DE KLEINE TRAGEDIE VAN EEN HÖLDERLINLEZER

Met Hölderllins gedichten op zoek naar een café, om even op adem te komen. Je voelt een soort trots. Maar waarom eigenlijk ? Er was je een ochtend van kristal beloofd, heldere lucht die je de adem zou teruggeven.

Hoe je in het donker je tenen telde. De tel verloor. Opnieuw begon. Een haast net zo donkere prinses gleed uit haar witte jurk. Heel even lichtte haar verblindende huid op in de nacht. Daarna hulde zij zich in slangenvel en vulde haar ogen met bloeddorst. Een superieure onverschilligheid voor je lijden nam bezit van haar. Je zette de zwarte parel uit het hoofd.

(Niemand ontsnapt aan de wetmatigheden, in je boek genoteerd.)

Maar niets van dat alles. De zon schroeit en verblindt. Het graan kan elk ogenblik in brand schieten. Nergens is een landbouwer te bespeuren. Het is te heet.

’s Avonds gaat het beter. Er worden grote glazen strogeel bier geschonken. De echo van de accordeonmuziek lijkt het bestaan van een hiernamaals te bevestigen, vooral waarschijnlijk omdat je met niemand praat, je kent hun dialect niet, maar wel evenveel drinkt als zij.

Een jong meisje danst op een ruwe houten vloer. Haar bloemetjesjurk is vochtig van haar zweet dat naar appelwijn ruikt. Je had haar graag bij de heupen genomen, en dan zou ze naar je geglimlacht hebben. Dat zou voldoende zijn geweest om je uit je lethargie wakker te schudden . Maar je gaat weer op dezelfde stoel zitten, alleen aan een tafeltje. Met tegenzin grote slokken bitter bier drinkend. Je hebt opeens zin om zo’n vlot type te vermoorden. Een schot tussen de domme ogen zou volstaan.

PROJECT VOOR EEN REEKS GEDICHTEN OVER ‘MONSTERS’

1. Mary Shelley’s Frankenstein
2. Johnny Peru (David Lynch)
3. Het monster van Isabelle Adjani
4. Het monster onder het bed
5. King Kong (lief monster, ruwe bolster…)
6. Opgepast, Gevaarlijke Hond !
7. Truly Fine Citizen (hoesfoto Moby Grape)
8. De man met de vijf hoeden
9. Pinochet
10.Robespierre
11.De Japanner uit de jaren ’50 in Hollywood
12.De geest in de fles
13.Het nummer van het beest
14.De dubbelganger van Polanski
15.De man zonder schaduw
16.Dracula en Ceaucescu
17.Marylin Monroe na de autopsie
18.Hitler
19.Mrs. Thatcher in de modder
20.Lt. Calley thuis
21.De olifantenman
22.De vrouw zonder hoofd
23.The incredible shrinking man
24.Charlie Starkweather
25.De ghostwriter van George Bush
25.Erzsébet Báthory
26.Jeffrey Dahmer

DROMEN ZIJN GEEN BEDROG

Ik zat aan mijn bureau te werken aan een verhaal. De mechanische schrijfmachine waarop ik mijn tekst intypte veroorzaakte allerlei problemen, onder meer door letters die bleven hangen. Erger waren de andere moeilijkheden waar ik mee te kampen had. Mijn levensgezellin had last van mijn aanwezigheid, of van de aanwezigheid van dat bureau in de kamer waarin ik zat te werken. Er ontstond een woordenwisseling. Ik kreeg de indruk dat zij geen respect had voor mijn ‘scheppend’ werk, voor de kunstenaar in mij. Dat ze op die manier mijn ziel miskende en zodoende niets om me gaf. Deze ijskoude vaststelling deed een verlammende droefheid ontstaan. Ik wilde mijn wanhoop uitschreeuwen, maar dat was niet mogelijk. Ik zag haar de trap afgaan, met ons kind op de arm, en ik kreeg heel sterk het gevoel dat het nu voor goed gedaan was: zij zouden niet meer terug komen. Toen ik dat besefte begon ik te schreeuwen, zij het nog altijd met moeite, en het klonk theatraal, alsof ik het niet meende. ‘Ik spring naar beneden’, riep ik. ‘Nu maak ik er een eind aan. Kom terug naar boven of ik doe het…’ De trapleuning was beschadigd, wat mij het springen heel wat vergemakkelijken zou. Voor de deur beneden draaide ze zich nog een keer om, en toen ze me daar boven zag staan moet ze iets gevoeld hebben, moet het tot haar doorgedrongen zijn dat ik het meende. Op het moment dat ik zag dat ze aanstalten maakte om terug naar boven te komen, voelde ik een grote troost in mij opwellen en warme tranen begonnen over mijn wangen te rollen. Het was lang geleden dat ik nog zo bevredigend gehuild had. Bij het ontwaken was mijn gezicht helemaal vochtig.

Dat speelde zich een paar nachten geleden af.

Afgelopen nacht bevond ik mij in een vuile kamer. Vermoedelijk had er een feestje plaatsgevonden. De gasten hadden hun afval en stof laten rondslingeren. Mijn moeder, mijn broer en nog wat mensen zaten gezellig bij elkaar in de kamer ernaast. Ik werd ziek van het vuil, maar er was niemand die daar enige aandacht aan schonk. Van lieverlede begon ik dan zelf maar alles aan de kant te zetten en te stofzuigen. Dat maakte mij natuurlijk nog zieker. Wat het allemaal moeilijker maakte was een bepaald zelfmedelijden dat me parten speelde. Met het stofzuigen hield ik al snel op. Ik viel uit tegen mijn moeder: dat ze niets om me gaf, dat zij het was die me ziek had gemaakt, door me als baby te weinig te beschermen, te weinig te koesteren, te weinig liefde te geven. Ze bleef echter onverschillig. ‘Laat hem zijn stukje nog maar eens een keer opvoeren’ scheen ze te denken. Ik werd hoe langer hoe woedender, maar voelde tegelijk aan dat dat geen enkele zin had.

Ik was met A. en een aantal vrienden op reis, in een land dat op Marokko leek. Oogverblindende kleuren, sterke geuren van Noord-Afrika. Overal waren kraampjes met warm eten, drank, fruit. Het was de tijd van het ontbijt, het ogenblik van de dag waarop mijn honger het grootst is. Als ik dan niet op tijd iets in mijn maag krijg, word ik slap en ga ik moeilijk doen. Dat was nu niet anders. Mijn vrienden, zelfs A, die anders nooit ontbijt, hadden zich van allerlei lekkernijen voorzien. Op de een of andere manier had ik mijn kans gemist. Of was het omdat ik niets had gezien dat ik lekker vond? Misschien was ik wel bang voor bacteriën? We liepen door gangen, kamers, straten, over pleinen. Ik voelde me almaar zwakker worden, en bozer. Dit was toch wel bijzonder onrechtvaardig en wreed van mijn vrienden, en vooral van A, dat zij zich zo te goed deden aan hun lekkernij en mij honger lieten lijden. Ik maakte me boos op A, maar ze scheen mijn klachten niet te horen. Toen we op het strand kwamen moest ik meteen gaan zitten, ik kon geen stap meer zetten. A kwam naast me zitten en vroeg wat er aan de hand was. Gaf ze me een hap van haar broodje? Werd ik op die manier getroost?

WEEFSELS VAN HET HART

1968

Georges Bataille beweert dat mensen lachen uit schrik. Ook met erotisch gedoe wordt gelachen, maar dan wel omdat beschaafde personen er schrik voor hebben. Schrik is een positieve eigenschap. Beschavingen komen voort uit schrik voor allerlei akelige dingen in de wereld en daarbuiten. Het zou ook kunnen dat Georges Bataille dat helemaal niet beweert. Ik heb echter geen zin om de inleiding bij Madame Edwarda te herlezen.

Op een vrij groot adreskaartje van St Joseph’s Bed and Breakfast in Roundstone vind ik de volgende notitie terug.“Een hevig onweer met Frankie, Sara en Sontag in Bierdorp. Dat moet ik beschrijven in een verhaal. Een wolkbreuk. Hete dag in augustus. Midden in een open veld; het modderige water stroomt over de veldweg. Ik draag de buggy van Frankie en vrees te zullen worden getroffen door de bliksem. Sara heeft alleen een dun katoenen jurkje en een slipje aan. De regen en de hitte geven haar een ongewone, intense erotische uitstraling. Ik heb nooit zo hevig naar haar verlangd, terwijl ik daar liep met Frankie en Sontag. In het gebulder van de donder en bukkend voor de bliksem. Druipend van de regen, de voeten vol modder, komen we in het dorp aan. Sontag neemt ons mee naar een huis van een tante van hem. Daar krijgen we droge kleren, die ons niet passen.”

Bierdorp: waarschijnlijk kon ik me op het moment dat ik de notitie maakte – in Roundstone – de naam van de gemeente waar het onweer zich voordeed, niet herinneren. Dat gebeurt wel vaker op reis, dat namen van plaatsen of van personen mij niet willen te binnen schieten. Niet alleen in Ierland, na een avond Guinness bij Gus O’Connor.

Wandeling. In westelijke richting in de heuvels van Poggio Attendi, dan zuidelijk tot San Donato, dan terug via Montanto en Santa Lucia. Toscane, zomer 1996. De heerlijke Vino Nobile van Montepulciano. Op het terras van ons hotel hebben we daar met kleine teugen van genoten. Ook in het café Poliziano. Ik weet wel zeker dat het gevoel dat we toen hadden niet zal terugkomen als we er opnieuw naartoe gaan.

“Tingeltangelzangeres.”

Ik moet ooit een keer het verhaal vertellen hoe we tequila leerden drinken. Amerikanen in het Hard rock café, aan het Fernand Cockplein in Elsene, leerden ons tequila drinken. Job, Nora, Laura en mij. Duchateau beweert dat hij er ook bij was, maar ik geloof er niets van. Laura kan het zich niet herinneren. Zij heeft me die nacht in het bad gegooid (met mijn zeemvelleren jas aan). Ze was plotseling in razernij weggelopen van me en had thuis al haar kleren uitgetrokken. Toen Job, Nora en ik binnenkwamen, stond ze naakt in de badkamer (de ingang van ons appartement was via de badkamer). Ik was woedend. Toen ik druipnat uit het bad stapte kotste Job op mijn rug. De pindanootjes lagen over de vloer uitgezaaid. De salontafel en de stoelen waren omver gestoten. De bovenbuurvrouw, een echte feeks, belde de politie. Toen de agenten binnenstapten – alle deuren stonden open – was de rust weer hersteld. Alles opgeruimd en netjes. Job zei: “We hebben zitten discussiëren over Socrates”. In het Antwerps, zei hij dat. De agenten geloofden hem, moesten eens lachen. Je zag ze denken: “filosofen!”. “In ’t vervolg niet zo luid discussiëren, mannen ”, zeiden ze, en vertrokken. Het waren Vlamingen. Misschien waren ze wel uit Antwerpen afkomstig. De Amerikanen zeiden dat je tequila puur moest drinken. Je had er citroen en zout voor nodig. Je strooide eerst wat zout op de rug van je hand, dat likte je af, dan dronk je de borrel leeg en vervolgens beet je in een stuk citroen. Dat herhaalde je een aantal keren, tot je ver genoeg weg was, maar net niet te ver. Na The Hard Rock Café zijn we naar een fuif gegaan. Nora had er vol vuur en overgave met mij en Laura gedanst. Job was er boos geworden, geloof ik. Op weg naar huis was Job in het midden van de Troonstraat gaan liggen, aan metrostation Luxemburg (nu Troon). Ik was over de brugleuning geklommen en aan een vlaggenmast gaan hangen. Mijn bril is naar beneden gevallen, in de tunnel van de kleine ring, waar overdag het verkeer doorraast. ’s Anderendaags ben ik er nog naar gaan zoeken. Tevergeefs. (Veel later, nadat ik in de Kiekenmarkt in mekaar was geklopt, is Laura naar een andere, al heel wat duurdere bril gaan zoeken. Tevergeefs.) De tequila-avond heeft zich afgespeeld in 1976, zo ongeveer.

Ik vind net een notitie terug: “I wouldn’t be buried in this suit.”

Aantekening bij het verhaal Lenny’s verjaardag: ongeveer zeven jaar geleden (op mijn verjaardagsfeestje op 16 juni 1998, om precies te zijn) zei Danny dat we porto dronken op zijn verjaardag (in het verhaal heb ik hem Lenny genoemd). De fles porto is stuk gevallen op de vloer, zegt hij. Pas daarna hebben we grappa gedronken.Waarom moeten er bloemen zijn, rozen, lelies, papavers? Als we ze toch niet mee kunnen nemen? Elegische stemming.

Wat herinner ik me nog van de plaatsen waar ik ooit ben geweest?Neem nu Stuttgart… Een hotelkamer met een open gasleiding. Ik was werkelijk bang dat we tijdens onze slaap zouden worden vergast door die ‘nazi’s’. Hadden ze ook al niet gevraagd om in onze bagage te mogen kijken? Dat was toch tegen alle gastvrijheid in! Het was de tijd van de Rote Armee Fraktion. Ulrike Meinhof zat in de gevangenis. Ze wilden zogezegd weten of er geen drank tussen onze kleren zat, want dat mocht niet. Misschien dachten ze wel dat we bommen bij ons hadden, of machinegeweren…Met alternatieve mensen die ons in hun kleine autootjes meenamen (in die tijd liftten we nog langs de Duitse snelwegen) hadden we het over de terreur van de staat en over de verschrikkingen van de Stammheimgevangenis. De ‘nazi’s’ in het hotel hadden in zoverre gelijk dat we sympathiseerden met Ulrike Meinhof. Ik vond dat ze op een mensonwaardige manier werd behandeld. Overigens zagen we er ook verdacht uit, Laura met haar hennahaar en ik met mijn lokken tot op mijn schouders. Zo’n hennahaar hadden alleen hippiemeisjes. Terroristen, zullen de Duitsers oude stempel misschien hebben gedacht.

Toen ik de eerste keer in Berlijn was (1998) zag ik dat de meerderheid van de jonge vrouwen daar rode haren had. Wat vond ik ze allemaal aantrekkelijk… En overal in de stad hingen affiches voor de film “Lola rennt”. Lola met de rode haren: zou het een terroriste zijn, vroeg ik me af.Toen we op een zomeravond in Innsbrück aankwamen zaten alle hotels vol. Toch werd er voor ons nog een kamertje vrijgemaakt. Dat was dan wel gastvrijheid, in Oostenrijk, waar Hitler vandaan kwam. Maar ook Wittgenstein natuurlijk, en Robert Musil, de beste schrijver.

In Pécs logeerden we bij een verdacht sujet, een vrijgezel in een groot appartement. Wat ik mij vooral herinner is het wasrek in de badkamer, dat met kabels en katrollen tot tegen het plafond was getrokken. De vrijgezel in zijn mouwloze onderhemd. Zijn bleke armen. Pécs was een vreemde en fascinerende stad. Het was er bloedheet. Dankzij de hitte waren de vrouwen schaars gekleed. Of was dat typisch Hongaars, misschien? Waren zij altijd zo warmbloedig?

In Eger, stad van het Stierenbloed of Egri Bikaver, wandelden we door de straten en over de pleinen met de dorpsfilosoof en (soms) zijn dochter. Hij sprak vlot Duits en ik had net een cursus Duits achter de rug, zodat de conversaties nogal meevielen. Jammer genoeg was de man oerconservatief. In het begin wantrouwden we hem. We wilden met hem bijvoorbeeld geen uitstap maken naar het bos van Szilvasvarad (een naam voor een sprookje, vind ik). We dachten dat hij ons daar misschien wel zou vermoorden, in dat donkere woud. Toen we er dan toch een keer aan het wandele
n waren, kwamen we hem en zijn dochter ‘toevallig’ tegen. Hij heeft ons niets in de weg gelegd. In de bus terug naar Eger heb ik wel een flinke kou gevat. Een paar dagen later zaten we in een bioscoop in Zagreb, waar intussen de burgeroorlog heeft gewoed, naar ‘The Color Purple’ te kijken, mijn keel helemaal toe van de infectie. De dorpsfilosoof van Eger was een bijzonder zachtaardige Hongaar. Hij had veel problemen gehad in zijn leven. Zijn professoraat was hem afgenomen omdat hij geen lid was van de Communistische partij. In Szilvasvarad staken duizenden kleine kikkertjes de weg over. Je kon bijna niet anders dan er op trappen.

Praag associeer ik met paranoia. In het ruime, kraaknette appartement waar we logeerden, een half uurtje buiten de stad, in de wijk Knetzky Luka, konden we ’s avonds, na het nuttigen van een paar flessen witte wijn op het terras van café Europa, niet meer binnen. Er was iets met het slot. De vrouw deed verwoede pogingen, maar het lukte niet. Ze moest de hulp van haar vriend (of echtgenoot) inroepen. Ze zei geen woord tegen ons. Nochtans kende ze Engels. De man moest het slot helemaal losschroeven. In volstrekte stilte. In de restaurants waren de mensen bang om afgeluisterd te worden. Terecht. Op een avond hebben we in restaurant Rudolf toch zitten praten met Oost-Duitsers, uit Leipzig. Ze keken af en toe achterdochtig om zich heen. Ze waren zeer ontevreden over het regime in hun vaderland. Iedereen wordt er afgeluisterd, fluisterden ze. Alleen in kerken kunnen we vrijuit spreken. Ons bezoek aan Praag was een paar maanden voor de fluwelen revolutie. Ik had niet echt in de gaten dat er zo’n revolutie werd voorbereid. Ik zag bovenal onbeschoftheid, onvriendelijkheid, slecht en vettig eten. Zeker in het restaurant Savarin, een oud kasteel, werden we buitengewoon onvriendelijk bejegend. Toen we er buiten kwamen hadden we zo’n honger dat we worsten zijn gaan eten in een selfservice, met een groot glas bier erbij. Neen, Praag ontving ons niet met open armen. De betere momenten in Praag waren die met de vrienden (Jim en Ronda, met wie we afgesproken hadden, maar die we een dag voor onze afspraak al tegen het lijf liepen op het Oude Stadsplein, nadat we met Hollandse meisjes in restaurant De Gier biefstuk met eieren hadden gegeten), (Lou en Cindy, die we toevallig ontmoetten in Hradcany en met wie we een mooie avond beleefden in restaurant Europa, een schitterend art deco-interieur). Praag was een buitengewoon mooie stad. Misschien wel de mooiste stad waar ik ooit ben geweest. Ik heb er twee hoeden gekocht, heel wat klassieke elpees, Laura heeft er zich leren handschoenen aangeschaft in een supermarkt, waar voor de rest niet veel te koop was, en een Russisch polshorloge.

Het lange wachten op een lift aan de grens tussen Duitsland en Oostenrijk, op weg naar Italië, in de zomer. De troost van zoete alcohol, tegen de kou en de regen. Na uren in onze handen klappen en met onze voeten stampen dan toch meegenomen, maar wel in een open voertuig. We vergingen van de kou. Overal bergen rondom ons. Ik kreeg een afschuw van de bergen met sneeuw op hun toppen.Er bestaat geen zuiverheid op de wereld. Het verlangen naar zuiverheid is misschien wel het grootste gevaar in de mens.Alle interessante ervaringen met openbaar vervoer op een rij zetten.

Treinreizen.

Ongewone belevenissen in de metro. Bijvoorbeeld hoe je ooit hevig schrok van een vrouw zonder neus die opstapte op bus 96 in de Troonstraat. Je had net cursus gevolgd over de Esthetica van Hegel. In het station in Antwerpen een man met een volledig paars gezicht. The Color Purple. De auto als openbaar vervoer (liften). Tram en bus. Nog niet zo lang geleden bracht een buschauffeur ons, met de lichten uit, tot helemaal aan de Westrand in Dilbeek. Anders hadden we nog meer dan een half uur moeten lopen in de kou. We gingen kijken naar Francesca, van Wedekind. Een stuk met mooie blote vrouwen.

In Duitsland, wilde een Siciliaanse trucker mijn gezellin verkrachten. Hij vond dat het minste wat we konden doen, in ruil voor wat hij ons aanbood. “Vier stunde fahren und ein stunde schlafen”, mompelde hij af en toe. Toen hij zijn zin niet kreeg wat dat verkrachten betreft, zette hij ons uit zijn truck, middenin de Duitse nacht.

Vliegtuig. Boot.

Ervaringen met honden: Picky en Jimpy, Suzy.

Ervaringen met het nummer 56. Je schrik om op je 56ste te sterven. Dat valt dan nog mee. Vroeger dacht je dat je zeker niet ouder dan 26 zou worden. Huisnummer 56 in de Dolfijnstraat. Tram 103 die in 56 verandert. 1956 het jaar van de rock & roll. Van de opstand in Boedapest.Laura woonde in de periode 1985-1987 in de Osystraat 58 in Antwerpen (officieel adres).

Vanaf 1987 tot 1989 had ik een kamer in de Breughelstraat.

Nog een geluk dat ik vaak schrik heb. Zo bouw ik mijn wereldje op. Af en toe komt er een stukje bij. Als ik weer eens wakker schrik uit mijn vervelende slaap. Mijn muurtje van woorden en stilte, dat nooit afgeraakt. Maar kan het kwaad? Jij bent toch ook maar een fragment.

Foto: Blankenberge, 1968, Martin & Monique.