NACHTEN AAN DE KANT (8): ZONE

The Lost Weekend - Still #2

Op 1 januari van datzelfde jaar stond ik voor onze deur met een mondharmonica in mijn rechterhand. Dat was toch mijn huissleutel? Bezat ik magische krachten, wilde ik Sonny Boy Williamson – die tijdens het spelen zijn instrument min of meer inslikte – overtreffen? Een ding is zeker, ik raakte binnen en vond de weg naar mijn bed waar ik veel later met bevende handen wakker werd, een evenbeeld van Ray Milland in de film Lost Weekend. Melk, ik moest dringend melk drinken.

Na dat pijnlijke ontwaken herinnerde ik me nog maar weinig van mijn miserabele en wonderlijke eindejaarsnacht. Pas toen Senga mij over een paar voorvallen had verteld trok de mist wat op. Senga zei dat ik veel had gedanst en dat ik een voorkeur had gehad voor kleine meisjes. Ze bedoelde niet dat ik pedofiele neigingen had gehad, ze had het over de gestalte van de meisjes. Klein maar wel voldoende volwassen om tequila te mogen drinken. Ik had geen last gehad van mijn gebruikelijk schroom of terughoudendheid, zei ze. Voor Senga had ik maar weinig aandacht gehad, ging ze verder. Terwijl je er nochtans zo sexy uitzag, zei ik. Wat is dat met mij, dat ik zo’n mooie vrouw heb en me soms toch heel sterk aangetrokken voel tot andere meisjes? Tequila en peppillen werken die demonische begeerte dan ook nog eens in de hand.

Om middernacht of later vertrek ik naar de Zone. Als ik daar verblijf zie ik geen mensen meer, alleen schimmen in beweging, kleurenexplosies, lichtschakeringen. Ik hoor ritme, rumoer, lage tonen, gefluister dat als fluweel aanvoelt, gestamel. De contouren van een gezicht, handen die gesticuleren. Mijn blik gaat omlaag, ik zie witte enkels, rode laarsjes, dan gaat hij hoger, het oh yeah van de Junior Murvin tegemoet, tot aan de borsten, de hals, de kin van een meisje dicht bij me. Een seconde de blik in haar ogen. Fellere kleuren, veel wit. Altijd afstand tussen mij en het meisje. We komen elkaar niet nader. Een glimlach, misschien. En toch ook Eros die via de vloer aan de danspartner wordt doorgegeven, elektrische schokjes. Via klank dring je binnen in de andere. Je wordt er één mee.
Al na één glas tequila wordt mijn identiteit vloeibaar, etherisch. Ik ben niet langer mezelf maar wordt ook geen andere. Ik ben de Zone geworden. Dat geheel waar ik deel van uitmaak heeft evenmin een vaste vorm. Als iemand dan weggaat zie ik het niet. Mogelijk is het dat wat ik wil vermijden. Omdat ik niet verdraag dat iemand weggaat doe ik er veel voor om dat niet te zien.

zone tarkovsky 1

Waar waren we? Het was een party met veel tequila. Waar waren we geweest, wat hadden we gedaan? Terwijl ik van de melk dronk vertelde Senga me dat ze naar me toe was gekomen om me te zeggen dat ze naar huis wilde. Ze was moe, het was al na middernacht. Maar ik heb Senga toen niet gezien en niet gehoord. Blijf jij nog hier, vroeg ze. Ja, ik blijf nog, zei ik, vertelde Senga me. Ga jij maar naar huis, ik vind het niet erg, zei ik, aldus Senga. Senga was teleurgesteld, boos. Ze had dezelfde tequila gedronken als ik. Ik herinner me niets van haar woorden, van mijn woorden.
Opeens zie ik een scène weer voor me. Ik hoor Guillaume en Renée zeggen dat ze goed voor me zullen zorgen en me heelhuids thuis zullen brengen. Het komt allemaal in orde. De tequila party, ik herinner me nu veel reggae, is afgelopen. De vrienden zakken af naar de stad, de kant zeggen ze in Antwerpen. We waren niet weggegaan uit Zurenborg, herinner ik me nu. Al leek alles erop dat ik in een ander land was geweest. Jamaica? Haïti? Ja, de vrienden gaan weg. Ik wil mee, maar moet dringend plassen. Al die tequila, er komt maar geen eind aan. Iedereen zal nu wel weg zijn. Ik blijf alleen achter. Gelukkig heb ik een vriendin met mededogen: Renée heeft op me gewacht. We lopen samen over de Dageraadplaats, waar Senga zich achter een boompje heeft verscholen. Ze is dan toch niet haar huis gegaan. Ze staat me te bespioneren… Het duurt even voor ik haar in het oog krijg. Ze zal willen nagaan hoe trouw ik wel ben. Woedend loop ik naar haar toe. Midden op de Dageraadplaats maken we een scène. Zo’n ruzie tussen twee geliefden duurt wel wat: inmiddels zijn de vrienden vertrokken. Ga maar naar de Cereus, zegt Senga. Renée en Ria zitten daar. Ik geloof er geen woord van maar loop er toch naartoe. Daar, in ons stamcafé, bel ik alle taximaatschappijen op die Antwerpen rijk is. Niet een taxichauffeur is bereid om tot Zurenborg te komen. Het is oudejaarsnacht. Daar is Johnny Pappas. Ik vraag hem of hij niet meegaat naar de stad. Nee, dat wil hij niet. Hij gaat nooit meer naar de stad. Nooit ofte nooit meer, zegt hij. De kant, zegt Johnny Pappas. De duistere kant, dat zeggen ze er in Antwerpen niet bij. Johnny Pappas had eerder op de avond bij Guillaume en Renée thuis margarita’s voor ons gemixt, vertelt Senga me.
Als er geen taxi komt ga ik te voet, zeg ik. Ik loop door de Rolwagenstraat. In deze toestand zal ik niet ver komen, besef ik. En geen enkele taxi te zien. Ik ga in het midden van de straat lopen om een auto tegen te houden. Die zak rijdt gewoonweg door. Geen genade. Op het laatste moment spring ik opzij. Net niet omver gereden. Dat spel herhaal ik een drietal keer, tot er dan toch een taxi voor me stopt.

Get into the car
We’ll be the passenger
We’ll ride through the city tonight
See the city’s ripped backsides
We’ll see the bright and hollow sky
We’ll see the stars that shine so bright
The sky was made for us tonight

11 7b_edited3

Ik neem nog een flinke slok heerlijk koele melk en zucht eens diep. Je ziet er niet gezond uit, zegt Senga. Nee, dat geloof ik best, zeg ik, maar ik heb toch zin om lekker met je te vrijen. Ik voel me zo geil. Ik ook, zegt Senga, ik heb ook zin. Ik herinner me dat ik in de Wolstraat uit de taxi stap. De plaats waar ik moest zijn, maar dat dringt niet meteen tot me door. Ik loop een andere straat in en dan nog een en nog een. Onderweg haal ik mijn mondharmonica uit mijn jaszak en beeld me in dat ik Sonny Boy Williamson ben en ik Nine Below Zero kan spelen, niet beter dan hij maar ik kom in de buurt. Dan sta ik pal voor De Gnoe, het café dat ik zocht, toch? Guillaume omhelst me als eerste: hij is zo blij dat ik toch nog gekomen ben. Renée zit te slapen, haar blonde hoofd op een grote ronde tafel. Ria staat kringetjes te dansen.
Nu ben ik ook aan het dansen. Af en toe haal ik bier en praat dan even met de twee barmannen. De ene heet Rudi, zegt Rudi, de andere daar dat is Jan. Ik begrijp dat Rudi niet veel tijd heeft, het is druk in De Gnoe. Guillaume, die nu naast me aan de toog staat, gaat die twee grieten daar versieren zegt hij. Grieten, dat wordt in Antwerpen gezegd, het is niet denigrerend bedoeld geloof ik. In het begin dacht ik dat ze het over vis hadden.
Weer op de dansvloer met Ria. We proberen rock-‘n-‘roll te dansen, wat door mijn gebrek aan ervaring geen sinecure is. Vlot, dat wel, maar het probleem is dat ik in de ene richting draai en Ria in de andere. Wil jij niet liever leiden, Ria? Vanaf dan gaat het beter, gaat het zelfs goed: ondanks de drank, de vermoeidheid, het late uur dansen we als… dansers. Dat was goed hé, zegt Ria. Nu kan er dit jaar niets meer mis gaan, zeg ik. 1978, zegt Ria.

Ach, die bitterzoete kroegen vroeg in de ochtend, de toog, de tafels, de stoelen, de vloer, de mouwen van mijn jas nat van het bier. Mijn dwaze dronkenmanspraat. Zwijgen zou beter zijn. Er gewoon maar zijn. Vind je niet? Niets tegen je zeggen. Met wie sta ik te praten? Wie ben je ook alweer? Renée schrikt wakker. Zouden we niet eens naar huis gaan, zegt ze.
Met zijn vijven, Renée, Guillaume, Ludo Mich en Frieda – die boven de Unic aan de Dageraadplaats wonen – nemen we een taxi. Zul je je weg wel vinden vraagt Frieda als we uitstappen. Natuurlijk, de Dolfijnstraat is maar een boogscheut van hier, een worp met een dobbelsteen. In de Dolfijnstaat, daar zoek ik de dolfijnen op. In nog te schrijven woordenboeken. Morgen, overmorgen, als de tijd gekomen is. Als Ludo en Frieda de deur achter zich toetrekken haal ik mijn mondharmonica uit mijn jaszak. Natte mouw verdomme. Een solsleutel. Daar is de zon. Gedaan met de nacht.

sonny boy williamson

Afbeeldingen: Ray Milland in The Lost Weekend van Billy Wilder; Stalker van Andrej Tarkovski; Senga in 1977; Sonny Boy Williamson.

Titel: ik heb de titel gewijzigd omdat deze verhalen niet alleen maar over café Het Pannenhuis gaan, wat aanvankelijk wel de bedoeling was. En het blijft mijn intentie om over de mensen die ik daar ontmoette te schrijven. Dat ga ik zeker doen, ze verdienen dat. Maar wat daaraan voorafging had meer aandacht nodig dan ik dacht. Zodoende.

The Passenger is een song van Iggy Pop en Ricky Gardiner uit de elpee Lust For Life, verschenen in 1977.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS 7: ROUND MIDNIGHT

the who 1

Zonder Senga naar de bioscoop dan maar, ‘In Kluis’ van Jan Gruyaert. Uitzonderlijk toch eens een Vlaamse film die me bevalt, al mag je mij gerust een bewonderaar van de Vlaamse Filmkens van John Flanders / Jean Ray noemen, maar dat is une autre paire de manches.
Als ik weer op straat sta is het al laat, en ik ben alleen. Zeker, ik voel weer de lokroep van de oude stad tjokvol leven en licht en mensen in beweging en overal muziek en feest. Mijn hart gaat sneller kloppen, in mijn hoofd een oude melodie en deze woorden:
The kids are hip and they can dance all night
In the city all the girls are pretty and they go:
“Come along
Into the city”…
Maar wat zoek ik daar echt? Moet ik morgen dan niet fris zijn, moet ik naarstig doorwerken aan mijn verhaal? Doen wat moet worden gedaan? Ik weet het niet… Er moet iets zijn in deze stad, in alle grote steden. (Iets dat even onbenoembaar is als de ervaring die ik een maand of zo later had toen ik vanuit de trein van Hasselt naar Antwerpen de kerktoren van Tienen zag.)
Maar kijk, hier ben ik al waar ik zijn moet en voor de laatste tram naar huis is het te laat. Even binnenstappen in het Pannenhuis, daar zit altijd wel iemand die ik ken. Vanavond niet, er is niemand. Alleen Toulouse en Greta, die er moe uitzien en duidelijk geen zin hebben in een babbel. In de Kroeg evenmin iemand. In de Gnoe zit Ariane met wat vrienden. Wat hebben die cafés toch stuk voor stuk idiote namen. Pannenhuis, Gnoe, Kroeg, jongens toch, een beetje verbeeldingskracht asjeblieft. Waar is Giusseppe? Ariane weet het niet. In de Cintrik, nog zoiets, wat betekent dat nu weer, staan wel wat mensen die ik ken maar wat heb ik ze te vertellen? Waarover kunnen we praten? Werkloosheid, het weer? Tim, Clara, Richard. Nee, liever niet. Je hebt zo van die dagen dat je denkt op zoek te gaan naar gezelschap – menselijke warmte! – maar dat het je om één vriend is te doen. Dat overkomt me wel vaker. Mogelijk rest me maar één echte vriend en kunnen alle anderen me gestolen worden. Een vriend met wie ik mijn getroebleerde wereld kan delen. Terug naar de Gnoe dan maar en daar is hij dan toch, Giuseppe. Maar is hij het wel? Wat ziet hij er vreemd uit. Hij heeft een zonnebril op, molenwiekt met zijn armen op de manier van Pete Towshend als die gitaar speelt. Zijn hele houding heeft iets dreigends. Ik ben ziek, zegt hij. Mijn oog is ontstoken, wil je het zien? Inderdaad, zijn linkeroog zit vol groene etter. Giusseppe heeft me iets belangrijks mee te delen. Maar niet hier, zegt hij, hier in de Gnoe zitten te veel opdringerige mensen, zoals die Ariane. Naar het Pannenhuis dan maar, de witte oase. Wat loopt hij op een gekke manier, iets aan zijn voetzolen misschien? (Later zou het me in de film Round Midnight van Bertrand Tavernier opvallen dat Dexter Gordon op bijna dezelfde manier loopt.)

dexter gordon - francis wolff

Het eerste wat ik als we het Pannenhuis binnenstappen hoor is de donker-erotische stem van Nico:
It was a pleasure then / To see the dying days again / In horror of the nights / Never never never / Never be too bright.
Op zijn vaste plaats aan de toog staat Guillaume: ik wil hem groeten. Maar Giusseppe rukt me aan mijn mouw. Nee, roept hij, IK KAN DIE VENT NIET UITSTAAN. Omdat ik me schaam voor de vijandigheid van mijn vriend loop ik dan maar vlug door naar achter in het café. Daar zit Renée Strubbe te praten met een vriendin. Ik gedraag me zo onopvallend mogelijk. Maar hoe kan ik me in dit helder verlichte café verbergen? Ik begin te vermoeden dat Giusseppe op zoek is naar zijn geliefde Hilde en haar niet kan vinden. Dat maakt hem zo woest. Ariane interesseert hem niet. Hij heeft een afkeer van die vrouw, roept hij. En aan mij heeft hij nu niets. Wat wilde hij me dan vertellen? Nu loopt hij op en af in het Pannenhuis, een opgewonden maniak. Af en toe haalt hij een van zijn mondharmonica’s uit zijn jaszak en blaast er iets woedends in. Ik vermoed dat hij nogal stoned is, de verkeerde pillen geslikt, slechte shit gerookt, weet ik veel. Hij is niet in de stemming om me daarover iets mee te delen.
Van lieverlede ga ik dan maar wat in de Rolling Stone zitten lezen. Ik vind een artikel over de dood van Keith Moon, gestorven van een te hoge dosis slaappillen [1]. Kennelijk was het een ongeluk, geen zelfmoord. Keith Moon wilde intenser leven dan om het even wie. De uitzinnige chaos die het leven voor hem was had van hem een razende gek gemaakt. Wat niet belette dat hij samen met Ginger Baker een van de beste rockdrummers was. In zijn ruigste momenten lijkt het wel of hij zijn drumstel wil mishandelen, zoals sommigen dat met een dier doen omdat ze niet kunnen verdragen dat het wat wild is en er hun wil niet kunnen aan opleggen. Stond Keith Moon’s drumstel het leven in de weg? Daar leek het op. En alles wat het leven in de weg stond moest eraan geloven. Well, here’s a poke at you / You’re gonna choke on it too / You’re gonna lose that smile / Beacuse all the while / I can see for miles and miles… Keith Moon is gestorven aan overdaad maar zeker ook aan overmoed, hybris, wat tot verblinding en uiteindelijk tot de ondergang leidt. Alsof dat niet volstaat vind ik in diezelfde Rolling Stone nog een artikel over de dood van Jack Kerouac [2]. Ti Jean. Terwijl hij zat te schrijven kreeg hij een maagbloeding die hem  fataal werd. De doodsoorzaak was levercirrose. Ik moet voorzichtiger worden. Minder gaan drinken. Die ellendige hypochondrie van mij steekt weer de kop op. Dat volle, dat intense leven, verdomme. Jack Kerouac, Elvis, Keith Moon, wie volgt?

Tanzkeller_Lausanne

Ik laat Keith Moon, Jack Kerouac en Elvis achter in hun diepste slaap en kijk op. Waar is Giuseppe? Hij is naar huis, mompelt Toulouse. Er zit maar een ding op om mijn donkere gedachten te verjagen: gaan dansen, eerst in Cinderella’s Ballroom, daarna in de Gnoe, waar de euforie nog net iets langer voortduurt en de meisjes, die er minder punky cool zijn, meer van het hippietype (wat ook wel beter past bij de naam Gnoe), nog wat wilder dansen, zeker als er muziek van the Rolling Stones, Small Faces en Herman Brood wordt gedraaid. Johnny Pappas zit aan de toog. De man doet me opnieuw aan Francis Bacon denken. Kijk toch eens naar Rina, roept hij uit als hij me ziet. Wat een mooie vrouw is me dat toch! Rina is een ster uit de hemel van Hollywood. In haar dromen is ze dat zeker. Maar is er iets mis met dromen? Misschien is ze echt een ster uit Hollywood.
Ariane en haar vriend dansen rock-‘n’-roll. Jiven noemen ze dat in Antwerpen. Vincent, of hoe heet hij ook alweer? Niemand kan zo goed jiven als die twee. Ze vraagt me of ik weer alleen ben. Ik knik. Ziet ze dat dan niet? Een Bolleke voor jou? Jazeker. Veel liever had ik met haar met veel verve rock-‘n’-roll gedanst. Als een slanke, lenige halfgod, iemand die ik nooit ben geweest en ook nooit worden zal. Geen sprake van dat ik ooit met Ariane rock-‘n’-roll zal dansen: Vincent kan het duizend keer beter.

Om zeven uur wordt in de Gnoe op de tafels gedanst, maar mij wordt het allemaal teveel. Of te weinig. Ik ben te zeer mezelf, te nuchter. Eenzaamheid vergiftigt mijn hart. Buiten is het beter: een zachte ochtend in oktober, frisse lucht. Tijdens de rit naar huis met de oude vertrouwde tram 11 laat ik de verspilde nacht wegzinken in het moeras van duizend andere nachten, duizend andere vergeten dromen.

jack kerouac

[1] Keith Moon overleed op 7 september 1978. Later bleek dat het van een overdosis Chloormethaziol was, een middel dat hij had voorgeschreven gekregen voor het bestrijden van zijn alcoholverslaving. In the City is een enigszins obscure song van the Who, geschreven door Keith Moon en John Entwistle.
[2] Jack Kerouac overleed op 21 oktober 1969, vijftig jaar geleden.

Afbeeldingen: the Who; Dexter Gordon door Francis Wolff; rock-‘n’roll bij de Zwitsers; Jack Kerouac.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS 6: WERELDVERBETERAARS?

under the volcana

Om het inner sanctum van Cinderella’s Ballroom te bereiken moest je een aantal hindernissen nemen. Eerst moest je een vervaarlijk uitziende buitenwipper passeren, het was belangrijk dat je die te vriend hield, vervolgens moest je een nogal gladde en weinig verlichte trap af. Noem het maar een afdaling in het inferno, waar evenwel de extase in het verschiet lag. Je mocht vooral niet te vroeg komen, zeker niet voor middernacht want dan stapte je een koude, vochtige en nogal lege kelder binnen. Het waren pas de muziek van DJ Maryse en de dansers – die omstreeks één uur binnenstrompelden en er voorlopig nog een beetje als living dead uitzagen maar al gauw tot leven werden gewekt – die de hel in een kortstondig, vurig paradijs veranderden. Een paradijs dat wij zo lang mogelijk wilden laten duren. Wie zou dat niet willen?

Het Pannenhuis, dat was van licht gemaakt. Je stapte binnen door een eenvoudige deur en je was vrij van beslommeringen, van zwaarte. De tijd kwam een tijdje tot stilstand. Ik kan me er geen ernstige ruzie of een handgemeen herinneren. Het tijdperk van de hippies was definitief voorbij, dit waren zonder twijfel andere tijden: de late jaren zeventig betekenden crisis, armoede, werkloosheid, opkomend individualisme. En toch was het Pannenhuis doordrongen van een lieve, zachtaardige sfeer, of hoe zal ik het noemen? Mogelijk was er toch iets van de spirit van de idealistisch experimenterende jongens van Pink Floyd blijven hangen, van A Saucerful of Secrets? Zoals in Remember a Day van Richard Wright, de toetsenspeler van de band.

Remember a day before today
A day when you were young.
Free to play alone with time
Evening never comes.
Sing a song that can’t be sung
Without the morning’s kiss
Queen, you shall be it if you wish
Look for your king
Why can’t we play today
Why can’t we stay that way

Thomas-Bernhard-Vienna-Photograph-1970

Op een late middag zat ik aan de toog. Ik raakte aan de praat met Brigitte van Cleynenbrogel. Ik weet niet meer heel precies waar ons gesprek over ging, wel dat het meisje me opviel als iemand met karakter. We hadden het zeker over boeken en schrijvers. Brigitte raadde me Thomas Bernhard aan, een Oostenrijkse schrijver waar ik nooit van gehoord had. De enige hedendaagse Oostenrijkse schrijver die ik kende was Peter Handke. Brigitte had van Bernhard De kalkfabriek bij. Ze had het boek uit, ik mocht het hebben. Het begon zo:
Maar in plaats dat ik tijdens dat op en neer lopen aan de studie denk, schijnt hij tegen Wieser gezegd te hebben, tel ik mijn stappen en word daardoor half gek.
Ik was er meteen weg van. Zo leerde ik die heel bijzondere en voor mij invloedrijke romanschrijver en toneelauteur kennen. En niet alleen voor mij invloedrijk. Onder meer van De wereldverbeteraar, Het jachtgezelschap, Ritter, Dene, Voss en Alles is rustig zag ik boeiende voorstellingen. Toneelgroep Stan heeft zich zo’n beetje in het werk van de pessimistische Oostenrijker gespecialiseerd.

don't look now 1

Na een nacht in de Cinderella nodigde Brigitte ons een keer uit in haar nogal apart appartement. Lag de vloer niet met scherven van spiegels bezaaid? Dronken we niet het ene glas volle, ijskoude melk na het andere? Een jaar of twee, drie later zou ik vaststellen dat mijn nieuw vriend, Patje, met wie ik van 1983 tot 1991 het radioprogramma Shangri-La maakte, en zijn vriend Dédé in diezelfde flat woonden, nu zonder spiegelglas en zonder melk. Brigitte was een vriendin van Gabriëlla (iedereen noemde haar Bie). Dat ontdekte ik wat later, tijdens een voorstelling van de gedenkwaardige film Don’t Look Now van Nicolas Roeg in het Filmhuis, een zaaltje vlakbij de Stadswaag, waar ook Cinderella’s Ballroom was gevestigd en waar we wat later zelf met ons Aurora-clubje poëzieavonden zouden organiseren. Ik weet niet wat er met Brigitte is gebeurd. Ik heb haar nooit meer teruggezien. Opeens was ze verdwenen. Is ze niet in een commune ergens in de Kempen gaan wonen? Met Gabriëlla gaat alles goed, denk ik. Elkaar terugzien wil evenwel niet lukken. Zij en haar toenmalige vriend Max Borka woonden een poos in een appartement tegenover ons in de Lamorinièrestraat, waarnaartoe wij vanuit de Dolfijnstraat met spijt in het hart waren verhuisd. We kwamen vaak bij elkaar over de vloer. Zeker toen Max – die toen nog Frank heette – en ik op Radio Centraal in 1982 datzelfde programma Shangri-La gingen maken.

In het Pannenhuis had ik met Max lange gesprekken. Vaak gingen die over Malcolm Lowry en zijn hoofdwerk, Under the Volcano, het verhaal van Geoffrey Firmin, een aan alcohol verslaafde Britse consul in het Mexicaanse stadje Cuernavaca. De roman speelt zich af op de Dag van de Doden in 1938-1939. Terwijl je leest lijken uit de bladzijden van het boek walmen van mescal en tequila op te stijgen. Als ik Under the Volcano nu zie staan denk ik altijd aan Peter Lorre en aan Richard Burton. Dat heeft zo zijn redenen, die ik later wel eens uit de doeken zal doen. In 1979 overleed het kolerieke jazzgenie Charles Mingus in Cuernavaca terwijl hij zich daar voor ALS liet behandelen. In 1988 was het de beurt aan Gil Evans, bekend van zijn samenwerking met Miles Davis, onder meer voor het sublieme album Sketches of Spain.
Max kon met vuur over Malcolm Lowry vertellen en wist er veel over: hij had zijn licentiaatsthesis aan de Britse schrijver gewijd. Tijdens die gesprekken dronken we waarschijnlijk niet even veel als de Consul maar ik denk dat we toch in de buurt kwamen. Nog een laatste, zeiden we dan, en morgen doen we het rustiger aan. We moeten tenslotte ook schrijven. Ons levenswerk dwingt ons tot enige soberheid. Of zouden we er niet beter helemaal mee stoppen? Nog een laatste dan maar.

max en bie 2

Afbeeldingen: Albert Finney in Under the Volcano van John Huston; Thomas Bernhard; Don’t Look Now van Nicolas Roeg; Max en Bie in het dakappartement aan de Lamorinièrestraat, omstreeks 1980.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS 5: KICKS AGAINST THE PRICKS

1979-1980-aurora 13 001 (2)

Voor ik meer verhalen vertel over het Pannenhuis en de mensen die ik er ontmoette wil ik een idee geven van wat het jaar 1978 voor mij in petto had. Tweede en laatste deel van een lijst ‘hoogte- en dieptepunten’. Armoede, vriendschap, extase, rock-‘n-roll, letteren en filosofie.

3 6 1978 In de Ommeganckstraat voordracht van mijn tekst ‘Paradijsvogels en poëzie’. Voorgelezen samen met  Senga, Paul Rigaumont en Ginette.  Senga leest Lucebert heel mooi voor, Ginette deelt voorwerpen uit: een baksteen, een banaan, een kroontjespen, enzovoort. Cake gekregen van Rita B., een fles wijn van professor Flam. ’s Avonds in de straten gedanst.

8 6 1978 Darkness on the Edge of Town van Bruce Springsteen blijkt een meesterwerk. De teksten zijn korte verhalen, scenario’s voor ‘films noirs’.

16 6 1978 We helpen Ginette met haar verhuis naar de Dolfijnstraat. Daarna met Guillaume en Renée (en wie nog?) naar Brussel voor Suicide en Elvis Costello & the Attractions. Waarom wordt Alan Vega, zanger van Suicide, de microfoon uit de handen gerukt? Het optreden van Elvis Costello & the Attractions is kort en vijandig. Het publiek is razend, terecht vinden wij. Hardhandig optreden van de security. Er breken rellen uit. Het gaat er hard aan toe. Senga houdt me stevig vast, zodat ik niet mee ga vechten tegen die bruten van de ‘veiligheid’.

suicide 2

Setlist Suicide
Ghost Rider /  Rocket U.S.A. / Cheree / Dance / Frankie Teardrop
(Voortijdig afgebroken, na boegeroep van het publiek. Waarom, want Suicide is geweldig? Later op cd uitgebracht als ‘23 minutes over Brussels’.)

Setlist Elvis Costello & the Attractions
Mystery Dance / Lip Service /  (The Angels Wanna Wear My) Red Shoes /Less Than Zero / This Year’s Girl  (Vanwege de chaos niet helemaal zeker van de volgorde en de songs.)

17 6 1978 Summer Party in de Dolfijnstraat. Gedanst op platen van the Stranglers, Sex Pistols en de rock-‘n-roll van Guy Bleus. Ik steek een poster van Lenin in brand: no more heroes anymore. Een performance? Het geluid van gebroken glas tegen een tegeltjesmuur. Niet kunnen verdragen dat iedereen naar huis gaat, dat het afgelopen is, dat we alleen achterblijven. Verlatingsangst.

bob dylan 23 juni 1978_3

23 6 1978 Bob Dylan in het Feijenoord Stadion in Rotterdam. De eerste keer dat we hem live zien. Met Leo en Flor. Leo had toen nog een auto. Flor is in 2015 overleden. Op weg naar Rotterdam roken we één jointje. Eerst Champion Jack Dupree en Eric Clapton en dan Bob Dylan. Regen en wind. Bob Dylan als een verbeten Casanova door engelachtige musici van Memling omringd. De muziek stijgt op, mathematisch precies, uit een afgrond van verloren jaren. De verloren zoon is teruggekeerd.

Setlist Bob Dylan
A Hard Rain’s A-Gonna Fall / Love Her With a Feelin’ / Baby, Stop Crying / Mr. Tambourine Man / Shelter From the Storm / Love Minus Zero/No Limit / Tangled Up in Blue / Ballad of a Thin Man / Maggie’s Farm / I Don’t Believe You (She Acts Like We Never Have Met) / Like a Rolling Stone / I Shall Be Released / Going, Going, Gone / Rainy Day Women #12 & 35 / One of Us Must Know (Sooner or Later) / You’re a Big Girl Now / One More Cup of Coffee (Valley Below) / Blowin’ in the Wind / I Want You / Señor (Tales of Yankee Power) /Masters of War / Just Like a Woman / Don’t Think Twice, It’s All Right / All Along the Watchtower / All I Really Want to Do / It’s Alright, Ma (I’m Only Bleeding) / Forever Young / I’ll Be Your Baby Tonight / The Times They Are A-Changin’

Christus_met_zingende_en_musicerende_engelen,_Hans_Memling,_(1483-1494),_Koninklijk_Museum_voor_Schone_Kunsten_Antwerpen,_778

5 7 1978 Diner voor onze vrienden en buren Jules en Rita. Samen zeven flessen wijn leeggedronken. We praten voornamelijk over Samuel Beckett, het concert van Bob Dylan en ik draai platen van Ray Charles.

7 7 1978 Senga en ik spelen ganzenspel. We drinken te veel Old Granddad. Senga moet overgeven.

11 7 1978 Ivo Michiels (scenario) en André Delvaux (regie) draaien een film in onze straat: Een vrouw tussen hond en wolf, met Marie-Christine Barrault en Rutger Hauer. Delvaux en Michiels staan voor onze deur. Van Ivo Michiels heb ik acht jaar geleden les gehad, scenarioschrijven. Cameraman, scriptgirls, jeeps, tanks, allemaal in onze straat. Soldaten en bevrijde Belgen alom.

10 8 1978 Bij Guillaume en Renée maken we nu echt kennis met Ludo Mich en zijn vriendin. Documentaire over Martin Scorsese. De regisseur spat bijna uit elkaar van energie, emoties, hij is een spraakwaterval. Waar heb ik nog zo iemand gezien en gehoord? Gebruikt hij drugs, amfetamine, cocaïne?

11 8 1978 Met Senga naar The Last Waltz van Martin Scorsese (ik was al met Jos geweest).
De eerste geslaagde film over rock-‘n-roll. De muzikanten zijn stuk voor stuk grandioos – en duidelijk onder invloed. Neil Young ziet eruit als een vampier.

the-last-waltz-concert-the-band-08

15 8 1978 Mogelijk eerste keer in Pannenhuis (met Guy Bleus?)

22 9 1978 Naar party in Studio Herman Teirlinck met Jos D. en zijn lief Hilde Van Mieghem. Ik voelde me eerst geremd en depressief. Het dansen op platen van John Cale, Patti Smith en Tom Verlaine heeft mij er bovenop geholpen. Gedanst tot iedereen naar huis was, dan wij ook naar huis, te voet.

23 9 1978  Naar Pannenhuis voor kunstmanifestatie Goddog. Anti-kunstenaars uit de wijdere buurt, punks, gekken, losers, outsiders presenteren hun ‘werk’. Het spreekt mij allemaal erg aan. Omdat ik deze mensen nauwelijks ken voel ik er mij wat onwennig bij. Maar ik hou van hun stijl, hun excentriciteit, de manier waarop ze de mode binnenstebuiten keren, hun anarchisme en non-conformisme.  Mijn sympathie ging altijd al naar mensen die hun waanzin durven tonen en weigeren deel uit te maken van wat we nog altijd het systeem noemen. I prefer not to. Eigenlijk gebeurde er niet veel. Het belangrijkste was dat iedereen er was. God-Dog is een mooi vormgegeven tijdschrift, waar geloof ik Ria Pacqueé en Yvette aan hebben meegewerkt. Alles met wijn overgoten.

27 9 1978 Ik weeg nog 55 kilogram.

5 10 1978 Ginette gaat weg bij ons. Vandaag wordt er verhuisd. Met Jos aan een toneelstuk begonnen dat Barman, Barmaid heet. Onafgewerkt gebleven. Er komt een paradijsvogel in voor en Mozarts Strijkkwartet nr. 14 in G, KV 387.

10 10 1978 Ik heb geen geld om het honorarium van mijn longarts, dokter Clerckx, te betalen. Hij vindt het niet erg. Bovendien geeft zijn secretaresse me zomaar 200 frank om antibiotica te kunnen kopen.

21 10 1978 Alleen naar de kroegen, op zoek naar Jos. Ik vind hem in de Gnoe. Hij zegt dat hij ziek is, zijn oog is ontstoken, hij draagt een zonnebril. Molenwiekt met zijn armen. Met hem naar het Pannenhuis, waar hij zich bitsig en agressief gedraagt. Ik lees er in Rolling Stone over de dood van Keith Moon.  Om 7 uur naar huis. Intense ervaring van het ochtendlicht in oktober.

27 10 1978 Voordracht van de filosoof Michel Serres: Les confessions de Jean-Jacques Rousseau. Paul Rigaumont vraagt zich af of Serres geen geconstrueerde naam is: twee keer RES, een keer omgekeerd.

10 11 1978 In Pannenhuis opening van tentoonstelling van Guillaume Bijl. Daarna een party met veel wijn, whisky en tequila. Lang gesprek met Jan Ceuleers. Black-out.

27 11 78 Toen ik vanuit de trein van Hasselt naar Antwerpen de kerktoren van Tienen zag, viel de tijd opeens stil. De trein en de reizigers waren er niet meer. Er was iets anders in de plaats gekomen, iets wat je niet kunt benoemen. Je zou van een diepe ervaring kunnen spreken, van een revelatie. Maar dat zegt niets omdat het aan de lezer niets meedeelt over de aard van de ervaring.

1 12 1978 Vandaag is de eerste editie van De Morgen verschenen, een nieuwe poging tot een Vlaamse linkse krant. Ondanks het slordig taalgebruik, de drukfouten, de “progressieve” spelling, ben ik toch tevreden dat de krant er is. Na vele jaren zag ik mijn oude vriend Luc Deleu terug. Hij was net terug uit Nepal. Leopold Flam zegt dat Aurora iets moet worden als de George-Kreis, de groep rond de dichter Stefan George. Meent hij dat? Dat was een elitaire kring van apolitieke dichters, kunstenaars en filosofen. In geen geval wil ik lid blijven van een groep fossielen. We moeten bijgevolg verhinderen dat de filosofische kring Aurora zo’n troep wordt.

bob marley

31 12 1978 Barre kou en veel sneeuw. Bij Renée en Guillaume om Van Kooten en De Bie te zien. Daarna samen naar de punky reggae party van Jacques Chapon, in de Harmoniestraat. Reggae en tequila en iedereen is er, behalve Jos, die huivert van party’s. Al gauw ziek geworden, maar toch nog naar de Gnoe. Chantal en Gazoe brengen ons naar huis. Ik ga op de keukenvloer liggen en daar blijf ik tot een heel stuk in het nieuwe jaar.

Wailers be there
The Dammed, The Jam, The Clash
Maytals will be there
Doctor Feelgood too, ooh
No boring old farts, no boring old farts, no boring old farts
Will be there
No boring old farts, no boring old farts, no boring old farts
Will be there
And it’s a punky reggae party
And it’s tonight
Punky reggae party
And it’s alright
Bob Marley, Punky Reggae Party

door francois 1977

Afbeeldingen: Jos en ik in Antwerpen, 1979; Suicide; Bob Dylan in concert in Rotterdam, 1978; Hans Memling, Christus met zingende en musicerende engelen; Joni Mitchell en Neil Young; Bob Marley poster, 1978; M.P. in zijn werkkamer in de Dolfijnstraat, omstreeks 1978, foto door mijn broer François Brouns.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS 4: ALLEEN IN DE TIJD WORDT DE TIJD OVERWONNEN

 

AURORA GB RP 001

Voor ik meer verhalen vertel over het Pannenhuis en de mensen die ik er ontmoette wil ik een idee geven van wat het jaar 1978 mij in de schoot wierp. Hier volgt een beknopte opsomming van hoogtepunten – die ook dieptepunten konden zijn. Wat ik weglaat: de meeste privéaangelegenheden (familie), de vele ziektegeschiedenissen, het merendeel van de literaire activiteiten, leesverslagen, enz. De lijst bevat vooral momenten die de nachten in het Pannenhuis aankondigen.

1 1 1978 Nacht van de initiatie. Doop, doopsel. Een mondharmonica wordt een huissleutel. Het echte Antwerpse nachtleven begint hier. Vriendschap met Guillaume Bijl, Renée Strubbe en Ria Pacquée.

21 1 1978 Bij Leo Steculorum en Flor Van Tendeloo, waar ook Guillaume B., Renée S.  en Ria P. aanwezig zijn en ik kennis maak met Chantal Strubbe, Gazoe en Yvette Van Hauwaert. Na middernacht gaan dansen in Cinderella’s Ballroom aan de Stadswaag.

1 3 1978 Mijn oude vriend Jan Van Veen op bezoek in de Dolfijnstraat. Hij praat ononderbroken van vijf uur ’s avonds tot middernacht.

6 3 1978 Van mijn sokken geblazen door Dodeskaden, een film uit 1970 van Akira Kurosawa.

10 3 1978 In de Gnoe. Met Renée en Guillaume lang gepraat over intelligent leven in andere zonnestelsels. Is het universum eindig of oneindig, vroegen wij ons af.

11 3 1978 Voordracht van Jean Paul Dollé, Le destin mondial du nihilisme. Bevraging van de geïnstitutionaliseerde waarheid.

12 3 1978 Feestje in Brussel van Wies, een vriendin van Ginette Bauwens. Ginette wil graag in Antwerpen komen wonen. Wij hebben nog een kamer vrij.

13 3 1978 Guy Bleus en Ronnie Bertels op visite in de Dolfijnstraat. We maken plannen voor samenwerking. Ik ben al een tijd aan het schrijven aan de experimentele prozatekst Stasis, een vervolg op Anastasis. Een uitgever heb ik niet nodig: als mijn teksten af zijn (en goed) worden ze in het tijdschrift van de filosofische kring Aurora gepubliceerd. Met Guy en Ronnie trek ik de stad in. Ook naar het Pannenhuis?

mean streets

17 3 1978 Een geweldige televisieavond bij Renée en Guillaume. Wonderlijke en vermakelijke woonkamerlessen esthetica en kunstgeschiedenis van Guillaume. Renée als een postmoderne gastvrouw. Mean Streets van Martin Scorsese. Alles is goed aan die film.

Jimmy: What’s a mook?
Johnny Boy: A mook, what’s a mook?
Tony DeVienazo: I don’t know…
Johnny Boy: What’s a mook?
Jimmy: You can’t call me a mook!
Joey ‘Clams’ Scala: I can’t?
Jimmy: No…
Joey ‘Clams’ Scala: [pause] I’ll give you mook! [punches Jimmy in the face]

18 3 1978 Down en out na een krankzinnige party bij Yvette in Boechout. Ik voel me door mijn vrienden in de steek gelaten. Heb de hele nacht pure Ricard gedronken. Probeerde kort voor we zouden vertrekken Chantal en Gazoe, die nogal hevige ruzie hadden, met elkaar te verzoenen. Tevergeefs. Met Senga alleen achtergebleven in het centrum van nergensland. Ten einde raad en woest en woedend en triest.

21 3 1978 Onverwacht bezoek van Guy Bleus. Hij maakt heel spontaan een muurtekening in onze keuken/salon/dansruimte: impressies van You Can Never Go Home Anymore van the Shangri Las.

00freddy bleus

25 3 1978 Patti Smith Group in het Koninklijk Circus op Paaszaterdag. Een ronduit verbluffend Easter Concert. Beter kan het niet meer worden. The Kids, vaste klanten in Cinderella’s Ballroom, als voorprogramma.

Setlist: We’re Gonna Have a Real Good Time Together (Velvet Underground/Lou Reed) / Kimberly / Till Victory / Space Monkey / 25th Floor / The Kids Are Alright (The Who cover / Tribute to the Kids) / Ghost Dance / We Three / Ask the Angels / Privilege (Set Me Free) (uit de film Privilege van Peter Watkins) / Time Is on My Side (Jerry Ragovoy) / Because the Night (Bruce Springsteen / Patti Smith) / Pumping (My Heart) / Easter / Radio Ethiopia / Gloria (Them) / Be My Baby (Ronettes) / Rock n Roll Nigger / My Generation (The Who)

Patti_Smith_in_Rosengrten_1978

27 3 1978 Guy Bleus beëindigt zijn fresco. Ik stel  voor om er een citaat van Rimbaud in te verwerken. Dat komt uit een brief van de dichter aan Paul Demeny: “Car Je est un autre. Si le cuivre – s’éveille clairon, il n’y a rien de sa faute. Cela m’est évident : j’assiste à l’éclosion de ma pensée : je la regarde, je l’écoute : je lance un coup d’archet : la Symphonie fait son remuement dans les profondeurs, ou vient d’un bond sur la scène”. We denken na over samenwerking aan een project dat we Schrifturen noemen.

29 3 1978 Koop This Year’s Model van Elvis Costello en ga met Jos Dorissen (alias Giuseppe) zitten drinken en praten in de Mok (Wolstraat).

9 4 1978 Bij Guillaume en Renée. Verjaardag Renée. Op televisie: Bob Dylan en Van Morrison.

12 4 1978 Overlijden van mijn tante Elly, mijn meter. Herinneringen aan pijnlijke gebeurtenissen in mijn kinderjaren.

15 4 1978 Naar het Bal Populaire in King Kong, met Jos, Bie, Willy en Jan. Ray, mijn vroegere collega van bij Corman, draait platen. Daarna het orkest van Raymond van het Groenewoud en dansen.

17 4 1978 Bezoek van Guy. We maken plannen voor twee nieuwe projecten: Beach Night en Move Art.

18 4 1978 Twee indrukwekkende films in Monty in de Montignystraat:  Chinesisches Roulette van Fassbinder (met Anna Karina en hetzelfde citaat uit de brief van Rimbaud aan Paul Demeny als nu in ‘ons’ fresco is opgenomen) en Il deserto dei Tartari van Valerio Zurlini, naar de roman van Dino Buzzati.

21 4 1978 Bij Renée en Guillaume de uitstekende film De angst van de doelman voor de strafschop van Wim Wenders, naar een boek van Peter Handke. Ik ben een bewonderaar van Handke en nu ook van Wim Wenders.

edith clever en peter handke

5 5 1978 Senga en ik helpen Guillaume Bijl bij het maken van zijn Pleasure Projects.

19 5 1978 Bij Renée  en Guillaume zien we Falsche Bewegung van Wim Wenders en Peter Handke, naar Goethe’s Wilhelm Meisters leerjaren. Daarna met Renée, Guillaume, Leo, Gerda en Chantal te voet naar de Gnoe in de Wolstraat, een heel eind. Alsof we personages uit Falsche Bewegung zijn, maar dan in de stad.

26 5 1978 Mijn vriend Paul Luyten geeft mij Four Quartets van TS Eliot cadeau.

“… Except for the point, the still point,
There would be no dance, and there is only the dance.
I can only say, there we have been: but I cannot say where.
And I cannot say, how long, for that is to place it in time.”
Burnt Norton, T.S. Eliot

MAISON DIEU 001

1 6 1978 Zwaar verkouden naar Brussel voor een optreden van Link Wray en Robert Gordon. Beste rock-‘n-roll concert ooit. Link Wray en Robert Gordon spelen onder meer: The Way I Walk, Mystery Train, Lonesome Train (On a Lonesome Track), Rumble, Hot Dog, Fire, (You’re So Square) Baby I Don’t Care, The Fool, Baby Let’s Play House en Red Hot.
Nadien naar De Tulp in Elsene. Paul Luyten en zijn vriend Kees daar toevallig ontmoet. Paul brengt ons naar Antwerpen terug. In de auto: Paul, Senga, ik, Maria Menten, Kees, Greta. Samen tot sluitingstijd in de Gnoe. Maria Menten besluit om naar Antwerpen te verhuizen.

2 6 1978 Mijn verjaardag. Bliksem, als geschenk van de heidense goden. Een fles Jim Beam als aardser cadeau. Ik bekijk uitzonderlijk nog eens de tarotkaarten. Mijn blik valt op de door de bliksem getroffen Toren, de zestiende kaart uit de grote Arcana. In de Tarot van Marseille heet deze kaart La Maison-Dieu, wat ziekenhuis betekent. Volgens sommige interpretaties slaat de kaart op rampen of ongelukken. Volgens anderen gaat het om “de zuivere kracht van de kosmische energie”. De bliksem is een attribuut van Jupiter of Zeus. In de poëtische verbeelding van Hölderlin speelt de bliksem een belangrijke rol. Van die verkoudheid ben ik op miraculeuze wijze verlost. Dankzij Link Wray?

Wordt vervolgd

Fig-Wray-Gordon-Stoner-at-Friendleys-3-17-1978

Afbeeldingen: Uitnodiging tentoonstelling Guillaume Bijl en Ria Pacquée bij Aurora 1977-1978; Mean Streets van Martin Scorsese; met Freddie Bleus voor het fresco van zijn broer, in de Dolfijnstraat in Antwerpen; Easter tour van Patti Smith Group; Edith Clever en Peter Handke tijdens het draaien van Die linkshändige Frau, 1978; de tarotkaart La Maison-Dieu; Link Wray en Robert Gordon, geflankeerd door Anton Fig en Rob Stoner, 1978.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS (3): VLIEGEND TAPIJT

blankenberge1969

Kenmerkend voor nachten in de stad ’s nachts is dat ik weinig zie, niet zozeer omdat het donker is maar omdat ik niet kijk en niet luister. Zelden dringt tot me door wie er in een café zit, wat voor soort mensen het zijn, welke kleren ze aan hebben, hoe ze kijken, waarover ze praten, welke woorden ze gebruiken. Voor mijn ogen zit een beslagen scherm en mijn oren zijn volgepropt met watten. Een mistig innerlijk landschap. Ik hoor flarden van een gesprek, betekenisloze zinnen, stukjes melodie van een troebel lied, klankwolken, wazigheden, rumoer. Maar ik luister met aandacht en overgave naar wat mijn vriend me vertelt, ik volg zijn verhaal, het is aanstekelijk, ik begin zelf ook te vertellen, een lange historie over vroeger, toen we gelukkig waren, of ongelukkig, en eenzaam. Maar niet slecht eenzaam, eerder goed eenzaam. We hadden bijvoorbeeld nog geen Nabokov of Thomas Mann nodig als compensatie voor de harde werkelijkheid. Lolita noch Settembrini. Ik verdwijn dan op mijn beurt zelf in de woorden. Ik vergeet mijn bestaan. Zou dat euforie zijn? Welbehagen? Uitbundigheid? De woorden weven de stof van het verhaal. Onze zinnen verliezen hun gewicht, weven een vliegend tapijt dat ons op een wervelwind van de grond meeneemt naar een onbekende bestemming, ver weg van het rumoer en mensen zonder gezicht.

Een ex-militair kwam bij ons aan tafel zitten, bij mij en Giuseppe. Niet dat hij al oud was. Een jonge ex-militair. Hoe heette hij ook alweer? Joris of zo. Maar ook weer niet piepjong. Hij moest ons dringend een verhaal vertellen. Mijn ouders zijn rijke mensen, zei hij. Ik ben een rijkeluiszoon, dat valt niet te betwijfelen. Het zou een lang verhaal worden met nogal wat overbodige woorden en zijsprongen. Zou ik wel blijven luisteren? Ik kom uit een bourgeoisfamilie, zei hij. Het is de eerste keer dat ik binnenstap in een café als dit. Ik weet niet wat me bezield heeft. Een verlangen naar vrijheid misschien? Mijn afkomst heeft me gedetermineerd, ik keek op naar autoritaire figuren. Daarom ging ik vrijwillig bij het leger. Daar gingen mijn ogen pas open. In de kazerne kwam ik al gauw in conflict met enkele officieren. Ik besefte nu pas goed wat het betekende je vrijheid op te geven en je te onderwerpen aan gezagsdragers. Op slag werd ik antiautoritair. Ja, ja, de schellen vielen me van de ogen. Weer in het ouderlijk huis kreeg ik ruzie met mij pa. Ik, schrijver dezes, vat de monoloog van Joris een beetje samen. Ik rond hem zelfs af. Het duurt me wat te lang en dreigt eentonig te worden voor de lezer. Gelukkig was de ex-militair niet alleen. Zijn entourage leek zich wat voor hem te schamen en drong er bij hem op aan om te vertrekken. De opstandige bourgeoiszoon vond het jammer dat hij zijn woordenstroom moest onderbreken maar tenslotte boog hij gehoorzaam het hoofd en vertrok. Eerst wierp hij me nog een enigszins boze blik toe. Was ik even zijn vader-substituut geweest? Wie zal het zeggen, het geloof in Freud heb ik, anti-oedipus,  al een tijdje opgegeven.

Giuseppe had er de hele tijd verveeld bijgezeten. Hij hield niet van onderbrekingen. Ik ook niet. We waren net zo lekker ver weg geweest op dat vliegend tapijt. Ergens in de kosmos, waar piepkleine deeltjes van Gram Parsons, de cosmic cowboy, rondcirkelden. Nu kwam Jean Doppegieter aan ons tafeltje zitten. Ik kende hem van in 1969, toen we in de straten van Blankenberge beatniks waren geweest. Een lieve man. Hij wilde me een foto tonen. Na acht jaar had iemand hem inderdaad nog een foto opgestuurd waar we allemaal samen op staan, ongewassen, de haren lang, in voorlopige vrijheid, een heel klein beetje gelukkig.

The_Absinthe_Drinker_by_Viktor_Oliva

Afbeeldingen: In Blankenberge, zomer 1969, Jean Doppegieter is de derde van links; De absintdrinker, Victor Oliva, 1901.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS (2)

00me, laura & jos 1978

Alles heeft een begin, ook deze aantekeningen omtrent het Pannenhuis. Alle begin is moeilijk. De eerste woorden, waar al de rest op logische of onlogische wijze uit voortvloeit, moeten hun doel treffen en ecologisch zijn. Je mag een wit blad niet vuil maken met lelijke woorden of overbodige leugens. Antwerpen is een harde noot om te kraken. Soms denk ik dat je er geboren moet zijn om er helemaal aanvaard te worden. Om voor vol aanzien te worden, of toch voor meer dan leeg, voor al is het maar een heel klein beetje zichtbaar. Dat je op zijn minst het dialect moet spreken, liefst zonder accent. Als je er niet geboren bent moet je bijgevolg een goed acteur zijn. Bestaan er evenwel acteurs die een Limburgs accent kunnen wegmoffelen?

Voor sommige reizigers die stranden in t‘ Stad wordt, geloof ik, een uitzondering gemaakt. Het komt me voor dat je er gemakkelijker wordt aanvaard als je wat excentriek bent, een circusartiest, een woordkunstenaar, een muzikant, een schilder zelfs. Maar ook als je excentriek bent, wat Senga – zo wilde mijn geliefde toen genoemd worden – en ik zeker waren, moet je inspanningen doen om in een Antwerps midden opgenomen te worden. In een midden (milieu) of in een kringetje buiten dat midden, bijvoorbeeld in een subcultuur.

00leo-flor2

Toen Senga en ik in Antwerpen aankwamen waren wij op tweeërlei wijze door het lot begunstigd. In de eerste plaats hadden wij échte Antwerpse vrienden en vrienden die bevriend waren met échte Antwerpenaren. Leo Steculorum, Flor Van Tendeloo en Guillaume Bijl behoorden tot de eerste categorie; Guy Bleus tot de tweede. Het is goed mogelijk dat ik iemand vergeet. In de tweede plaats was er zich in 1977 ook in Antwerpen heel snel een nieuwe subcultuur aan het ontwikkelen: punk. Terwijl wij die zomer en herfst de vele kamers van ons huis in de Dolfijnstraat aan het schilderen waren had ik via een oude transistorradio kennis gemaakt met de explosieve songs van the Clash, the Sex Pistols, the Stranglers, Richard Hell & the Voidoids en, wonder boven wonder, the Ramones en was ik op die manier uit een lange rock-‘n-roll-winterslaap wakker geschud. De Hector Berlioz-periode had nu wel lang genoegd geduurd.

ramones

Hoe, wanneer precies en met wie ik het Pannenhuis na al die jaren opnieuw ontdekte weet ik niet meer en ik vind het ook niet terug in mijn dagboeknoties. Heel waarschijnlijk gebeurde dat in de tweede helft van 1978. Heel goed mogelijk was het ter gelegenheid van de kunstmanifestatie Goddog op 23 september dat jaar. Ook daarover vind ik maar weinig terug. De mooie losbladige editie van Goddog Express die ik al van die dag in mijn bezit heb en koester en die Marc Schepers eergisteren op facebook postte [1] lijkt verdwenen te zijn. Wel las ik in een klein rood notitieboekje dat iedereen die avond stomdronken was, ikzelf inbegrepen. Geen wonder dat ik me van het evenement nauwelijks iets herinner en er niets over kon noteren omdat ik de volgende dag een zware kater had.

goddog express

1978 was een van de opwindendste jaren van mijn hele leven. Het is nu te laat om nog te verwachten dat die op elk gebied bijna onafgebroken opwinding van toen ooit nog overtroffen zal worden. In dat jaar bracht ik veel tijd met vrienden door. Dat waren in het bijzonder Guy Bleus uit Wellen in Limburg, die vaak naar Antwerpen kwam en dan soms bij ons bleef logeren, Leo Steculorum en zijn vrouw Flor, Guillaume Bijl en Renée Strubbe en Jos Dorissen uit Mechelen aan de Maas. Het was met deze vrienden en hun entourages dat ik het Antwerpse nachtleven ging verkennen en dankzij wie ik deel ging uitmaken van een soort van alternatieve kunstscene.

Voor ik meer verhalen vertel over het Pannenhuis en de mensen die ik er ontmoette wil ik een idee geven van wat 1978 mij in de schoot wierp. Een zeer beknopte opsomming van hoogtepunten (die ook dieptepunten konden zijn, niets is zuiver en eenduidig; hoed je voor de zuivere waarheid) volgt hier morgen.

tongeren 1968

[1] De afbeelding hierboven heb ik van facebook gedownload, met dank aan Marc Schepers.

Afbeeldingen: Senga, Jos D., ik bij Jos thuis, omstreeks 1980; Leo S., Flor V. en op de achtergrond mijn zoontje Jesse, in Oostduinkerke, 1973; the Ramones; Goddog; Koninklijk Atheneum Tongeren, 1968: repetitie voor mijn koninklijk toneelstuk De droom, met links van me Ivan Popovic en rechts Guy Bleus en Henri Janssen (niets is wat het lijkt).