DE KANT VAN BARBARA SCHEPERS

Communiefeest in kleur, Tournebride, 1962

[Nachten aan de Kant. Intermezzo.]

Ik zat al een tijdje verstrikt in het delicate weefsel van mijn Antwerpse Nachten. Alles was er met alles en iedereen was er met iedereen verbonden. Of zo lijkt het alvast vanop een afstand van meer dan veertig jaar. Hoe kon ik mij uit al die touwtjes weer losmaken? Ik wist het niet meer. Ik kon geen stap vooruit zetten en terug gaan ging evenmin. Terwijl het einde van mijn levensweg zich met duidelijke tekenen aankondigde, waren mijn dagen op één lange nacht in een donker woud gaan lijken. Zeker, het is niet alleen dat weefsel, de stilstand houdt ook verband met de lange, haast uitzichtloze afzondering die met de pandemie samenhangt. Als je niemand meer ontmoet lijden al je vermogens daar onder. Je vergeet. Het wordt moeilijker je te concentreren, je taal gaat erop achteruit, eigennamen ontglippen je als stukken zeep uit natte handen.
In ‘Een avond bij Trimalchio’, het voorlopig laatste hoofdstuk van Antwerpse Nachten, waren Senga en ik pas in de vroege uren thuisgekomen. Ik had zowat comateus tot negen uur op de grond gelegen. Niet gevallen maar toch gevloerd. Senga had me niet de trap op gekregen, een man van lood.

Zou die enigszins tragikomische scène het einde worden van mijn Antwerpse kroniek? Daar begon het op te lijken. Ik had me echter van in het begin voorgenomen om er pas een punt achter te zetten na de definitieve sluiting van Het Pannenhuis, de roemruchte kroeg op het Hendrik Conscienceplein. Zover was ik nog lang niet. Maar ik kon toch ook niet eindeloos blijven doorgaan? Zelfs het eenvoudigste leven is onuitputtelijk. In elke biografie zijn er zoveel personages en achtergrondfiguren, zoveel gebeurtenissen, zoveel invalshoeken, zoveel stijlen, zoveel taalregisters, zoveel manieren om ze te vertellen. Geen enkel kunstwerk, muziekstuk, gedicht, boek, geen enkel verhaal is ooit helemaal af. Je moet alleen maar kunnen zeggen dat het genoeg is geweest. Maar wat onvoltooid blijft is daarom nog niet mislukt.

Toen ik enkele dagen geleden op het punt stond om in slaap te vallen heb ik vlug enkele namen genoteerd. Ik dacht terug aan verwanten, vrienden en kennissen die ik heb gekend in Neerharen. Dat kwam omdat in de zomer van 1979 Berb is gestorven, ik denk op 3 augustus, hoewel stamboomonderzoek mij leert dat het 3 september was. Kan er in die stamboom een fout zijn geslopen? De doodsbrief, die in de Dolfijnstraat in de bus zat toen we van bij Giuseppe waren thuisgekomen, kan ik maar niet terugvinden. Koortsachtig heb ik de voorbije weken ernaar gezocht. Ik heb tientallen oude en minder oude doodsbrieven teruggevonden, ook van mensen van wie ik me helemaal niets kan herinneren, maar niet die van Berb.

Berbs officiële naam was Barbara Maria Josephina Schepers. Zij is geboren op 25 oktober 1909 in Lanaken en was gehuwd met Jeang, wiens officiële naam Johannes Hendricus Welkenhuyzen was. Berb werd de nicht van mijn vader genoemd. Of dat waar is weet ik niet. De familieverwantschappen van de kant van mijn vader zijn voor mij altijd een mysterie geweest. Niemand sprak erover. Mijn vader was, zoals ik hier al vaker uit de doeken heb gedaan, een zogeheten natuurlijk kind. Berbs moeder werd Moe genoemd. Ik heb haar alleen maar gekend als een oud vrouwtje in het zwart dat altijd in een zetel zat. In haar handen een kleine zakdoek, een nog kleinere portemonnee en een paternoster. Ze sprak nooit een woord. Soms vroeg ik me af wat haar troebele ogen zagen. Met haar voorkomen, haar stilte en haar uitgebluste blik joeg ze me, vast ongewild, evenveel schrik aan als ’s nachts het getik van de wekker daar in dat huis, een geluid dat me bewust maakte van mijn hartslag en mijn moeizame ademhaling.

Jean Welkenhuyzen, coureur Henri, Barbara en de kleine Mathieu.


Barbara en Jean, zo wil ik deze gastvrije dorpelingen nu liever noemen, woonden in de Ladderstraat 249 te Neerharen. Voor mij een mythisch adres. Uit noodzaak heb ik er vaak gelogeerd, altijd met tegenzin. Alles was er volstrekt anders dan op het schip, dan het leven op de kanalen, in de havens en de dokken, waar ik zo vertrouwd mee was. Zelfs als het flink waaide was ik niet zo bevreesd voor het water, dat dan hevig tekeer kon gaan, als voor dat getik van de wekker in de Ladderstraat. Mogelijk was Moe de zuster van mijn grootmoeder, mijn vaders moeder, Anna Maria Brouns, geboren op 4 mei 1882 en overleden 16 juli 1947, drie jaar voor mijn geboorte in het statige Sint-Lucasziekenhuis te Ekeren, voorheen het Hof van Delft, dat inmiddels werd gesloopt. Ook als ik op Google Maps naar beelden van de Ladderstraat in Neerharen kijk, zie ik niet één herkenningspunt. Alsof een andere Groote Oorlog alle huizen heeft verwoest en een Bouwheer uit de Hel er nieuwe woningen heeft neergepoot. Vaak droom ik ervan om nog een keer door de straten van Neerharen te lopen, van aan het kanaal tot aan de Steenweg naar Maaseik en dan verder tot diep in het bos van Rekem en helemaal tot in Zutendaal. Maar ik besef dat dat een immense teleurstelling zou zijn. Van Anna Maria Brouns noch van Moe bezit ik ook maar één foto.

Die nacht schreef ik nog andere namen neer. Maria Welkenhuyzen. Henri Welkenhuyzen. Denise Gerets. Maria en Henri waren kinderen van Barbara (Berb) en Jean (Jeang). Ik zocht hun stamboom op. Maria trouwde met Johannes Julianus Gerets. Uiteraard gebruikte niemand zulke mooie namen. Iedereen noemde hem Jean. De meeste inheemse Limburgers hadden Franse namen, wat niet zo vreemd is als het lijkt maar daar nu op ingaan zou me te ver leiden. Maria zo stelde ik vast is al op haar 62ste overleden, in 1993. Haar broer Henri, die ik me nog als kapper herinner, hij had hetzelfde beroep gekozen als zijn moeder, was een goede vriend van mijn broer François. Soms gingen ze samen fietsen. Ze waren allebei wat toen nieuwelingen werd genoemd. Henri koerste stukken beter en stijlvoller dan mijn broer. François beweerde dat Henri pilletjes slikte. Bovendien had hij meer tijd om te trainen. Henri, zo ontdekte ik nu, overleed op 62-jarige leeftijd, op 20 april 2007 te Torrevieja in Spanje. Hij was getrouwd met Magdalena Baeten.

Tweede links is Henriette, derde links is Mitzi. Rechts op de foto Jean, de man van Maria (de vrouw met de witte blouse) en Denise zit naast het kleine meisje. Vooraan links is Valère.

Neerharen was een land van onschuld, een paradijs. Het was een plek van mysterie, van donkere wateren, de eeuwig stromende Maas, overstromingen, drijfzand, een dennenbos waar de zon nooit scheen en, dat wist ik met zekerheid, de vreselijkste dingen gebeurden. Ik ruik weer de boerderijen, hang rond op de begraafplaats achter de Sint-Lambertuskerk waar ik op zoveel grafstenen de namen Welkenhuyzen en Brouns ontcijfer. Ik fiets voorbij de kapel van Onze-Lieve-Vrouw-van Lourdes, lig op de Kup met een droommeisje dat ik nooit zal kussen. Ik huiver bij de diepe sluis en sta even te dagdromen bij het huis van de Sluismeester, waar Henriette woonde samen met haar zus Brigitte en haar vader Frans Pirlet en haar moeder Mitzi. Mitzi’s familienaam heb ik nooit gekend. Hongarije was toen een land aan het einde van de wereld. In Neerharen was ik een magere, heilige jongen. Ik had er erotische fantasieën van Henriette, Denise en Marie-Louise en wilde mij er, wat later, op het pad van de misdaad begeven. Indien mogelijk spion worden, in de voetsporen treden van James Bond. Of als Maigret de misdaad bestrijden. Jazeker, ik las veel Zwarte Beertjes. Mocht ik in Maastricht niet de provo’s hebben ontdekt en tegelijk de popmuziek van 1965 en, ingrijpender nog, in Bilzen de zomer van 1967 hebben meegemaakt, was ik misschien wel een soort van Patrick Haemers geworden. Geld, whisky en snelle wagens lieten mij in die dagen niet onverschillig.

Omdat ik moeilijk de slaap kon vatten schreef ik nog heel wat meer namen op. Die laat ik nu een tijdje in vrede rusten. Voorlopig wil ik niet weten wat er met al die mensen is gebeurd, met Valère bijvoorbeeld, helemaal vooraan op de foto, een beetje onscherp. Ik denk dat ik nu begrijp waarom ik vastgelopen was na dat feest bij Trimalchio. Ik moest eerst rouwen om zoveel mensen die ik meer dan een halve eeuw geleden heb liefgehad. Ik moest eerst de waanvoorstelling overwinnen dat ik al deze mensen van Neerharen met een of ander woord, met een of ander gebaar voor de dood had kunnen behoeden. Ik besefte dat zelfs de zanger Orpheus zijn Eurydice in de onderwereld moest achterlaten.

Familiefoto, 1962. Op de eerste rij: Denise Gerets, Henriette Pirlet (met klein meisje) en de plechtige communicant.

[1] Na het beëindigen van bovenstaande tekst ontdekte ik dat ook Henriette, mijn heldere ster, mijn eerste en enige nimf, niet meer in leven is. Prinses Henriette werd geboren op 24 januari 1951 te Maastricht en overleed op 24 juni 2019 te Hasselt. Henriette was omstreeks 1963 met haar ouders naar Hasselt, of mogelijk Diepenbeek, verhuisd. Sindsdien heb ik haar nooit meer teruggezien.

ZERO DE CONDUITE: BACK TO THE GARDEN

DSC_0005

Zéro de conduite is een sfeervol, (meestal) thematisch programma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Een muzikaal evenement van ongeëvenaarde kwaliteit! Stem af op Radio Centraal 106.7 FM: uniek in het zich steeds verder uitdijende universum.
Je kunt Zéro via
 streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere radiomakers.

De tijd van de duivels is voorbij. Tijd voor andere schepsels en creaties. Tijd voor de tuin. In een tuin voel jij je veilig. Zelfs in de jaren vijftig volop in de koude oorlog voelde jij je daar veilig. Ik echter heb in mijn jeugd nooit een tuin gekend en bijgevolg ook later niet. De diepe, kinderlijke ervaring van een tuin is mij vreemd. Als ik als kind al eens een stap in een tuin zette, voelde ik me daar ongemakkelijk. De geur van de aarde bracht me uit mijn evenwicht, de planten leken op dingen die ik soms in nachtmerries zag. Rabarber! De insecten, vooral regenwormen en mieren, maakten het voor mij onmogelijk om van een tuin te genieten.
De tuin is voor mij altijd een abstracte constructie gebleven. Van abstracte tuinen kan ik wel genieten. Tuinen in films, zoals in Il giardino dei Finzi Contini, The Cement Garden en The Draughtman’s Contract. Tuinen in boeken, opnieuw Il giardino dei Finzi Contini, de roman van Giorgio Bassani, In de tuin van Vita Sackville-West. De tuin als paradijs, als Eden, altijd onbereikbaar en daarom veilig. Een echte tuin is niet voor mij aangelegd. Ik zit haast nooit in een tuin.
Dit is, als ik het goed heb, de eerste keer in meer dan dertig jaar dat ik het thema ‘tuin’ heb gekozen. Nu ik opgesloten zit in een snikheet appartement in de stad met beneden mij een ontoegankelijke tuin. Ik ken niet één lied over tuinen dat me niet bevalt. Al zullen er ongetwijfeld wel bestaan. Het aantal lelijke creaties is oneindig.

Veel luisterplezier.

Journey From Eden – The Steve Miller Band – Recall The Beginning…A Journey From Eden
From Gardens Where We Feel Secure – Virgina Astley – From Gardens Where We Feel Secure
The Chill Air – Brian Eno & Harold Budd – Ambient 2: The Plateaux Of Mirror
The Garden of Jane Delawnay – Françoise Hardy – If You Listen
The Gardener – Bert Jansch – Jack Orion
Os grilos (The Crickets Sing for Anamaria) – Walter Wanderley – The Bossa Nova Exciting Jazz Samba Rhythms, Vol. 4 en Batucada
Under The Greenwood Tree – Donovan – A Gift From A Flower To A Garden
The Hissing Of Summer Lawns – Joni Mitchell – The Hissing Of Summer Lawns
The Gardeners – John Martyn – The Tumbler
Garden Of Eden – New Riders Of The Purple Sage – New Riders Of The Purple Sage
Safe In My Garden – The Mamas & The Papas – The Papas & The Mamas
Egyptian Gardens – Kaleidoscope – Side Trips
She Wandered Through The Garden Fence – Procol Harum – A Whiter Shade Of Pale
Blackbird – The Beatles – The Beatles (White Album)
Fruit Tree – Nick Drake – Five Leaves Left
Not So Much A Garden, More Like A Maze – Michael Chapman – Rainmaker
The Garden Of Earthly Delights – The United States Of America – The United States Of America
Lawns Of Dawn – Nico – The Marble Index
Moss Garden – David Bowie – “Heroes”
Hong Kong Garden – Siouxsie & The Banshees – Once Upon A Time: the Singles – McKay, Morris, Sioux, Severin –
Garden of the Moon – Dennis Coffey – Evolution
Rose Garden – Joe South – Introspect
Mind Gardens (Alternate Version) – The Byrds – Younger Than Yesterday
Thorn Tree In The Garden – Derek & The Dominos – Layla & Other Assorted Love Songs
Sunken Garden – William Tyler – Modern Country
Milly’s Garden – Steve Gunn – Way Out Weather
Gates Of The Garden – Nick Cave & The Bad Seeds – No More Shall We Part
In The Garden – Van Morrison – No Guru, No Method, No Teacher
How Sweet I Roamed From Field To Field – Acetone – 1992-2001

Bonus Tracks

Life Away From The Garden – Damien Jurado – Maraqopa
The Gardens – Dave Alvin & Jimmie Dale Gilmore – Downey To Lubbock
In The Garden – John Prine & Mac Wiseman – Standard Songs For Average People
Woodstock – Ian Matthews & Matthews’ Southern Comfort – Later That Same Year
Down In The Willow Garden – Kristin Hersh – Murder, Misery And Then Goodnight
Garden of Lavender – Sun Kil Moon – Universal Themes
The Garden Song – Amanda Shires – Down Fell The Doves
The Garden Of Earthly Delights – Josephine Foster – This Coming Gladness

 

Research, presentatie en techniek: Martin Pulaski

EENZAAM IN UTOPIA

Charles Fourier 1772-1837

Ik voel me niet verbannen uit het paradijs. Er is geen paradijs, tenzij als metafoor voor de kindertijd. Maar zijn kinderen dan zo gelukkig? In de baarmoeder wellicht, of aan de borst van moeder. Er is ook iets paradijselijks in het eeuwige nu. Dat de tijd niet bestaat als je speelt, als je hele dagen in de bomen zit. En aan de zomer komt geen einde.

Eenzaamheid is meestal een zegen. Maar je kunt alleen genieten van je eenzaamheid als je de anderen hebt om je leven en je eenzaamheid zin te geven, zinnen te geven. Het gebabbel hoeft niet per sé, ook niet het getater (hoewel dat ook vrolijk kan klinken), maar wel het gesprek. En dan in je gulzige eenzaamheid weer halsreikend uitkijken naar een volgende ontmoeting, een volgende dialoog.
Er is ook niets mis met utopisten die paradijzen bedenken. Wel is er soms, vaak zelfs, iets mis met de uitvoerders ervan. Le Corbusier was een dromer. Maar wat hebben geldwolven met zijn dromen gedaan? Geef mij toch maar de reële droom van Facteur Cheval. Geef mij maar de vraag waarom ik dit schrijf. Waarom schrijf ik dit en deel ik dit mee? Omdat jullie me dierbaar zijn, onbekende lieve mensen? Omdat ik aan de overzijde troost en schoonheid vermoed? Break on through to the other side… Als ik toch maar een sirene was!

“Like Neal (Dean/Cody) who couldn’t WRITE it you know so busy living the Pure”
Bob Holman over Jack Kerouac, neen, over diens vriend Neal Cassady, die model stond voor onder meer Dean Moriarty, de held van On The Road.

Mijn excuses aan de fans van Goldfrapp, die hier een stukje over hun favoriete song hadden verwacht.

EENZAAMHEID EN PARADIJS

In het paradijs bestaat geen eenzaamheid. Een uitzonderlijke of geniale enkeling is er ondenkbaar. Zonderlingen en eenzaten, met een eigen wil, zijn er niet welkom. Overigens is de enkeling per definitie eenzaam. Hij lijdt omdat hij weet dat er voor hem geen paradijs is weggelegd: eenzaamheid en paradijs sluiten elkaar uit. De utopie van een paradijs, een gouden tijd, verwijst altijd naar de eenzaamheid, de mislukking van degene die een dergelijke utopie creëert.

dante2

“Dit kan niet zijn en dient door u begrepen,
als liefde wet is in het rijk der zaligen,
en u voor ogen staat van liefde ’t wezen.
Juist tot het wezen van dit hemels leven
behoort het in de wil van God te blijven,
opdat in allen slechts één wil zal heersen.”

Dante, Paradiso, iii, 76-81.

HOE NEEM JE AFSCHEID?

COO

De seizoenen volgen elkaar vliegensvlug op. Het is nog maar net m’n verjaardag geweest en ik ben al opnieuw aan de beurt. Ons leven op aarde is een korte vakantie (of een werkkamp, zo je wilt). We zijn nergens gelukkig maar willen toch blijven. Dat is paradoxaal. Je komt dat bij heel veel schrijvers tegen: het beste is zo snel mogelijk terug te keren naar waar we vandaan komen. Ook bij Leopardi, in ‘De herinneringen’, een van de mooiste gedichten die ik ken. Het leven op aarde is een hel, maar we zijn verontwaardigd als we worden verdreven. Leven is afscheid nemen. Elke dag moet je van iets afscheid nemen. Als we op reis zijn, zeg ik vaak tegen Laura: hier komen we nooit terug. En dan overvalt me zo’n wee, droevig gevoel. De meeste streken die we hebben bezocht, zullen we nooit weerzien. En dan zijn er nog zoveel plaatsen op deze wereld die we nooit zullen bereiken: Azië, Afrika.

‘s Nachts voor het slapengaan komt het vaak voor dat ik plotseling denk, het is toch een groot bedrog dat wij moeten sterven. Leven is eigenlijk iets dat niet mag ophouden. Sterfelijkheid is een schande, zei Elias Canetti. Afscheid nemen is voor mij altijd moeilijk geweest. Afscheid van mijn moeder toen ik naar ‘de kolonie’ (het Kinderdorp in Rekem) moest, op mijn achtste. Ik had tot dan in de veilige cocon van het schip en kort bij de warmte van mijn moeder geleefd. ’s Nachts het geklots van het water, dat zal hebben geleken op de tijd in de baarmoeder. Of het gebonk van de motor, als vervanger van het hart. Verdreven worden uit de baarmoeder is verdreven worden uit het paradijs. Roger Lewinter: “Précisément parce que l’être humain se conçoit dans un dehors extatique, où il s’élabore en dedans, après la naissance, expulsion du paradis, pour retrouver l’adéquation existentielle, l’état duel, confusionnel, du dehors-dedans, le dedans doit devenir à soi-même son dehors. Le corps, après la naissance, est ainsi le lieu de tout dehors, où l’être humain se représente la relation paradisiaque initialement vécue dans la matrice. » (Groddeck et le royaume millénaire de Jerôme Bosch,20.)

Soms sta ik voor mijn boeken en wordt het me teveel omdat ik dan besef dat ik de meeste werken nooit meer zal lezen. En mijn platen- en cd-collectie is zo groot, dat ik er nooit voldoende tijd voor zal vinden om alles te beluisteren, zelfs niet één keer. (Toch wel gek dat je dan toch CD’s blijft kopen, als je weet dat je ze misschien maar één of twee keer zal beluisteren. Na een maand afwezigheid uit de winkels heb ik vandaag weer heel wat schade ingehaald. Zo zit ik nu te luisteren naar Devils and Dust, niet slecht maar ook niet echt ontroerend.).

De melancholie van de middelbare leeftijd. Mijn jeugd is voorgoed voorbij. Maar in mijn bewustzijn ben ik een jonge man gebleven. Ik voel me misschien wel beter bij jongere mensen. Mijn leeftijdgenoten hebben het gemaakt in de maatschappij. Er gebeurt niets nieuws meer in hun leven. Ze staan niet meer open voor ‘het nieuwe’, denk ik soms. (Maar ik mag niet veralgemenen. Ik heb vrienden van mijn leeftijd die helemaal niet aan dit beeld beantwoorden. Zij hebben zich nooit aangepast aan de middelmaat.) Bij jonge mensen voel ik me goed. Maar ik weet niet hoe zij mij zien. Waarschijnlijk ben ik voor hen een oude kerel. Ik geloof niet dat vroeger alles beter was. Ik heb geen nostalgie naar een bepaalde periode. Wel naar dingen die gebeurd zijn in mijn jeugd, omdat ik toen jong was. Als je jong bent is altijd alles beter. Het pijnlijke van je bestaan is dat je niet jong meer bent. Dat zegt Leopardi ook in De herinneringen.Het geeft mij een elegisch en bitter gevoel te weten dat wij moeten verdwijnen en dat de dingen blijven. De stoel waarop ik zit, de tafel waarop mijn koffie staat te dampen. De boeken die ik heb gelezen of die ik in mijn handen heb gehouden blijven na mijn dood achter. Ik houd ze nu samen, ik heb ze bijeengebracht. Als ik dood zal zijn, zullen ze hun betekenis verliezen. Denk maar aan wat er met de boeken van Jos is gebeurd, na zijn dood. Ze hebben hun lezer verloren, die ze leven gaf, ze zijn betekenisloos geworden en mensen met ruwe zeden hebben ze in dozen gestopt en naar markten en tweedehandsboekenwinkels gebracht. Kopers zullen wellicht geprobeerd hebben zijn naam te verwijderen, evenals het gekke ventje dat hij altijd bij zijn naam zette. Dat ons leven korter is dan dat van een boom. Is het daarom dat sommige mensen zo graag bomen omhakken, hele wouden platbranden? Het regenwoud in Brazilië wordt grondig aangepakt. Is het jaloezie van sommige mensen? Kunnen zij het niet verdragen dat het woud hen overleeft en zuurstof zal geven aan hun kinderen en kleinkinderen. Kinderen worden het meest geliefd op aarde. Dat zegt iedereen. Maar als je ziet wat er met het regenwoud gebeurt, ga je daar toch sterk aan twijfelen.

Tussen mijn twintigste en dertigste voelde ik mij heel sterk aangetrokken door alles wat melancholisch was. Vooral de romantiek. Schrijvers als Shelley, Heinrich Von Kleist, Leopardi, Gérard de Nerval. Dat heeft wel sporen nagelaten, denk ik. Wat hield ik van de zwarte zon van de melancholie.
Eigenlijk zijn er twee vormen van melancholie, tenminste twee vormen: de ene is de zoete melancholie waarbij je terugdenkt aan de gouden tijd van je kinderjaren, de andere is de wrange, tragische melancholie, waarbij je beseft dat je sterfelijk bent, en dat je leven kort is.

Ik heb vandaag een boek gekocht van Martha Nussbaum om geen enkele andere reden dan dat het over emoties gaat. Ik ken die Nussbaum niet, maar emoties wel, en ook de afwezigheid ervan. Waarom zijn de mensen zo afstandelijk, verbergen zij hun emoties, hun gevoelens? Waarom zijn ze er niet als je hen het meeste nodig hebt? Ook weer retorische vragen, natuurlijk, want ik ben zelf een mens. Heel vaak ben ik afwezig geweest, heel vaak ben ik afwezig. Probeer het maar eens, vraag mij eens iets, neem de proef op de som. Terwijl ik naar Bruce Springsteen luister wacht ik af in mijn kamer.

Foto: met mijn ouders en hun vrienden bij de Waterval van Coo