HISTORISCHE STAD, HISTORISCHE ONTMOETING 2

baudelaire-nadar_68.jpg

Voor Geerten Meijsing

Omdat ik tijdens het verblijf in Sicilië een luchtwegontsteking had, heb ik toen helemaal niets genoteerd, ook niet de dagen na de ontmoeting met Geerten Meijsing. Toch herinner ik me nog veel van die nacht, zij het niet chronologisch. Wat ik nu ga doen lijkt een beetje op het neerschrijven van een droom, kort na het ontwaken, maar ik heb wel eerst al koffie gedronken.

Ik ben geen beroemdheid, alsjeblieft. Ik ben ook schuchter. Als het weer het toelaat zit ik buiten. Waarschijnlijk kennen we elkaars innerlijk al te goed om nog een compromisloos gesprek te kunnen voeren, maar who cares. Nee, ik ga nooit meer uit, en drink eigenlijk ook geen alcohol meer.

De dag van de ontmoeting bleef ik in bed, hopend dat ik me nog voor zonsondergang beter zou voelen. Mijn vrouw vond dat ik de afspraak niet kon afzeggen, en uiteindelijk vond ik dat zelf ook. Suf van de halfslaap en vage, verontrustende dromen verliet ik het hotel. In de buurt van de Fontana Aretusa, “waarin dikke karpers zwermen en witte eenden tussen de papyrus zwemmen”, aten we wat vis met weer van die zo verfrissende Siciliaanse wijn. Wijn combineren met cortisone en antibiotica beveel ik niet aan, maar ik hervond wel wat van mijn krachten en kon me  met voldoende zelfvertrouwen naar de Piazza San Rocco begeven. Het was inmiddels bijna half negen.
Hoewel ik de schrijver nog maar een keer had gezien en hij met de rug naar me toe was gekeerd, herkende ik hem meteen. Hij zat aan een tafeltje buiten, met een glas whisky en rookte een sigaar. Alsof hij aanvoelde dat ik er was draaide hij zich naar me om en stond op. Na de eerste warme handdruk beseften we beiden dat er altijd al een diepe vriendschap was geweest tussen ons, ook al hadden we elkaar nooit ontmoet.

De dagen die voorafgaan aan een ontmoeting, zelfs met de beste vrienden, ben ik altijd erg gespannen. Ik heb er geen idee van wat er in zulke periodes in mijn hoofd gebeurt. Waarschijnlijk houdt het verband met de verlatingsangst waar ik sinds mijn achtste onder gebukt ga. Ondanks jaren van psychoanalyse en andere therapieën raak ik daar niet van verlost. Zodra we echter samen zijn valt die stress van me af: ik verander in iemand anders, in iemand die ik altijd zou willen maar niet kan zijn, enthousiast, empathisch en sociaal. Dat was nu niet anders. Ik voelde me meteen goed. Hoe beschrijf je dat? Alsof je wegzinkt in een zachte wereld, alsof niets je nog pijn kan doen of van streek kan brengen.

Geerten bestelde wat antipasti voor hem en voor mij een Nastro Azzurro. Aan whisky waagde ik me niet, de volgende dag zou ik vroeg naar Taormina vertrekken. We praatten wat over mijn reis, over het hotel waar ik logeerde, over Syracuse, over gewone dingen. Ik vertelde hem van de cortisone. Dan is het einde nabij, zei hij. Hij wilde me graag wat bloed zien ophoesten. Als ik je blog lees stel ik me voor dat het bij jou op het huis van Usher lijkt. Ziekte, pijn, bleke vrouwen, gitaarimpromptu’s. Hij reciteerde de openingszinnen van dat mooie verhaal van Edgar Allan Poe. De schrijver die mijn allereerste leermeester was. Ik had hem ontdekt in ‘Zoek het eens op’, een jeugdencyclopedie uit de vroege jaren zestig. Of al die verschrikkelijke dingen die hij in ‘Tussen mes en keel’ beschrijft werkelijk gebeurd waren? Het is allemaal waar, zei hij. De depressie, de zelfmoordpogingen, de opname, de antidepressiva. Nu zag Geerten er echter goed uit, wat opgewonden, maar vooral vrolijk. Wel wat gebogen lopend, net als ik. Hij had veel last van reuma. Normaal dronk hij niet, maar nu kon hij het niet laten. Hij treurde nog erg om Doeschka, van wie hij veel meer houdt dan hij in ‘Moord & Doodslag’ wil toegeven. Tussen de regels kun je dat wel lezen, natuurlijk. Ze was nog maar kort tevoren overleden, in januari 2012. Over zijn vader, zijn broers, het huis in Haarlem. De boeken in dozen in dat huis. Ik had graag voor jou en je vrouw gekookt, zei hij, maar dat lukte niet meer.

We praatten over boeken en schrijvers. Hou je echt van Paul Auster, vroeg hij, met wat teleurstelling in zijn stem. Ik heb al zijn boeken gelezen, zei ik. Mijn favorieten zijn ‘Moon Palace’ en ‘The Book Of Illusions’, heel filmisch. En al die popmuziek van jou? The Rolling Stones, die jongens zijn toch zielig nu? Ik ben bevriend met George Kooijmans van the Golden Earrings, zei hij. Fijne man. Ik vermoed dat Mazzy Star je wel zal liggen. Met een ontzettend zwoele zangeres, Hope Sandoval. Ze heeft de stem van een muze, een heroïnenimf. Dat zoek ik morgen op, zei hij. Soms kan ik zomaar verliefd worden op een meisje dat ik heel vluchtig zie. Ja, dat heb ik ook wel. Baudelaire heeft daar over geschreven, ‘A une passante’, geloof ik. En als je ze dan aanspreekt lachen ze je uit. Wat wil die oude man van me? We hebben bijna dezelfde leeftijd, Geerten is twee maanden jonger dan ik. Ben je al in Catania geweest? De vrouwen van Catania zijn de mooiste van de wereld. Ik was er al geweest, maar dat was me toen niet opgevallen. Een week later keerde ik er terug en wilde er heel graag blijven: de mooiste meisjes van de wereld, maar alleen ’s avonds, als de toeristen in bed lagen.

Als je één van mijn boeken herleest raad ik je Cecilia aan, daar ben ik het meest tevreden over. Ik wil al je boeken herlezen. Nee, niet doen, je zal teleurgesteld zijn. Ik vertelde hem uitgebreid over mijn ervaringen met ‘Erwin’, waar ik hier eerder al over heb geschreven.

Landschappen, daar kan ik zo van genieten. Het blauw van de zee is goed tegen depressie. Ik leid hier een eenzaam leven. Maar gelukkig komt mijn dochter nogal eens op bezoek. Weet je wat je moet lezen? James Salter, ‘All That Is’. En ‘Eight White Nights’ van André Aciman. Geweldig, heel sensueel. Ken je Pascal Quignard, vroeg hij. Nee, die kende ik net zomin als Aciman en Salter. (James Salter’s ‘All That Is’ heb ik inmiddels gelezen, een schitterende roman.) Pascal Quignard is vooral bekend van ‘Tous les matins du monde’, dat in 1991 door Alain Corneau verfilmd werd. En van ‘Villa Amalia’. Ach, al die prachtige Franse films. Ik werk aan een boek over actrices, vooral Franse. Dat vond ik interessant. Vooral omdat ik niet wist dat Geerten zo van film hield. Isabelle Adjani, zegt hij. Isabelle Huppert. En hoe heet ze ook alweer, die andere Franse actrice. Bulle Ogier, zeg ik. Precies, zegt hij, Bulle Ogier. Hoe kon je mijn gedachten lezen? Dat weet ik ook niet, zei ik. Het was alleszins een magisch moment én grappig.

Was het niet een teken van boven dat ik je wilde vertellen over Bulle Ogier, niet op de naam kon komen, jij wist die wel en wist mij vervolgens veel meer over haar te vertellen dan ik al wist. Nu ben ik bezig deze lacune in mijn kennis in te halen, en heb op YouTube al veel stukjes met de geweldig geile Bulle, die ook een groot actrice en een groot kunstenaar is, gezien, o.a. de gehele film La maîtresse, in het Russisch nagesproken, maar je kon het Frans er nog net doorheen ontwaren. Jezus, wat een film; die zouden ze nu niet meer ongeknipt in de bioscoop durven uitbrengen.

bulle ogier hk

Nog maar wat bier en whisky. Binnen mag je geen sigaren roken, Geerten. We gingen naar een andere bar. Alleen om daar naar een meisje te kijken. Het werd al gauw rustiger, bijna stil in de omgeving van Piazza San Rocco. Ondanks al de whisky’s werd mijn nieuwe vriend niet dronken, en ik werd almaar nuchterder van de pils. De minuten duurden lang, de uren kort. Ik vertelde hem over mijn kinderjaren op het schip. De vreselijke tijd in de kinderkolonie, het altijd afscheid moeten nemen en de verlatingsangst die daar het gevolg van is. Geerten luisterde aandachtig, mededogen in zijn blik. Hij die zelf zoveel pijn voelt, niet alleen de pijn van de melancholie maar ook die van de liefde en van het hart. En die film van Chabrol, hoe heet die toch ook al weer? Dat wist ik helaas niet. Achteraf bleek dat hij ‘Que la bête meure’ bedoelde.

Ik moet mijzelf hier in bescherming nemen tegen de nachtelijke verleidingen, want anders loopt het heel snel heel slecht met mij af. Dat zal sowieso wel het geval zijn, maar ik moet nog minimaal vier grote romans schrijven. Dat zal je zeker lukken, Geerten, je ziet er goed uit, en energiek. Ach, op onze leeftijd verliezen we zoveel mensen. We denken dat we jong blijven, maar als we dan in de spiegel kijken… Ja, zoals in ‘The Picture Of Dorian Gray’. Je denkt heel lang dat de meeste mensen ouder zijn dan jij, en dan opeens… Veel vrienden van vroeger zijn al weggerukt. Kees Snel, wat een tragische geschiedenis… (Kees Snel maakte deel uit van het schrijverscollectief Joyce & Co.) Nog één broer en één zus heb ik. Na Doeschka’s dood ben ik gestopt met whisky drinken. Nu ja, vanavond maak ik een uitzondering. Laat mij maar Baudelaire zijn, dan ben jij Edgar Allan Poe. Goed, zeg ik, dat betekent dan dat jij me in het Frans hebt vertaald.

Edgar_Allan_Poe_daguerreotype_crop.png

Mijn vrouw belde me, ze was ongerust. Zou ik wel uit bed kunnen voor de trein naar Taormina? Geerten stelde voor dat ik terugkeerde naar mijn hotel, maar ik wilde nog wat blijven, kon geen afscheid nemen. Nu we daar eenmaal waren, op die plaats waar ik zo zelden kom. Je mag ook Félicien Rops zijn, zei hij. We hadden het over de vrouwen en de verliefdheden in ons leven. Een verslaving die je te gronde kan richten. Maar die willen we toch niet opgeven? We willen toch verliefd kunnen worden, kunnen blijven, tot de laatste snik?

Op de terugweg naar het hotel, bijna vier uur was het, wankelde ik wat. Toch had ik alleen Italiaans bier gedronken. Ik zal met je meelopen, zei Geerten. Op straat,  die er helemaal verlaten bijlag, ondersteunde hij me, of dat probeerde hij. Maar hij wankelde al net zo als ik, zodat ik op mijn beurt hem moest ondersteunen. Aan de Duomo in nachtlicht en volstrekte stilte gehuld, op dat gracieus plein in Syracuse, hebben we afscheid genomen.

Vanmorgen was ik natuurlijk nog altijd ziek. Maar we zijn toch in Taormina geraakt, met veel medicatie en wilskracht. Ik heb al heimwee naar Syracusa. Taormina is ooit mooi geweest, maar de voorbije twintig, dertig jaar is het ten prooi gevallen aan massatoerisme. En er waait een frisse wind, maar het is niet koud. Heerlijke zon, en de Middellandse zee zo groenblauwachtig. Wat heb ik een prachtige ervaring, een onvergetelijke ontmoeting, achter de rug. We wilden de nacht niet laten eindigen, maar ja… Mijn leven is veranderd.Ik voelde mij meteen zéér nauw aan je verwant, en had het idee dat ik je al mijn hele leven heb gekend. Wees voorzichtig met je gezondheid, zodat we elkaar in de toekomst nog vaker kunnen ontmoeten. Hope Sandoval zal ik bekijken.

Ik ben gisteravond, op jouw aanraden, opnieuw begonnen in ‘Cecilia’. Zevenentwintig jaar geleden verschenen. Wat een fijnzinnig, ontroerend, met hart en ziel geschreven boek. En zo overvloeiend van voorgevoelens. Ik herken je in het boek, zoals je nu bent, niet helemaal, maar toch. En ik herken ook iets van mezelf. Je voelde kennelijk al heel goed aan hoe je dertig jaar later ongeveer zou denken en leven. Toch schrijf je dit: “Met deze boeken heb ik door de jaren heen een geestelijke barrière opgeworpen tussen mijzelf en de wereld die zo moeilijk te nemen is dat ik geen contacten meer met de ander kant onderhoud en slechts met spijt dit papieren universum kan verlaten.” Zo zag ik jou helemaal niet: boeken, films, muziek, leken net verbindingen, koppelingen, bruggen tussen ons. Ik mag je natuurlijk niet vereenzelvigen met je personages.

Buiten is de regen opgehouden. De zon breekt door de novemberwolken, de donkerste. Blauwe lucht, een rusteloze merel voor mijn raam. Wees niet boos en niet bedroefd. Ik zet iTunes aan. ‘Blue Mountains’ van Sam Amidon. Tadadada Tadadada Tadadada Dadada.

felicienropsmaturiteit-c-1886.jpg

HISTORISCHE STAD, HISTORISCHE ONTMOETING 1

2013_05_SICILIE-CANON 041.JPG

Ik was nu in het bezit van Geerten Meijsings adres, telefoonnummer en e-mailadres. Dat betekent nog niet dat er een uitgebreide briefwisseling begon, wel enkele korte mailtjes over en weer. Hij bejubelde mijn blog, vond ook de ‘prentjes’ in de marge erg leuk. Hoe speel je dat toch klaar, vroeg hij. Ik wist op dat ogenblik niet of hij ernstig was, of zich wat naïef voordeed. Kennelijk was hij werkelijk onder de indruk, vooral van de kleine foto’s van mooie, voornamelijk Franse actrices. Nu weet ik dat hij het meende.

U hebt me – ongewild natuurlijk – ertoe aangespoord om opnieuw Georges Simenon te gaan lezen. Dat was ongeveer veertig jaar geleden. Soms voel ik mij nu schuldig omdat ik mijn tijd besteed aan pulpfictie. Maar dan vraag ik me meteen af of Simenon wel pulpfictie is. Het lezen van die boeken is alvast een aangenaam tijdverdrijf.  Binnenkort ga ik toch maar eens aan ‘De ongeschreven leer beginnen’, dat boek heb ik nog altijd niet gelezen. De reden is dat ik mijn Plato niet heel goed ken, hoewel ik filosofie heb gestudeerd. Ik heb echter nooit zijn volledig werk gelezen en ken jammer genoeg ook geen Grieks.

In mei 2013 reisde ik voor de tweede keer in mijn leven naar Sicilië. Het gebeurt wel vaker dat ik ziek ben als ik op reis vertrek en schonk er bijgevolg weinig aandacht aan. Toen ik in Catania aankwam werd het hoesten erger, de koorts steeg snel. Een dag later nam ik mijn toevlucht tot antibiotica en cortisone. Zo reisde ik met mijn vrouw naar Syracuse. Ik had Geerten Meijsings personalia bij me, maar wist dat ik hem niet zou ontmoeten. Ik had nooit eerder iemand opgezocht die ik bewonderde, mijn schuchterheid en gevoel van minderwaardigheid hadden me altijd in de weg gestaan, en nu was ik nog ernstig ziek op de koop toe. Ik had Geerten ook helemaal niet verwittigd van mijn komst naar Syracuse.

In Sicilië heb ik gezien dat het onvolmaakte bijna volmaakt kan zijn en onbevredigde verlangens grootser zijn dan bevredigde en de weg wijzen naar iets onnoemelijks, al zal ik nooit in een opperwezen geloven.

Syracuse is dan ook nog eens een van de mooiste steden die ik ken, vooral het schiereiland Ortigia is een parel, met overal waar je kijkt de zaligmakende zee. Dat blauwe water en het licht dat erop schijnt, de beste middelen tegen melancholie. Geneesmiddelen, wandelingen in de stad, heerlijke wijn en eenvoudig bereide vis gaven me weer levenskracht. Ik besloot Geerten een mail te sturen: of hij zin had in een ontmoeting?

Ik ben van vandaag aangekomen in Siracusa en logeer in Ortigia, nog tot vrijdagochtend. Zou je heel graag ontmoeten. We zouden bijvoorbeeld op een avond wat kunnen gaan drinken bij Doctor Sam, waar jij zo mooi over hebt geschreven. Ik heb er vanavond naar het vuurwerk gekeken.

Ja, ze hebben er flink op los geknald en ik hoorde ook kerkklokken luiden die ik anders nooit hoor; ik denk dat het weer iets met Santa Lucìa is geweest – ik raak de tel van al die feestdagen enigszins kwijt.

Geerten stemde toe. Donderdagavond wat drinken bij Doctor Sam vond hij een goed idee. Stel maar een uur voor, schreef hij. Drinken deed hij niet meer en hij voegde eraan toe dat alles verandert en dat het in die door hem zo levendig beschreven bar lang niet meer zo als vroeger is; de scootermeisjes waren ook helemaal verdwenen.

Geweldig dat we elkaar donderdagavond kunnen ontmoeten. Ik kijk er zo naar uit, ook al is het niet mijn gewoonte om met beroemdheden, grote schrijvers, halfblinde vossen en prominenten op café te gaan. Daar ben ik veel te schuchter voor. Ik heb je in Brussel ooit horen voorlezen; toen heb ik het zelfs niet gewaagd je aan te spreken

De verwijzing naar die scootermeisjes deed me echter weer twijfelen. Kende ik het werk van de geliefde schrijver wel voldoende? ‘De scootermeisjes van Ortigia’, had ik zelfs niet gelezen, om de eenvoudige reden dat ik het boek nergens had kunnen vinden. Zou ik de afspraak niet alsnog afzeggen? Die nacht sliep ik amper. Ik was gespannen, onrustig, twijfelde of ik wel een woord zou kunnen zeggen, ik kon me zelfs de titels van Geerten Meijsings boeken niet meer herinneren, wist niets over literatuur, wist eigenlijk helemaal niets meer, was tot lichaam herleid.

2013_05_SICILIE-CANON 035.JPG

*Titel uit een e-mail van Geerten Meijsing van na onze ontmoeting.

Foto’s: Martin Pulaski, Syracuse, 12 5 2013.

ZAAD VOOR ANTONIN ARTAUD

kinderjaren 001 (7).jpg

EEN MONOLOOG

Al vroeg op mijn reis zette ik een wankele stap op je braakliggende grond.
Een vreemde man die ik wilde kennen en niet wilde kennen.
Een vreemde man van de Indianen en de Mexicanen
en het voortdurende feest van de dood.
Een wrede engel die braakt in het gezicht van wie in de pas loopt.
Ik wilde zoals jij zijn – me aan je puriteinse wreedheid spiegelen.
Hoe ik naar je wreedheid verlangde.
Maar hoe ik mijn eigen haat en wreedheid vervloekte.

Ik verwierp de liefde van moeder en vader.
Ik verwierp de liefde van broer.
Ik verwierp de liefde van de zusters van liefde en haat.
Ik verwierp de liefde van de doctoren.
Ik verwierp de liefde van de chirurgen.
Ik verwierp de liefde van onderwijzers en gemeentesecretarissen.
Ik verwierp de liefde van vrederechters, monniken en hoeren.
Ik verwierp de liefde van sergeanten en onderpastoors.
Ik verwierp hun verlangen naar verwoesting.
Ik verwierp de liefde van tuinders en boeren en boswachters.
Ik verwierp de liefde van kunstenaars en dichters.
Ik verwierp hun stichtende ordonnantie en hun misprijzen.
Ik verwierp de liefde van allen die me leerden vergéten.
Ik verwierp de liefde van allen die me van het leven vervreemdden.
Ik verwierp je wreedheid Antonin Artaud.
Ik verwierp mijn eigen wreedheid en mijn eigen liefde.
Liefde was geen liefde, zij was oorlog en haat.

Later in de woestijn aanbeland en verloren
zag ik in een plas helder water van een oase
in een ogenblik van bezinning je blik even troebel
als mijn blik – en ik zag je troebele ziel.
Je hoofd door ordelijke wraakzucht getekend.
Je huid als in een woestijnfilm verbrand.
En alles in mij brandde – niet in een film maar in het echt
en om mij heen brandden de woorden en de namen
van wat in het zand groeit en kruipt
en van alles wat ik me herinneren kon.
Alles brandde en brandde beter en feller dan dor struikgewas.
Alles brandde met meer wreedheid dan het vuur dat de aarde verschroeit.

Later in slecht verlichte straten van mijn stad verloren gelopen.
Een hoofd vol drugs en brandewijn heb ik je opnieuw ontmoet.
Jij die in de kerkers van mestkevers zo vaak was gemolesteerd.
Jij die door burgerfantomen negen jaar lang de mond was gesnoerd
met elektriciteit en vergif – met adoratie en welsprekendheid.
Met satanische missen en schietgebeden van lamme prelaten.
Het ware vuur nog steeds woekerend aan de rand op de purperen heide
en in de harten van wilde meisjes op zoek naar lust en profetieën.
Vooral in hun meest gekoesterde dromen – onuitgesproken.
Hun verlangen naar jouw donkere onkruidadem en magere armen Antonin Artaud.
Naar het gekras van de raven en de slechte opium in je stem.
Het gekras dat Edgar Allan Poe Lautréamont en Baudelaire je schonken.
Het enige cadeau zonder waarde maar hoger aangeslagen dan agaat.
Ja hoger aangeslagen dan agaat uit Egypte.

In vijandige bars omhelsde je me terwijl dronkenlappen met hun stierenkoppen
me leken te willen villen zoals in 1958 de jongens in de Kolonie.
Daar waar ik voor altijd van iedereen afscheid nam –
en leerde beminnen omdat ik onder datzelfde gesternte
een in stilte razende gek werd – en in het geheim nog altijd.
Een spion in het huis van de valse liefde – nooit opgesloten.
Zo erg geschonden en zo vaak verslonden maar toch onkwetsbaar.

Hard is een leven van falen en dwalen en ziekte en elke dag doodgaan
maar sterk is de wil van verzet en niet gillen maar doorgaan
met wat restjes met wat as van verbrande zinnen en woorden
en zachte machines en wapens van liefde en verheffing.
Met het heilige dat soms mijn woord wordt als ik nog eens droom
van wat een paradijs lijkt – of van een spoor ernaartoe.

Want ik heb me uit je omhelzing losgerukt Antonin Artaud.
Ik ben geworden wie ik al was van toen de sterren begonnen
en het woord vlees werd neergeschreven door ik weet niet wie.
Het woord dat een vrucht was een eicel een zaadcel een embryo.
Het woord dat woekert onder de grond en sterk maakt als ik ervan drink
of erop kauw en ook nog als ik het daarna uitspuw.

En dan opeens worden de dagen helder.
Het braakliggend terrein open en vruchtbaar en klaar voor wat het toekomt.
Wat valt er nu nog te verwensen?
Wat valt er  nu nog te verwerpen?
De dwaze mensen in mijn leven waren maar korreltjes zand
in die woestijn waar ik verloren liep en van waar ik mijn weg vond naar hier.
Hier waar ik nog altijd alleen ben en eenzaam en vreemder dan ooit.
Maar het geeft niet dat weet je – het geeft niet.
Want vandaag is mijn hart harder en sterker en blauwer dan agaat
en ook is het een Mijn van ongehoorde, onontgonnen liefde en opstand.

anton artaud, artaud, monoloog, zaad, reis, ontmoeting, identificatie, afscheid, psychoanalyse, symboliek, biijdschap in de vernietiging, verwerpen, verwerping, taal, semiotiek, semiologie, chora, terugkeer, liefde, opstand

Dit is de eerste monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. Het is een soort verslag van mijn ontmoeting met Antonin Artaud. Van hoe ik me in hem herkende, me tot op zekere hoogte met hem identificeerde, en hoe ik hem uiteindelijk verwierp om te kunnen leven, lust te voelen en lief te hebben. Tegelijk is het een liefdesbrief gericht aan de taal waaruit ik, net zoals Kaspar Hauser, ontstaan ben. Een universum waarin Artaud opnieuw een plaats heeft gekregen.

Elk leven is een reis door ruimte en tijd. Elk reis bestaat uit een reeks ontmoetingen, identificaties, ‘verwerpingen’. Altijd is er het afscheid.

De leestekens – vooral punten – en witregels horen niet bij de aanvankelijk ononderbroken woordenstroom. Ze zijn er bewust aan toegevoegd als breekpunten en openingen. Om dezelfde reden werden tijdens het (her)schrijfproces aanvankelijk zinvolle en ‘mooie’ woorden en zinnen verworpen. Die bevinden zich nu buiten de monoloog, in de marge of er ver weg van.

Ω

Over Artaud en de verwerping, zie Julia Kristeva, “Le sujet en procès”, in ‘Artaud-Colloque de Cerisy-la-Salle, 1972.

VRIENDEN IN BERLIJN

in front of clärchen's ballhaus

Een heerlijke zomerdag in de Berlijnse Auguststrasse. Dit is in de tuin van Clärchen’s Ballhaus. Op de achtergrond zie je mijn vriend Marc Didden, de regisseur van onder meer Brussels By Night. Het was een toevallig maar bijzonder aangenaam weerzien. Zonder dat we het van elkaar wisten logeerden we in hetzelfde hotel. We hebben dan samen een dag doorgebracht, pratend over film, literatuur, en vooral muziek, want daar is onze vriendschap op gebaseerd. Marc had me de weg naar het Kulturkaufhaus op de Friedrichstrasse gewezen, waar ik stapels cd’s heb gekocht. Daardoor moet ik nu droog brood eten.

ROMANTIC AGONY?

porto 2006

Iemand voor het eerst in levenden lijve ontmoeten – MIP in de taal van de moderne mens – die je alleen maar kent van het internet is een vreemde ervaring. Toen we die maandagmiddag in Porto uit het vliegtuig stapten hadden we al een onnoemelijk stresserende ochtend achter de rug. Toevallig vertrokken we op de dag dat de nieuwe Europese veiligheidsmaatregelen voor luchthavens en vliegtuigen in voege traden. We waren goed op tijd in Zaventem, maar er stonden ellenlange rijen wachters bij de controle. Het leek uitgesloten dat we onze vlucht naar Porto nog zouden halen. Mijn reactie op dergelijke situaties is er een van verlamming, of is het catatonie? Ik ben niet meer tot handelen of beslissen in staat. In een rij is er trouwens niet veel handels- en beslissingmogelijkheid. Ik kan er over meespreken: ik heb al jaren in rijen gestaan. Maar wie niet eigenlijk? Mijn gezellin echter gaat zich in allerlei bochten wringen, windt zich op, maakt zich op zowat iedereen boos. Vooral op mij, vanwege mijn passiviteit. Die maandag scheelde het niet veel of ze zou de hele zeer trage rij neergemaaid hebben; gelukkig had ze geen machinegeweer bij. Toch is ze er in geslaagd ons helemaal naar voren in die vreselijke rij te loodsen. Heel vreemd vind ik dat die mensen aan de kop ons wilden laten voorgaan. Het lijkt me nog altijd een scène uit een mooie droom.
Bij de controle dacht ik opeens dat de vele medicijnen – ik heb altijd massa’s medicijnen bij, in navolging van Elvis; het verschil met hem is dat ik ze niet inneem, het is alleen maar voor het geval er iets zou gebeuren – misschien wel verboden producten waren. Kunnen pilletjes niet tot ontploffing gebracht worden? Je kunt er, als je er voldoende van gebruikt, in ieder geval iemand mee vergiftigen. Mijn rugzak ontlokte echter geen enkele opmerking bij het controlepersoneel. Mijn lichaam, geheel van metaal ontdaan, gaf wel een signaal. Wat de oorzaak was weet ik niet. Ik heb alvast geen ijzeren wil.

In Porto zou Cristina ons komen oppikken in de luchthaven. Hoewel ik al honderden foto’s van haar heb gezien en ze heel mooi en opvallend is, was ik toch bang dat ik haar niet zou herkennen. En wat moest ik zeggen? Kon ik wel spreken tegen een reeks foto’s? Bovendien schrikt schoonheid me af. Waarschijnlijk leg ik onbewust een verband met verschrikking en horror, zoals romantici als Shelley dat ook al deden. (Mario Praz heeft daar zeer boeiend over geschreven in zijn lijvige studie Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek, een boek dat beter bekend is onder de titel The Romantic Agony. Voor mij is het een werk dat een hele wereld heeft geopend.)

Er was niemand in de hal die ik meteen herkende. Was ze er niet? Hadden we slecht afgesproken? Had ik me iets op de mouw laten spelden? Terwijl ik een sms stond in te tikken – ik gebruik daarbij nog de gewone omgangstaal – stond ze echter opeens voor ons. Een jonge vrouw van vlees en bloed. Ze zag er minder extravagant uit dan op haar foto’s, wegens minder make-up, maar nog steeds bijzonder mooi. Maar wat was ze mager! Later zag ik haar van die fijne sigaretjes roken die heel goed bij haar pasten. Onze bagage ging maar net in haar kleine auto. Op een half uurtje waren we in ons hotel. Na de middag zou ze ons door het oude Porto gidsen. We zouden lang zitten praten in het bruine café Ceuta, we zouden elkaar goed leren kennen. We zouden ontdekken dat we zielsverwanten zijn. Ik zou vaststellen dat schoonheid niets met horror en verschrikking heeft te maken. Echte schoonheid is ook niet oppervlakkig, maar is de uitdrukking van diepe gedachten, een rijke verbeelding, empathie en mededogen, van een buitengewoon vermogen tot vriendschap en van nog wel wat andere dingen. Een mooi voorbeeld is Tom Waits: één en al schoonheid.

Foto: Martin Pulaski, Porto, 2006