EINDE VAN HET SEIZOEN

Een manifestatie van de filosofische kring Aurora, circa 1980.

[Nachten aan de Kant 61]

De zomer van 1979 liep langzaamaan ten einde. Het was het jaargetijde waarin de weemoedige song Summer’s Almost Gone van the Doors mij onvermijdelijk te binnen schoot, ook nu weer, nu de band van Jim Morrison tot een relict uit een begraven tijdperk was herleid. Spoedig zou ik een flinke klap krijgen, een waarschuwing dat ik mijn leven grondig zou moeten veranderen. Vandaag was het nog niet zo ver. Het waren drukke zomerdagen geweest.  De haast routineuze nachtelijke escapades naar de Dageraadsplaats en naar de Stadswaag begonnen een zware tol te eisen. Al wilde ik dat maar al te graag ontkennen. Ook in 1979 al was zelfbedrog mij niet vreemd.
Overdag was er werk aan de winkel: filosofie en literatuur. Bij Aurora vertaalde ik samen met Paul Rigaumont De dans van de filosofie, een essay van de Parijse filosoof Claude Roels. Wat met die tekst uiteindelijk is gebeurd, weet ik niet. In 1982 heb ik de filosofische kring Aurora de rug toegekeerd, en ik heb er lange tijd niet meer naar omgekeken. Al ben ik met Paul tot aan zijn dood goed bevriend gebleven. Claude Roels ontmoette ik vele jaren later een paar keer. Paul en zijn vrouw Olga waren de filosoof als een intieme vriend gaan beschouwen. Maar op een dag verdween hij zomaar zonder een spoor achter te laten uit hun leven. De hele geschiedenis leek een beetje op een van die raadselachtige verhalen van Patrick Modiano.

In de Dolfijnstraat werkte ik aan mijn tekst De triomf van het leven, geïnspireerd door een gedicht van Percy Shelley. Ik dweepte nog altijd met de romantiek, vooral de Britse versie ervan. Al hield ik ook van Novalis en Kleist. Kleist zou ik nu hoegenaamd geen romantische auteur meer noemen. Hij behoort tot de klassieken. Waarschijnlijk heb ik De triomf nooit afgewerkt en heel zeker niet naar een uitgever verzonden. Ik was ervan overtuigd dat niemand mijn werk zou willen publiceren. Ik wantrouwde uitgevers, ik wantrouwde de literaire wereld, ik wantrouwde de meeste schrijvers. Je hoort nergens bij, jongen, zei ik, je staat er alleen voor. Alleen in outsiders herkende ik iets van mezelf. Ik was een twijfelaar, altijd onzeker, was mijn werk wel goed genoeg, hoe zat het met mijn grammatica, met mijn woordenschat? Had ik originele ideeën?

Louis Edouard Fournier, De begrafenis van Shelley

De triomf van het leven is dat je volhardt, dat je in jezelf blijft geloven, in je mogelijkheden, dat je weet dat je kunt veranderen. De triomf van het leven is dat je kunt liefhebben en liefde terugkrijgt. Waarbij je nooit uit het oog mag verliezen dat liefde op maar weinig vragen een antwoord geeft. Daarin had John Lennon, en met hem heel wat van zijn generatiegenoten en kompanen, het verkeerd voor. Liefde is niet het antwoord, het leven is veeleer strijd. Love is a battlefield, zong Pat Benatar een paar jaar later. Dat lijkt me realistischer.

Senga en ik waren arm, zonder dat we onszelf zo zagen. Of, het maakte niet veel uit. De weinige waardevolle dingen die we bezaten moesten we verkopen. Voor een nikkelen servies uit de 18de eeuw kregen we tweeduizend frank. Een mooi bedrag voor wat oude prullaria. Met de opbrengst konden we wat van onze schulden in winkels en bars en aan onze vrienden aflossen.

Op de Grote Markt in Brussel zagen we Elliott Murphy optreden. Hij was in die tijd een van mijn muzikale helden. Hij had een romantisch aura, droeg een wit pak, schreef literaire liedjesteksten, verwees in zijn interviews naar F. Scott Fitzgerald en Ernest Hemingway. Hij leidde een leven dat de muziekpers decadent noemde. Ik zag hem als een Amerikaanse versie van Kevin Ayers. De verbluffend mooie Grote Markt was een ideaal decor voor de songs van Elliott Murphy. Was hij een van the last of the Rock Stars? Na het optreden zagen we in Au mort Subite Freddie Bleus terug. Al pratend reisden we terug naar de Waterkrachtstraat in Sint-Joost-ten-Node, waar alles begonnen was. Het prille begin van onze liefdevolle veldslagen. Toen Senga voor mij Daphne was, mijn romantische muze. Al zag ik mezelf niet als Apollo en wilde ik haar zeker niet in een laurierstruik veranderen. Daarvoor verlangde ik te zeer naar haar vlees en bloed, of liever, naar haar huid en haar. Met Freddies broer Guy was er iets vreemds aan de hand. Ik had in Aurora mijn verhaal Taferelen van onverschilligheid gepubliceerd. Daar kwamen twee onsympathieke personages in voor. In een van de twee had Guy zich herkend. Dat was pure paranoia van hem geweest. Guy was mijn vriend, ik zou hem nooit belachelijk maken, in een tekst noch in het echte leven. Mijn verhalen waren verzinsels, geen autobiografische notities zoals deze hier. Ik schreef hem hierover om hem duidelijk te maken dat hij zich hierin vergiste. Zou hij me geloven?

Gian Lorenzo Bernini, Apollo en Daphne, 1622-1625

Met Senga en Gabriella ging ik die zomer meermaals naar de bioscoop. Veel indruk maakte op mij opnieuw Last Tango in Paris met Marlon Brando en Maria Schneider. Ik had de film al drie of vier keer gezien. Die nacht schreef ik er een lang, psychoanalytisch geïnspireerd stuk over. Af en toe hield ik op met schrijven om te horen of er niets onheilspellends in de kamer van Gabriëlla gebeurde. Mogelijk zat ze weer aan de morfine, ze was al enkele dagen bleek en verzonken in gedachten of dagdromen. Terwijl ze toch met zoveel goede voornemens bij ons was ingetrokken. Ik probeerde me er niet te veel kopzorgen over te maken en beëindigde de tekst. Ook daarmee deed ik niets. Het was een onderdeel van één groot werk voor niemand.

ANTIGONE/SUNSHINE SUPERMAN, ZOMER 1968

Ik was de andere, hij die achttien zou worden.
De jongens in het grijs noemden mij Kleurentelevisie.
Voor een handvol kenners was ik Mister Pitiful.
Ik was een naïeve, bange, moedige jongen.
Ik was een zoon, geen dochter.
Ik was een ongeschoolde dichter.
Ik had regenbogen als schoenzolen.
Ik wist niet wie of wat ik was.
Was ik dan geen man, geen Bo Diddley?

Ik zou voor een commissie verschijnen.
Ik zou in een studio Antigone spelen.
Een stukje Antigone, niet het hele stuk.
Ik moest een meisje worden.
Een meisje in de gebrandmerkte huid van een vrouw.
Eerste huid, tweede huid, derde huid.
Wie zou het meisje zijn en wie de jongen?
Alleen ik lag daar wakker van, dacht ik.

De wereldlingen sliepen in bronzen dromen.
Hoorden zij hun onheilspellende klokken luiden?
Onderdanen op zoek naar hun begeerte.
In hun spiegels was er weinig aan de hand.
Er was gretigheid, er werd goed geld verdiend.
In dorpen en steden sliepen zij voldaan en voldoende.
De tijdgenoten, de ouders, de vaders en moeders.
Zij die uit de oorlog kwamen en de oude wetten spelden.

Ik was achttien, bitter, en wist weinig, niets.
Ik wist niet dat ik een antieke Griekse worden zou
Die appelsienen van de bomen plukt.
Die in de dromen van haar donkere slaap
Haar dode broer met lauweren kroont.
Ik at geen appelsienen, laurier was louter woord.
Ik was niet meer dan een naam, een voornaam.
Een titel op een briefomslag.
Niet meer dan een geur in moeders keuken.
Waar ik mijn Grieks meisje lange brieven schreef
Over hoe we in grotten zouden dansen bij een zachter vuur.
Ik was Sunshine Superman, wisten jullie dat niet?
Naar de overzijde zouden we gaan, schreef ik haar in het blauw.
Naar de overzijde, waar wonderlijke asters bloeien.

Nee, zei ik, ik word geen man, ik word geen vrouw.
Zo viel ik in een even donkere slaap waarin ik dichter werd.
Ik vluchtte naar de vruchtdragende bomen.
In de boomgaard onder de appelbomen wachtte ik af.
Ik vluchtte naar het zoetere water.
Daar aan dat zachte water ging ik zitten wachten.
Ging ik de as van mannen en vrouwen,
Ging ik de as van tijd en ruimte uit mijn ogen wassen
Tot de wereld genezen zijn zou van zijn absurde wonden.

Tongeren, mei 1968


De eerste versie van dit autobiografische en mythologische gedicht lijkt te zijn ontstaan op 24 april 2008, al vermoed ik dat er eerdere versies waren, maar zeker ben ik daar niet van. Sommige gedichten zijn nooit af. Of is niets ooit helemaal voltooid? De titel was toen ‘Ongetwijfeld Antigone (in 1968)’. Op 10 september 2017 publiceerde ik hier een nieuwe versie met als titel ‘Een jongen in de huid van Antigone’. Ik had het gedicht toen meer helderheid gegeven, eenvoudiger gemaakt. Mogelijk wilde ik de autobiografische aspecten ervan meer benadrukken.
De versie van vandaag heeft als basis het gedicht van 2008. Ik kreeg het gisteren toevallig onder ogen en was er weer een keer niet helemaal tevreden mee. Er ontbrak kleur, levendigheid, beweging aan. Het was te abstract. Ik heb er enkele autobiografische toetsen aan toegevoegd en het meer historische en politieke achtergrond gegeven. Ik heb het zowel aan de tijd (1968) onttrokken als er, door enkele culturele referenties, meer in ondergedompeld. Van de donkere slaap van Antigone heb ik tegelijk die van de dichter gemaakt. Het Griekse meisje naar wie ik in 1968 brieven op luchtpostpapier schreef, heette Helena en woonde in Istanbul. Ze was een Turkse onderdaan. Ik heb nooit geweten wat er met haar is gebeurd en zal dat ook nooit weten. Als zij sterft zal ik haar niet begraven en als ik sterf zal zij mij niet begraven. Alleen met de dood komt de voltooiing.

DE JONGEN MET HET MES

mes3

Op deze foto poseer ik als street fighting boy – of als punk avant la lettre – in de zomer van 1968. In Sint-Idesbald, aan de Belgische kust. Te laat voor de revolutie… Een onzekere toekomst lacht of huilt me toe. Ik heb er duidelijk niet veel zin in om die te zien. Ik sta met mijn rug tegen een muur… van tentzeil. Veel bescherming zal die me niet geboden hebben. Mijn rechterbeen lijkt in de tent te willen blijven. Wat kan ik daar buiten gaan doen? Ik ben nog niet helemaal in de wereld.

Waarom keer ik om de zoveel jaar terug naar deze foto, die een postmodernist met weinig gevoel voor stijl ‘iconisch’ zou kunnen noemen? Vanwege de dubbelzinnige pose: een flowerpower-jongen met een stiletto? Vanwege het ongedefinieerde? Want ondanks de schijn is niets beslist, ligt niets vast. Er is nog veel mogelijk.

Ik zag mezelf als dichter, had een toneelstuk geschreven dat ‘De droom’ heette, een utopisch verhaal, helemaal in de geest van die verwarde tijd. Boos, naïef, onvolmaakt, onzeker. Ik was een jongen die in het duister tastte maar tegelijk dacht dat hij begaafd was, een gave had. Ik had het gevoel dat woorden mij de weg zouden wijzen.

In mij was alles even woelig als de Noordzee in Sint-Idesbald. Ik had provo en psychedelica en pop en de boeken van Remco Campert (‘De jongen met het mes’), Simon Vinkenoog en Hugo Claus ontdekt. Ik had gelezen dat Hugo Claus een fan was van the Doors. Vooral ‘The End’ wist hij te waarderen. “Father?” “Yes, son.” “I want to kill you.” “Mother, I want to…” Ik had Salvador Dali op televisie uit een groot ei zien geboren worden.

Maar dat dreigende? Die stiletto? Een pose, jazeker. Maar de mogelijkheid van een Patrick Haemers zit erin. Een heel ander leven dan ik dacht te zullen gaan leiden, dan ik werkelijk zou leiden. Bankovervallen, bendes, gangstermeisjes, cocaïne, geweld, gevangenis, zelfmoord.

Wat heb je zelf in handen? Hoe word je wie je wordt? Maak je wel keuzes, en als je al keuzes maakt, hoe komt het dan dat je niet de juiste keuzes maakt? Do the right thing, allemaal goed en wel. Maar de juiste keuze maken, het juiste leven kiezen, het juiste masker, het juiste personage: komt het daar uiteindelijk niet op neer? Op die foto, weiger ik een keuze te maken, zo lijkt het wel.

Mijn vriend Henry J. vertelde me dat de jas en de zonnebril van hem waren, de tent was, geloof ik, van Luc V., de lichtblauwe broek in tergal en het hemdje waren van mij, het mes ook. Het sjaaltje was van mijn tante Georgette, die een paar jaar eerder zelfmoord had gepleegd. De foto is genomen, schreef Henry gisteren, op de morgen van de dag dat we van Sint-Idesbald weer naar huis zouden liften.