HOE IK MIJN WEEK OVERLEEFDE

terras 2006

Ik las een interview met Bob Dylan, waaruit bleek dat hij erg tevreden is met zijn leven.
Zondag en maandag voelde ik me ellendig van een of ander virus in de darmen. Na twee dagen was het gedaan. De oorzaak was onbekend, maar hield geen verband met zware kost of alcoholmisbruik.
Op het werk werd verhuisd. Wie eerst hier zat moest nu daar gaan zitten. Zo werd de sleur doorbroken en sprak ik af en toe opnieuw met een collega. Zelf mocht ik in mijn hoek blijven zitten.
Voortaan bevindt zich niet te ver van mij vandaan een collega die opgewekt door het leven gaat. Zulke collega’s heb ik veel te weinig. Ze zit echter toch nog een heel eind van me verwijderd, zodat ik nog altijd niet echt opgewekt door het leven kan gaan.
Vorige dinsdag heb ik thuis gewerkt. Telewerken noemt men dat. Ik heb een achttal brieven ontworpen voor mijne excellentie, zij het niet op ministerpapier. Een brief op kantoor komt overeen met vier of vijf brieven thuis.
Ik praatte wat met die opgewekte collega. En lachte. En vertelde verhalen over Budapest, Esztergom. Over Hongarije in 1987, 1989 en nu. Kamperen, de prijs van een koffie, een glas bier. Ik gaf een kort verslag van wat me in de buurt van café Kafka is overkomen. Men heeft mij in dat café zonder twijfel horen gillen. Waarom heeft niemand mij geholpen? Mijn kaak was ontwricht van het angstschreeuwen. Angstschreeuw, het woord met de meeste medeklinkers. Ngstschr. Ik moet er uitgezien hebben als op het schilderij van Edvard Munch.
Op het terras van café Cirio ontmoette ik een oude kennis. Ik gaf een kort verslag van het hierboven genoemde. Ik was gehaast want binnen zat iemand op me te wachten.
Ja, diezelfde donderdagavond had ik in dat café een afspraak met mijn vriend en schoonbroer G. Ik ga niet meer alleen op café in Brussel. Ik gaf G. een langer verslag van het hierboven genoemde. Wat mij is overkomen betekent weinig in vergelijking met wat mijn andere schoonbroer, G.’s broer, op een Grieks eiland is te beurt gevallen. Hij werd zo erg toegetakeld dat hij nu een bij wijze van spreken een plantaardig bestaan leidt. De familie A. is een echt tragische familie. Toch was de avond met G. lichtvoetig en opgewekt – of is dat hetzelfde? Will the circle be unbroken, by and by lord, by and by? We hebben mosselen gegeten bij Den Boer, een aangenaam, ongedwongen restaurant op de vismarkt. De huiswijn smaakte een beetje zuur. Daarna heb ik als tegengif nog twee trappisten gedronken in de Roskam. Er zat niemand die ik kende. Wie zou ik er wel kennen? Op weg naar huis heeft G. mij death metal laten horen, de muziek waar zijn dochter verlekkerd op is. Ik niet. Ik houd van volksmuziek, maar misschien is death metal de volksmuziek van deze tijd (voor sommige mensen)? Wil je de nieuwe Dylan niet eens horen, vroeg ik G.. Nee, zei hij, dan val ik misschien wel in slaap als ik op weg ben naar Gent. Ik concentreer me dan op de teksten en mogelijk dwaal ik dan af. Ja, zeg ik, zet dan maar beter death metal op. Dat is inderdaad veiliger.
Woensdag was een schitterende dag. Ik heb met mijn gezellin op het terras van de P&P een glas bier gedronken. Tot onze spijt stelden we vast dat Brussel een lelijke stad is met veel lelijke mensen op straat. Velen spuwen gewoon in het rond, alsof ze thuis zijn. Overal slingeren blikjes en plastieken verpakkingen rond en men deponeert ook op de meest in het oog springende plaatsen zijn mest. Budapest is niet bepaald een mooie stad, maar de mensen zijn er mooi, vriendelijk en beleefd. En de aantrekkelijkste vrouwen van de wereld vullen er de straten en pleinen. Na de P&P heb ik thuis tonijn gegrild, die we op ons eigen terras hebben opgegeten. Op de achtergrond stond muziek op uit het begin van de 20ste eeuw. De dag voordien had ik tijdens de middagpauze – ik werkte thuis, remember? – het terras schoongemaakt. Toen we die vis zaten te eten zei ik tegen mijn gezellin dat men in Holland boenen zegt in plaats van schoonmaken. Dat meen ik toch te hebben begrepen. Ik vind de Nederlandse taal zo mooi. Hollandse woorden, Vlaamse woorden, bastaardwoorden. Wat maakt het uit. De verschillende accenten. Zegswijzen uit alle streken. De Franse kronkelingen bij de West-Vlamingen. Het zogenaamde zingen van de Limburgers. Het televisiedialect van de Antwerpenaren. Het Pascale Bal-taaltje van de Gentenaren. Alle verschillen maken mij euforisch. Vooral als ik er gegrilde tonijn bij eet.
Vrijdag was de dag na donderdag! De twee trappisten hebben mij lang doen slapen. Ik moest niet gaan werken, had voldoende tijd te verliezen. Daarna heb ik ruimtevrienden bezocht. Ik heb er nu al een heleboel, voornamelijk muzikanten. Ik heb nog een keer naar Modern Times geluisterd en naar Mingus, Mingus, Mingus. In een winkel in de Westland zag ik The Last Waltz in het rek staan, maar daar heb ik aan kunnen weerstaan. In de Delhaize heb ik een viertal flessen rode wijn gekocht, om te ‘proeven’. Ik ben op zoek naar een wijn die perfect past bij de Osso Bucco van A..
Zaterdag heb ik een plantje geplant en een backup gemaakt van al mijn mappen en bestanden.Ik heb naar Gram Parsons geluisterd en ben tot na vier uur ’s nachts wakker gebleven om naar de match van Justine Henin te kijken. Achteraf had ik er spijt van. Verloren tijd. Het is mij opnieuw duidelijk geworden dat ik helemaal niet van sport houd.
Vandaag heb ik ramen schoongemaakt (of geboend?). Na laat te zijn opgestaan, met een suffe kop. Na de ramen heb ik opnieuw mijn spacevrienden opgezocht. De computer met zijn vervelende metamorfosen maakte mij nog suffer. Ik ben mijn fiets gaan afstoffen, dat was een jaar of zo niet meer gebeurd, ik heb mijn banden opgepompt en ik ben een tochtje gaan maken in het Pajottenland. Daar heb ik foto’s gemaakt van het landschap. Een uurtje geleden heb ik naar de Pete Seeger Tribute dvd van Bruce Springsteen gekeken. Het zag er allemaal vals spontaan uit. Het leek mij niet uit het hart te komen. Maar ik kan me nogmaals – zoals iedereen – sterk vergissen.
Nu is het zondagavond en schrijf ik deze opsomming. Je moet iets doen. Je moet zin geven aan je leven. In zinnen vind je zin. Maar het is een hoop werk, neem dat maar van me aan. Ik denk dat rock & roll gemakkelijker is. Drie akkoorden en dan wham bam, thank you mam!

Foto: Martin Pulaski, 2006

ONBESCHOFT GEDRAG IN DE MEDIA


derrida

In Voor de dag op Radio 1 hoorde ik een kort interview met Linda Van Den Bosch van de Taalunie. De Taalunie bestaat 25 jaar en er is een onderzoek verschenen over de stand van zaken van het Nederlands. Is er nog een gemeenschappelijke taal voor Nederland en Vlaanderen, of ontwikkelen zich twee aparte talen? Uit het onderzoek blijkt volgens Linda Van De Bosch dat er nog duidelijk sprake is van één zelfde taal voor Nederlanders, Vlamingen én Surinamers. Zowel Nederlanders, Vlamingen als Surinamers zijn trots op hun taal, zo blijkt. Overigens waarderen de Nederlanders het Nederlands zoals het door de Vlamingen wordt gesproken, vooral vanwege de minder agressieve klanken. Ik vond dit allemaal opbeurend nieuws. Ik had dus toch nog een taal, het Nederlands bestond en bestaat nog. Prachtig! Maar, wierp de interviewer tegen, kan dat wel, éénzelfde taal als de culturen zo uiteengroeien: de Vlamingen kijken toch al lang niet meer naar de Nederlandse televisie. Alsof de cultuur alleen op televisie bestaat. Ja, zei mevrouw Van Den Bosch, de cultuur hebben we eigenlijk niet echt onderzocht, alleen maar de taal. De interviewer ging door en vroeg zich af of er nog wel een Taalunie nodig is, als er toch twee verschillende talen bestaan! Dat vroeg hij letterlijk. Linda Van Den Bosch was een moment sprakeloos. Had ze tegen een dove zitten oreren? Een zwakbegaafde? Had ze niet al de hele tijd zitten beweren dat uit het onderzoek blijkt dat het Nederlands onze gemeenschappelijke taal is. Mijn vraag is dan of je als interviewer nog beledigender kunt zijn? Misschien is ons Nederlands dan zachter, de stijl van sommige interviewers van ‘onze’ radio is alleszins lomp, grof en zeer onbeschoft. Overigens wees Jacques Derrida er al een hele tijd geleden op dat de media hoe dan ook geen ruimte en tijd bieden iemand te laten nadenken, te aarzelen, te zwijgen, en een antwoord te geven dat beredeneerd en genuanceerd is. Gelukkig luister is bijna nooit naar de radio, tenzij naar mijn eigen programma (waar ik niemand in interview).

De foto hierboven is niet van de onbeschofterik, maar van Jacques Derrida.

TOM BARMAN EN CONNIE PALMEN


connie palmen

Ik heb nooit een boek gelezen van Connie Palmen en ken al evenmin het werk van Tom Barman. Belgische rock & roll heeft me nooit echt kunnen boeien, zeker niet als die uitgesproken beïnvloed is door Captain Beefheart, Tom Waits en R.E.M. Voor Belgische artiesten die helemaal samenvallen met zichzelf, zoals Marva, Salvatore Adamo en Marc Aryan (hoewel ik betwijfel of die laatste wel een Belg is, het zou wel eens een Magyaar of een Savoyard kunnen zijn), kan ik wel enig respect opbrengen. Maar vraag me niet om ernaar te luisteren. Ik luister voorlopig niet meer naar muziek. Alle geluiden storen mij. Dat is de gesel van het stadsleven en het leven van de werkende mens. De schrik die bezit van je heeft genomen. Ten minste twee keer per dag kan er in je omgeving een bom ontploffen. Ik luister nu naar concrete muziek, de geluiden die ik zelf voortbreng. Het enige mooie geluid dat ik produceer, hoor ik als ik ’s avonds mijn sokken uitdoe. Ik heb het nu even niet over de geur. Gewoon dat geluid. Hemels. Wie heeft er dan nog behoefte aan het eeuwige gerasp van Bob Dylan of de hemelse mathematica van Bach? Om nog maar te zwijgen van Belgische rock.

Toch hebben Tom Barman en Connie Palmen mij vorige zondag verrast en tot tranen toe ontroerd. Ik heb het over het televisieprogramma ‘zomergasten’, een ongeëvenaard trage en mooie reeks zomergesprekken in een doodgewone studio. Voor ‘zomergasten’ is er geen jacht, geen Toscaanse villa nodig. De gesprekken sprankelen, of er wordt gestotterd, er is gebral en er is stilte. De gasten zijn mooi en lelijk. Onbekende wetenschappers of ‘Vlaamse idolen’ (Tom Lanoye, Hugo Claus). Sommige zomergasten worden achteraf met de dood bedreigd (Ayaan Hirshi Ali). Het programma bestaat al lang, zeker wel tien jaar, het is nooit vervelend, telkens zie je de geschiedenis de revue passeren, en besef je hoe weinig vat je hebt op de gebeurtenissen.

Hoewel ik nooit een boek van Connie Palmen had en heb gelezen vond ik tot vorige zondag de aflevering met haar als gast de beste. Dat kwam door haar stem, denk ik. Ze drinkt wijn, en rookt sigaretten en het is duidelijk dat ze dat lekker vindt. Ze houdt ook van Elvis en is onder meer daardoor intelligent. Een intellectueel, een schrijver, een kunstenaar die niet van Elvis houdt lijkt me nogal dom. Hoe kun je intelligent zijn en niet van Elvis houden? Destijds was Connie heel charmant, een mooie vrouw, belezen, met een innemende stem en enigszins droevige ogen (die toch veel glimlachen). Waarom de verleden tijd gebruiken? Ze spreekt het mooiste Nederlands van de wereld. Je kent dat wel, een beetje Hollands, maar door het lichte Limburgse accent toch ook dicht bij ‘ons’. Van Connie moet je niet per se boeken lezen, je moet zeker wel luisteren naar haar stem vol emotie en intelligentie.

En dan was er Tom. Na vijf minuten al was ik in mijn fantasie zijn beste vriend. Wat een innemende man! Zo eerlijk en emotioneel en vol respect voor oude mensen. Zelfs onze oude droevige koning krijgt zijn zegen. De man die ons – met uitzondering van één dag – allemaal verenigde, de man die België een kwaliteitslabel bezorgde. Destijds beter bekend in de Verenigde Staten dan ‘onze’ chocolade. Een uiterst glamoureuze koning, met aan zijn zijde een lelijke heks, bezeten van god, schrijfster van bloedeloze sprookjes. Tom bewondert Herman Decroo, die, tot mijn verrassing alweer, grammaticaal correcte zinnen kan uitspreken (weliswaar in het Frans). Hoe kan het ook anders, Herman Decroo is een perfect Belgisch kunstwerk. Ik denk van de hand van Marcel Broodthaers, maar ik kan me vergissen. Tom Barman heeft me een bijzonder ontroerend stukje Mingus laten zien. Een van de grootste Amerikaanse kunstenaars wordt uit zijn woning gezet. Meubeltjes op straat. En dan is er niets meer dan waanzin en treurende weduwen. Charles Mingus. Ook Connie vond het een schande, al zei ze dat natuurlijk niet. Het was van dat stil verdriet, waar je nog een glaasje bij inschenkt. Jeff Wall bleek voor zijn werk, A sudden gust of wind (zie foto hierboven), geïnspireerd te zijn geweest door Hokusai. De man die het net heel fijn vindt dat zijn hoed wegwaait. Een en al vrolijkheid: eindelijk van dat gekke hoofddeksel verlost! De film L’emploi du temps, blijkbaar een meesterwerk dat ik over het hoofd heb gezien. Een schitterend stukje Nicole Kidman in Birth. Een tragische Britse voetbalheld, Paul Gascoigne. De heavy metal band Metallica bij de psychiater. Keiharde gasten maar stuk voor stuk zeer kwetsbare jongens, zo bleek nu. Captain Beefheart die na de confrontatie met het werk van Van Gogh de zon maar onbeduidend vindt. De stem van Captain Beefheart moet je zeker ooit gehoord hebben. Tom vertelde dat die andere Tom (Waits) veel gepikt heeft van de kapitein. Dat is inderdaad het geval, maar iedereen weet dat iedereen van iedereen pikt.

Als hoogtepunt kregen we een fragment uit een van mijn favoriete films, Bad Timing van Nicholas Roeg – waar je alleen al moet naar kijken voor de ogen van Theresa Russell –, en tot slot een zingende Joseph Brodsky. Niemand heb ik ooit mooier poëzie zien en horen voordragen. De beste zomergast is nu Tom Barman. Connie Palmen staat op nummer twee. Graag zou ik hen beiden eens uitnodigen bij mij thuis. Ze zouden zelfs sigaretten mogen roken.