DOOR DE TUIN NAAR DE HEL

odilon redon afdaling in de hel

 

Zaterdagavond keek ik door het raam naar de grote, verwilderde tuin. Het was bijna donker, de bomen en struiken zwiepten in de felle wind.
Er was een gat in de tuinmuur geslagen. In de richting van dat gat, bijna niet meer zichtbaar, zag ik Peter De Roover, Jan Jambon, Bart De Wever en een tweetal naamloze figuranten, zich uit de voeten maken. Ze liepen gebukt, met angstige passen, alsof ze zich schaamden. Bijna al waren ze opgeslokt door het donkerste donker, het grote en ultieme Niets. Nog enkele seconden in de schaduw en dan weg, voor altijd. Dat is het lot van landvernietigers, dacht ik.
Zondagochtend ging ik even poolshoogte nemen. Van de hopelijk voor goed verdwenen vluchtelingen geen spoor. Mogelijk had de felle regen hun voetafdrukken uitgewist. Maar ook het gat in de muur was er niet langer. Goed, dacht ik, dan zijn we veilig, dan kunnen ze niet meer terugkeren. En zeker niet via deze tuin. Nimby!

Afbeelding: Odilon Redon, Afdaling in de hel, 1873.

OVERWOEKERDE PADEN

bassani.jpg
Giorgio Bassani.

Vier uur lang slenterde ik door het centrum, van het Sint-Katelijneplein naar de Oude Graanmarkt, naar de Passaporta, waar ik slaperig als ik me voelde ‘Slaap’ heb gekocht, een verhaal van Murakami met mooie illustraties, en een roman van Arthur Japin, de auteur die ik op dit ogenblik het liefst lees. Telkens als ik uit een boekwinkel kom heb ik wat surrealisme aangeschaft; nu was dat ‘Onbevlekte Ontvangenis’ van André Breton en Paul Eluard. En na dat uur of zo van boekgengestreel vervolgde ik mijn wandeling over de Adolphe Maxlaan, naar Waterstone’s voor wat tijdschriften, tot in het voorgeborchte* van de hel dat Fnac heet. De moed ontbrak me om op een van de gezellige terrassen te gaan zitten. Met niemand om mee te praten, en niet wetend wat gedronken. Ik zag me daar in betere tijden samen met vrienden praten, lachen, een Westmalle of een Orval drinkend, een met de bron van het leven.  Wat waren we destijds gelukkig (ook al wisten we het niet), zoals veel mensen die daar nu zaten.

Die avond was ik moe van in de stad rond te dolen, op zoek naar mezelf. Ik zat op het terras naar de sterren te kijken, maar die waren te ver weg om me te kunnen troosten. Een heerlijke zomeravond, maar ik voelde me ellendig, heel precies door de bijna magische weersomstandigheden, en omdat ik me al die mooie dagen en avonden met mijn vrienden bleef herinneren. Ik heb lang in het donker gewacht op slaap. Eerst had ik geprobeerd Vittorio De Sica’s ‘Il Giardino Dei Finzi-Contini’ te bekijken, een film die ik waardeer, net als de gelijknamige roman van Giorgio Bassani waarop hij is gebaseerd. Lang heb ik niet gekeken, mijn gedachten dwaalden af naar zomervelden in Limburg, naar al lang overwoekerde paden.

andre breton,giorgio bassani,ferrara,finzi-contini,vittorio de sica,cesare pavese,knut hamsun,nostalgie,eenzaamheid,wandelen,de wandelaar en zijn schaduw,brussel,stad,droefheid,vrienden,liefde,ziekenhuis,slaap,murakami,sterren,troosteloosheid,tijdverspilling,facebook,surrealisme,dérive

Dominique Sanda, in Il Giardino dei Finzi-Contini

Sinds ik thuis ben uit het ziekenhuis ben ik niet meer blij, niet meer gelukkig. Ik heb het gevoel dat niemand meer van me houdt. Misschien is het niet waar, misschien is het een obsessie van me, maar ik zak dieper en dieper weg en ik weet niet hoe ik verder moet. Ik sta op een kruispunt, zonder zelfs een ziel om aan de duivel te verkopen. Was er maar een duivel, was er maar iets. Maar er is niets, er is niemand.

Hoe traag ik nu ben. De geringste inspanning is mij te veel. Meermaals zet ik het op een bijna hysterisch huilen omdat ik de eenvoudigste dingen niet kan doen. Denk ik. Als ik hard genoeg ben voor mezelf kunnen veel dingen toch wel. Er wordt gezegd dat ik sterk ben, omdat ik de beproevingen in het hospitaal overleefd heb, maar ik voel me extreem zwak. Het is heel moeilijk om je dat voor te stellen.

Ik zit hier maar de hele dag, te wachten op ik weet niet wat. Als de zon schijnt zoals vandaag word ik bijna gek van onbestemde emoties, van rusteloosheid, van het verlangen om ver weg te zijn van hier, met vrienden te praten en te lachen. Alles wat er niet is. Ik denk dan aan de melancholische romans van Cesare Pavese, en aan het lot dat in het midden van zijn leven op hem wachtte. En dan overvalt mij wanhoop, troosteloosheid. Ik verval in negativiteit, kan niet meer lachen, schrijf een slecht gedicht of verspil mijn tijd met zinloos gedoe op Facebook. Binnenkort ga ik weer met de kaarten spelen, of Domino.Stoer

surrealisten.jpg

Surrealisten. André Breton: bovenste rij, midden.

 

*Cfr. Paus Gregorius I.

MAX STIRNER : IK HEB ME UIT HET NIETS OPGETROKKEN

Max Stirners ‘Der Einzige und sein Eigentum’ moet ik zeker grondig herlezen. Je moet tegen het denken in denken, schrijft hij. Het niets is geen leeg niets, maar je creëert jezelf elk moment opnieuw uit dat niets. Je bouwt jezelf op uit dat niets. Leopold Flam nam vaak de uitspraak in de mond, ‘ik heb mijn zaak op niets gesteld’. Dat begreep ik niet goed. Het is kennelijk een kwestie van formulering. ‘Ik heb me uit het niets opgetrokken’, dat vind ik veel duidelijker. Nu, na het nuttigen van een glaasje Southern Comfort, en met Joy Divsion op de achtergrond, die meteen voorgrond wordt, doet de uitspraak me denken aan Baron von Münchhausen, die zichzelf, zoals iedereen weet, aan zijn eigen vlecht uit een moeras kon trekken. Het niets is voor hem inderdaad geen leeg niets, maar een moeras-niets.

Joy Division, Heart and Soul, onovertroffen uitdrukking van het niet-lege niets. Die jazzy drumrolls, die gitaar zo metalig (New Orders dansmuziek wordt hier al aangekondigd). Als ik dit lied hoor zie ik een beeld van ijs waarin een ziel van vuur brandt. Maar ik dwaal af, ik wilde gewoonweg mezelf een leesopdracht geven – en de lezer van dit stukje een hint. Mission accomplished.

 

LUSTELOOS EN GEIL

coup de torchon,jim thompson,philippe noiret,green on red,lusteloosheid,spleen,geil,the killer inside me,bertrand tavernier,pop,muziek,popcultuur,bonnie prince billy

Je zou kunnen schrijven over het weer. Over de hitte. Over hoe de hitte je loom en lusteloos en geil maakt. Schrijven dat je geen zin hebt om wat dan ook te doen. Geen muziek beluisteren, zelfs niet ‘A Sucker’s Evening’ van Bonnie Prince Billy, dat nochtans goed past bij dit weer, geen films bekijken, zelfs niet ‘Coup de torchon’ van Betrrand Tavernier, die nochtans uitstekend de morele aftakeling laat zien die gepaard gaat met hitte, loomheid, lusteloosheid en geilheid (maar natuurlijk ook met kolonialisme, militarisme, racisme en uitbuiting). Een film die door merg en been gaat, met een Philippe Noiret die zichzelf overtreft – en Isabelle Huppert is altijd mooi meegenomen, zeker in de rol van een ‘onschuldige’ geile teef (om even vrouwonvriendelijk te klinken, maar dat is nu eenmaal haar rol). ‘Coup de torchon’, gebaseerd op een pulpmeesterwerk van Jim Thompson, ‘Pop. 1280’, en zijn ‘The Killer Inside Me’ is nog beter. Green On Red hebben er een van hun elpees naar genoemd. Maar je hebt geen zin om te lezen. Je hebt geen zin om te schrijven. Il n’y a rien à faire. Alleen maar koel water drinken en zeggen dat het leven goed is zoals het is. Neen, vandaag is het niet nodig. Je voegt er niets aan toe.