GENEALOGIE VAN EEN MYSTERIE

familie klepkens.jpg
Foto: Martin Pulaski, 20ste eeuw.

In ‘Winterlogboek’ van Paul Auster trof ik enkele zinnen aan die me vertrouwd in de oren klonken. “Want je weet niets over waar je vandaan komt, je hebt lang geleden besloten aan te nemen dat je een mengsel bent van alle rassen van het oostelijk halfrond, een deel Afrikaans, een deel Arabisch, een deel Chinees, een deel Indiaas, een deel Kaukasisch, de smeltkroes van vele vijandige naties in één enkel lichaam. Het is eerst en vooral een moreel standpunt, een manier om het rassenvraagstuk te elimineren, dat volgens jou een onzinvraagstuk is, een vraagstuk dat degene die het aanroert enkel te schande kan maken, en daarom heb je er bewust voor gekozen om iedereen te zijn, om iedereen in je jezelf te omarmen teneinde volledig en vrijelijk jezelf te zijn, omdat wie je bent een mysterie is en je geen enkele hoop koestert dat het ooit wordt opgelost.”

Vertrouwd in de oren, ja. Want A. las me op mijn verzoek deze passus, en wat eraan voorafgaat, voor.  Waar kende ik dit van? Waar kwam dit vandaan? Van wat was dit een echo? Deze woorden leken wel mijn eigen intentieverklaring, lang geleden geformuleerd, nog altijd van kracht. Na een kwartier pijnigen van de hersenen had ik het gevonden (in mijn hoofd). Het was ongetwijfeld een fragment van de experimentele tekst ‘Stasis’, die ik in de winter van 1977-1978 schreef en wat later in het tijdschrift Aurora publiceerde. Wat is ‘Stasis’? Wat betekent die tekst? Als ik hem nu probeer te lezen denk ik, dat is ofwel waanzin ofwel genialiteit. En ik denk, waarom heb ik zoveel talent opgeofferd om alleen maar wat tegendraads te zijn, een narcistisch genot te beleven in het onderscheid – het verschillen van de anderen? De energie die me die ene tekst van een vijftiental bladzijden heeft gekost had kunnen volstaan voor een tiental Vlaamse bestsellers, denk ik dan. Misschien maar goed dat ik een narcist ben en een man zonder eigenschappen.

Ik heb ‘Stasis’ inderdaad niet alleen in mijn hoofd teruggevonden, maar ook in aflevering 9 (jaargang 3) van Aurora, verschenen in 1978. Lang heb ik niet moeten zoeken naar de schoenendoos waarin het tijdschrift zat opgeborgen. Een kwartier ongeveer, terwijl een troostende lentezon mijn kamer begon te verwarmen.

“Wie ben je? Wat ben je? Waar kom je vandaan? Welke taal spreek je? Wat komt van Attica? Wat is van flarden Romeinse tongval de echo? Wat van Attila en Bleda? Wat van de Visigoten? Wat van Egypte en het gouden Nubië? Wat blijft in jou resoneren van Philips ii, van Margaretha van Parma, van de hertog van Alva, van don Lodewijk van Zuniga van Requesens, landvoogd der Nederlanden, van don Juan van Oostenrijk, zoon van Barbara Blomberg, van Hieronymus Kegel, van Matthias van Oostenrijk, van keizer Rudolf ii, van Don Pedro Enriquez de Acevedo, graaf van Fuentes, van aartshertog Albrecht van Oostenrijk, echtgenoot van de Infante Isabella, die haar laatste jaren doorbracht in een klooster in Tervuren, een plek ongeveer tien kilometer verwijderd van waar je woont? Wie bent je? Wat ben je? Waar kom je vandaan?”

De in Aurora verschenen tekst is zonder interpunctie. Ik heb alle namen opgezocht in Wikipedia. Ze kloppen allemaal. In 2012 duurt opzoekingswerk dat in 1978 drie maanden duurde een half uur. Paul Auster schrijft nog altijd met de pen, en vervolgens op een oude, mechanische schrijfmachine. En net zoals ik is hij een mysterie dat nooit wordt opgelost.

UIT HET DAGBOEK VAN EEN BENEVELDE NARCIST

narcissus

De zomer is voorbij. Er breekt een tijd aan die als een boor je leven binnendringt, die je dagen in een stalen omhulsel dwingt. De wurggreep van de ochtend, de relatieve bevrijding die de avond brengt, en opnieuw, en opnieuw. Het boren neemt toe in snelheid, er verschijnen gaten in een cirkel op je lichaam, in het centrum schijnt alles hetzelfde te blijven. Het centrum is overal en nergens, is alles en niets.

Alice leunt door het raam, bijna tuimelt ze naar beneden, maar gelukkig niet, en roept je toe dat alles nog goed gekomen is. Alles, vraag je. Je weet wel, zegt ze. Oh, ja, met de cactus, zeg je, gelukkig maar.

Geluk is het woord, en liefde. Twee gloeiende punten op de vliegensvlug draaiende cirkel van onverstaanbare uitspraken.

Je bent een narcist, zeg je luidop tegen jezelf. Alsof je met een ander bent, of alsof je spiegelbeeld tot leven is gekomen. Je merkt dat je steeds vaker met jezelf converseert. Is het zoals de rasta’s met hun I and I? Misschien, maar misschien ook niet. Je hebt geen affiniteit met religie. Zelfs de poëzie is nu in nevelen gehuld. Gelukkig weet je nog dat je niet moet vooruit zien te komen in het leven. Stilstaan is de boodschap. Bijna alsof je er niet bent. De tijd draait geen kringetjes. De tijd is een punt. Nu. En dan weer een punt. Altijd anders, altijd hetzelfde.

Je bent moe en lusteloos. Je zegt dat reizen je goed zal doen. Naar de Provence, naar Umbrië, naar Sherwood Forest. So long Marianne…  Ja, Alice, reizen zal je goed doen. De tijd zal vanzelf wel bijdraaien of wegwaaien naar een ander gewest. De woestijn wordt een regenwoud en het regenwoud een woestijn. Saracenen hakken het hoofd af van de eerste bisschop van Perugia. Maar enkele ogenblikken later, nadat het bloedend over de straatstenen rolde, staat het weer stevig op zijn romp. Waar zijn die vervloekte Saracenen gebleven? Koud in hun dennenhouten kisten.

Alice beweert dat de wereld toebehoort aan de zachtmoedigen. Een narcist is niet zachtmoedig. Hij wil heersen, over zichzelf, de woorden, de wereld. Zijn geliefden moeten voor hem knielen, anders grijpt hij in, schudt hij het geweld dat sluimert in zijn ziel weer wakker en hakt er op los. Maar een narcist heeft ook lief, zegt Alice. En vooral heeft hij honger en dorst zoals alle mensen en dieren. Een narcist heeft verdriet en kwijnt uiteindelijk weg van eenzaamheid. Want geen mens hoort zijn stem, zijn zuchten.

De zomer is voorbij, tijd voor de boogaloo, de funky chicken. “Boven ons een hemel van staal”. Herinner je je nog dat boek dat N. je schonk, Alice? Daar stond het allemaal al in. De danspassen, recepten voor cocktails, de gepaste klederdracht, welke schoenen, welke muziek. Zelfs de erupties van de meest nabije vulkaan stonden er in.

Sluit Alice de ramen? Je kijkt niet meer om, dat is gevaarlijk. Dat zegt iedereen. Je mag nooit omkijken, alleen links en rechts. Daar loert het gevaar. Maar eens om de hoek kijk je toch om, en loopt dan door, in de richting van lichten, altijd maar door, al beneveld door wat je verwacht van de immer verlichte nacht.

Ω

Narcissus, Michelangelo Caravaggio, 1598

FREUD EN DE MARTELAERE

Het is een mooie lentedag. Je zou kunnen gaan denken dat alles is zoals het hoort te zijn. Je hebt niet echts iets te melden, maar je voelt dat er iets smeult. Je bent niet echt tevreden en zeker ben je niet gelukkig. In cafés zoek je vreemden op om hen niets te melden en ook hier op deze vreemde plaats heb je niets te melden, tenzij misschien via een omweg, met de betekenisvolle woorden van anderen.

Bij Freud lees ik: “Ik herinnerde mij indertijd in de kliniek van Charcot te hebben gezien en gehoord dat bij personen met hysterisch mutisme het schrijven plaatsvervangend optrad voor het spreken. Zij schreven vlotter, sneller en beter dan anderen en dan voordien. Hetzelfde was bij Dora het geval geweest. Tijdens de eerste dagen van haar afonie was haar ‘het schrijven altijd bijzonder gemakkelijk afgegaan’. Deze eigenaardigheid vereist als uitdrukking van een fysiologische substituutfunctie, die door de behoefte wordt gecreëerd, eigenlijk geen psychologische verklaring; het was evenwel opmerkelijk dat een dergelijke verklaring toch gemakkelijk kon worden gevonden. (…) Het was dus mogelijk Dora’s afonie op de volgende wijze symbolisch te duiden: wanneer de man van wie zij hield afwezig was, zag zij van het spreken af; het had zijn waarde verloren omdat zij niet met hem kon spreken. Daarentegen kreeg het schrijven betekenis als het enige middel om met de afwezige in contact te komen.” Uit: “Ziektegeschiedenissen 2, Fragment van een analyse van een geval van hysterie.” (pagina 61 ev.)

Freud heeft het wat verder over de bedoeling van het ziek worden. Bijvoorbeeld een kind dat ziek wordt om de liefde van zijn ouders te krijgen, een vrouw omdat haar man te weinig naar haar omkijkt en geen geld aan haar wil uitgeven. Het klinkt eigenlijk toch allemaal geloofwaardig.

Bij Patricia De Martelaere, over de narcistische objectkeuze, de objectkeuze op grond van affiniteit met het ik. Voor Freud is het van doorslaggevend belang “omdat het, gezien de genetische prioriteit van het narcisme onvermijdelijk meespeelt in elke (ook niet narcistische, in enge zin) objectkeuze. Bovendien is ook het voor het psychisch welbevinden van de mens zo belangrijke zelfgevoel wezenlijk afhankelijk van de narcistische libido. En Freud merkte het al op: de libidobezetting van een object (het beminnen, om het wat mooier te zeggen) verhoogt het zelfgevoel niet, integendeel, de afhankelijkheid van het liefdesobject werkt bepaald vernederend voor het ik; uit een buitengewoon grote libidinale objectbezetting volgt een even buitengewone ikverarming. Wat betekent dit? Het betekent dat het ik – het narcistische ik dat we allemaal zijn – eigenlijk liever niet zou beminnen, nooit, omdat het dan in zijn zelfgenoegzaamheid wordt bedreigd en een stuk van zichzelf verliest. Maar blijkbaar is er geen ontkomen aan: we hebben objecten nodig, we moeten beminnen, ondanks onszelf. De enige mogelijkheid om althans een relatieve toestand van zelfgenoegzaamheid te herstellen (…) bestaat erin ons zo snel mogelijk door het beminde object terug te doen beminnen, en liefst in dezelfde mate als we zelf beminnen, zodat we precies evenveel van het object terugkrijgen als we erin verliezen (…). Bemind worden, wat een geruststellende zaligheid – zonder de kwellingen en onzekerheden van het beminnen erbij.” (Een verlangen naar ontroostbaarheid, pag. 86-87. )”De melancholicus is deze desperate verliefde, de minnaar die maar één keer wil beminnen en die dus, zelfs in het fortuinlijke, maar hoogst onwaarschijnlijke geval van een exclusieve wederliefde, wel compleet verlamd moet worden door de gedachte aan het mogelijke verlies van zijn object. Door de radicaliteit van zijn investering loopt hij immers het risico op een even radicaal zelfverlies, zodat hij niet anders kan dan het beminde object met al zijn kracht haten, al was het alleen nog maar omdat het zou kunnen weggaan.” (pag. 89)