bardem is een schitterend acteur, ook hier in de rol van een man die al 28 jaar verlamd in bed ligt en strijd voert tegen de Spaanse overheid: hij eist het recht op om waardig te sterven.  Het is een verhaal over familie, lijden, liefde literatuur, verbeelding en dood en toch geen sentimentele lulkoek. Integendeel, ‘Mar Adentro’ is een klein meesterwerk, schitterend gefotografeerd, vol passie, schoonheid en verdriet, een meesterwerk dat naar de keel grijpt en je ogen opent voor het lot van andere mensen. Ook deze film gaf me geen mogelijkheid om uit de woestijn van de werkelijkheid weg te vluchten. Wat ik vooral besefte was dat ik inzake mededogen zelfs op mijn zevenenvijftigste nog veel heb te leren.

‘Black Sunday’ uit 1977 van John Frankenheimer is een lange, meeslepende thriller met Marthe Keller, Bruce Dern en Robert Shaw. Dern en Keller zijn Palestijnse terroristen die een aanslag voorbereiden op de Amerikaanse Superbowl in Florida, Shaw is de onverschrokken Mossad-agent die hen op de hielen zit. Het plan van de terroristen is om vanuit een luchtschip een reusachtige splinterbom in het midden van de Superbowl te droppen, met duizenden doden als gevolg. De film is bijzonder spannend, en in zekere zin ook profetisch, alleen kunnen – in tegenstelling tot 9/11 – in de film de terroristen op tijd worden ‘uitgeschakeld’. Er is wat mij betreft iets vreemds aan de hand met deze film. Ik zat namelijk tot aan het einde, waar het luchtschip een dreigende schaduw werpt op de Superbowl, mee te leven met de terroristen, voornamelijk door de passie – of is het verbetenheid – die uitgaat van het personage gespeeld door Marthe Keller. Veel minder begrip had ik voor de haat- en wraakgevoelens van de Vietnam-veteraan. Bruce Dern speelt die rol dan ook over-the-top. Als de film gedaan is besef je dat je onbewust hebt zitten verlangen naar de dood van duizenden sportliefhebbers.  Op die manier kom je evenmin in een paradijselijke omgeving terecht. Integendeel: je voelt je schuldig voor je vreemd plezier en moet een ernstig gewetensonderzoek doen.

Van lieverlede heb ik dan maar teruggegrepen naar een oude, stomme film, ‘The General’, van Buster Keaton. Het vreemde is dat ik Buster Keaton de allerbeste komiek ooit vind, maar dat ik nooit met  zijn wederwaardigheden kan lachen. Maar uiteraard is ‘The General’ een mijlpaal in de filmgeschiedenis, en biedt het vrij sentimentele liefdesverhaal (een subplot) enige troost.

Ik zag ook nog de documentaire ‘Patti Smith: Dream Of Life’ van Steven Sebring. Over dat indringend portret van een van de belangrijkste kunstenaars van de twintigste eeuw (en van een stuk van de eenentwintigste) moet ik het echter uitgebreid hebben in een volgend artikel.  De film heeft me alvast gesterkt in mijn voornemen om de literaire marathon in Oostende over de beat generation bij te wonen. Ja, beat, in Oostende, in La Bagatelle, op 29 maart. Come rain or come shine.