HOTEL MONTE VISTA

Enkele dagen geleden zag ik in het gezelschap van mijn vrienden Eddie en Jan in Cinema Palace op de Anspachlaan Dreaming Walls van Maya Duverdier en Amélie van Elmbt. Het is een oprechte en ongewone documentaire over het legendarische Chelsea Hotel in New York, al meer dan een eeuw een toevluchtsoord voor bohemiens, muzikanten, prostituees, kunstenaars en junkies. Van een aantal beroemdheden die er resideerden ken je de namen: Dylan Thomas, Thomas Wolfe, Leonard Cohen, Janis Joplin, Patti Smith, Robert Mapplethorpe, Tennessee Williams, Arthur C. Clarke, Nico, Andy Warhol, Viva Auder (actrice en schrijfster van het fantastische boek Superstar), Gaby Hoffman (dochter van Viva [1]), Charles R. Jackson (schrijver van The Lost Weekend), Sam Shepard, Bob Dylan (die er naar eigen zeggen Sad Eyed Lady Of The Lowlands schreef) en Harry Everett Smith, samensteller van de invloedrijke Anthology of American Folk Music, uitgebracht in 1952.

Wat in Dreaming Walls vooral wordt belicht zijn de schaarse, voornamelijk bejaarde bewoners van het gebouw die er kost wat kost willen blijven tijdens – en ondanks – de ingrijpende verbouwingen. In de nabije toekomst wordt het Chelsea Hotel een plek voor de rijken, zij die veel dollars willen neertellen om enkele dagen de rol van kunstenaar of hoer te mogen spelen. Voor de laatste Mohikanen die er nog wonen is blijven de enige optie. Zij hebben geen geld om waar dan ook nog naartoe te kunnen gaan. Zowat heel Manhattan is een stad voor de superrijke elite geworden. Af en toe zat ik met een krop in de keel naar de verhalen van deze extravagante enkelingen te luisteren. Al is de documentaire visueel evenzeer een parel. Ik vind het een van de betere Belgische films. Hij haalt net niet het niveau van het werk van Chantal Akerman en André Delvaux, maar dat is dan ook geen sinecure. Mogelijk was ik zo verrukt omdat ik al drie jaar in geen bioscoop meer was binnengestapt.

Toen ik wat over Dreaming Walls zat te praten dacht ik opeens aan een ander hotel, waar Agnes en ik in september 1993 een drietal dagen logeerden: het Monte Vista Hotel in Flagstaff, Arizona. Dat was tijdens een reis door het westen van de Verenigde Staten. Op slag wilde ik meer weten, niet alleen over die fantastic voyage, een hoogtepunt in mijn leven, maar vooral over dat éne hotel. Na wat speurwerk in mijn archief stelde ik vast dat ik tijdens die trip van vijfentwintig dagen niet één woord heb genoteerd. In het archief heb ik in mijn handschrift alleen een telefoonnummer van een taxi gevonden. Meer niet. Gelukkig heb ik wel heel wat andere documenten, vliegtuigtickets, kaartjes van de Greyhound bussen, rekeningen van hotels en zo meer (her)ontdekt.

Wij kwamen in Flagstaff aan op 14 september 1993. We hadden die morgen de Greyhound bus genomen in Albuquerque, New Mexico. In Albuquerque, nu een metropool en bekend door de series Breaking Bad en Better Call Saul, hadden we alleen maar het miezerige Rattlesnake Museum bezocht en lekker gegeten in wat toen nog Conrad Hilton Hotel was [2]. Terwijl de helft van de huidige inwoners van Albuquerque dealers lijken te zijn en de andere helft aan de crystal meth zit, viel daar toen geen barst te beleven. Waarom was het een stopplaats op onze reis geweest? Omdat Neil Young er een song [3] over heeft geschreven? Heel goed mogelijk.

De rit van Albuquerque naar Flagstaff, grotendeels over de legendarische Route 66, duurde lang, ongeveer zeven uur, herinner ik mij, maar de panorama’s onderweg waren adembenemend. Je rijdt door mythische landschappen als het Petrified Forest, de Navajo territoria – en uit liedjes en films bekende stadjes als Gallup, Winona en Winslow.

Flagstaff was in 1993 nog een stad die het bezoeken waard was. Van daaruit kon je met een bus van de Navajo-Hopi Indianen naar de Grand Canyon. Ik heb een lijst van alle hotels waar we tijdens die reis verbleven. Onze reisagent, Ictam in Brussel, had die voor ons uitgeprint en ik heb hem hier voor me liggen. Merkwaardig dat alleen het Monte Vista Hotel in Flagstaff erop ontbreekt. Toch ben ik er zeker van dat wij er geweest zijn. Ik kan het zelfs bewijzen: ik heb er foto’s van en ik heb een factuur teruggevonden. Al even merkwaardig is dat we de Alan Ladd Room toegewezen kregen, kamer 308. Want Alan Ladd was mijn favoriete acteur toen ik vijf of zes jaar was. Mogelijk was hij mij opgevallen in de film Shane, hoewel die al in 1953 uitkwam; toen was ik drie en nog niet vertrouwd met revolverhelden, ook niet met die met een goed hart als Shane. Alan Ladd verbleef echt in kamer 308 in het Monte Vista. Ladd was niet de enige filmster die zich daar ophield. Dat wist ik toen niet maar nu wel. Ook John Wayne, Barbara Stanwick, Humprey Bogart, Spencer Tracy, Clark Gable en Esther Williams waren er te gast. O ja, er waren nog meer beroemde logés: Michael Stipe, Zane Grey (auteur van onder meer de roman “Riders of the Purple Sage”[4]), Siouxsie Sioux, Debbie Reynolds, Jane Russell, Gene Tierney en mijn favoriete acteur Lee Marvin. Jammer dat ik geen deel kan uitmaken van het geheime genootschap The Sons Of Lee Marvin: je moet namelijk op hem lijken om erbij te mogen horen. Neil Young is echter wel lid en ik zie geen enkele gelijkenis met de enige en echte Lee Marvin. [5]

Tijdens mijn opzoekingen ontdekte ik nog meer. Naast Hollywoodsterren, schrijvers en muzikanten verbleven er een aantal rare snuiters in het Monte Vista. Bovendien blijkt het er te spoken. In kamer 220 woonde lange tijd de Meat Man. Het was diens gewoonte rauw vlees aan de kroonluchter te drogen te hangen. In kamer 305 wordt af en toe de geest van een vrouw gezien, zittend in een schommelstoel bij het raam. In kamer 306 werden lang geleden, toen in de buurt van het hotel de prostitutie nog welig tierde, twee hoeren vermoord en door het raam naar beneden geworpen. Onder meer John Wayne heeft voor de deur van kamer 210 ooit een spookachtige piccolo gezien. De westernheld kreeg er allesbehalve de daver van op het lijf. Wat ook niet te verwachten was. That‘ll be the day! Andere gasten bevestigen dit verhaal over die Phantom Bellboy. In de Cocktail Lounge wordt soms een dansend stel gezien. Altijd dansen zij naakt op Bertha, Dark Star en andere songs van the Grateful Dead en ze schamen zich voor niemand. Drie mannen die een bank in de buurt van het hotel hadden beroofd kwamen in diezelfde lounge hun dollars opdrinken. Een van de drie dronk zoveel Heaven’s Door Whisky dat hij van zijn barkruk viel, morsdood. Niemand weet wat met de andere twee dronken rovers gebeurde. Ik las ooit dat The Ballad of Frankie Lee and Judas Priest over de twee mogelijk nog steeds voortvluchtige bandieten gaat, maar dat is ongetwijfeld fake news en post truth. Ook de bewering dat sommige scenes van Casablanca in een van de kamers van het roemruchte hotel werden gefilmd lijkt me vergezocht.

Toen wij er logeerden werden we op een ochtend wakker met bloedvlekken op onze kleren. Hoe was dat mogelijk? We waren de avond tevoren alleen maar naar een concert van Dwight Yoakam – met een wel heel sexy Carlene Carter als opener – geweest. Zijn A Thousand Miles from Nowhere was in die tijd een grote hit in de Verenigde Staten. Daarna nog een drankje in de bar en dan naar bed. Omdat we maar weinig kledij hadden meegebracht – veel ging er in onze rugzakken niet in – moesten we die dag naar de Sno-Flake Dry Cleaner and Shirt Laundry in North Elden Street, gelukkig niet ver van het hotel. Wat verder, in South San Francisco Street had je de winkel Cheap Clothes. Zoals te verwachten en te voorzien was, was nagenoeg alles er spotgoedkoop en lelijk. Gelukkig had ik nog een T-shirt van het Rattle Snake Museum in Albuquerque, en Agnes had er een met een afbeelding van Billie Holiday op, die ze ook als jurk kon dragen. Over het concert van Dwight Yoakam en ons bezoek aan de Grand Canyon schreef ik eerder al een stukje. Tijdens de terugrit met de Indianen zagen we niet al te hoog in de lucht boven Arizona een UFO vliegen. Zelden heb ik zoveel sterren gezien als die avond op weg naar Flagstaff. De volgende ochtend namen we de Greyhound naar Phoenix. Bijna vergaten we onze kleren te gaan afhalen bij Sno-Flake Dry Cleaner and Shirt Laundry. De bloedvlekken waren netjes verwijderd.

[1] “Gaby Hoffmann recalled, “I grew up in downtown New York in the ’80s. I have a friend who grew up with me, and she puts it well. She says, ‘If you grew up where we grew up, if you weren’t an artist, a drag queen, queer, or a drug addict, then you were the freak.’ I grew up in a world where I guess what is considered unusual or abnormal for the rest of America was very much considered the norm.” She also reported in an interview that there had been gunfire and a rape at the hotel shortly before they moved out.”

[2] Het eerste Hilton hotel buiten Texas, gebouwd in 1939, nu Hotel Andaluz.

[3] Op Tonight’s The Night, verschenen in juni 1975 op het Reprise label.
“So I’ll stop when I can
Find some fried eggs and country ham
I’ll find somewhere
Where they don’t care who I am
Oh, Albuquerque
Albuquerque.”

[4] Waar de Californische countryrock band The New Riders Of The Purple Sage zijn groepsnaam vond. Hun eerste, voortreffelijke elpee verscheen in 1971. De toenmalige leden waren John Dawson, David Nelson, Dave Torbert, Jerry Garcia en Spencer Dryden.

[5] Founding member and film director Jim Jarmusch explained, “If you look like you could be a son of Lee Marvin, then you are instantly thought of by the Sons of Lee Marvin to be a Son of Lee Marvin”. 

Foto’s: Martin Pulaski, september 1993. Documenten uit het archief van Matti Brouns.

DEZELFDE STERREN ALS IN TAOS, NM

taos, new mexico (2)

Avondschemering als ik het appartement op de tweede verdieping van de Gomera Lounge binnenkom. In rode tinten de gevels, de wandelaars op de kleine promenade, de kinderen op het kleine strand. Straks wordt alles blauw, dan donker. Ik denk als wel vaker bij een of andere frappante waarneming aan een titel van een boek of een lied; in dit geval is het een ondertitel van een roman van Cormac McCarthy: ‘the evening redness in the west’. Tegelijk met dat diepe avondrood begint op het stukje strand voor het nu wel zeker definitief gesloten Casa Maria en aan het kapelletje van San Pedro daar vlakbij een soort van ritueel, bijna tribaal getrommel. Het zijn hippies die de zon vereren. Hoe sereen ook, soms maakt de intensiteit van dit schouwspel me rusteloos.
Het is nog te vroeg om te gaan eten en we weten ook niet waar. Dan zal het wel El Paraiso aan de Avenida Maritima worden, daar is meestal plaats en de vis is er vers, lekker en betaalbaar. We zitten op ons terrasje, wachtend tot het helemaal donker is en de sterren tevoorschijn komen. Mijn blik vermijdt het stukje rommelig braakland dat daar beneden al jaren ligt te wachten op een opknapbeurt (of een nieuw appartementsgebouw dat dan het uitzicht vanuit de Gomera Lounge op de Atlantische oceaan zou wegnemen.) Niet zo moeilijk nu de avond al het zichtbare aan het zicht begint te onttrekken. Toch concentreer ik me bijna angstvallig op de diepblauwe zee en speur de horizon af. Slechts een enkele kleine zeilboot te bespeuren.

Ik praat met A. over de honden, die van vandaag en die van lang geleden. Hoewel ze al vaker over Jimpy, Suzy en Laika gehoord heeft, denk ik dat ze het niet vervelend vindt mijn mijmeringen daarover nog een keer te moeten aanhoren. Maar al gauw verschijnt er weer een andere hond in het met woorden opengevouwen landschap. In een oogwenk bevinden we ons in New Mexico in september 1993, tijdens een van de mooiste reizen van mijn leven, van het Oosten naar het Westen van de Verenigde Staten. We vertoefden enkele dagen in Taos, een pittoresk stadje van Indianen, (toen al) oude hippies, en Easy Riders. Taos was een plaatsnaam waar ik me sinds omstreeks 1970 veel bij had voorgesteld. Lang geleden werd er Tiwa gesproken, een taal waarin Taos ‘rode wilg’[1] betekent. Het stadje werd van in het begin van de twintigste eeuw een kunstenaarskolonie. In 1924 kwam D.H. Lawrence er wonen. In ruil voor het manuscript van zijn roman ‘Sons and Lovers’ kreeg hij de Kiowa Ranch in handen, nu D. H. Lawrence Ranch genoemd. Ook Aldous Huxley woonde er enige tijd, evenals de kunstschilders Georgia O’Keeffe en Agnes Martin. De film ‘Easy Rider’ van Dennis Hopper werd er gedeeltelijk gefilmd, onder meer de gevangenisscène met Jack Nicholson. Nu waren wij er met de Greyhound uit Albuquerque aangekomen.
 
TAOS 3 (3)

Op een dag vertrokken we vanuit ons hotel aan de Paseo del Pueblo Sur voor een lange wandeling. Eerst naar downtown Taos, dan via de Little Deer Horn Road in de richting van Taos Pueblo. Daar sloegen we een kleiner pad in dat ons naar de vrije natuur bracht. Of dat dachten we. Je was in die streek echter nooit zeker wat privéterrein was en wat publiek. Het landschap zag er behoorlijk wild uit, verweerde aarde, met weinig andere begroeiing dan sagebrush (alsem). We hadden de adobe huisjes al een heel eind achter ons gelaten toen er een hond op ons afkwam. Aan deze viervoeter, hij leek wat op Lassie, zag je zo dat hij ongevaarlijk was. Het leek wel of hij ons kwam begroeten, verwelkomen zelfs. Welkom in de Far West, leek hij te zeggen, nu zijn jullie eindelijk in het land van jullie dromen aangekomen. Later, toen ik Rilke herlas, zag ik in deze zachtaardige hond de incarnatie van het goede en trouwe in de dieren. We wandelden verder, terwijl de hond van Taos ons bleef volgen, alsof hij dat altijd al had gedaan, alsof dat zijn bestemming was.
Een stukje verderop zagen wij een jongen op ons toekomen. Hij vroeg wie we waren, waar we vandaan kwamen, waar we naartoe gingen, vriendelijk en beleefd. Zijn naam was Shane. Duidelijk verveeld met de boodschap die hij bracht, vertrouwde hij ons toe dat we ons op heilige Indiaanse grond[2] bevonden. Hoewel dit geen privé-eigendom was, waren we in overtreding met oudere wetten dan die van de staat New Mexico en van de federale wetten. We praatten nog wat over de Indiaanse cultuur en keerden dan terug naar de Taos. Tijdens ons kort gesprek was Lassie ongemerkt uit het zicht verdwenen.
Ik krijg nu wel wat honger, onderbrak A. mijn relaas. Zouden we niet stilaan vertrekken? Straks is alle vis op. Goed idee, zei ik. En zo’n glas Martin Codax zou me ook wel smaken, beter dan die Californische wijn die we daar in New Mexico dronken.

Onderweg naar El Paraiso over de Avenida Maritima zag ik aan de hemel dezelfde sterren, honderden, duizenden, als toen we ’s avonds in Taos over de Paseo del Pueblo Sur terugkeerden naar ons hotel. Kijk, zei ik dan, daar is het Sun Goddess Motel, nog vijf minuten en we zijn in onze kamer. Want helemaal veilig voelden we ons niet, als enige voetgangers, op die verlaten Amerikaanse Highway, zelfs niet met de sterren die met hun geschitter het harde asfalt verlichtten.

[Deel 11 van een reeks impressies van een reis naar Valle Gran Rey in La Gomera, Canarische Eilanden. Wordt vervolgd.]

TAOS 1

[1] Hoewel over die betekenis betwisting bestaat. In ‘The People. Indians Of the American Southwest’, lees ik het volgende: “Taos is an adaptation of the Tiwa Teotho, meaning “houses of the people” or “in the village”.
De naam van de pueblo in Taos: “The proper name of the pueblo is ȉałopháymųp’ȍhə́othə̀olbo “at red willow canyon mouth” (or ȉałopháybo “at the red willows” for short).This name is more commonly used in ceremonial contexts and is less common in everyday speech.”

[2] Heilige grond. From the Jicarilla creation story, the land bounded by the four sacred rivers was provided to them by the Creator, with select places for communicating with the Creator and spirits, sacred rivers and mountains to be respected and conserved, and very specific places for obtaining items for ceremonial rituals, such as white clay found 18 miles (29 km) southeast of Taos, red ochre 20 miles (32 km) north of Taos and yellow ochre on a mountain near Picuris Pueblo. They believe the “heart of the world” is located near Taos.
Traditional Jicarilla stories of White Shell Woman, Killer of the Enemies, Child of the Water and others feature places and nearby people special to them, such as the Rio Grande Gorge, Picuris Pueblo, the spring and marsh near El Prado, Hopewell Lake and particularly of the Taos Pueblo and the four sacred rivers. The Jicarilla created shrines in sites that held spiritual meaning, sharing some of the Taos area sites with the Taos Pueblo.

Foto’s: Martin Pulaski, Taos, New Mexico, september 1993.

OP INDIAANSE GROND II

donald rumsfeld,slang,dh lawrence,jack nicholson,new mexico,indianen,hippies,tiwa,santa fe,honden,rilke,patti smith,facebook,youtube,taos,easy rider,vs,greyhound,philoctetes
Taos, New Mexico, september 1993.

Ik luisterde nog een keer naar Patti Smiths ‘Dancing Barefoot’ en ging op zoek naar een stukje film. Ik heb er meerdere gevonden, de technologie staat voor niets stil, niet alleen kun je vrouwen kopen op de markt van Facebook, op YouTube vind je alle bewegende beelden die je maar wilt, en veel meer zelfs.

Ik schreef dat ‘Dancing Barefoot’ me aan dansende Indianen doet denken – en binnen de kortste keren zag ik mij en Laura teruggeflitst worden naar New Mexico in september 1993, tijdens de vooralsnog mooiste reis van ons leven, van het Oosten naar het Westen van de Verenigde Staten. We verbleven enkele dagen in Taos, een bijzonder pittoresk stadje van Indianen, (toen al) oude hippies, en Easy Riders. Taos was een plaatsnaam waar ik me sinds 1969 veel bij had voorgesteld. Lang geleden werd er Tiwa gesproken, een taal waarin Taos ‘rode wilg’ betekent. DH Lawrence woonde er een tijd; hij bezat er een ranch. De film ‘Easy Rider’ van Dennis Hopper werd er gedeeltelijk gefilmd, onder meer de gevangenisscène met Jack Nicholson. Het stadje was al van in het begin van de twintigste eeuw een kunstenaarskolonie. En nu waren wij er, met de Greyhound die uit Santa Fe was vertrokken, ook aangekomen.

Op een dag maakten we een wandeling in de vrije natuur ten Westen van Taos. Omdat veel  gebied er privé-eigendom is, is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan. We hadden de adobe huisjes al een heel eind achter ons gelaten toen er een hond op ons afkwam. Omdat ik ooit gebeten ben door zo’n beest ben ik er niet altijd gerust in. Maar aan deze loebas zag je meteen dat hij ongevaarlijk was. Hij kwam meteen op Laura en mij toe lopen als om ons te begroeten. Achteraf, toen ik Rilke herlas, zag ik deze zachtaardige hond als de incarnatie van het goede en trouwe in de dieren.

We wandelden door, en de hond volgde ons als een brave schaduw. Even later kruiste een jongen ons pad. Hij maakte ons op vriendelijke en beleefde wijze duidelijk dat we ons op heilige Indiaanse grond bevonden. Hoewel het geen privé-eigendom was mochten we daar niet zijn.

Nu breng ik de hond, als wakend dier, in verband met Philoctetes. Laura en ik hadden echter heel wat meer geluk dan dat mythologisch personage. Net als wij betrad Philoctetes immers een heilige plek, op het eiland Lemnos. Hij werd echter in zijn voet gebeten door de slang die de plek bewaakte. Ik heb gelezen dat er inmiddels in Taos ook een giftige slang waakt, een ratelslang die de gedaante heeft aangenomen van Donald Rumsfeld. DH Lawrence, Laura en ik zouden er niet langer welkom zijn, zo heb ik vernomen.