DIVERTIMENTO

Maandag was ik in het UZ Brussel voor een niet al te zware operatie (divertikel van Zenker) – er werd me desondanks algemene anesthesie toegediend. Over de chaos en de slechte communicatie in het ziekenhuis schrijf ik later misschien. Dinsdag mocht ik, na een slapeloze nacht vanwege het oorverdovend, zenuwslopend gesnurk en gehoest – elke hoestbui leek op een bombardement – van mijn buurman, alweer naar huis. De man was gehandicapt, hem kon natuurlijk niets kwalijk worden genomen. Bij het verlaten van de ziekenfabriek voelde ik me nog wat zwak en beverig, maar ik was blij dat ik weer in de taxi kon stappen.

Die dinsdagavond kreeg ik spierpijn en hoofdpijn, ’s nachts koorts. Woensdag voelde ik me erg ziek: hoesten, keelpijn, nog hogere koorts – niets wat verband leek te houden met de ingreep. Mijn huisarts vermoedde dat de meeste pijn een gevolg was van de operatie, met daarbij mogelijk een virus. Hij schreef me niet meer voor dan veel rust en pijnstillers. We voerden geen gesprek. De volgende dag – donderdag – kwam mijn tweede huisarts (ze vormen een team). Hij hoorde dat ik een ernstige longinfectie had en geschikte medicatie nodig had. Wat ik prettig vond was dat hij me liet vertellen over mijn ‘avonturen’ in het ziekenhuis. Je zou daar een roman over moeten schrijven, zei hij. Dat zou je heel goed kunnen. Misschien wel, zei ik, maar ik begin er niet aan. En ik wil ook nooit meer naar zo’n huis terug waar de mensen aan de lopende band ziek worden gemaakt. Zelfs als de technische ingrepen, als bij machines, perfect worden uitgevoerd.

Mijn twee huisartsen doen me soms denken aan the good cop en the bad cop in niet al te originele misdaadverhalen.

Ω

Het voorgaande stond al gedeeltelijk op facebook, maar ik vermoed dat ik vrienden en misschien zelfs lezers heb die geen gebruik maken van dat netwerk. Daarom even een herhaling, om de hele wereld in te lichten hoe geweldig ik me voel!

In het ziekenhuis las ik ondanks alles een meeslepende misdaadroman, ‘Tuinier van de nacht’ van George Pelecanos, een auteur met een bijzonder goed inzicht in de menselijke psyche en intermenselijke relaties. Maar wat een gruwelijke vertaling! Gelukkig buig ik me alleen nog over misdaad en geweld in ziekenhuizen.

Ω

Oorspronkelijk gepubliceerd op 24-11-2012

DRAADJES

P1050343.JPG
Martin Pulaski, Ziekenhuisbed, maart 2012.

 

Vrijdagavond was ik bij de huisarts. Sindsdien ga ik weer draadloos door het leven en kan ik de draad opnieuw opnemen. Midden maart was ik een tweede keer in het labyrint beland om er opnieuw een zware strijd te leveren met de Minotaurus, een minder mythisch wezen dan je zou kunnen denken, een wezen dat moet beslissen of je zal leven of sterven. Dat moeten is belangrijk: hij weet immers zelf niet wat de uitkomst zal zijn. Ik heb geluk gehad, zeggen de mensen, wat ik voor een keer beaam. Niet alleen heb ik de strijd gewonnen – ik ja, want de Minotaurus beschikt niet alleen over de uitkomst, je eigen inzet is op zijn minst even belangrijk – maar ik heb ook de uitweg gevonden uit het labyrint. Een andere draad, die van een herboren A., heeft me de uitgang helpen vinden, ook al ben ik geen Theseus of enige andere held. Ik ben een doodgewone sterveling. En toch is A. me gunstig gezind. Met A. bedoel ik iets/iemand helemaal anders dan het Lot. A. verpersoonlijkt liefde, tederheid en mededogen. Zonder haar zou ik nu nog altijd door donkere, kille gangen dwalen, samen met andere stervelingen die onder onnoemelijk leed gebukt gaan.

Op een maandagmiddag stond ik in de stralende lentezon als herboren aan de poort en spoedig was ik weer thuis. Twee weken heb ik geduldig mijn genezing afgewacht. Elke dag kwam een verpleegster mijn wonde verzorgen en maakte ik een wandeling naar het park om er het ontwaken van de lente te aanschouwen. Vooral de tranen opwekkende magnolia’s, die zo kort bloeien. Wat zagen de zwanen, eenden en ganzen er zorgeloos uit. Het lijkt wel of zij niet beseffen dat dit het eindspel is. Nu ja, ook daarover beslist niet alleen een of andere Minotaurus, eigenaar van talloze banken en supranationale bedrijven, nee, wij hebben daar zelf ook iets over te zeggen. Maar zwak als we zijn zullen we misschien onderdanig blijven zwijgen en in de illusie blijven leven dat onze uitzichtloze situatie door het Lot wordt bepaald. Zwak als we zijn – en levenslustig – zullen we misschien opnieuw gaan dansen op de rand van de afgrond. In dat geval zou mijn strijd met het monster weinig zin hebben gehad. Een sterveling moet zich niet alleen van zijn draadjes bevrijden. Een sterveling moet niet alleen ontsnappen aan labyrinten. Hij moet labyrinten afbreken en nieuwe steden bouwen, waar in alle openheid en volstrekte gemeenschap kan worden geleefd, plaatsen waar de lente en het geluid altijd nieuw zijn.

 

P1050351.JPG

Martin Pulaski – Stilleven (Ziekenhuistafereel), maart 2012.

 

HERSTELLINGSWERKEN

IMG_0413 (2)

Mijn levensgezellin is geen actrice, maar ze had het kunnen zijn. Bij de aanvang kunnen wij alles, met het ouder worden nemen onze mogelijkheden af. Hoewel onze professor Leopold Flam er meermaals op wees dat Tolstoj nog Grieks heeft geleerd op vrij hoge leeftijd. Mijn levensgezellin is nog altijd een mooie vrouw maar net als dat van mij is haar leven nu grotendeels vastgelegd. Er valt nog moeilijk te ontsnappen aan de gewoontes, de afhankelijkheden; uitstijgen boven de determinante patronen wordt met de dag moeilijker. Ze loopt nu rond met één grote schoen (met een dikke zool) en één kleine schoen. Uit die grote schoen steken haar tenen. Uit een van die tenen steekt een pin. Op die pin zit een kurken dop. Eergisteren werd er in Pellenberg herstellingswerk op haar uitgevoerd. We hebben allen onze kwalen en ongemakken. Dit is allemaal nog niet zo erg, er zijn mensen die veel erger lijden. Een goede god zou dat nooit toestaan. Zou een goede god zijn paus laten afzien en sterven? Zou een goede god jonge jongens zich in zijn naam laten opblazen? Ja, natuurlijk zijn dit retorische vragen.

Ik wil vandaag heel graag naar een verjaardagsfeestje van een heel goede vriendin, maar ik merk dat mijn lichaam niet wil. Wie ben ik dan en wie is mijn lichaam? Zijn wij niet één en dezelfde, of elkaars spiegelbeeld: in de spiegel zie ik mezelf, zoals de anderen mij zien, maar hier op deze stoel zit ik, mijn lichaam dat niet naar dat feestje wil en dat nu al weigert te dansen op de soul en funk die vanavond in de flat van mijn vriendin wellicht zal opklinken. Ik had het gisteren onder meer over echte mannen en machos. Daar moet ik aan toevoegen dat ik heel weinig over machismo weet. Lang geleden heb ik over het Mexicaanse machismo gelezen in ‘Het labyrint der eenzaamheid’ van Octavio Paz, maar daar herinner ik me zeer weinig van. Toen ik gisteren naar ‘Madigan’ van Don Siegel zat te kijken (met een zeer mannelijke Richard Widmark) moest ik opnieuw toegeven hoe vaak ik mezelf tegenspreek. Want ik besefte dat ik net zo goed sterke mannen bewonder, mannen als Madigan, die alles willen geven om hun eer te redden, zelfs hun eigen leven. Voor hen gaat er van vrouwen een sterke aantrekkingskracht uit, maar in de grond zijn zij – weliswaar mooie en verleidelijke – hindernissen, die de helden beletten om hun opdracht uit te voeren en hun tragische einde tegemoet te snellen. Of om als Odysseus weer naar huis terug te keren. But you can never go home anymore…

Foto: Martin Pulaski, 2005