NACHTEN AAN DE KANT (9): OUTSIDE OF SOCIETY

 

1978-1980-AURORA 14 001 met wim meewis

In het Pannenhuis en de andere cafés die ik frequenteerde wisten maar weinig nachtraven dat ik dichter en schrijver was. Ook al zat ik vijf dagen per week van negen tot vijf, soms tot zeven en af en toe zelfs tot later, aan mijn schrijftafel, in de weer met dagboeknotities, gedichten en wat ander proza werd genoemd. Ik weet niet zo goed wat er anders aan was en hoewel ze experimenteel van aard waren noemde ik die dingen verhalen. Als Paul Rigaumont, Senga – aan wie ik ze als eerste voorlas – en ik ze goed vonden werden ze in het tijdschrift Aurora gepubliceerd. Betaald werd ik er niet voor. Ik ben haast nooit betaald voor mijn schrijfwerk. Als schrijver was ik toen voor de meeste mensen onzichtbaar en dat ben ik nog altijd, ook al heb ik al een hele tijd geleden in de hoop daarmee wat meer op te vallen een andere naam gekozen: Martin Pulaski. Ik ging ervan uit dat er op mijn oude naam een vloek rustte. Zoals dat met veel oude namen het geval is. Voorouders komen er ’s nachts in spoken, soms zelfs overdag. Wellicht omdat ik toen niet veel inspanningen heb gedaan om in de gratie van andere schrijvers – en uitgevers – te vallen, om in hun kringen te worden opgenomen, werd ik later, toen ik wel naar erkenning verlangde, over het hoofd gezien. Ik was een buitenbeentje, een outsider. Of speelde de rol van outsider. In de jaren zestig waren the Outsiders, de band van Wally Tax, een van mijn favoriete popgroepen. Ik ben een outsider gebleven. Maar goed, zien jullie mij niet, geen probleem, ik blijf toch in de wereld, ben deel van de wereld, bevat zelf werelden. Zoals alle mensen. Dat schreef Walt Whitman al in de negentiende eeuw en het is nog steeds geldig. Elke mens is een kosmos, of niet soms?

waterkracht3 001

Tussen de wereld van de filosofische kring Aurora in de Lange Leemstraat, van mijn schrijftafel, van mijn experimenteel proza en die van het Pannenhuis op het Conscienceplein, de Gnoe in de Wolstraat en Cinderella’s Ballroom op de Stadswaag gaapte een kloof die niet kon gedicht worden.. (Zie deze reeks teksten als een poging om dat alsnog te doen.) En toch was het één en dezelfde wereld. Elke mens, hoe verschillend ook, heeft dezelfde bestemming. We leven met zijn allen in een eigen en in een gemeenschappelijk labyrint waar we een uitweg uit zoeken. Onderweg treffen wij talloos veel hindernissen aan, de ene al meer dan de andere. Maar als wij elkaar ’s avonds, na de dagtaak, ontmoeten vergeten we die dingen. Er is zo’n groot verschil tussen hoe we zijn als we alleen zijn in onze kamers en als we ons tussen onze soortgenoten begeven.

Als ik aan die tijd terugdenk valt het mij op dat ik goed bevriend was met enkele beginnende, veelbelovende artiesten. Het valt mij eveneens op dat zij voor het merendeel conceptuele kunstenaars waren of, als zij schilderden, zoals mijn vriend Paul, voor abstractie kozen. Terwijl ik zelf van jongs af aan van figuratieve schilderkunst heb gehouden. Niemand heeft me voorgehouden welke kunst ik moest koesteren, niemand heeft me gezegd wat mooi was, wat lelijk, wat dom, wat verstandig. Of wat ik mooi, lelijk, dom, enzovoort moest vinden. Op een dag zag ik op televisie een documentaire over Salvador Dalí – een revelatie, het begin van een nieuw en blijvend avontuur en van een liefde-haatverhouding. Nog weken na de uitzending liep ik in een roes rond. Meteen bestelde ik de autobiografie van de meester, ‘Mijn leven als genie’, verschenen bij Privé-domein. Dat boek noemde ik eerder al eens een doos van Pandora. Vanaf dan werd alle kunst voor mij interessant en opwindend. Maar altijd met die lichte voorkeur voor figuratief werk en toch ook, denk ik, met een open geest. En nu telde ik onder mijn vrienden echte kunstenaars. Over deze bijzondere tijdgenoten zal ik het later in deze reeks nog hebben. Eerst moet ik nog een aantal hindernissen overwinnen en enkele spoken uit het verleden het hoofd bieden.

4-29-2013_079 (2)

Afbeeldingen: Wim Meewis en ik, omstreeks 1980 (dank zij Wim Meewis heb ik in Nieuw Vlaams Tijdschrif kunnen publiceren); romanticus omstreeks 1976 in de Waterkrachtstraat in Brussel; Aurora in de Lange Leemstraat in Antwerpen, omstreeks 1980, op de achtergrond Jesse en Vera.

JE BENT NIET ANDERS DAN DE ANDEREN, OF WEL SOMS?

1967l 001


Al te vaak misschien wil ik schrijven over enkele antihelden, in mijn ogen vaak de echte helden, als we dat woord tenminste nog wensen te gebruiken.… Mijn gedachten gaan dan onwillekeurig naar in een of ander opzicht geniale muzikanten, performers, singer-songwriters, ‘wijze dwazen’, die destijds verstoten en verguisd werden, naar Alexander Spence, Karen Dalton, Nick Drake en Syd Barrett, muziek- en woordkunstenaars die nu evenwel door een globale elite aanbeden worden. Ik zou nog veel andere namen kunnen noemen, maar vandaag doe ik het niet. Beweren zou ik kunnen dat ik wat hen betreft een van de eerste ingewijden was. Dat ik zes kilometer verwachtingsvol langs de Zuid-Willemsvaart liep, van Neerharen naar Maastricht, om in platenwinkel De Harp ‘Oar’ te kopen, en dan weer zes kilometer terug. Ik zou kunnen schrijven over de diepe emoties die ik voelde bij het beluisteren van de gebroken stem van Skip Spence, die de kleine luidspreker van mijn gele Philips materialiseerde. “I’ve searched everywhere in heaven but I never found a friend like you…” De platenspeler had dezelfde kleur als mijn Garelli brommer. Het genot dat ik voelde bij het horen van de diepe wanhoop van een gebroken mens, toen ik nog zo jong en naïef was en nooit van Hölderlin had gehoord. Waarom had ik niet van hem gehoord? Omdat ik slechte leraren had, zonder enige twijfel. Het genot was overigens geen leedvermaak, maar identificatie, de wanhoop en het verdriet die Skippy bezong, waren ook mijn wanhoop en verdriet. Dacht ik, meende ik.

Al te vaak wil ik daarover schrijven, maar heeft het enige zin? Je hemelt die mensen op om jezelf te vergeten en maakt lijstjes tegen het verdriet. Je wilt de wereld bezitten, maar alles valt uiteen in partikels, in atomen. Ergens moet er een eenheid zijn, een Zijn dat al de zijnden samenhoudt en zin geeft, bestaansrecht. Daarom is het ook niet erg dat ik er nu niet over schrijf.

Ik heb me nooit lang in de marge opgehouden. Ik wilde geen snob zijn. Iemand die boeken leest die niemand kent, die platen koopt waar maar vijf exemplaren van bestaan, die nachtenlang naar onbegrijpelijke films uit Nieuw-Zeeland zit te kijken. Af en toe ging ik eens kijken in de donkere straatjes, nam ik zijwegen, luisterde ik naar schril gekras, bekeek ik films over geweld en geestelijke verminking, gaf me over aan het wrede theater van Antonin Artaud en Sarah Kane, je weet wel. Maar veel vaker koos ik voor Elvis Presley, the Rolling Stones, John Fogerty, Francis Ford Coppola, François Truffaut, Haruki Murakami, Paul Auster, Franz Kafka. Kunstenaars die iedereen kent. Ik was niet anders dan de anderen, dacht ik.

Een mooie kromme lijn door alles waar ik me door liet overspoelen trok Bob Dylan. Hij was er altijd, van in het begin en hij is er nog altijd. En het laatste lied dat ik zal horen, mocht ik ooit sterven, zou er een van Dylan zijn. De beste song die ik van hem ken is, denk ik, ‘It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry’. Misschien is het gewoonweg de beste song. De mooiste versie is de originele op ‘Highway 61 Revisited’, maar op de soundtrack van ‘The Concert For Bangladesh’ staat ook een uitstekende versie. Bob Dylan wordt er begeleid door twee Beatles en Leon Russell, nog zo’n miskende held.

 

 

WACHTEN OP DANNY AND DUSTY

dan stuart,steve wynn,ab,danny and dusty,pop,rock,popcultuur,brussel

Het belooft een uitbundige avond te worden, vanavond in de AB. Een alternatieve ‘supergroep’ van uitgelezen outsiders uit de jaren tachtig treedt straks voor het voetlicht:

Steve Wynn van the Dream Syndicate (zang en gitaar)
Dan Stuart van Green On Red (zang en gitaar)
Stephen McCarthy van the Long Ryders (gitaar en zang)
Chris Cacavas van Green On Red (keyboards en zang)
Bob Rupe van onder meer the Silos (basgitaar)
Johnny Hott (drums).

Ik heb nog niets van Cast Iron Soul, de nieuwe cd van Danny en Dusty gehoord, maar ik twijfel niet aan de kwaliteit ervan. En natuurlijk hoop ik van harte dat ze zullen teruggrijpen naar songs uit The Lost Weekend, zoals Song For The Dreamers of Knockin’ On Heaven’s Door (een onovertroffen versie is dat). Misschien verkopen de heren de cd in de zaal. Dan ben ik weer even een gelukkig man. Als ik nu nog even van die indigestie afraak…

WALLY TAX EN HET VERDRIET

outsiders 2

Ik heb jarenlang een dagboek bijgehouden. Voor wie schreef ik al die dingen neer? Het antwoord op die vraag ken ik nog altijd niet. Wat ik wel weet is dat ik me tot iemand richtte, tot een denkbeeldige lezer, tot een onbekende maar verwante ziel. Mag ik hierbij opmerken dat ik het woord ‘ziel’ niet in een christelijke betekenis gebruik? I’m a soul man. Maar toch… Leken die ontboezemingen ook niet een beetje op in stilte bidden? Lag het noteren in die mooie ingebonden cahiers wellicht in verlengde van de persoonlijke gebeden uit mijn kinderjaren? Tot mijn dertiende ben ik namelijk gelovig geweest en, zoals talloze jongens in België, zelfs misdienaar. Het in ‘vrije verzen’ bidden tot god gaf me een gevoel van verlossing; de gebeden in het Latijn zullen veeleer een esthetische ervaring geweest zijn. Voor een kleine jongen die de grote wereld nog niet heeft ontdekt is een mis in het Latijn iets groots, een sterk en geheimzinnig ritueel. Die dagboeken staan nu netjes op een rij in een grote kast. Zeer waarschijnlijk zal niemand ze ooit lezen, of ik zou ze zelf moeten openslaan. Misschien vind ik er wel inspiratie in voor een verhaal of voor een stukje dat ik dan kwijt kan op deze openbare plek. Proza dat niet in een la terechtkomt om daar betekenisloos te liggen vergaan. En zo kom ik tot de vraag die ik van in het begin al wilde stellen: wie leest wat hier staat? Komen hier verwante zielen op bezoek? Zijn er ook toevallige bezoekers die zich ergeren aan mijn hypochondrie en mijn heldenverering? Aan mijn sentimentaliteit, mijn liefde voor americana, mijn atheïsme, mijn namenfetisjisme, mijn vrouwengekte, mijn religiositeit, mijn onvolwassenheid en onverantwoordelijkheid. Zijn er anderen die mij bewonderen om mijn rock & roll-hart, om mijn kleine cinema, om mijn litanieën, om mijn verbazing, mijn twijfels en mijn bewondering? Om mijn kleine literatuur (om een uitdrukking van Gilles Deleuze en Félix Guattari te gebruiken) en vermolmde grammatica? Of komen deze woorden rechtstreeks uit het hart in de grote leegte terecht en is het hun echo die ik hoor als ik – vooral ’s nachts net voor het slapen gaan – geluiden waarneem die ik niet kan thuisbrengen?

Gisteren wilde ik mijn verdriet bij de dood van Wladimir Tax delen met jou. Maar ben je er wel? Heb je mijn verdriet gevoeld? Heb je een cd of lp van the Outsiders opgelegd en meegezongen met Teach Me To Forget You en Touch? Liepen er tranen over je wangen? Zat je met troebele ogen voor de televisie te zoeken naar een waardig In Memoriam? Want dat had deze grote man toch wel verdiend, hij die tijdens zijn leven zo weinig erkenning heeft gekregen. Tenzij lang geleden, toen we allen jong waren, in Amsterdam, in Maastricht, in Hasselt, toen we paarse broeken droegen en bananenschillen rookten en op the Outsiders kickten en gilden als jonge meisjes. Maar wat waren nu weer precies: meiskes of jongens? Lang geleden, toen onze gebeden werden beantwoord door Bob Dylan, the Shangri Las, the Lovin Spoonful, the Rolling Stones, the Ronettes, the Who en ja, door Wally Tax en zijn Outsiders.

TEACH ME TO FORGET YOU, WALLY TAX

wally tax love in

Nederland was zo al geen bezoek meer waard en nu Wally Tax overleden is mag dat land van de kaart worden geveegd (ik maak een uitzondering voor Bergen en Schoorl, echte dichtersoorden). The Outsiders waren in het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw de ruigste en beste beatgroep van Nederland, en na the Rolling Stones en the Who, van de hele wereld. Wally Tax was hun charismatische zanger en mondharmonicaspeler.Als hij zong kreeg je meteen kippenvel. Dat is niet zomaar een gratuite bewering: ik heb het echt meegemaakt in de Teeny Club in Hasselt, omstreeks 1967. The Outsiders speelden loeihard, en produceerden zeer hoge tonen. Een week later in het Koninklijk Atheneum in Tongeren hoorde ik Ron Splinters gitaarsolo’s nog altijd nafluiten in mijn oren. Eigenlijk hoor ik dat geluid nog steeds een beetje. Maar wat ik vandaag vooral hoor is die soulvolle, tegelijk dreigende en strelende stem van Wladimir Tax. De man was ongeveer vijftig procent romanticus en vijftig procent punk. De muziek die hij schreef (samen met Ron Splinter) was emotionele, tedere en boze rock &roll. Hoe vaak heb ik niet geluisterd naar Afraid Of the Dark, Teach Me To Forget You, The Filthy Rich, Touch en natuurlijk Lying All the Time. Ik heb die platen ook niet van de hand gedaan of op zolder gelegd: ze horen bij mijn wereld. Net zoals de romans van Remco Campert, de essays van Simon Vinkenoog (die over the Outsiders heeft gepubliceerd in het boek Vogelvrij) en de platenbesprekingen van Jan Donkers – allemaal Grote Nederlandse Helden – blijken de liedjes van Wally Tax en Ron Splinter bouwstenen voor mijn bestaan te zijn geweest. “You taught me how to love you / Now better teach me how to live without you.” Het leven heeft weer wat minder zin in mij. Zo blijf ik nu zonder woorden achter tot iemand ze weer tot leven wekt. Jij?