LEVE WOODSTOCK

Als twintigjarige keek ik neer op het hele gedoe dat Woodstock heet. Of ik er al in 1969 over gelezen of gehoord had, kan ik me niet herinneren: ik had geen televisie, geen radio en las geen kranten. Wel is de maanlanding me bijgebleven: ik zag er beelden van door het raam van een of ander huis of appartement ergens aan de Belgische kust toen ik daar een wandeling maakte. Omdat the Byrds er een mooie kleine song over maakten, ‘Armstrong, Aldrin and Collins’, herinner ik mij het evenement des te beter. Ook weet ik nog hoe de moorden van de Manson Family me schokten, en enkele beelden van Altamont zijn me eveneens bijgebleven.

De film Woodstock zag ik in 1970 in de Variétés, een mooie bioscoop met groot scherm, nu verloederd of afgebroken, zoals bijna alle waardevolle gebouwen in Brussel. Ondanks de technische hoogstandjes en de geweldige sound maakte hij niet veel indruk op me. Hoewel ik langharig en werkschuw was herkende ik me niet in de bezoekers van het festival, een kudde hippies, vond ik, die the Woodstock Nation werd genoemd, alsof elke festivalganger deel uitmaakte van een stralende nieuwe wereld, terwijl ze er toch alleen maar stoned bijliepen, ‘no more rain’ scandeerden en pret maakten in de modder. Joni Mitchell, die zelf niet in Woodstock optrad, benadrukte het utopische aspect in haar lied over het festival:

By the time we got to Woodstock
We were half a million strong
And everywhere there was song and celebration
And I dreamed I saw the bombers
Riding shotgun in the sky
And they were turning into butterflies
Above our nation

In weerwil van mijn afkeer, al is dat een te sterk woord, van wat ik in de bioscoop zag, was ik in die dagen toch ook zeer hoopvol gestemd en geloofde ik in de utopie die Joni bezong, al hoorde ik de versie van Crosby, Stills, Nash & Young toen liever. Ik denk dat ik nogal gespleten was: een idealistische dromer maar tegelijk tegen het spektakel en het kuddegedrag van de andere dromende jongeren. Woodstock zei me niets, maar ik las met vuur in mijn hart de berichtgeving in Rolling Stone en andere undergroundbladen over communes, ecologie, vrije liefde en zo meer.

Doorheen de jaren veranderde er niet erg veel aan mijn kijk op het fenomeen Woodstock. Een te gek feest in de modder, met weliswaar geweldige muziek. Maar… things have changed. De voorbije maanden luister ik veel naar pop, rock en soul uit de sixties in de overtuiging dat de kwaliteit van die muziekgenres nooit werd of zal worden geëvenaard. Ik heb mijn best gedaan om iets beters – of ten minste even goed – te vinden, maar tevergeefs. Punk, New Wave, Paisley Underground, Grunge, R&B, Indierock, noem maar op: ik heb het allemaal op de voet gevolgd, en vaak was ik enthousiast, maar nooit was iets even opwindend als ‘I’m Down’ van the Beatles, ‘Paint It Black’ van the Rolling Stones of ‘I Want You’ van Bob Dylan. Ik zou hier honderden songs kunnen noemen, maar deze drie voorbeelden volstaan.

Een week geleden nam ik Woodstock op. Ik neem wel vaker films op die ik nooit bekijk. Enkele dagen geleden zag ik op Canvas terloops enkele fragmenten van Pukkelpop. Welke bands of zangers of zangeressen het precies waren weet ik niet: daar was mijn walging te groot voor. Ik werd er werkelijk misselijk van. Ik besefte, wellicht niet voor de eerste keer, dat een evenement als Pukkelpop in alles het tegenovergestelde is van de festivals in de jaren zestig. In de eerste plaats door de ondermaatse muziek, wat essentieel is, maar zeker ook omdat de droom ontbreekt, ook al is die naïef. Alles wat ik zag was fake. Maar omdat ik een verdediger ben van de populaire cultuur twijfelde ik meteen. Was het geen vooroordeel? Werd ik misschien toch oud?

Ter vergelijking bekeek ik vervolgens een flink deel van Woodstock. Glorieus, vond ik nu. Een wonder. Richie Heavens*, die ik nooit echt heb gemogen, was pure passie: Freedom, freedom, freedom. Canned Heat, met de beer Bob Hite en Blind Owl Alan Wilson, con brio geslaagde studenten van de blues, ingehouden intensiteit, bezetenheid, de ziel vastgeklonken aan iets hogers; en dan Joan Baez, waar ik evenmin een bewonderaar van was, die helemaal alleen met haar gitaar voor een half miljoen muisstille luisteraars, haar stem puur als de sneeuw van toen (niet van nu), het opzwepende vakbondslied ‘Joe Hill’ ten gehore gaf, vervolgens, nu alleen nog haar kristalheldere stem, zelfs geen gitaar meer, de oude negro spiritual ‘Swing Low, Sweet Chariot’. En wat te denken van Joe Cockers ‘With A Little Help From My Friends’? Vertel het me maar, ik heb er geen woorden voor, net zomin als voor de molenwiekende rockarbeider Pete Townshend tijdens de uitvoering van ‘Summertime Blues’. In 1970 hadden de blote borst van Roger Daltrey, de jurk van Richie Havens, het schijnbaar stuntelige gedrum van Adolfo de la Parra en het kapsel van Joan Baez me gestoord; nu zag ik in dat dat uiterlijke details waren, het echte grandioze zat hem in de muziek, in elk detail, in elke noot, maar ook in elk dromerig gezicht van elke festivalganger. Niet een van hen leek op een andere, ze waren stuk voor stuk individuen, jongeren op zoek naar een betere wereld in zichzelf en buiten zichzelf. Ik zag nu dat de jonge hippies de vlinders van Joni Mitchell waren – de bommenwerpers gingen door met bommen werpen.

Wij mogen ons gelukkig noemen. We zijn opgegroeid in vermoedelijk een van de mooiste en meest creatieve periodes in de recente geschiedenis. Lang leve Woodstock!

*Jimi Hendrix, John Sebastian, Tim Hardin, Sly & the Family Stone, et cetera, heb ik nog niet herbekeken.

EMOTIES IN SOUL / ZERO DE CONDUITE

Vandaag geven we aandacht aan emoties, zoals die aan bod komen in soulmuziek. Wat dat betreft lijkt dit genre op country, alleen kun je er prettiger op dansen. Niet alles wat vanavond aan bod komt is ‘pure’ soul: we zijn dan ook nooit puristen geweest. Wat dan wel de revue passeert is de passie die je aantreft in songs van schrijvers als Dan Penn, Spooner Oldham, Bert Berns, Jerry Ragavoy, Eddie Hinton, Swamp Dogg (Jerry Williams Jr.), Allen Toussaint en vele anderen – en de passie in de uitvoering van vooral zwarte zangeressen en zangers uit het Zuiden van de Verenigde Staten. De negativiteit van emoties en gevoelens als verdriet, jaloezie, woede, van allerlei vormen van psychische pijn, wordt opgeheven in de intensiteit van de zang, de funk van het ritme en de subtiliteit van de toetsen. Overigens gaat soul niet altijd over donkere gevoelens en noir-achtige toestanden als overspel, bedrog en verraad: soms is deze muziekvorm pure extase, opwinding, liefde, empathie en mededogen. Alle songs die aan bod komen zijn nooit minder dan geïnspireerd door iets wat op het vuur van de ‘heilige geest’ lijkt. Alleen hebben deze zangers, zangeressen en sessiemuzikanten zich – sinds de soul gospel van Ray Charles ‘I Got A Woman’  (1955) – van het onderdanige geloof in een kerkelijke god afgewend en zijn ze verwikkeld in een brandende, zowel primitieve als complexe liefdesgeschiedenis. Hun aandacht gaat naar wat vergankelijk is, naar de glanzende huid, het kloppende hart en het mysterie van de materiële ziel. Naar de intense gevoelens, emoties en passies van mensen zoals jij en ik.

Twist And Shout  (1962) – The Bert Berns Story Vol 1 – The Isley Brothers
Mojo Hannah (1964) – The Bert Berns Story Vol 1 – Little Esther Phillips
I’m A Man Of Action (Jimmy Hughes, 1967) – Why Not Tonight – Jimmy Hughes. Vooral bekend van de hit Neighbor, Neighbor.
You Better Move On (Arthur Alexander, 1961) – The Fame Studio Story 1961-1973 – Arthur Alexander
Out Of Left Field (Atlantic, 1967) – Sweet Inspiration / The Songs Of Dan Penn & Spooner Oldham – Percy Sledge
Sweet Inspiration (Atlantic, 1968)- Sweet Inspiration / The Songs Of Dan Penn & Spooner Oldham – The Sweet Inspirations
Turn On Your Love Light (Bobby Bland) – The Story Of Them – Them
Mercy Mercy  (Don Covay) – Out Of Our Heads – The Rolling Stones.
Take This Hurt Of Me – Mercy! (Atlantic 1965) – Don Covay
You Left The Water Running (demo)(1967)- The Fame Studio Story 1961-1973- Otis Redding
Look Away (1964) – The Bert Berns Story Vol 1 – Garnet Mimms
When Something Is Wrong With My Baby (Hayes, Porter, 1967)– Take Me To The River / A  Southern Soul Story – Charlie Rich
The Hurt’s All Gone (1965) – The Jerry Ragavoy Story – Time Is On My Side – 1953-2003 – Irma Thomas
I’ll Be A Liar (1963) – The Bert Berns Story Vol 1 – Betty Harris
Get It While You Can (2001-versie met alleen piano) – The Jerry Ragavoy Story – Time Is On My Side – 1953-2003 – Howard Tate
Searching For My Love (Bobby Moore, 1967)- The Fame Studio Story 1961-1973 – Bobby Moore & The Rhytm Aces
She Ain’t Gonna Do Right (Penn, Oldham, 1966)- Take Me To The River / A  Southern Soul Story – James & Bobby Purify
Why Don’t You Try Me (1968)  – The Fame Studio Story 1961-1973 – Maurice & Mac
People Sure Act Funny – Soul Directions (1968) – Arthur Conley
Search Your Heart (George Jackson) – The Fame Studio Story 1961-1973 – George Jackson.
Vooral bekend in de uitvoering van Wilson Pickett met Duane Allman op gitaar. De versie van George Jackson is subtieler.
He Ain’t Gonna Do Right (Atlantic 1968) – Sweet Inspiration / The Song Of Dan Penn & Spooner Oldham – Barbara Lynn
I’ve Gone Too Far (Chess) – Call My Name / Muscle Shoals Sessions – Etta James
Barefootin’ (Hi) – The Hit Sound Of Willie Mitchell – Willie Mitchell. Bekend als producer van Al Green.
Come On (Let The Good Times Roll) (Earl King) – Electric Ladyland (1968) – Jimi Hendrix Experience
Chokin’ To Death (From The Ties That Bind) (1967) – It’s All Good / A Singles Collection – Swamp Dogg
Thread The Needle (demo) (Clarence Carter, 1967) – The Fame Studio Story 1961-1973 – Clarence & Calvin
Fancy (Bobbie Gentry, 1969)- The Fame Studio Story 1961-1973 – Bobbie Gentry
Raining In Memphis – Nobody’s Fool (1973) – Dan Penn
Nobody’s Fool – High Priest – Alex Chilton
Yeah Man – Very Extremely Dangerous (1978) – Eddie Hinton
Watching The Trains Go By – Sweet Inspiration / The Songs Of Dan Penn & Spooner Oldham – Tony Joe White
You Ought To Be With Me – The Hi Singles – Al Green
Soul Sister – Life, Love And Faith (1972) – Allen Toussaint
Keep On Marching – Fire On The Bayou (1976) – The Meters
Get Involved (1973)- The Fame Studio Story 1961-1973 – Georges Soulé. Een blanke zanger propageert Black Power
Love Cry – The Impulse Story – Albert Ayler

 

Research en presentatie: Martin Pulaski

NU DE VOLLE MAAN SCHIJNT IS MIJN DORST GROOT

‘It’s all in your mind’ zingt de zanger. Ik zag de volle maan, bijna als een zon die mij verblindde. Ik stelde mij die zonnige maan niet voor. Zij kwam achter de wolken uit en verdween dan weer, speelde een spelletje met me, zoals een kind dat doet met zijn speelgoed. Ik wilde blijven kijken tot ik bijna blind was, maar dat mocht niet van de donkere wolken. Ik had eerst niets geweten van een volle maan. Ik had bijna de hele dag gesuft en geslapen. Later had ik het vuil buitengezet, zoals de meeste mannen doen. De afwas had ik ook al gedaan. En wat gezellige ruzie gemaakt met mijn vrouw. Niets spectaculairs, de dagelijkse huiselijke taferelen, die overigens met veel begrip en tederheid gepaard gaan. Het is een ritueel dat sommige mensen nodig hebben om te kunnen gaan slapen. Ik stond op straat onder onze boom en zag opeens die ronde volle maan en dacht aan woorden van Paul Bowles. Herhalen wil ik ze niet, ze staan hier ergens in de marge. De volle maan herinnert je, zeker op jouw leeftijd, aan je sterfelijkheid. Omdat er niet zoveel volle manen voorkomen in een mensenleven – zeker niet volle manen die je ook echt ziet en dan nog eens voelt ook.

Geheel toevallig had ik bij het ontbijt een interview met Neil Young gelezen, een man die kennelijk alleen maar songs opneemt bij volle maan. Ik las dat hij in de tijd van ‘Harvest’ geen woorden vond om zijn geluk uit te drukken. Daardoor kwam ‘Out On The Weekend’, een song over gevonden geluk, er heel droef uit, wat tot veel verkeerde interpretaties en misverstanden leidde, ook bij mezelf. Hoe kan iemand droef zijn en tegelijk gelukkig? Iemand die me dierbaar is legde me uit hoe dat mogelijk is. Ruw geschat vijftien volle manen geleden gebeurde dat. Mijn leven is sindsdien veranderd. Ik zie veel dingen anders, in een ander perspectief, de kleuren zien er anders uit, er zijn meer lagen, wat op een impasse leek is een passie geworden.

Hoe vaak is dat niet het geval bij schrijvers, muzikanten, kunstenaars. Ze willen iets roods maken, en het wordt blauw, ze denken aan de blues maar het wordt een elektronische dance song, een gedicht is bijna af en het wordt een roman van duizend bladzijden. Ga zo maar door. ‘It was only a change of the plans’, zingt Neil Young. En ik schenk je glas nog eens vol. We drinken op de idealisten, avonturiers, surrealisten, degenen die plastic bloemen planten in de voortuin van Polanski’s huis. We drinken op het zout van de aarde en op de peper. Ook drinken we op hoe we erin slagen het profiteren en misbruiken om te buigen in werkelijk genot en uitzinnig plezier.

Je weet dat ik graag namen noem. Namen doen een tekst ontsporen. Waarom zou dat niet mogen? Een tekst is geen trein, er zitten geen echte mensen in. It’s all in your mind. Een tekst komt uit de verbeelding, uit het verleden, uit de woorden van oude idioten, uit beelden van andere teksten, uit jouw mond, uit jouw boodschappen en geintjes. Soms denk ik dat een tekst moet ontsporen om echt te zijn. Om niet als een vervelend obstakel de plaats in te nemen van het donkere object van je verlangen. Om de uitdrukking van een obsessie te zijn. Maar ik wijk af. Over obsessies wil ik het niet hebben, omdat ik nog niet meer namen wil noemen. Het moet netjes en overzichtelijk blijven. Je moet voorzichtig zijn. De wet naleven en je rekeningen betalen. Niet uit het oog verliezen wie je vrienden zijn. En de volle maan.

De wet echter weet niets van je avontuurlijke aard. De wet weet niets van je dromen. De wet geeft niet om jou. Voor de wet ben je een nummer, een geval, een case. De wet stuurt je rekeningen, deurwaarders, dokters, gewetensbezwaarden. De wet opereert je, geneest je en laat je weten dat je nog leeft en al of niet gehuwd bent. De wet geeft je een stem zonder waarde. De wet tekent je profiel. Wat betekent de wet dan nog? Nu de volle maan schijnt zou je net zo goed een bedrieger, een dief, een echtbreker, een pistolero, een gaucho, een maanzieke, een zot kunnen worden. Waarom niet? Een pervert, een nymfomane, een heilige, een mankepoot, een zielig figuur, een harlekijn, een kimono my house. Een, een, een.

Zo zit je je dan opeens op straat, zonder iets. Je zingt niet langer. Je zegt niets. Je hebt een bekertje in je handen. Je ruikt naar pis. Je vraagt niet eens meer om geld. Je houdt het bekertje omhoog. Wat geld voor wat bier. Een jonge vrouw die lekker ruikt geeft je een sandwich. Je ogen vochtig. Wat hoesten. Een herinnering van toen je aan een vijver zat te vissen met je vader. Van je vader die zei, wat ben jij een goeie visser. En dan weer terug op de Anspachlaan, uitgeblust met je beker in de hand. Je hand zoals je gezicht rood, opgezwollen. Zingen kun je niet. Je herinnert je geen woorden, van geen enkel lied, van geen enkele conversatie. Hoe heet je zus, je broer, wat is een hart, een alvleesklier, waarvoor dient een milt? Weg met die dingen. Ik wil geen organen. Alleen een euro voor een bier. Nu de volle maan schijnt is mijn dorst groot. Mijn dorst is groot, nu de volle maan op jou schijnt. Begrijp je me nu niet?