NACHTEN IN HET PANNENHUIS 6: WERELDVERBETERAARS?

under the volcana

Om het inner sanctum van Cinderella’s Ballroom te bereiken moest je een aantal hindernissen nemen. Eerst moest je een vervaarlijk uitziende buitenwipper passeren, het was belangrijk dat je die te vriend hield, vervolgens moest je een nogal gladde en weinig verlichte trap af. Noem het maar een afdaling in het inferno, waar evenwel de extase in het verschiet lag. Je mocht vooral niet te vroeg komen, zeker niet voor middernacht want dan stapte je een koude, vochtige en nogal lege kelder binnen. Het waren pas de muziek van DJ Maryse en de dansers – die omstreeks één uur binnenstrompelden en er voorlopig nog een beetje als living dead uitzagen maar al gauw tot leven werden gewekt – die de hel in een kortstondig, vurig paradijs veranderden. Een paradijs dat wij zo lang mogelijk wilden laten duren. Wie zou dat niet willen?

Het Pannenhuis, dat was van licht gemaakt. Je stapte binnen door een eenvoudige deur en je was vrij van beslommeringen, van zwaarte. De tijd kwam een tijdje tot stilstand. Ik kan me er geen ernstige ruzie of een handgemeen herinneren. Het tijdperk van de hippies was definitief voorbij, dit waren zonder twijfel andere tijden: de late jaren zeventig betekenden crisis, armoede, werkloosheid, opkomend individualisme. En toch was het Pannenhuis doordrongen van een lieve, zachtaardige sfeer, of hoe zal ik het noemen? Mogelijk was er toch iets van de spirit van de idealistisch experimenterende jongens van Pink Floyd blijven hangen, van A Saucerful of Secrets? Zoals in Remember a Day van Richard Wright, de toetsenspeler van de band.

Remember a day before today
A day when you were young.
Free to play alone with time
Evening never comes.
Sing a song that can’t be sung
Without the morning’s kiss
Queen, you shall be it if you wish
Look for your king
Why can’t we play today
Why can’t we stay that way

Thomas-Bernhard-Vienna-Photograph-1970

Op een late middag zat ik aan de toog. Ik raakte aan de praat met Brigitte van Cleynenbrogel. Ik weet niet meer heel precies waar ons gesprek over ging, wel dat het meisje me opviel als iemand met karakter. We hadden het zeker over boeken en schrijvers. Brigitte raadde me Thomas Bernhard aan, een Oostenrijkse schrijver waar ik nooit van gehoord had. De enige hedendaagse Oostenrijkse schrijver die ik kende was Peter Handke. Brigitte had van Bernhard De kalkfabriek bij. Ze had het boek uit, ik mocht het hebben. Het begon zo:
Maar in plaats dat ik tijdens dat op en neer lopen aan de studie denk, schijnt hij tegen Wieser gezegd te hebben, tel ik mijn stappen en word daardoor half gek.
Ik was er meteen weg van. Zo leerde ik die heel bijzondere en voor mij invloedrijke romanschrijver en toneelauteur kennen. En niet alleen voor mij invloedrijk. Onder meer van De wereldverbeteraar, Het jachtgezelschap, Ritter, Dene, Voss en Alles is rustig zag ik boeiende voorstellingen. Toneelgroep Stan heeft zich zo’n beetje in het werk van de pessimistische Oostenrijker gespecialiseerd.

don't look now 1

Na een nacht in de Cinderella nodigde Brigitte ons een keer uit in haar nogal apart appartement. Lag de vloer niet met scherven van spiegels bezaaid? Dronken we niet het ene glas volle, ijskoude melk na het andere? Een jaar of twee, drie later zou ik vaststellen dat mijn nieuw vriend, Patje, met wie ik van 1983 tot 1991 het radioprogramma Shangri-La maakte, en zijn vriend Dédé in diezelfde flat woonden, nu zonder spiegelglas en zonder melk. Brigitte was een vriendin van Gabriëlla (iedereen noemde haar Bie). Dat ontdekte ik wat later, tijdens een voorstelling van de gedenkwaardige film Don’t Look Now van Nicolas Roeg in het Filmhuis, een zaaltje vlakbij de Stadswaag, waar ook Cinderella’s Ballroom was gevestigd en waar we wat later zelf met ons Aurora-clubje poëzieavonden zouden organiseren. Ik weet niet wat er met Brigitte is gebeurd. Ik heb haar nooit meer teruggezien. Opeens was ze verdwenen. Is ze niet in een commune ergens in de Kempen gaan wonen? Met Gabriëlla gaat alles goed, denk ik. Elkaar terugzien wil evenwel niet lukken. Zij en haar toenmalige vriend Max Borka woonden een poos in een appartement tegenover ons in de Lamorinièrestraat, waarnaartoe wij vanuit de Dolfijnstraat met spijt in het hart waren verhuisd. We kwamen vaak bij elkaar over de vloer. Zeker toen Max – die toen nog Frank heette – en ik op Radio Centraal in 1982 datzelfde programma Shangri-La gingen maken.

In het Pannenhuis had ik met Max lange gesprekken. Vaak gingen die over Malcolm Lowry en zijn hoofdwerk, Under the Volcano, het verhaal van Geoffrey Firmin, een aan alcohol verslaafde Britse consul in het Mexicaanse stadje Cuernavaca. De roman speelt zich af op de Dag van de Doden in 1938-1939. Terwijl je leest lijken uit de bladzijden van het boek walmen van mescal en tequila op te stijgen. Als ik Under the Volcano nu zie staan denk ik altijd aan Peter Lorre en aan Richard Burton. Dat heeft zo zijn redenen, die ik later wel eens uit de doeken zal doen. In 1979 overleed het kolerieke jazzgenie Charles Mingus in Cuernavaca terwijl hij zich daar voor ALS liet behandelen. In 1988 was het de beurt aan Gil Evans, bekend van zijn samenwerking met Miles Davis, onder meer voor het sublieme album Sketches of Spain.
Max kon met vuur over Malcolm Lowry vertellen en wist er veel over: hij had zijn licentiaatsthesis aan de Britse schrijver gewijd. Tijdens die gesprekken dronken we waarschijnlijk niet even veel als de Consul maar ik denk dat we toch in de buurt kwamen. Nog een laatste, zeiden we dan, en morgen doen we het rustiger aan. We moeten tenslotte ook schrijven. Ons levenswerk dwingt ons tot enige soberheid. Of zouden we er niet beter helemaal mee stoppen? Nog een laatste dan maar.

max en bie 2

Afbeeldingen: Albert Finney in Under the Volcano van John Huston; Thomas Bernhard; Don’t Look Now van Nicolas Roeg; Max en Bie in het dakappartement aan de Lamorinièrestraat, omstreeks 1980.

WE MELT INTO EACH OTHER WITH PHRASES

La_maman_et_la_putain.png

Dat ik – zoals ik gisteren beweerde – maar één collega vond met wie ik over boeken kon praten moet ik nuanceren. Zeker kon ik met meerdere collega’s praten over boeken, soms lange gesprekken voeren zelfs. Maar er zijn verschillende manieren om dat te doen. Ik denk nu aan twee manieren, maar dat er meer zijn hoeft niet betwijfeld te worden.

De eerste manier is vrijblijvend en gezellig: je zit met een vriend, kennis of collega in een café, op de trein, of thuis en vertelt over wat je aan het lezen bent, of je het goed vindt, waarom, waarover het gaat, et cetera. Een plezierige manier om de tijd te verdrijven, niets verkeerd mee. De tweede manier is die van de versmelting, waar ik het gisteren al over had. Jij en je gesprekspartner worden naarmate de dialoog vordert meer en meer één met de boeken, met de schrijvers, zoals, opnieuw, in de film ‘Fahrenheit 451’ van Truffaut. Tegenover jou zit Edgar Allan Poe, zit Arthur Schopenhauer, zit Jorge Luis Borges, zit Virginia Woolf. Sterker nog: terwijl jullie over boeken praten versmelten jullie met elkaar. Virginia Woolf drukt het in haar roman ‘The Waves’ zo uit:
“But when we sit together, close,’ said Bernard, ‘we melt into each other with phrases. We are edged with mist.
We make an unsubstantial territory.”

Ik vermoed dat je in je leven maar weinig mensen ontmoet met wie je zulke diepe (of beter: intense) gesprekken kunt voeren, niet alleen over romans, gedichten, filosofische verhandelingen, maar ook over films, kunstwerken, theater, muziek, en meer nog over het leven, over jullie levens, over emoties zoals verdriet, pijn, boosheid, teleurstelling, genot. Niet de emoties op abstracte wijze natuurlijk, maar zoals ze zich in je dagelijks leven manifesteren. Over blijdschap en vreugde gaan de gesprekken zelden: dat zijn emoties die je op zulke momenten voelt. Die weinige mensen zijn je ware vrienden. Wat niet betekent dat je andere vrienden vals zijn, onecht, zeker niet. Maar met hen heb je een andere band; hen kun je vaak niet duidelijk maken waarom je hen graag ziet; dat weet je meestal zelf niet eens.

Dat was de nuance die ik aan mijn woorden van gisteren wilde toevoegen. In de jaren negentig was er maar één collega met wie ik, als de sterren goed stonden, op die tweede manier kon praten. Het gebeurde niet elke dag, niet elke week, maar het gebeurde en dat was goed.

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 245.JPG

Foto’s: La maman et la putain, Jean Eustache; Porto 11 11 2012, Martin Pulaski.

DOS EVANGELISTES

morales.jpg

Foto: Martin Pulaski, Sevilla, Februari 2011

“He who thinks he is bigger than the rest must go to the cemetery. There he will see what life really is: a handful of dirt.” Jim Jarmusch, The Limits Of Control.

Sevilla is voor mij vooral de Guadalquivir en het café Morales. Mijn wereld leg ik beperkingen op, grenzen, eenvoud. Al doe ik soms het omgekeerde en ga ik mezelf te buiten in een schijnbaar onbegrensde werkelijkheid. La Cartuja en Casa Pilatos mogen ook worden vermeld. De sinaasappelbomen. De warme, heldere lucht. En op de achtergrond, die soms voorgrond wordt, altijd weer de Giralda, als teken van de Islamitische cultuur, die ooit Europa verrijkte.

’s Avonds zit ik Fino van het huis te drinken bij Morales. Christine en Markus uit München zijn bij me aan tafel komen zitten, er was nergens anders plaats.

You don’t speak Spanish, right?

No.

Onze voornamen.

We zijn twee evangelisten en een christin, zeg ik.

Ik ben politieagent, zegt Markus.

We bestellen nog een rondje, luisteren naar het rumoer van de Andalousiërs, raken bedwelmd door de geur van de Sherry in grote eiken vaten achter ons.

Je moet naar Nieuw-Zeeland, of beter nog, naar Australië, zegt Christine.

Markus daarentegen wil alle hoofdsteden van Europa bezoeken.

Hoeveel landen is nu ex-Joegoslavië, zegt Markus.

Markus somt de hoofdsteden op, ik help hem, maar we komen er niet. Een stad blijft ons ontsnappen.

Als we afscheid nemen vraag ik Markus of hij me gaat arresteren.

Jou zal ik nooit arresteren, zegt Markus, wees daar maar zeker van.

Dan is het goed, zeg ik, dan kom ik een keer naar München naar de bierfeesten.

Na het omhelzen ga ik nog even zitten genieten van mijn bedwelming. Sevilla, dat is café Morales. Meer heeft een reiziger niet nodig. Of het zouden twee espresso’s op een zonovergoten terras moeten zijn.

 

Ω

Hoe goed weet Jim Jarmusch de sfeer van Sevilla te vatten in enkele beelden, in zijn film ‘The Limits Of Control‘. De eenvoud van de herhaling. Het verhaal van de herhaling. De Torre de l’Oro was ik nog vergeten. En de sporen van een ongeremde botellón, het debris dat ik daar op een zonnige zondagochtend aantrof, met het lied van Kris Kristofferson in mijn hoofd.

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN

JaneBirkin

Hoe goed je het hebt in dit onvriendelijke, ongastvrije land, waar niemand nog tevreden schijnt te zijn. Gisteren stond je in Antwerpen heel even naar de Schelde te kijken, stromend onder een zelfs schijnbaar gelukkige mensen troostende zon. Je wilde in het koude water springen, niet om je leven te beëindigen, maar eerder integendeel, om je leven te vernieuwen zoals de natuur in de lente, om je op een heidense manier wederom te dopen. Maar natuurlijk sprong je niet, met zo’n helder hoofd en omgeven door zoveel onuitgesproken schoonheid en in de ban van zoveel nog in het verschiet liggend geluk. Met zoveel zoveel. Als je er drie dagen eerder had gestaan was je misschien in dezelfde rivier, hetzelfde water,  gesprongen uit wanhoop, ontreddering, uitzichtloosheid. Nee, je zou het vast niet hebben gedaan, maar toch… En waarom? Stilte. Er is geen antwoord.

Gisteren praatte je met je vriendin over het geluk. Niet alleen over het geluk maar ook over Straw Dogs van Sam Peckinpah en de boeken van George Pelicanos, onder meer. Geen small talk, dat niet. Daar zijn jullie niet goed in. Het thema ‘geluk’ sprong er uit. Wat is geluk, wat maakt een mens gelukkig? Hoe lang duurt geluk? Je bent maar zelden gelukkig, het zijn uitzonderlijke en extreme momenten, die je de indruk kunnen geven dat ze een eeuwigheid duren. Als jij terugkijkt op je leven zie je dat je zulke momenten nooit zelf hebt gekozen. Dat is onmogelijk: ze moeten je overvallen, zoals een misdadiger dat in een heldere straat kan doen om je geld en waardevolle voorwerpen te stelen. Je hebt lange tijd  gedacht dat je geluk voorgoed tot het verleden behoorde, wat je lusteloos en ontevreden maakte, zoals zoveel andere inwoners van dit land. Maar gisteravond, bij een lekker glas Greco di Tufo, kon je je vriendin met zekerheid vertellen dat er je zonder enige twijfel nog heel wat momenten van geluk te wachten stonden. De mogelijkheid tot geluk, tot tevredenheid, tot genot, was je om de hals gevlogen. Was je te beurt gevallen. Had je overweldigd. Het viel je moeilijk om niet in bijna extatische woorden te spreken. Maar je hield je wat in, omdat je zag dat je vriendin er wat ongemakkelijk van werd, misschien zelfs wat jaloers – terwijl jullie elkaar al sinds 1982 kennen en er nooit van liefde of zelfs maar verlangen sprake is geweest (al kan dat verlangen er natuurlijk wel geweest zijn, dat weet je gewoonweg niet). Jullie vriendschap is er een zoals tussen broer en zus. Jullie zouden in eenzelfde bed kunnen slapen en elkaar een kuise nachtzoen geven voor het snurken begint. Maar zelfs dat hebben jullie nooit gedaan. Er was alleen de troost van de vriendschap tussen een man en een vrouw.

Overigens hoort het ook niet als je met een dame bent te praten over het geluk dat iemand anders je schenkt. Maar waar het hart vol van is. Je komt ‘gelukkig’, dank zij een stel extremistische idioten, al gauw op een ander gespreksonderwerp. Je geliefde moederland,  je geliefde vaderland. Het paranoïde gewauwel dat je elke dag op de radio hoort, alsof de media met de nationalistische extremisten en separatisten samenspannen. Voor de Vlaams-nationale radio en televisie (VRT) is dat heel goed mogelijk: zij eten het brood van de separatisten. Maar daar wil je nu niet op doorgaan. Er zijn andere akkoorden, andere koren en gezangen die moeten gezongen worden dan die van vetzakken en profiteurs. Wilhelm Reich vroeg het zich al af: waarom kiezen wij ervoor om geregeerd te worden door onderdrukkers, profiteurs, parasieten, kinderverkrachters, intellectueel en seksueel imbecielen? Waarom verkiezen wij zulke mensen om ons te vertegenwoordigen in een klein zaaltje, parlement heet het, waar alleen nog maar rauwe kost wordt gevreten en niemand mekaar lust noch kust. Waarom verkiezen wij mensen die ons liefst van al dood willen, zodat zij de enige overlevenden zouden zijn, na de oorlog die zij zelf hebben ontketend.

Nu word ik ik, of toch een beetje.

Ik doe niet meer mee. Ik wil nergens meer bij horen. Ik wil bij de goede mensen horen die het goed bedoelen. Die de wereld willen veranderen in een tuin, in een park, waar we elkaar kunnen ontmoeten als vrienden, kameraden, geliefden, vrije en verantwoordelijke mensen, als vaders en moeders, als geliefden die elkaar overal waar ze willen kunnen kussen en strelen, in alle talen van de wereld en de niet-wereld. Een wereld waar alle utopieën met elkaar verzoend worden, als een parfum waarin de essentie van de beste bloemen samengebracht wordt. En wat ik hiermee bedoel is dat in elke mens een beste bloem aanwezig is. Je moet alleen voetstappen zetten en snuiven en ruiken en ruikt er voor ons mensen iets lekkerder dan het geslacht van vrouwen, van mannen, van witte, van zwarte, van gele, van bruine, van violette, van indigo, van markante mij onbekende kleuren? Jullie ruiken allemaal zo lekker. Maar het liefst ruik ik toch nog altijd de geur van mijn geliefde. Omdat er niet een enkele reden voor is. De geur van mijn geliefde geeft mij de woorden om dit te schrijven en op die wijze niet aan ontevredenheid ten onder te gaan. De huid van mijn geliefde maakt van mij een mens die qua huid niet verschilt van andere mensen en dieren. De tong van mijn geliefde kent geen enkele afzonderlijke taal maar kent duizend of meer talen als een mooie man of een mooie vrouw ze zingt of in haar oren fluistert. Een man of een vrouw is mooi als hij of zij in die talen liederen maakt, ze zingt of in haar oren fluistert. De ogen van mijn geliefde kijken ongerust maar tegelijk met vertrouwen naar onze toekomst, de onzekerheid die ons allen te wachten staat. Het lichaam van mijn geliefde heeft nieuwe levens geschonken, en daarmee wereld, toekomst, liefde en haat, oorlog en vrede.

Ik vertel haar over mijn leven. Een leven van droefheid, geluk, verdriet, haat, weerzin, afkeer, tederheid, woorden, beelden, gebaren, stellingen en strelingen, afzondering en verlangen, begane en onbegane wegen, vriendschap, tederheid, warmte in de winter en koude kussen in de hete zomer. Ik vertel haar over bergen en wijn, over de zee en sommige steden. Zij vertelt me haar leven. Stapje voor stapje. Dan is er muziek die alles wat we zeggen overstijgt. Dan kussen we elkaar en nemen we scherpe messen om ons los te snijden van elkaar. De straten worden rivieren van bloed. Ik vergeet mijn bril in de auto van mijn geliefde. Ik denk dat zij niet wenst dat ik over die bloedrivieren schrijf, terwijl wij elkaar net zo lief hebben en bloed een metafoor is voor de verbondenheid. Net op tijd herinner ik me mijn bril. Ze stopt even, ik zie haar als een aardse godin, als ze me die kleine glazen in de handen stopt. En dan rijdt ze weg, naakt onder een dun stofje. Alsof ze een personage is uit een film van Russ Meyer. Al zijn actrices zijn sexy en hun borsten overweldigen je. Dat ze sexy zijn en humoristisch heb ik altijd fijn gevonden, maar ik ben gek op de borsten van mijn geliefde. Ik ben gek op de borsten van  Charlotte Rampling en Jane Birkin. Je zou kunnen zeggen: ik ben de anti-Russ Meyer. Ik ben doodgewoon gek. Iemand die liefheeft is altijd gek. Iemand die de wereld liefheeft is het gekst van al. Freud zei dat het doel van het leven de dood is. Ik denk dat het doel van de dood het leven is.

 

RIJKE MAANDEN

 

edetc

De voorbije maanden zou ik rijke maanden durven noemen, zoals de velden en boomgaarden waar ik met de trein voorbijreed en de door volle maan verlichte straten van de steden waar ik verbleef. Wij slingerden elkaar geen verwijten naar het hoofd. Zelf sliep ik weinig, imsonia, maar bleef er toch rustig bij. Op een vreedzame manier bekogelden wij elkaar met rijke lijstjes – ze gingen de halve wereld rond. Deels wilden we elkaar tonen wie we waren, deels wilden we dat de anderen zouden worden zoals wij, en wij zoals hen. Ook wilden we bewijzen dat we niet de eersten de besten waren, dat we niet zomaar konden worden vervangen, in weerwil van het adagium dat iedereen vervangbaar is.

Dat is gewoonweg niet waar. Je bent onvervangbaar. Niet omdat je Marcel Proust, Virginia Woolf, Herodotus, Céline of Thomas Hardy hebt gelezen; Bob Dylan, Bach, Joy Divison, Bessie Smith, Bill Evans of Ornette Coleman hebt beluisterd. Niet omdat je de hele nacht extatisch rock & roll heb gedanst (terwijl dat muziekgenre al lang niet meer bestaat). Niet omdat je van Wong Kar Wai, Wim Wenders, Nicholas Ray, Ingmar Bergman of Antonioni houdt. Niet omdat je in Waterloo was, aan de Grand Canyon of in Timboektoe. Niet omdat je whisky, tequila, porto, absint of Orval hebt gedronken. Nee, daarom niet, maar om al deze redenen samen – en vele andere – die je tot een uitzonderlijke enkeling maken. Iemand die een eigen project heeft en iets aanvangt met wat hij op zijn weg ontmoet, met wat hem in de schoot wordt geworpen. En jou, en jou.

Zonder in details te willen treden waren de voorbije maanden voor mezelf rijke maanden. Ik heb nauwelijks iets geschreven, wat nochtans het essentiële is van wat mij onvervangbaar zou moeten maken. Of dat werkelijk zo is laat ik in het midden. Hierboven heb ik het over de kunst van het combineren gehad, en eerder deze maand schreef ik over het schervenbestaan. Ook als je niet schrijft, als je niets doet, draag je bij aan de wereld.

Ik heb door Italië gereisd, vooral Umbrië en het altijd zinderende Rome. Musea heb ik er nauwelijks bezocht; ik heb er gewandeld, gegeten, gedronken, het leven gevierd. In Brussel zag ik een mooie tentoonstelling van het werk van Sophie Calle (waar ik al eerder over schreef). Ik had bovendien het genoegen kennis te maken met nieuwe vrienden, ongetwijfeld voor wat mij nog rest van mijn leven. Vriendinnen eigenlijk, uitzonderlijke vrouwen. Waarom vrouwen? Wellicht omdat ik zelf nogal vrouwelijk ben. Ik ben geen macho, niet competitief, spreek niet luid, streef niet naar een belangrijke positie in de maatschappij (dat laatste is niet echt vrouwelijk meer; bestaan het echt vrouwelijke en het echt mannelijke wel? Is het ook wat dat betreft niet een combinatie?). Ik zie graag vrouwen, letterlijk en figuurlijk, ben graag in hun gezelschap, vind het fijn met hen, met jullie, te converseren – bijna een van jullie te zijn. Ook al ben ik tevreden met mijn huwelijk ben ik toch ook altijd verliefd. Sommigen schrikken daar voor terug, wellicht omdat dan plots de man in mij naar boven komt. Dat spijt me, maar zonder die verliefdheid, zonder die eros zou ik niet lang leven. Eros is wat mij, als ik uiteengevallen ben, weer in elkaar steekt, zoals een mechanieker een oude Bugatti. Eros vuurt mij aan en helpt mij, soms, de woorden vinden die ik niet zoek. Degene die ik zoek zijn de bekende, versleten, degene die ik niet nodig heb. Eros probeert mijn scherven weer aan elkaar te lijmen. Wat niet lukt, maar het is wel – tijdelijk – een groot genoegen.

P1000993 (2)

Toch heb ik niet alleen twee fijne vrouwen beter leren kennen: in Berlijn maakte ik kennis met een andere zielsverwant, een Duitse Texaan. Tijdens warme Berlijnse nachten praatten we over reizen, soulmuziek, vrouwen, Hongaren, tequila, mezcal en andere geneugten des levens. Dronken werden we van Tsjechisch bier en wodka. Berlijn drong bij mij langs elke porie naar binnen (dat doet het altijd – het is de stad waar ik het liefst verblijf). In mijn hotel maakte ik kennis met een zwarte familie die alle kleuren van de regenboog had en over heel de wereld verspreid leefde: nu waren ze bij elkaar voor een huwelijk van een ‘ver’ familielid. Ik was welkom aan hun tafel en samen dronken we wijn tot net voor de zon opging. Deze mensen zal ik nooit meer ontmoeten, ze zijn met te veel, te verspreid, te rhizomatisch. De Texaan – hij lijkt op Harry Dean Stanton -zal ik zeker nog weerzien. Alleen al om hem te horen vertellen over zijn oude vrienden Nick Cave en Blixa Bargeld. Nick Cave woonde bij hem in ten tijde van The Birthday Party. Hij schreef er, onder invloed van alle mogelijk drugs, ‘And the Ass Saw the Angel’.

1 (2)

En zo ging ik de afgelopen maanden op en neer, ging ik weg en keerde ik weer. Zat ik de gek uit te hangen in de Daringman of een ander Brussels café en treurde ik om de dood van Willy Deville, Michael Jackson en de anderen die nu voorgoed begraven liggen in de zomer van 2009. Ook wat de dood aangaat was het een rijke tijd. Maar de dood is niet het einde, het is het begin, niet in de wederopstanding, daar geloof ik allemaal niet in, maar in dit leven zelf. De verwezenlijkingen van de doden, hun nu stille woorden, hun versteende daden, komen in een nieuw daglicht en inspireren zo nieuwe, jonge mensen, degenen die deze planeet zullen koesteren en in stand houden. Ik hoop dat ze niet vergeten dat ze veel redenen hebben om boos te zijn en te blijven. Ik hoop dat ze de tegenstellingen waaruit de wereld en waaruit wij bestaan nooit uit het oog verliezen.

Maar ook als mijn hoop nergens op slaat waren het rijke maanden.

Ω

Foto’s: Martin Pulaski, Berlijn, juli 2009, Jelena, Mari & Ed; Katja Stonewood in Brussel, Renée Verheyen in Brussel.

MENTAL FINLAND

Carceri van Piranesi 2

De verwarring duurt voort. ’s Nachts en overdag, in droom en in werkelijkheid loop ik verloren in verlaten gangen. Ik zit opgesloten in ingebeelde en werkelijke cellen. Een cel is bijvoorbeeld een werkeenheid, maar mijn kamers thuis zijn soms ook cellen, hoewel er geen bewakers zijn. Ik heb dit al vaker verteld. Maar ik kan er niet aan weerstaan: ik voel me verplicht mezelf te herhalen. Woensdagavond stond ik een uur in een felverlichte, witte nooduitgang. Er was geen weg terug naar binnen, maar evenmin kon ik de gang verlaten. Uit een luidspreker klonken Finse stemmen, gezang, gebrul, geraaskal. Op wat ik dacht dat het einde was hoorde ik daverend applaus. Nu zou spoedig ook mijn ‘bevrijding’ volgen…

Diezelfde dag stond ik, na de lunchpauze, in het gebouw waar ik werk op de lift te wachten. Ik had cd’s gekocht van Antony & the Johnsons, Animal Collective, MGMT en the Temptations. Die hield ik stevig vastgeklemd, alsof iemand ze van me zou willen afnemen. Er stond nog een man te wachten. We bekeken elkaar even en dachten elkaar te herkennen van ‘ergens’. Ik wendde mijn blik af, het zal wel een vergissing zijn, dacht ik. We zijn samen nog naar Finland geweest, zei hij opeens. Dat is het, zei ik. Een week in Finland. Weet je nog wanneer dat was? Ja, dat wist ik nog. In 1993, enkele weken na de dood van mijn vader. Tijd om samen herinneringen op te rakelen hadden we niet: de lift stijgt snel. Terug in mijn cel herinnerde ik mij de man in zijn blootje aan een meer, zijn huid rood van de sauna. Zelf was ik niet in de sauna geweest, evenmin als de dame in onze delegatie. Bij haar zal de reden schroom zijn geweest, mij had de Finse gastvrouw gewaarschuwd vanwege mijn ademhalingsproblemen. Dan is het gevaarlijk voor het hart, zei ze. Vooral als je uit de hitte komt en dan in het ijskoude meer duikt. Ik herinnerde me, naast allerlei andere kleine voorvallen, waaronder autopech, een boottocht op een meer. IJskoud water stroomde het bootje in. Mijn voeten werden nat. Nooit, geloof ik, heb ik zo’n kou gehad als toen. Onderweg meerden we ergens aan waar met lauw water gevulde houten vaten stonden. Mijn voeten in dat water – zelden heb ik iets aangenamers gevoeld. Mijn sokken hingen bij een vuurtje te drogen. We aten gerookte vis.

Finnen zijn vreemde mensen. Ze zijn introvert en kunnen heel grappig zijn. Ik houd van de films van Aki Kaurismäki. Ik hoop dat ik zijn naam juist spel. Droef en grappig, zoals de Leningrad Cowboys. Vorige woensdagavond, na het hierboven beschreven voorval, was er een receptie in een schouwburg die De Bol wordt genoemd. De halve Finse gemeenschap van Brussel stond er hapjes te eten en zoals ik wijn te drinken. Ik dronk erg snel om te ontstressen, mijn hart bonsde nog altijd in mijn keel. Maar dat lukte niet. Ik werd niet dronken, niet vrolijk, niet sociaal. Ik moest weg uit ‘mental Finland’. Maar ben ik er echt aan ontsnapt?

Afbeelding: uit de ‘Carceri’ van Piranesi.

 

MARKIESGEBOUW

“Un arbre pour moi ça sera toujours ‘een boom’”.
Jacques Brel.

Vier verdiepingen.
Iemand uit een ander tijdperk begroet je in de lift.
Hoe oud ben jij nu eigenlijk?
Zo herkent hij je: je wordt ouder jongen.
Voor hij uitstapt klopt hij op je buikje.
In een lift in het centrum van de stad.
Op een steenworp van het Centraal Station.
Een Limburgs accent na al die jaren nog.
Zie je: het is allemaal zo erg niet.
Iedereen is alleen en allen krijgen een buikje.
Als je maar lang genoeg leeft.
En bier drinkt met mosselen en garnalen.
Iedereen woont in een vergeten straat.
Schimmel op de muren.
Een lekkend dak.
Iedereen ligt iedere nacht wakker
En vervoegt werkwoorden, telt op.
Het is genoteerd, mijnheer Bourgeois.
Overal schilderijen (licht uit het Noorden).
Begroet leugens en verwen ze.
Om ze vroeg in de morgen te kunnen verwerpen.
Verwen ook de levensgenieter.
Om hem het leven zuur te maken met het leven.
Zoals het leven is.
En dan daalt de lift tot zij muziek wordt.
En de muziek ben jij, je voetstappen, je hart.
Jij die me van de verdoemenis redt.
Jij die me van verbrokkeling redt.
Uit de lift, uit de hal, zie je de meisjes.
Bloemen in bloei, zei de ene.
Bloemen des verderfs, de andere.
Sha la la la la, zingt de gekwetste.
Dit gebeurt in tweeduizend acht.
Zingt om niets te voelen van de nacht.
Om niets te voelen.
Sta op!
Ga eens eten met een vriend!
Drink met een vriendin een koffie, een martini dry.
De Bruges à Gand.
Zie dat het goed is op straat.
Omhels het sociaal contact.
Vergeet het gevaar, de stedelijke legendes.
Sta op!
Nu de zon je heeft gezien en jij de kleuren.
Sta op markies en droog haar tranen.