EVERYBODY KNOWS THIS IS NOWHERE

Op 4 maart 1970 lijdt de Franse onderzeeboot de Eurydice in de Middellandse Zee schipbreuk. 57 opvarenden vinden daarbij de dood.

Ik ben negentien en woon voorlopig nog alleen in de Karmelietenstraat in de buurt van de Naamsepoort in Brussel. Mijn vriend Erwin, die sinds oktober 1969 bij me logeerde, is in februari naar Gent vertrokken. Maar ik ben niet langer een loner met een loser als boezemvriend: ik heb nu een meisje van wie ik zielsveel houd. Als ik haar John Lennon ben, is zij mijn Yoko Ono. Het zit er dik in dat we zullen trouwen en kinderen krijgen, al zijn we beiden tegen het huwelijk gekant.

Voorlopig studeer ik nog film aan het Ritcs in de Naamsestraat, honderd meter lopen van waar ik woon. Maar die verdomde school hangt me nu al, na enkele maanden, de keel uit. Ik wil leren hoe je een film moet maken, de vakken elektriciteit en scheikunde vervullen mij met afgrijzen en walging. Noem me maar een drop out, dat is een eervol epitheton. Naar school ga ik nog op dinsdagmiddag om telkens twee klassieke films te zien en op andere dagen voor de lessen van Ivo Michiels, Tone Brulin en Jo Röpke. Ik ga er ook heen om propaganda te maken voor de imaginaire politieke eenmanspartij die ik heb opgericht, de anti-progressieve partij. Dat is omdat ik een afkeer heb gekregen van al die fake progressieve mensen die op mijn school rondhangen. Vaak heb ik het gevoel dat de revolutie die in het najaar van 1969 in de lucht hing helemaal weg is. Ondanks de jonge liefde zijn het naargeestige dagen.

krans1 (2)Pasen valt dat jaar op 29 maart. Het is bar koud. Om eens uit Brussel weg te zijn liften we tijdens de paasvakantie met zijn tweetjes naar Amsterdam. Ik ben lid van het “ondergrondse reisagentschap van het tijdschrift Aloha”. Iedereen die daar lid van is heeft een gestencilde adressenlijst van de andere leden. We kunnen op al die adressen terecht om thee te drinken, te roken, muziek te beluisteren, te overnachten. Jazeker, het is een soort van couchsurfing avant la lettre. Na een dagje liften staan we voor een Amsterdamse grachtenhuis, de woonst van Onno en Cees uit het Aloha-adresboek. Dat blijken twee erg gastvrije en vriendelijke heren te zijn. Ik had mij voorgesteld dat Onno een meisje was en misschien zelfs een Japanse. Maar deze Onno is ook oké, toch? We mogen er overnachten en ontbijten en af en toe nodigen zij ons uit voor het avondmaal. Op die avonden komt ook Victor langs, een Belgische vriend van Onno en Cees die in Amsterdam verblijft. Een spraakzame man die de Belgische politiek en vooral de repressieve kant ervan veel beter kent dan mijn teerbeminde en ik dat doen. Wij kijken allemaal op naar het bevrijde Amsterdam. Over België praten we alsof er net als in Griekenland kolonels aan de macht zijn. Aan de macht is heel zeker een socialistische minister van justitie die luistert naar de naam Alfons Vrancks [1] en ongeveer alles wil verbieden waar wij van houden. De boeken van Henry Miller en Anais Nin, om maar één voorbeeld te geven.

1970-vossenplein15

Meestal lopen we door de winderige Amsterdamse straten, niet goed wetend waar naartoe. Er waait een ijzige wind en we hebben voortdurend honger. Met ons budget kunnen we alleen in de Wimpy terecht, voor een smakeloze wimpyburger en om ons wat op te warmen. Je kan er een tijdje op de rode zetels blijven zitten terwijl je servies wordt afgeruimd. Jazeker, luxe! Ik voel me een zielige beatnik en hoewel ik smoorverliefd ben en me daarom echt wel gelukkig voel is dit toch niet wat ik van het magische en magistrale Amsterdam heb verwacht.
In de zolderkamer waar we logeren vriest het dat het kraakt. We moeten elkaar de hele nacht stevig vasthouden om het een beetje warm te hebben. Lekker vrijen zit er zo zeker niet in, wat in het prille begin van onze verhouding al voor enige spanning zorgt. En we voelen ons stilaan uitvreters. Van al die duistere gevoelens van ons beseffen Onno en Cees waarschijnlijk helemaal niets. Elke dag na het ontbijt verrassen zij ons met een of andere elpee die nu zeker in Rolling Stone’s Top 100 Albums of All Time zal staan. Ik herinner me vooral de onaardse schoonheid van Van Morrisons ‘Astral Weeks’. Daar was ik op dat ogenblik echter nog niet rijp voor. Het album dat bij mij wel een heftige schok teweegbrengt is ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ van Neil Young & Crazy Horse. Nog steeds kan de elpee mij overrompelen, maar zoals de zeven songs die erop staan toen klonken, zullen ze het wel nooit meer doen. Je zou het kunnen vergelijken met de eerste keer stomende seks hebben, maar dat doet afbreuk aan de werkelijke hoedanigheid van zo’n maagdelijke muzikale ervaring. Het is geen gepaste vergelijking. Muziek is muziek. ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ [2] was niet Neil Youngs eerste solo-elpee, maar dat wist ik daar in dat Amsterdamse huis nog niet. En zoals de titel al duidelijk maakt was het ook geen solo-elpee, maar wel een met de nu uiteraard legendarische band Crazy Horse. Nog nooit had ik een elpee gehoord die zo door en door elektrisch was. Van de elektrische golven die op me af komen gaan de haartjes op mijn armen rechtop staan, veel meer nog dan van de kou. Ik voel mijn hart tegen mijn borstwand bonzen, zonder dat het pijn doet (hoewel misschien toch een beetje, maar op een prettige manier). Down by the river… Ta-ta-ta-ta-ta. Dat is de oorlog in Vietnam. De M-16, 900 kogels per minuut. Is Neil Young een wapenfreak? Nee, liefje, dit is net het omgekeerde. Het is razernij vanwege die oorlog, vanwege die vreselijk moordtuigen. Maar ook razernij vanwege de oorlog binnenin het menselijke hart. Een eenzame jager is het hart, zegt Carson McCullers. Op 25 maart, net voor Pasen, is Jimi Hendrix’ ‘Band Of Gypsys’ uitgekomen, met daarop ‘Machine Gun’. Die plaat en dat nummer heb ik nog niet gehoord. Later las ik dat Hendrix het als volgt aankondigde: “I’d like to dedicate this song to soldiers fighting in Berkeley—you know what soldiers I’m talking about—and oh yeah, the soldiers fighting in Vietnam too … and dedicate it to other people that might be fighting wars too, but within themselves, not facing up to the realities.”
Ik ben al een tijdje gek op gitaarhelden, vooral in het bluesgenre. Eric Clapton, BB King, Eelco Gelling (van Cuby & the Blizzards), Peter Green, Jimi Hendrix, Jimmy Page en Jeff Beck zijn voor mij de grootsten. De echte bluesgitaristen moet ik nog leren kennen, Freddie King, Albert King, Guitar Slim, Buddy Guy. Maar de elektrische gitaren die ik nu door het grachtenpand hoor schallen, dat is weer iets helemaal anders. Ja, zeg, wat is dit eigenlijk? Het is een soort van bezetenheid. Het is strijd om leven en dood, vuur tegen vuur. Of nee, het is een gevecht van en voor het leven tégen de dood. Een destructief gedreun is het, tegen alle destructieve krachten gericht. Een poging om te ontsnappen aan het grote Niets, aan ziekte en pijn en verdoemenis. Wat ik hoor zijn geen zachtaardige gitaar-duels zoals ik die van op de platen van Moby Grape ken, nee, dit is veel extremer. Ik hoor veel woede, agressie, maar ook tedere en kwetsbare momenten. ‘Cinnamon Girl’ is in weerwil van het harde metaal niets dan lust en liefde. Romantiek is het nummer ook: “You see us together chasing the moonlight”. Dezelfde passie hoor ik in diverse vormen op alle zeven nummers. Zeven, een heilig getal. Natuurlijk klinkt ook de wat fragiele en enigszins vrouwelijke zangstem van Neil Young heel passioneel. Ik denk dat het door dat instrument komt, nog meer dan door de gitaren, dat Neil Young die ochtend in maart 1970 in Amsterdam mijn held voor het leven wordt. Ik kende de elpees van Buffalo Springfield wel, maar had er nooit heel veel aandacht aan gegeven. Buffalo Springfield, net als the Byrds en the Monkees een Amerikaans antwoord op the Beatles, was bij ons niet zo populair als in de Verenigde Staten. Sommige nummers, zoals ‘For What It’s Worth’, ‘Mr. Soul’ en vooral ‘Expecting To Fly’, kende ik goed. Na mijn terugkeer ben ik aandachtiger naar Buffalo Springfield gaan luisteren. Nu vind ik ‘Expecting To Fly’ het meest romantische lied dat ik ken.
Met ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ ontdekte ik de echte Neil Young, het begin van een groots avontuur dat ik met veel andere gevoelige zielen deel. Songs als ‘Down By The River’, ‘The Losing End (When You’re On)’ en ‘Running Dry (Requiem For The Rockets)’ werden muzikale en lyrische thema’s die tot op vandaag tot de kern van mijn wezen behoren.

cof

Er gebeuren nog wel wat dingen in de eerste helft van 1970. Op 10 april maakt Paul McCartney het uiteengaan van The Beatles bekend. Op 4 mei schiet de Nationale Garde van Ohio vier studenten dood en verwondt er negen tijdens een demonstratie tegen de oorlog in Indo-China op de campus van de Kent State University. Four dead in Ohio…

In het najaar koop ik ‘After the Goldrush’, mogelijk het meesterwerk van Neil Young. Wij wonen nu in de Boomkwekerijstraat, nog altijd in dezelfde buurt. Iedereen die bij ons op visite komt, en ik heb in die dagen veel vrienden, wordt aan Neil Young-radiatie blootgesteld. Mijn enige zoon is zeer waarschijnlijk verwekt op het aanstekelijke ritme van Crazy Horse. In de buik van zijn geliefde moeder zal hij misschien de klagende en huilende en o zo troostrijke stem van de al even geliefde Canadese zanger en idiot savant gehoord hebben. En later vertelde ik hem voor het slapengaan verhaaltjes over de brave hond op de voorkant en de binnenzijde van de hoes van ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ en over de patchworkbroek [3] op de achterkant van de hoes van ‘After The Goldrush’.

[1] Van 1968 tot 1973 was hij Minister van Justitie. In deze hoedanigheid liet hij in 1969 Jef Geeraerts’ roman Gangreen 1 wegens onzedelijkheid in beslag nemen. Ook de volledige oplage van het  Rode Boekje voor scholieren werd onder zijn bewind in beslag genomen onder het voorwendsel “zedenschendend en subversief” te zijn.

[2] Op ‘Everybody Knows This Is Nowhere’ spelen Neil Young (gitaar), Danny Whitten (gitaar), Ralph Molina (drums), Billy Talbot (bas) en verder Robin Lane (gitaar), en Bobby Notkoff (viool). Alle songs zijn van de hand van Neil Young. De producers zijn Neil Young en David Briggs.

[3] Patches: Susan Young

Foto’s: Martin Pulaski

VERFRAAIDE HERINNERINGEN

ny-onthebeach.jpg

Te warm om te denken, zong David McComb. Te warm om te schrijven. Maar dat is geen reden om te gaan klagen: we kunnen nog bier en koude wijn drinken en we kunnen nog lezen, zeker van die volstrekt gekke en enigszins geniale boeken, zoals ‘Waging Heavy Peace’ van Neil Young. Je moet er niet veel inspanning voor doen; alleen maar bewonderen, heel vaak in de lach schieten en doorlezen.  Het helpt ook dat Neil Young geen moeilijke woorden gebruikt, maar eenvoudige. Zijn eenvoud is echter niet banaal en wijkt sterk af van de onnozele ‘eenvoud’ van ondingen als ‘FC De Kampioenen’. Neil Young’s eenvoud is niet beledigend maar respectvol en dwingt daarom ook respect af.

Tussen twee korte slaapsessies in – even niet doorgelezen – las ik dit:

“Old memories are wonderful things and should be held on to as long as possible, shared with others, and embellished if need be.”

Heel eenvoudig, inderdaad. Maar er staat wel: “and embellished if need be”. Dat is minder simpel dan het lijkt. Er zit een ander levensverhaal achter, het verhaal – of een van de vele verhalen – die onze held niet vertelt. Onze herinneringen zijn altijd verfraaiingen, verdraaiingen, verzinsels, maar ze zijn dat (we maken ze zo) altijd of toch bijna altijd met de beste bedoelingen. Wij willen niemand kwetsen en voor onszelf willen wij ons de mensen die we hebben gekend (en vaak nog kennen) op de best mogelijke manier herinneren.

NEIL YOUNG IN BRUSSEL (1976)

neil young.jpg

Op 25 maart 1976 zag ik in Vorst Nationaal in Brussel voor het eerst Neil Young. Ik denk dat ik op muzikaal gebied nooit iets intensers en ontroerenders heb meegemaakt. Dit is de setlist:

Tell Me Why

Mellow My Mind

After The Gold Rush

Too Far Gone

The Needle And The Damage Done

A Man Needs A Maid

No One Seems To Know

Heart of Gold

Encore:

Country Home

Don’t Cry No Tears

Down by the River

The Losing End

Like a Hurricane

Lotta Love

Drive Back

Southern Man

Encore 2:
Cortez the Killer

Cinnamon Girl

GERUCHTEN: NEIL YOUNG, HOESTEN, VERLANGENS, HISTOIRES

le noise

Achter me liggen enkele van mijn uitverkoren boeken: het verzameld werk van Paul Celan, de romans van Cesare Pavese (“Jouw land”), “Al keert het grote zingen niet terug” van Yeats, vertaald door J. Eijkelboom, een mooie naam voor een vertaler, “De dood zal komen en jouw ogen hebben” (gedichten van Cesare Pavese, waarin opgenomen ‘Lavorare Stanca’ wat zoveel betekent als ‘Werken is vermoeiend’), Abelélard’s “Briefwisseling met Héloise”, Dante’s “Het nieuwe leven”, de bekendste stukken van Euripides (in het Nederlands vertaald, ik ben niet echt een geletterd man) en een heel oude uitgave van Herman Gorters “Mei”. De rest staat min of meer alfabetisch boven in mijn grote kamer, waar ik nog zelden kom.  Alleen nog maar om er een boek op de grond te leggen als ik denk dat ik het heb uitgelezen. Of als ik er genoeg van heb.

Terwijl ik dit schrijf hoor ik de schroeiende gitaar van Neil Young in ‘Sign Of Love’ uit ”Le Noise”. Wat voel ik, want een mens voelt, heeft emoties, wat denk ik, wie ben ik, hoe ben ik? Die schroeiende gitaar is net als bij Neil Young zelf voor mij een uitdrukking van mijn liefde voor jou. Feedback versterkt en verlengt die liefde. Eens de stilte intreedt is er geen liefde meer, is er niets meer. Maar ik ben er gerust in, Neil Young houdt niet op. En hij vergeet niet. In “Le Noise” komt alles wat hij ooit heeft gezongen, verwrongen, vernietigd, gecreëerd, liefgehad, terug. En ook iedereen die hij op zijn weg ontmoette, al was het maar een moment, kom je als luisteraar weer tegen. In elke song zit wel ergens een ‘Cinnamon Girl’ verborgen, niet eens verborgen, gewoonweg aanwezig. Neil Young heeft er zijn tijd voor genomen, zijn avonturen begonnen tenslotte al omstreeks 1965 in de donkere steegjes van Toronto, doodlopende straten waar Rick Danko en Richard Manuel in dezelfde periode liepen te kotsen van de bootleg whisky en al kotsend verlangden naar fatale vrouwen. ‘Love and war’, zingt Neil Young, nu rustig geworden, maar met alle onrust nog aanwezig. Je ziet het in zijn blik in de begeleidende films.

Maar ik dwaal af. Ik dacht na over mijn kamer. Ik dacht na over de onrust in mij. Waarom ben ik hier niet tevreden? Waarom wil ik altijd ergens anders zijn dan in deze symbolische baarmoeder? Voor mij staan duizenden vinylplaten, vraag me niet wat er allemaal in die collectie zit. Tien elpees van Al Green, vijftig of zo van Bob Dylan, the Rolling Stones tot ‘Tattoo You’, Joe Simon, ‘Two Steps From the Blues’ van Bobby Blue Bland, en tientallen klassieke langspeelplaten die ik ooit voor enkele forinten in Boedapest kocht. Mijn beste countryplaten komen van bij Louiske in de Hoogstraat in Antwerpen, 80 frank het stuk. Zo heb ik geheel toevallig Townes Van Zandt ontdekt, nog nagenietend van amfetamine en tequila, en van het dansen op punk rock en reggae in de Cinderella. Opeens was er ‘Loretta’,  en ‘No Place To Fall’.

Nu hoor ik Neil Young over diezelfde amfetamine zingen, waarschijnlijk van een betere kwaliteit. “I still couldn’t close my eyes… Then came paranoia…”

En opeens had ik een bankrekening. Een kaart waarmee ik mijn wijn kon betalen en andere dingen. En ik was dood voor de wereld. Ik werkte voor het geld, voor het brood. Ik heb het altijd opvallend gevonden dat ‘bread’ in het Engels gelijkstaat aan ‘geld’. Omdat het zo is. En opeens was er geheugenverlies. Mijn familieleden gingen dood. Ik vergat dat ik vrienden had. Soms nam ik een trein of zat in een vliegtuig naar hier of daar. De zon op mijn rug. Het zand. Bergen, de Atlantische Oceaan. In Amerika was ik heel even gelukkig. Ik bevond me in de studio waar Elvis ‘Blue Moon Of Kentucky’ had opgenomen, en waar Howlin’ Wolf en Ike Turner hadden gespeeld. Ik bezocht WDIA. En later stond ik bij de bruine, vuile Mississippi en schreef daar een gedicht voor mijn oude vriend Marc. ’s Avonds, in BB King’s Place, zong ik samen met een man die ik helemaal niet kende hele strofen uit ‘Sad Eyed Lady Of The Lowlands’, een van de mooiste songs ooit gemaakt, vergelijkbaar met Bach. Peter, Steve, John – ik heb zijn naam nooit genoteerd.

In Antwerpen werd me een job aangeboden, filiaalhouder van een bankfiliaal. Ik haatte geld, maar uit wanhoop en geldgebrek ging ik er naartoe. De man met wie ik een sollicitatiegesprek had kende me uit de kunstgaleries en het nachtleven. Dit is echt niets voor jou, zei hij. Het zou je dood zijn. Beter arm dan voor een spaarbank te werken. Ik denk dat die man mijn leven heeft gered.

Alles wat ik schrijf is waar. Maar het is een lang verhaal. De rest schrijf ik de volgende dagen, weken, maanden, als het maar lang genoeg regent en als er voldoende jenever in huis is. En als ik geen bloed begin te hoesten, zoals de romantische dichters in de 19de eeuw deden. De voorbije dagen ben ik graag dronken geweest, om veel te vergeten maar ook om me veel te herinneren, want als je gedronken hebt komen herinneringen gemakkelijker naar boven, bijna zoals bij Proust als hij over een drempel stapt en een klok hoort luiden van Saint-Martin, of als hij een koekje in zijn thee dopt. Het is niet de madeleine, het is de geur van de thee die het doet. Het is de geur en de smaak van jenever, niet de feedback van Neil Young.  

Sinds ik jou ken vertel ik je alles wat ik me nog herinner. Dat doe ik al mijn hele leven lang. Maar sinds ik jou ken probeer ik ook te nuanceren, probeer ik mezelf te zien, niet als een held, of als iemand met een bijzondere gave, maar als een gewone, dronken nuchtere mens. Iemand zoals jij. Droef, en blij, en moedig, en en en. Met een hart verscheurd door liefde, ontgoocheling, verlangen, tristessa, bewondering, verwondering, pijn, genot, het onbekende, de onrust die dat alles teweeg brengt, waardoor je uiteindelijk zwijgt en voor je uitkijkt als een van  die Indianen van hout waar Hank Williams over zong en waar Neil Young zijn inspiratie ging halen, als zijn muze hem even in de steek liet. Dat zou ik niet kunnen. Ik kan niet zonder jou, mijn muze. Als jij er niet bent, is er niets meer. Literatuur is er sowieso al nooit geweest, en ik ken maar drie akkoorden. Kan ik zo door het leven, een oude, egoïstische, genotzuchtige man?

En op een mooie dag kwam rock ‘n’ roll. Neil Young, Elvis, Bob Dylan, Bo Diddley, Huilende Wolf, Hank, Jimi, PJ Harvey, Bessie, Wanda Jackson, Sly, Aretha’s jukebox, allemaal op de trein van Curtis Mayfield en dansend op de passen van James Brown. En we dronken bier en aten worstjes en  waren gelukkig, hand in hand. Dicht tegen elkaar op het gras op de grond. De geest was niet dood. De geest leeft. En als we elkaars stem horen of elkaars huid voelen of ruiken daalt de geest in ons neer. De geest die Elvis gek maakte, en Syd Barrett en Big Mama Thornton en Guitar Slim. Een vurige tong is het, zoals die van Patti Smith, die op een zachte manier al onze holtes penetreert om er het lied van de eeuwige vrede te zingen, en onze tegenstellingen met elkaar te verzoenen.

NEIL YOUNG x 30

neil-young5

Wat doet een man die herstelt van een longontsteking op een zondagmiddag? Een lijstje maken! Er zijn weinig bezigheden zo bevredigend en opwindend als lijstjes maken. En misschien is het wel heilzaam? Dit zijn mijn dertig favoriete Neil Young songs. Ook hier geldt weer de beperkte houdbaarheid.

Pocahontas –  Rust Never Sleeps
Expecting To Fly – Buffalo Springfield / Buffalo Springfield Again
Harvest – Harvest
Running Dry –  Everybody Knows This Is Nowhere
After The Goldrush – After The Goldrush
I Believe In You – After The Goldrush
Pardon My Heart – Zuma
Tired Eyes – Tonight’s The Night
Revolution Blues – On The Beach
Like A Hurricane – American Stars And Bars
Thrasher – Rust Never Sleeps
I’ve Been Waiting For You – Neil Young
If I Could Have Her Tonight – Neil Young
Ambulance Blues – On The Beach
Cortez The Killer – Zuma
Don’t Cry No Tears – Zuma
Out On The Weekend – Harvest
Winterlong – Decade
Helpless – CSNY / Déjà Vu
Wrecking Ball – Freedom
Days That Used To Be – Ragged Glory
One Of These Days – Harvest Moon
Sleeps With Angels – Sleeps With Angels
A Man Needs A Maid – Harvest
Cinnamon Girl – Everybody Knows This Is Nowhere
Too Far Gone – Freedom
The Old Laughing Lady – Unplugged
Sugar Mountain – single
Ohio – CSNY / single
Down By The River – Everybody Knows This Is Nowhere

2008: BOB DYLAN EN NEIL YOUNG

TellTaleSigns

Wat ben ik toch lui. Mijn vorige notitie – over een aantal van mijn favoriete platen uit 2008 – dateert alweer van vorige vrijdag. Maar het is niet alleen luiheid die me parten speel. Het is ook twijfel. Wat zijn nu toch die beste nieuwe platen! En ik ken er zo weinig. Nog niet zo lang geleden dacht ik dat ik een goed ‘beeld’ had van ongeveer alles wat op de ‘markt’ kwam, maar dat is al lang niet meer het geval. Ik koop nog steeds zeer veel muziek. Bijgevolg gaat een heel groot deel van mijn budget naar cd’s. En toch is dat maar een bijzonder kleine selectie van wat er allemaal verschijnt. In andere muziekblogs (Roen, Peerke) is het al vaker geopperd: er worden teveel platen uitgebracht. Het is onmogelijk te overzien, zeker niet als je een vrij brede smaak hebt.

Twijfels. Daarom duurt het zo lang eer ik mijn definitieve keuze kenbaar maak. Maar ik ben ermee bezig. Ik beluister alle elpees die ik dit jaar heb aangekocht. Hoeveel er dat precies zijn weet ik niet, maar het zijn er echt wel veel. Iemand heeft me ooit gezegd dat ik een huis had kunnen kopen met het geld dat ik in muziek heb geïnvesteerd. Misschien had ik dat beter gedaan. Maar naar een huis kun je niet luisteren. Huizen zijn meer iets voor slakken.

Een ding wil ik meteen duidelijk maken. Noch Bob Dylans ‘Tell Tale Signs’, noch de Ace-compilatie met nummers uit Dylans ‘Theme Time Radio Hour’, noch de werkelijk verbluffende live-elpee van Neil Young, ‘Sugar Mountain. Live At Canterbury House 1968’ stonden in mijn lijstje(s) van vorige vrijdag. Ik kon die buitengewoon mooie platen daar niet in onderbrengen. Ze vormen een categorie apart. Of twee categorieën: Bob Dylan en Neil Young.

De Ace-compilatie ‘Theme Time Radio Hour With Your Host Bob Dylan’, heeft eigenlijk weinig met de meester te maken. Of toch wel: hij heeft uiteraard alle vijftig zeer gevarieerde songs in zijn show gedraaid. Zijn presentatie moet je er wel bij fantaseren. Met een beetje zoeken vind je de programma’s trouwens online. Je moet er dan wel een aantal dagen voor uittrekken want er zijn al veel afleveringen. Ik houd bijzonder veel van het programma, niet alleen omdat ik zelf al meer dan vijfentwintig jaar een thematische radioprogramma maak, maar vooral door de buitengewone songs, met zoveel kennis van zaken en gevoel voor humor samengebracht, in een geheel geplaatst waar ze pas echt tot hun recht komen. Overigens is deze compilatie reeds de aanschaf waard voor alleen al de lange versie van Aretha Franklins ‘Chain Of Fools’ en zeker ook voor ‘I Ain’t Drunk’ van Lonnie “The Cat” (waar Ike Turner op meespeelt). Er zit een uitstekend boekje bij de dubbel-cd: uitvoerige informatie over alle songs en hun uitvoerders, en hele mooie illustraties.

theme time 2

In de Bootleg Series van Bob Dylan verscheen dit jaar volume 8: ‘Tell Tale Signs. Rare and Unreleased 1989-2006’. Er is al zoveel over geschreven – ik heb daar weinig aan toe te voegen. De dubbele cd, meer dan twee uur muziek, is over het algemeen goed ontvangen. Alleen is er veel kritiek geuit op de prijs van de luxe-uitgave, waar een twaalftal bijkomende nummers op staat. Er werd vastgesteld dat oudere mensen, minder begoede Dylan-fans die misschien van een klein pensioentje moeten leven, die nog nooit iets hadden gedownload, nu ook de weg naar de piraten hebben gevonden. Een slechte zaak voor jonge muzikanten die royalties letterlijk broodnodig hebben. Ik vraag me af of Dylan zich bewust is van deze vreemde strategie. Maar het zij zo. De dubbel-cd bevat voldoende schoonheid en de rest, dat zien we later wel.

Aanvankelijk vond ik de plaat niet zo goed. Maar nu heb ik ze toch al zo’n twintig keer gehoord, en ze wordt almaar beter. ‘Tell Tale Signs’ lijkt door de grote eenheid wel een gewone elpee en geen compilatie. Ik vind ze ook stukken beter dan zijn jongste sudioplaat, ‘Modern Times’, waar ik niet van houd. Het hoogtepunt van ‘Tell Tale Signs’ is ‘Most Of the Time’, al bijzonder mooi op ‘Oh Mercy’, maar hier zonder de Daniel Lanois-behandeling, en met de intensiteit van iets uit ‘Blood On the Tracks. ‘Someday Baby’ overtreft de versie op ‘Modern Times’. De gospel ‘Marchin’ to the City’ is een juweel. Dylan bewijst hier nog een keer hoe bijzonder zijn pianospel is.

neil young2

Voor mij hoort ‘Tell Tale Signs’ tot de beste platen van 2008. En hetzelfde geldt voor de nieuwe live-plaat van Neil Young. ‘Sugar Mountain’ is een tijdscapsule die je meeneemt naar 1968. Neil Young, jong, onschuldig, kwetsbaar, grappig: er was niemand zoals hij, er is nog altijd niemand zoals hij. Sommige mensen zijn van mening dat er teveel gepraat staat op de plaat. Maar dat vind ik er net zo mooi aan. Daardoor is het niet een tijdloze opname, maar geeft ze ook uitdrukking aan de tijdsgeest, toen lang haar, stoned worden, utopische idealen werkelijk iets betekenden, heel anders dan het postmoderne escapisme. Bij mij roept de plaat talloos veel herinneringen op. Aan Buffalo Springfield, aan Amsterdam (waar ik bij Onno en Cees voor het eerste een elpee van Neil Young hoorde), aan mijn studentenkamer in de Karmelietenstraat, waar Neils eerste elpee en ‘Everybody Knows this Is Nowhere’ dagelijks werden gedraaid. Ik herinner me ook nog hoe gelukkig ik was toen ik de single ‘Sugar Mountain’ voor vijf frank in de Pêle-Mêle vond. Ja, in die dagen was zelfs Neil Young nog goedkoop.

Nog meer goed nieuws is dat Bob Dylan op 22 april naar Brussel komt. Nu heb ik al een eerste datum om naar uit te kijken.

STEPHEN STILLS IN BRUSSEL

Ongeduldig wacht ik op het optreden vanavond in de AB van een van mijn jeugdhelden, Stephen Stills. De man is een monument, maar een monument waar vaak achteloos aan voorbij wordt gelopen. Het is waar dat Stills minder tot de verbeelding spreekt dan zijn compaan / rivaal Neil Young. Hij heeft evenmin meesterwerken gemaakt als ‘Everybody Knows This Is Nowhere’, ‘After the Goldrush’ en ‘Comes A Time’. Maar ten tijde van Buffalo Springfield schreef hij wellicht de meer gedenkwaardige songs, waaronder de hit ‘For What It’s Worth’, ‘Rock & Roll Woman’, ‘Everydays’, ‘Bluebird’, ‘Hung Upside Down’, ‘Special Care’ en een van mijn uitveroren Buffalo Springfield-nummers, ‘Four Days Gone’ (met die typische Stephen Stills gitaarsound). Ik ben ook zeer verslingerd aan mijn exemplaar van Super Session, waarop niet alleen Mike Bloomfield (kant 1) maar ook Stephen Stills huiveringwekkend gitaar speelt (kant 2, vooral op Donovan’s ‘Season Of the Witch’). De eerste elpee van Crosby, Stills & Nash was grotendeels het werk van Stills. De mooiste track op ‘Déjà Vu’, ‘Helpless’, is van Neil Young, maar Stills’ ‘4+20’ is bijna net zo mooi. Daarnaast zijn er de eerste twee sublieme solo-elpees van Stephen Stills op het Atlantic label, waarvan vooral de eerste een meesterwerk mag worden genoemd. De eerste Manassas-dubbelelpee, waar Stills gezelschap kreeg van onder meer Chris Hillman draai ik nog heel regelmatig. Voor mij is het een soort tijdscapsule: in elke song van die plaat zitten een onbekend aantal herinneringen. Mijn favoriete Stephen Stills-nummers zijn Sit Yourself Down (met de regels: “When I get restless / what can I do?”) en het romantische ‘To A Flame’ (met Ringo op drums).

Het is onbegonnen werk mijn bewondering voor Stephen Stills goed te verwoorden, en al evenmin kan ik u laten voelen wat ik nu voel en nog voelen zal in afwachting van het moment dat de man op het podium van de AB verschijnt. In zulke gevallen schieten woorden te kort.

De clip boven dit artikel is een stukje live-concert van Manassas, de clip onderaan is Stephen Stills solo live met het nummer Treetop Flyer. Tot straks!