VERDWENEN

1922 Oedipus RexMAXERNST.jpg
Max Ernst, Oedipus Rex, 1922

Met een klik heb ik verdorie al mijn notities sinds 13 oktober 2012 gewist. Het waren er vrij veel, en aan sommige hecht ik veel belang. Ook de commentaren, en mijn commentaren daarbij, zijn definitief weg. Van de oorspronkelijke teksten zal ik er zoveel mogelijk proberen te restaureren. De links zijn in ieder geval definitief weg. Hoe verward kan een mens zijn…

CATANIA, ONDER DE VULKAAN

catania

’s Avonds alleen op het terras van the Other Place in Catania maak ik de volgende notities:
“Catania lijkt een gezellige stad. Is dat alleen vandaag zo? Vandaag is het een jaar geleden dat ik werd overvallen en in elkaar geramd. Toch laat Laura mij alleen in deze stad, waarvan beweerd wordt dat ze gevaarlijk is. Maar laat ik niet aan zelfbeklag doen. Wie moe is, is moe. En wie van de nacht houdt, houdt van de nacht.
Maar wie alleen is wil soms ook wel eens sterven. Bij mij is dat toch zo. Als ik alleen ben, ben ik echter ook sterker. Ben ik beter opgewassen tegen de dood. Als ik alleen ben, wen ik aan het alleen zijn.

Wie had kunnen verwachten dat Catania zo levendig zou zijn. Ik had een donkere, dreigende stad verwacht, helemaal opgetrokken uit lavasteen. De schroeiende zon heft dat dreigende op, laat het zwart een hele dag lang baden in licht. En de hitte die ’s avonds in de straten blijft hangen, verwarmt je geest en verjaagt je boze gedachten. Ik zou de sfeer hier niet meteen vrolijk noemen, of uitbundig, maar er is toch iets lichts rondom mij, dat aanstekelijk werkt. Misschien voel je je zo in de nabijheid van een vulkaan. De Etna is hier maar dertig kilometer vandaan. Maar die aangename sfeer geeft ook duidelijke contouren aan mijn eenzaamheid. Ik zit hier alleen in mijn boekje te noteren, er mij van bewust dat de mensen rondom mij me zitten te bekijken.

Wat is een gevaarlijke stad? Het gevaar zit vooral in jezelf en in degenen die je liefhebben. Al de rest heeft weinig belang. Als niemand je liefheeft heeft niets belang. De enige stad die telt is de stad van de liefde – en haar spiegelbeeld, de stad van de haat. (Huwelijk en scheiding, vader en zoon, hemel en hel…).
Ze lopen met hun lichaam rond. De vrouwen. De mannen. Wij lopen met z’n allen met ons lichaam rond. Mijn lichaam berust in zichzelf, zijn aftakeling. Mijn lichaam is voorbijgegaan. Ik heb het laten voorbijgaan. Momenten, uren, dagen zijn aan mij voorbijgegaan. Vrouwen, kinderen, mannen. Religies zijn aan mij voorbijgegaan. Ismen zijn aan mij voorbijgegaan. Vrienden, kennissen, relaties zijn aan mij voorbijgegaan.

De vulkaan die er is. Achter mij en voor mij. De vulkaan waar ik van gedroomd heb. Die mij zou beschermen tegen de goden. Zwart en vurig tegen het witte schuim, het papier. Wit schuimend speeksel. De vulkaan is er en ik denk aan de sprong van Empedocles. Dezelfde sprong maken? Dat alles ophoudt. Dat degenen die achterblijven de brand dan maar blussen? De vulkaan nodigt mij uit. En een god en een anti-god en een mens van vlees en uitgestippelde wegen.
De vulkaan is er en laat mij in mezelf verdwalen. Ik wil uit mezelf verdwijnen. Zoals Empedocles na al zijn dorre jaren. Zoals Hölderlin. Onder de vulkaan worden alle leugens ondraaglijk. Hoe te zijn?”

[Teruggevonden notities.]

GERAAS EN GEBRAL I

JOS (2)

Een paar dagen geleden vond ik oude, met de vulpen geschreven, notities terug over een bezoek aan mijn vriend Jos. De datum van de tekst is onleesbaar, maar ik weet wel zeker dat de avond die ik erin beschreef zich in 1978 voltrok.

Ik was die avond onaangekondigd bij Jos komen opdagen. Dat deden we in die tijd bijna altijd: we hadden geen telefoon en al de rest bestond nog niet. Mijn vriend was blij dat ik daar zo opeens voor zijn deur stond. Zelf was ik ook opgewekt, maar tegelijk aan hevige onrust ten prooi. Die onrust was een voorbode van een periode van ziekte. Dat fenomeen is veel meer dan een voorgevoel. Omdat het zo herkenbaar is grenst het aan zekerheid. Ik heb van dat inzicht nog geen enkele arts kunnen overtuigen. Ik denk dat de onrust wordt veroorzaakt door de zenuwen, als een waarschuwing aan het lichaam, wees voorzichtig, er is een aanval op komst.

Na een paar biertjes had ik echter mijn kalmte teruggevonden. Onze conversatie ging over vriendschap. Jos herinnerde zich mijn brief waarin ik naar de uitspraak ‘Een vriend is een ander zelf’ van Aristoteles had verwezen (Ik had die niet bij Aristoteles gevonden, maar in een verhaal van Borges. In verhalen van Borges kun je ongeveer alles vinden. Een zin van hem is soms een hele encyclopedie.). Jos vond het de mooiste brief die hij ooit gekregen had. Ik was niet zijn beste vriend, zei hij. Ik was veel meer dan dat, ik was zijn enige vriend. Ik hoopte in stilte dat onze vriendschap zou blijven duren. Want je weet maar nooit. Maar genoeg daarover.