TEGEN DE ONVERSCHILLIGHEID

new orleans, september 1992

Een mens wordt onverschillig, gevoelloos en apathisch. Je wordt afgestompt door het dagelijks leven, de sleur van het werk, de monotonie van de uren, door de onverschilligheid en het egoïsme van de anderen – waarin je jezelf weigert te herkennen -, door de wreedheid van geldzuchtige politici en zakenmensen, door de terreur van fanatici en het geweld van veroverende legers, door de genadeloze woestheid van de natuur. Toch blijf je je tegen die onverschilligheid verzetten. Je eigen schijnbare onverschilligheid en die van de anderen. Je streeft naar het verschil, de verschilligheid.

Op dit ogenblik raast opnieuw een orkaan in de richting van de kust van Texas en Louisiana. De inwoners van Galveston, Houston en New Orleans moeten hun woningen verlaten. Op de brede autosnelwegen vormen zich files van honderd kilometer en langer. In de regio is het ongeveer veertig graden. De auto’s staan heel vaak stil, de benzine raakt op. Ze kunnen niet meer verder. De stank van de uitlaatgassen vult de lucht. Een reële nachtmerrie waar maar geen eind aan komt.

Dit alles verscheurt mijn ziel. Waarschijnlijk raakt dit me dieper dan bijvoorbeeld, nog niet zo lang geleden, de tsunami, wat toch een vreselijke natuurramp was, die honderden duizenden levens heeft gekost. Waarom? Omdat ik in mijn hart een Amerikaan ben, zoals Malcolm Lowry in zijn hart een Mexicaan was (om maar één voorbeeld te noemen). Toen ik voor de eerste keer in de Verenigde Staten kwam, in 1992 in New Orleans, had ik zeer sterk het gevoel dat ik thuis kwam. Zonder dat ik er inspanningen voor moest doen schudde ik mijn schuchterheid van mij af en stapte de wereld in. Opeens kon ik met iedereen praten, wat me hier in België nooit gelukt was. Hier was ik altijd een outsider geweest (en dat ben ik nog steeds).
Daardoor leef ik nu mee met de inwoners van New Orleans, Houston, Galveston en al de andere kleinere stadjes en dorpen die het wellicht zwaar te verduren zullen krijgen. Maar ik kijk machteloos toe, vanuit mijn ziekenkamer, mij met moeite van deze computer naar de televisie begevend. Overigens kan ik CNN niet ontvangen in Brussel. De kabelmaatschappij Coditel heeft dat van de kabel gegooid. Waarom CNN? Waarschijnlijk omdat er op deze zender geen Frans wordt gesproken, en er zelfs niet voor Franse ondertitels wordt gezorgd. Coditel zal redeneren dat er dan toch geen mens naar kijkt. Coditel zal redeneren dat de inwoners van Brussel allen Frans spreken en geen enkele andere taal kennen.

Foto: New Orleans, 1992, Martin Pulaski

NEW ORLEANS, SPOOKSTAD

When-the-Levees-Broke

Ik hoorde in het ochtendnieuws dat de laatste inwoners van New Orleans nu uit hun huizen worden verjaagd. Sommigen willen niet weg, omdat ze geen afscheid kunnen nemen van hun woning, van hun weinige bezittingen, of van bepaalde dierbare voorwerpen, en vooral omdat ze hun hond of poes niet mogen meenemen. Maar als ze niet vrijwillig vertrekken worden ze hardhandig uit hun woningen gehaald.
Het water dat de stad heeft overspoeld stinkt kennelijk heel erg, en is bijzonder giftig. Vreselijke ziektes liggen op de loer.
Ik herinner me de zoete geur van magnolia’s en subtropische flora. Blues op de pleinen, marching bands op straat, jazz in Louis Armstrong park. De raderboten op de bruine Mississippi, sinds mijn kinderjaren de rivier van mijn dromen. Mark Twain’s Huckleberry Finn heeft mij toen ik een kleine jongen was en nog maar net kon lezen de weg gewezen. Later verslond ik Life On the Mississippi.
Toen ik in New Orleans aankwam was het alsof ik thuis kwam… En nu… Ik kan me deze Apocalyps nog altijd niet voorstellen. De levendigste stad op aarde is in een spookstad veranderd. Een vreselijke stank van dieren- en mensenlijken, van uitwerpselen, van de rottende inhoud van diepvriezers en koelkasten hangt in de hete, vochtige straten, tussen de met exotische bloemen begroeide ijzeren balkons. Zal Pretty Baby ooit nog eens terugkeren naar dit verloren paradijs?

Foto: When the Levee Breaks

NEW ORLEANS EN DE MUZIEK VAN DE HEIDENSE ZIEL


clifton chenier

Ik heb hier al meermaals verteld dat ik een muziekliefhebber ben en dat ik een radioprogramma maak op radio centraal in Antwerpen. Het heet Zéro de conduite en is genoemd naar één van de drie of vier films die Jean Vigo tijdens zijn korte leven heeft gemaakt. Die film gaat, heel kort samengevat, over jongens in een internaat die in opstand komen tegen het verstikkende gezag van de lesgevers en de directie van de school. Mijn programma heeft daar weinig mee te maken; de enige link is, denk ik, mijn liefde voor die film en het feit dat ik weinig rekening houd met ‘muzikaal gezag’. Modes en trends laat ik aan mij voorbijgaan, ik doe gewoon mijn zin. Soms ben ik op mijn tijd vooruit, soms raak ik op een zijweg en vind ik het peloton niet meer terug. Maar is er ooit een peloton geweest? In ieder geval heb ik nooit deelgenomen aan een race.

Vorige zaterdag heb ik Zéro de conduite opgedragen aan de inwoners van New Orleans, de staten Louisiana, Mississippi en Alabama. Aan alle slachtoffers van de orkaan, aan de armen, zieken, minderheden, mensen zonder geld voor verzekeringen, mensen zonder auto’s. Aan alle mensen die in de hel zijn achtergebleven en door de regering-Bush aan hun lot werden overgelaten. Ik heb heel bewust geen benefietprogramma gemaakt. Er moest vooral geen geld worden gestort. De VS is een zeer rijk land en de regering-Bush heeft duizenden miljarden dollars over voor de verwoesting van Irak en de ontwrichting van de rest van de wereld. Dan zal ze toch ook wel wat dollars hebben voor de steun aan de slachtoffers van de orkaan en de wederopbouw van New Orleans en de andere getroffen steden en dorpen. Dollars voor Amerikanen, ook zijn het armen en vaak zwarten. Dollars om deze mensen zo snel mogelijk te evacueren. (Daar is men inmiddels, na bijna een week van onverschilligheid en wellicht racisme, dan toch mee begonnen. Met veel vertoon, of wat dacht je, alsof Bush die week van schande nog kan uitwissen.) Mijn programma van vorige zaterdag was een teken van empathie, van liefde. In mijn muziekkeuze kon je, hoop ik, de vonken horen van mijn heidense ziel. Muziek uit de ziel voor de ziel. New Orleans heeft op dat gebied een unieke traditie. Ik heb songs gedraaid van Neil Young (Like a Hurricane), Randy Newman (Louisiana), Jimi Hendrix (In From the Storm), Curtis Mayfield, John Convertino, Jesse Winchester (Biloxi), Emmylou Harris (Where Will I Be), Lucinda Williams (Jackson), Bobby Charles, Clarence Garlow (Bon Temps Rouler), Albert Chevalier, Clifton Chenier, Balfa Brothers (Enterre-moi pas), Link Wray, Johnny Jenkins, Neville Brothers (Falling Rain), Eddie Bo, Dr. John (I Thought I Heard Buddy Bolden Say), Louis Armstrong (Basin Street Blues), James Booker, Professor Longhair, Smiley Lewis, Fats Domino (Do You Know What It Means To Miss New Orleans?), Larry Williams, Muddy Waters(Louisiana Blues), Charley Patton (High Water Everywhere), Tony Joe White, Eddie Hinton, Bob Dylan (Mississippi), Bobbie Gentry, Shelby Lynne (Where I’m From) en tot slot, als troost, het idyllische Blue Bayou van Roy Orbison. De mensen die daar proberen te overleven hebben natuurlijk niets gehad aan dit alles. Maar wie weet hoe de wereld in elkaar zit? Later die nacht, toen ik na lange omzwervingen weer thuis was in Brussel, heb ik gehuild bij het zien van een foto in De Standaard. Daarop stond een jonge wanhopige zwarte verpleegster afgebeeld die hulp wilde bieden aan een zeer oude, zeer zieke en zwakke blanke vrouw. Op de achtergrond zag je het restaurant Mulate’s, waar ik ooit lekker heb gegeten, en waarvan ik me zaterdagochtend nog had afgevraagd wat ermee was gebeurd. Het restaurant staat er nog, zo te zien, maar het zal nooit meer hetzelfde zijn.

Zaterdagavond heb ik overigens tederheid en warmte gekregen van mijn oude Antwerpse vrienden, vooral van mijn compagnon de route Guido G., alias Teddy Boy, maar ook van zijn buddy – en uitstekende kok – DD en diens broer Jan. Later, in een Brussels café, heb ik kennisgemaakt met twee zeer fijne jonge mensen, een Belgische man en een Spaanse dame, en uiteindelijk heb ik toch ook nog de tweede vriendelijkste taxichauffeur op aarde ontmoet. De vriendelijkste taxichauffeur reed destijds in New Orleans en bracht mij en Laura, die helaas ziek was, naar de club Tipitina’s. Het zag er daar in die buurt, zonder straatverlichting, niet helemaal veilig uit en de man merkte mijn ongerustheid. We moesten ons geen zorgen maken, zei hij. Het zijn hier allemaal goede mensen, nobody’s gonna kill you here. Hij had nog met een aantal Neville Brothers op school gezeten, vertelde hij terloops. Nooit zal ik weten wat er met deze man is gebeurd.

 

TRANEN VOOR NEW ORLEANS


when the levees broke

Voor wat er in New Orleans en grote omgeving is gebeurd en nog steeds gaande is vind ik nauwelijks woorden. Arme mensen, kinderen, ouderen, zieken, stervenden worden door de overheid aan hitte, stank, honger en uitdroging prijsgegeven. In de ziekenhuizen liggen de patiënten dood te gaan. De fijnste, de warmhartigste stad van de Verenigde Staten wordt blijkbaar opgeofferd door Bush en zijn trawanten. De welgestelden en de zeer mobielen zijn op tijd vertrokken, de anderen, zij die weinig of niets hebben, of niemand om hen te helpen bleven achter en stierven of zagen de lijken voor hun deuren en ramen voorbijdrijven. Bijna al een week lang werden de overlevenden aan hun lot overgelaten. De regering is van mening dat de plunderaars moeten worden bestreden. Shoot to kill. De soldaten die niet in Irak zitten trekken het gebied binnen en beginnen een oorlog tegen hun eigen bevolking. Het moet van de president. Een prachtige stad, waarvan men wist dat ze kwetsbaar was en op heel veel vlakken dringend moest worden hersteld, is zwaar gehavend. De vriendelijkste, meest opgewekte en muzikale mensen die ik ooit heb ontmoet zijn hun warme lach kwijt. De hitte van New Orleans, vroeger een aantrekkingskracht, is nu een verschrikking. De geur van magnolia’s en Spaans mos is verjaagd door die van industrieel vervuild water, open riolen en lijken van dieren en mensen. Het restaurant Mulate’s met modder bedekt, geen Breaux Bridge Playboys meer, geen blueszangers op Jackson Square in de buurt van café Madeleine. Geen geurige koffie in het Coffee Museum in Decatur Street. Alle platenverzamelingen van de grote New Orleansmuzikanten vernield door het water. Is Fats Domino al teruggevonden? En hoe zit het met Eddie Bo, die we zagen optreden voor een zevenkoppig publiek in Storyville Club in Decatur Street? Eddie Bo heeft Slippin’ and Slidin’ voor Little Richard geschreven, heel lang geleden. En wat is er met de beruchte club Tipitina’s gebeurd? De vroegere vast klant van die ‘joint’, Dr. John, zal wel in Hollywood wonen, of in New York. Maar de minder bekende muzikanten, die soms nog beter zijn? En de Neville Brothers en al hun kinderen en kleinkinderen. De Mardi Gras-kostuums, waar zo zorgvuldig aan wordt gewerkt. Het binnenkoertje in Royal Street, waar je lekker kunt eten. Het café Du Monde, waar alles destijds maar 80 cent kostte. De topless bars in Bourbon Street. Wat staat er in de Times Picayune? Alleen verschrikkingen? Is er nog wel een krant in New Orleans? The Land of 1000 Dances. De kerkhoven, waaronder het Lafayette Cemetery, waar Marie Laveaux begraven ligt (ook te zien in de film Easy Rider). De doden werden toen al boven de grond begraven, uit voorzorgsmaatregel (verrotting, besmetting). De St Charles Streetcar met als bestemming het lieflijke Garden District waar een straat luistert naar de naam Pleasant Street. De flamingo’s bij het water aan de Loyola universiteit. Hank Williams die op een van de kerkhoven I’m so lonesome I could cry en Jambalaya schreef. De kaaimannen die graag ‘kip’ eten. Die zullen nog wel in leven zijn, de kaaimannen. De one shot shacks. De rustige uren in Armstrong Park. Morgen Labour day, dan zijn er andere jaren overal optredens, feesten. Nu natuurlijk niet. The Rebirth Brass Band. Duizenden cajun, zydeco en blues bands. Jazz op alle straathoeken. Basin Street Blues van Louis Armstrong. Irma Thomas, Huey Piano Smith, Eddie Lejeune, Beausoleil, de studio van Daniel Lanois.

Hoe diep bedroevend allemaal. Help deze mensen!