NACHTEN AAN DE KANT 15 : IN HET PANNENHUIS

fbacon_triptych_may-june_1973

De opening van Termen, de tentoonstelling van Leo Steculorum in het Pannenhuis, was een succes. Over Leo’s werk kan van mening worden verschild, maar over de sfeer en vooral het plezier dat we hadden, is dat moeilijker. De meeste van de vrienden die er waren leken, achteraf en nuchter beschouwd, op grote ernstig spelende kinderen. Het gebeurt nu wel vaker dat ik me in het café van Toulouse en Greta feestelijk begin te voelen. Het is een plek waar je elkaar ontmoet om te praten en te discussiëren, om van mening te verschillen. Om te zwijgen, te lezen. En om te drinken: dat is waar kunstenaars, dichters en schrijvers misschien nog het beste in zijn. Jazeker, wij excelleren in dronkenschap en euforie, mijnheer de minister, en soms in wanhoop.
Voor ik in de mist verdwaalde praatte ik met Paul Rigaumont over schilderen en kritiek. Het komt erop aan zelfvertrouwen te hebben, en door te gaan met het werk, zei Paul. Kunstkritiek leek ons eerder overbodig en in ieder geval voor wie zich ermee inlaat een hachelijke onderneming. We hadden het over Elias Canetti, die daar in Macht en Massa gevat over schrijft:
“’Een slecht boek’, zegt iemand, of ‘een slecht portret’, en hij neemt een air aan alsof hij iets ter zake kundigs zegt. In ieder geval verraadt zijn gezicht daarbij dat hij het graag zegt. Want de vorm van de uitlating is bedrieglijk, en ze gaat zeer spoedig in een persoonlijke over. ‘Een slecht dichter’ of ‘een slecht schilder’ wordt al gauw gezegd, en het klinkt alsof men zegt ‘een slecht mens’. Overal heeft men de gelegenheid bekenden, onbekenden en zichzelf bij dit proces van veroordelen te betrappen. Het plezier in negatieve beoordeling is altijd onmiskenbaar. Het is een hard en wreed plezier, dat zich door niets laat afschrikken.”
Ik denk dat ik nog veel van Kafka zou kunnen leren, zei ik. (Onze gesprekken verliepen vaak associatief. Elias Canetti heeft namelijk in Het andere proces over de brieven van Franz Kafka aan Felice Bauer geschreven.) Maar ik durf hem nu niet te lezen, ging ik verder, zeker zijn dagboeken en brieven niet. Veel te gevaarlijk. Waarom niet, vroeg Paul. Omdat hij me te zeer zou beïnvloeden. Je weet toch hoe ik ben? Daar moet je niet bang voor zijn, zei hij. Dat is bijgeloof. Je hebt je eigen stem.

Dominique was net terug uit Moskou. Daar was het pas koud, -45 graden. Hij heeft op straat mensen gezien van wie de neus afgevroren was. Dat kan niet, zei ik. Toch wel, zei Dominique. In Moskou is dat niet zo uitzonderlijk. Eerlijk gezegd kreeg ik het koud van naar hem te luisteren en ging daarom bij Greta nog een glas bier bestellen. Een van de voordelen van het Pannenhuis was dat je daar pas je rekening moest betalen als je er geld voor had. Meestal deed ik dat meteen nadat ik mijn uitkering getrokken had. Een dag of zo later was het daarvoor alweer te laat.

francis bacon 2

Ondanks zijn verlegenheid en zijn afkeer van vernissages is Giuseppe ook even komen kijken. Veel drukte om niets, leek hij te denken, maar als hij dat al deed zei hij er alvast niets over. Wel over Francis Bacon. Ik had hem een paar dagen tevoren voorbereidend werk voor een stuk over die schilder laten lezen. Dat heb ik geschreven toen ik nog in Sint-Joost woonde, in een periode dat ik ongeveer twee, drie uur per nacht sliep. Overdag werkte ik in een boekwinkel. Je stond op het punt waanzinnig te worden, denk ik, zei Giuseppe. Dat is zo, wat een paranoia was dat, zei ik. Daarom heb ik je die dingen laten lezen. Zo zie je dat wat ik nu schrijf lang zo gek niet meer is. Ik noem het studies voor een portret van Francis Bacon. Eigenlijk ging het tegelijk over de filosoof Francis Bacon. De Lord Chancellor, aan wie door sommigen het werk van Shakespeare wordt toegeschreven, vroeg Giuseppe. Precies, zei ik. Weet je hoe hij aan zijn eind kwam? Hij liep een longontsteking op toen hij een bevroren kip aan het bestuderen was. Kennelijk hadden nogal wat bacteriën het invriezen overleefd. Giuseppe lachte. Gooi dat voorbereidend werk van je maar in de vuilbak, zodat geen mens het te zien krijgt, zei hij. Ik kan niets weggooien, helemaal niets, zei ik. En zeker niet mijn beschrijving van de Stront-Man van Onan op het Drieluik van 1973. Het is allemaal even overdreven, vergezocht, nodeloos ingewikkeld en vooral bombastisch. Daar heb je gelijk in. Ik had slaap nodig, rust, rust, rust. Ik las wel enkel schitterende vondsten, zei Giuseppe. Ik herinner mij er nu twee, vervolgde hij: “De onschuldige grijns van Calabazas”, en “Een zevental schakeringen van amarant”. Haal de evenwichtige en bruikbare zinnen of paragrafen eruit en gooi de rest weg, zei Giuseppe. Nee, wie weet dat ik er later nog iets mee kan doen, zei ik. Later, later, er is alleen maar nu, zei hij, en met die woorden muisde hij er tussenuit. Er tussenuit muizen, dacht ik, dat moet ik onthouden.

Met Renée Strubbe had ik het over Proust lezen. Wat een ernstige gesprekken op zo’n feest, stel ik nu vast. Ik vertelde haar dat ik mij van de vroege ochtend tot de late avond niet meer inlaat met literatuur. Het zijn niets dan leugens, zei ik. Je overdrijft, Martin, zei Renée. Ja, dat komt door de drank, zei ik. Zodra de avond valt, ging ik verder, laat ik mij de letterkundige leugens weer welgevallen. Zeker als ik Proust lees voel ik nog een zeker welbehagen. Maar het gebeurt wel eens dat ik ’s avonds te uitgeput ben om nog te lezen. Dan leest Senga voor en dat doet ze zo goed. Vandaar dat welbehagen, zei Renée. Senga heeft een mooie stem, zei ze. Mijn nachtvoorlezeres, zei ik. Ik begin hoe langer hoe meer te geloven dat het lot onherroepelijk is, zei Renée. Enkele jaren geleden had ik me onmogelijk kunnen indenken dat ik ooit fatalist zou worden, nu vraag ik me af of ik dat al niet een hele tijd ben. Ik leg me neer bij de onvermijdelijke gang van zaken in de wereld, zei ze. Terwijl ze die woorden uitsprak lachte ze alsof ze iets heel grappigs vertelde. Je moet je daar tegen verzetten, zei ik. We zijn vrije mensen, en zelfs als we het niet zijn moeten we doen alsof we het zijn. Dat is listig, zegt Renée. Misschien wel, zei ik. Kom laten we nog iets bestellen.

wout vercammen 04

Toen het termenfeestje in het Pannenhuis op zijn einde liep zijn Senga en ik met Leo Steculorum en Wout Vercammen kip met frieten gaan eten in het Kiekenkot. Het was mijn eerste kennismaking met Wout. We waren allemaal dronken maar ik was nog helder genoeg om vast te kunnen stellen hoe negatief en verbitterd hij was. Niets of niemand vond genade in zijn ogen. Hij leek mij de verpersoonlijking van het absolute nihilisme. Zijn woordenstroom, een aaneenschakeling van vervloekingen en verwensingen, liep echter over een bedding van gevoeligheid en kwetsbaarheid. Je ziet die bodem in zijn blik, ook als hij opeens iets vrolijks zegt, of diergeluiden maakt. Gaandeweg heb ik Wout leren kennen als een heel lieve man. Het is mede dank zij hem dat ik samen met Max Borka een programma ben gaan maken bij Radio Centraal, nu zevenendertig jaar geleden.

1980leoflortequila

Afbeeldingen: Francis Bacon, Triptych May-June 1973; Francis Bacon alias Baco van Verulam; Wout Vercammen; Leo Steculorum en Flora Van Tendeloo circa 1980.

 

NACHTEN AAN DE KANT 14: HUISELIJKE TAFERELEN

 

Robert_Falcon_Scott_in_the_Cape_Evans_hut,_October_1911

4 januari 1979. Senga en ik zijn allebei ziek en we zitten op droog zaad. Met mij gaat het al wat beter, Senga heeft hoge koorts. Geen geld voor dokter, geneesmiddelen of drank. Bovendien is het bitter koud. Ik voel me een beetje zoals de poolreiziger Robert Falcon Scott als hij zijn allerlaatste boodschap neerschrijft. Het is echter niet de vorst die ons ziek maakt. Mijn ziekte is alvast ouder en verbetener dan de kou.
Nu er sneeuw op de daken ligt schitteren de meeuwen als witte balletdansers in een lichtgrijs decor. Of zijn het ijsschaatsers die vleugels hebben gekregen? Wat ze uitdrukken is schaarste. Uit de scherpe lijnen die de vogels trekken kun je afleiden hoe koud de lucht is. Je voelt in je eigen ledematen dat hun bloed net niet bevriest. De mensen op straat zien er veel kleiner uit dan op warmere dagen. Dik zien ze er ook uit. Magere mensen blijven in de winter liever binnen. Dan ben ik wel een uitzondering op die regel: ik ben mager en kom graag buiten als het koud is, vooral ‘s nachts. Gisteren woog ik vijfenvijftig kilo. De zon overspoelt mijn kamer met sneeuwwit licht. Buiten is het zeker tien graden onder nul. De kou bevalt mij. Een ondergesneeuwde straat. Een toegevroren kanaal. Met dikke lagen sneeuw bedekte sparren in een wit landschap. Voetsporen in de sneeuw stemmen me nog altijd droef te moede (een oude uitdrukking, maar ik vind ze hier wel gepast). En dan heb ik het nog niet over het verkeer. In naam van snelheid en efficiëntie verkiezen stedelingen grijze, modderige pap boven blanke sneeuw. Sneeuw en ijs zijn gevaarlijk, en dat moet vermeden worden. Terwijl de vuile gezouten smurrie mij pas echt gevaarlijk lijkt. Onheil voor mens en dier en plant.
Wegens de bijtende kou en de verkeersmoeilijkheden moesten we de vorige dagen niet gaan stempelen. We mochten de hele dag thuis blijven, zogezegd zitten nietsdoen. Dat we geen reet uitvoeren, daar zijn onze hardwerkende medemensen van overtuigd. Werkloos tuig, dat zijn wij. Ik geef toe dat ik dit keer niet veel gedaan heb. Mijn werkkamer op orde gebracht, wat naar de radio geluisterd (nieuwe plaat van Elvis Costello), de krant en Humo gelezen en gewacht. En nu heb ik toch al deze regels geschreven. Soms vraagt een mens zich af waar hij de energie vandaan blijft halen.

7 januari 1979. Vrijdagavond stond mijn moeder hier zomaar opeens voor de deur. Een telegram van ons had haar ongerust gemaakt, ze was onmiddellijk naar hier gekomen. Senga had op dat ogenblik erg hoge koorts (39,5), buiten was het ijzig koud (-16°), ik was hypernerveus. Het bezoek van mama maakte mij er niet rustiger op. Zij was zelf nogal in de war, onderbrak me voortdurend en begon dan over iets helemaal anders. Met als gevolg misverstanden en soms harde woorden. Van beide kanten een gebrek aan begrip. Mama verwijt me dat ik ondankbaar en gevoelloos ben, wat ik dan weer ongegrond en onrechtvaardig vind. Toch is het mogelijk dat ik hard en koel overkom, waardoor zij de indruk krijgt dat haar aanwezigheid me onverschillig laat of zelfs ergert.
Terwijl we elkaar zo verkeerd zitten te verstaan en Senga boven ligt te ijlen krijgen we eerst bezoek van Guillaume, die goddank maar even blijft. Het gebeurt maar zelden dat ik de Heer dank, en in dit geval doet het me zelfs pijn omdat ik mij in normale omstandigheden zo verheug op Guillaume zijn visites. Mama herkent Guillaume nog van die keer dat we scrabble zaten te spelen. Tegen hem is ze hartelijk. Zou ze in hem een betere zoon zien dan in mij? Daarna is het de beurt aan Anton, die ik sowieso verwachtte. Maar ik ben niet in staat hem met warmte en andere tekenen van vriendschap te bejegenen. Door al die drukte krijgt mama helemaal het gevoel dat ze een ongewenste gast is. En ze komt dan nog speciaal helemaal uit Limburg omdat ze dacht dat ik ernstig ziek was, terwijl nu blijkt dat Senga het zorgenkind is. Waarom ook hebben wij in onze telegram geschreven dat ik de grote zieke was?

Hoe kan ik mama aan het verstand brengen dat ze hier welkom is en dat we haar graag zien? Moet ik omdat zij er is mijn vrienden de deur wijzen? Iedereen is hier even welkom, familie of geen familie. En misschien is het wel waar dat ik de voorkeur geef aan vrienden, boven familieleden, en zelfs boven mijn ouders.

Mama blijft slapen. Tot één uur ’s nachts zitten we in de bruine fauteuils van de huisbaas te praten en elkaar te onderbreken. Ik laat mama zoveel mogelijk aan het woord en als ze mij iets verwijt, wat bijna de hele tijd het geval is, probeer ik mij te verdedigen. Dan begint ze meteen over een ander onderwerp om me daarover ook al verwijten naar het hoofd te slingeren. Het komt erop neer dat ik te veel geld uitgeef aan drank, dat ik te vaak op café ga, dat het hier de zoete inval is, dat mijn ‘kameraden’ van ons profiteren. Als ik dan bijvoorbeeld antwoord dat ik op café heel dikwijls getrakteerd word door mijn vrienden zegt mama dat ik een uitzuiper ben. Het is ook nooit goed. Nog een geluk dat ze mij geen uitvreter noemt, zoals dat personage van Nescio, de kerel die “je sigaren oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen opdroeg en een jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest.” [1] Voor ik ga slapen moet ik de waterleiding nakijken en de kranen toedraaien. In de kelder is het berekoud. Heel even krijg ik het gevoel dat ik in mijn eigen ijzige afgrond afdaal. Maar al gauw lig ik lekker in het warme bed naast mijn koortsige geliefde.

Zaterdagmiddag vertrekt mama. Bij het afscheid klaagt ze dat ze zo ongelukkig is en dat ze met haar eigen ogen kan zien hoe onberoerd mij dat laat en dat Senga zo ziek is laat mij ook al onverschillig en dat ze zo graag tot zondag zou blijven maar dat zij wel doorheeft dat ze hier bij ons, bij mij dus, in de weg loopt. Hoezo dan? Omdat ik, zegt zij, toen Anton gisteren voor hij vertrok liet verstaan dat hij vanavond zou terugkomen, had moeten antwoorden dat dat niet kon, omdat mama nog hier zou zijn. Ondanks die kritiek geeft ze mij toch wat geld voor de dokter. Zodra mama weg is wil ik meteen de huisarts opbellen. Geen sprake van, zegt Senga. We kunnen dat geld wel voor iets beters gebruiken. Toch heeft ze nog altijd hoge koorts.

Capaneus the Blasphemer

001 writing

Om twee uur zou Giuseppe langskomen om het schilderij Capaneus the Blasphemer van William Blake te analyseren. “O Capaneus, in het feit dat uw hovaardigheid niet wordt getemperd, ligt uw zwaarste straf: geen marteling zou beter bij u passen dan juist deze woede van u!” [2] Maar Giuseppe is niet komen opdagen. Zodoende had ik wat meer tijd om voor Leo Steculorum vier lijsten met reeksen termen over te typen. Hij stelt die vanaf volgende vrijdag tentoon in het Pannenhuis. Eén lijst waarop alle termen, één lijst waarop tijdsgebonden begrippen, één lijst waarop ruimtegebonden begrippen, één lijst waarop termen met betrekking tot maten. Leo kan zelf niet snel genoeg typen om die vier pagina’s op een week af te krijgen. Beschouw dit maar als een vriendendienst.

Zaterdagavond komt Anton me oppikken om de stad in te gaan. Hij stelt Sally, zijn nieuwe vriendin, aan ons voor. Met enige tegenzin en nogal wat schuldgevoelens, zowel jegens mama, wat nu geen enkele zin meer heeft, als jegens Senga, trek ik de deur achter me dicht. Senga zei dat ze het niet erg vond. Je bent in goed gezelschap, zei ze. Met Anton erbij zal je niets ergs overkomen. Dat weet ik nog zo niet. Bij Anton voel ik me nooit honderd procent oké. Hoewel ik toegeef dat we niet over alles wat in ons omgaat moeten praten, vind ik het toch knap lastig helemaal niets te weten over elkaars gevoelens. Soms gedraagt Anton zich toch zo geheimzinnig. Het probleem is evenwel dat ik me heel goed in hem kan vergissen. Mogelijk heeft hij de beste bedoelingen. Dat hele gedoe met mijn moeder spookte ook nog in mijn hoofd. In Cinderella’s Ballroom ben ik bijna meteen gaan dansen. Maryse draaide als altijd weer geweldige plaatjes, zelfs iets van Elvis Presley, die oude god. Anton en Sally heb ik niet meer gezien. Al dansend heb ik wat nog overbleef van dat grieperige gevoel uitgezweet. Ik voelde me al net zo sterk als die verdoemde Capaneus. Forget your sickness and dance! Forget your weakness and dance! zingt Bob Marley in Them Belly Full (But We Hungry), en dat blijkt een goede raad te zijn. Vorig jaar tijdens het concert van Robert Gordon en Link Wray heb ik dat ook al eens ondervonden.

Als Cinderella’s Ballroom de deuren sluit is er nog altijd de Gnoe. Daar zitten Guillaume Bijl en Luc Van Tendeloo, een warmhartige vriend van me en net als ik een filmminnaar, aan een tafeltje. Theo de paranoïde psycholoog, een man die ik onlangs wat beter heb leren kennen, staat aan de toog.
Hoe kun je met zo’n fils à papa optrekken, vraagt Guillaume. Hij doelt op Anton. Hij had ons van op een afstand in Cinderella’s Ballroom gezien. En Anton en ik zijn een tijdje geleden een keer samen bij hem thuis geweest. Ik weet het niet, zeg ik. Dingen gebeuren. Ik wil Anton verdedigen. Dat de zonen niet altijd hetzelfde zijn als de vaders en zo. Maar mijn pleidooi zal niet heel vurig zijn geweest ·want binnen de kortste keren liggen Guillaume en Luc met hun hoofd op tafel te snurken. Theo, die me psychologische bijstand had kunnen geven, valt nergens meer te bespeuren. Rudi, wil je een taxi opbellen? Ik moet mijn vrienden veilig thuisbrengen. Zo doe ik nog eens iets goeds. De taxichauffeur lijkt sterk op John Cazale in Dog Day Afternoon. Eerst naar de Sint-Jorispoort, mijnheer, dan naar de Lange Leemstraat en ik woon in de Dolfijnstraat. In de Lange Leemstraat kost het me heel wat moeite om Guillaume wakker te krijgen. Zelfs een zware regenbui kan hem niet deren, geloof ik. Maar kijk, nu is hij dan toch wakker.

[1] Nescio, De uitvreter
[2] Dante, De goddelijke komedie, Inferno, Canto XIV

john cazale 2

Afbeeldingen: Robert Falcon Scott; Capaneus the Blasphemer van William Blake; een vriendendienst van Martin Pulaski; John Cazale in Dog Day Afternoon.

NACHTEN AAN DE KANT 13: VAN GROOT ONGENOEGEN EN GELUK

jos-matti1 (2)

6 augustus 1978. Vrijdagavond ging ik bij Giuseppe aanbellen. Er brandde licht maar voor de rest geen teken van leven. Opeens werd ik bang. Er was toch niets ergs gebeurd, met Giuseppe weet je maar nooit. Wat kon ik doen? Ik ben dan maar het hele eind tot bij Job gelopen. Het zal wel niets ergs zijn, zei hij, maar laten we toch nog maar eens gaan kijken. Giuseppe bleek nogal diep geslapen te hebben, nu was hij wakker. Job was moe en is naar huis teruggekeerd.
Hoe konden wij van deze avond nog iets maken? Naar de bioscoop? We waren nog net op tijd voor The Last Waltz, de film van Martin Scorsese over het afscheidsconcert van the Band, met onder meer Bob Dylan, the Staple Singers, Muddy Waters en Ronnie Hawkins. De eerste geslaagde film over rock-‘n-roll, vonden we. Neil Young heeft iets van een vampier en brengt een nagenoeg perfecte versie van Helpless. Van Morrison, klein van gestalte maar één brok dynamiet die elk ogenblik kan ontploffen. Wat deed Neil Diamond in deze film, Giuseppe? Daar vraag je mij iets, Martin.

last waltz

Na The Last Waltz liepen we naar ’t Groot Ongenoegen, waar we rustig hebben zitten praten zonder dit keer al te veel te drinken. Giuseppe vindt mijn proza lang niet toegankelijk genoeg. Over een experimentele tekst als Stasis is hij niet te spreken. De titel alleen al… Wat betekent dat eigenlijk, Stasis. Het tegengestelde van Anastasis, zeg ik voor de grap. Stilstand, alles zit vast, je kunt niet vooruit en niet achteruit, voeg ik eraan toe. Flauwekul, Martin, je moet eenvoudiger gaan schrijven, man. Hoe vaak moet ik dat nog herhalen? Waarom luister je niet naar de raad van je beste vriend? Je bent toch een bewonderaar van Walt Whitman? Deze verzen uit The Sleepers vind ik heel mooi:
I go from bedside to bedside, I sleep close with the other sleepers each in turn,
I dream in my dream all the dreams of the other dreamers,
And I become the other dreamers.”
Heel mooi, Giuseppe, maar dat was in de negentiende eeuw. De wereld was toen nog niet zo ingewikkeld. En ik denk dat Whitman een evenwichtig man was. Hoe kan ik zo eenvoudig gaan schrijven, Giuseppe? Ik ben geen eenvoudig man. Ik ben een complex iemand. Mijn bestaan is problematisch en ronduit chaotisch, ook al leef ik een schijnbaar geordend bestaan. In mijn hoofd is het een gevecht van jewelste tussen dagdromen, verlangens, twijfels, angsten, noem maar op. Moet ik die chaos dan niet aanvaarden? Moet die geen uitdrukking vinden in wat ik schrijf? Giuseppe, ik besef dat mijn werk moeilijk te doorgronden valt, maar ik kan niet anders. Als maar weinigen het snappen is dat jammer. Natuurlijk zou ik wel een publiek willen bereiken, maar niet tegen elke prijs. Niet door mezelf te verraden. Ik wil mijn eigenheid niet opgeven – ook al is die niet vast omlijnd – om op die manier in de smaak te vallen bij een groter publiek en bij uitgeverijen. Bijgevolg schrijf ik voorlopig voor mijn vrienden, nee, voor al degenen die een inspanning willen doen om tot de kern van wat ik wil zeggen door te dringen. Zolang ik dat kan volhouden. Wie van mij schone letteren verwacht zal geduld moeten oefenen. Je loopt nog eens met je hoofd tegen de muur, Martin, zegt Giuseppe. Er zijn best wel wat hedendaagse auteurs die net zo goed in jouw complexe wereld leven en toch heldere verhalen schrijven. Ik denk nu aan Patrizio Canaponi. Maar er zijn er nog. Je weet hoe verknocht ik ben aan Jan Arends. Als dat niet eenvoudig is. Ik houd niet / van bloemen. // Ik heb nooit / een korrel aarde / bezeten. // Ik wortel niet / in de grond. // Mijn bestaan / is ontkend. // Hoe moet ik dan / van bloemen houden? Daar heb je gelijk in, zeg ik. En dan valt er een lange stilte.

2018-04-11-aurora 018

Later staan we in een hoek van Cinderella’s Ballroom recht onder een grote luidspreker en daar proberen we over onze lievelingsfilms te praten. We moeten in elkaars oor schreeuwen om iets te begrijpen. Jacques Rivette. Miklós Jancsó’s Rode Psalm. Repulsion. Sisters van Brian De Palma. She is watching the detectives / When they shoot, shoot, shoot, shoot /  They beat him up until the teardrops start / But he can’t be wounded ‘cause he’s got no heart. Johnny Guitar. Ja, geweldig, met Joan Crawford. When you boil it all down, what does a man really need? Just a smoke and a cup of coffee.. Sterling Hayden. Wat een sexy meisje daar! War amongs’ the rebels / Madness, madness, war. Hé, Linton Kwesi Johnson. Nee, ik dans niet. Napoléon van Abel Gance. Vampyr. De eerste vampierfilm. De vuisten in de zakken. Van wie? Marco Bellocchio. Le Père Noël à les yeux bleus. Jean Eustache. Wat mis ik het Filmmuseum, Giuseppe. Right outside the Rainbow / Inside James Brown was screamin soul / Outside the rebels were freezin’ cold / Babylonian tyrants descended / Bounced on the brothers who were bold. Luister, een Walt Whitman van vandaag, Giuseppe. Linton Kwesi Johnson. Im Lauf der Zeit zag ik pas op televisie. Meesterwerk. Ik kan niet nadenken met die dub. Laten we ergens anders gaan. Mouchette. Les enfants du paradis. Nee, het is te laat. Tijd voor bed. Naar die Garance van mij.

fists_in_pocket_1965_7

Omdat de zon al op is ga ik nog even in ons tuintje naar de bloemen kijken. Voor een keer dat ik niet dronken ben. De calendula’s ontluiken, de reukerwten ook; de korenbloemen zijn haast uitgebloeid; de zonnebloemen, de azalea’s en de asters laten op zich wachten. Als ik daar zo sta te kijken overvalt mij weer zo’n ongewoon en zeldzaam intens gevoel. Het is de zon. Ik kijk omhoog. Daar is de hemel die ons allemaal met elkaar verbindt. And I become the other dreamers. De lucht blauwer dan ooit. Delicaat licht blauw. Opeens zie ik de bloemen zoals ze werkelijk zijn, hun diepe, felle en toch ook zachte kleuren, hun wonderlijke vormen; gedichten van de aarde voor de hemel en de zon. Senga is inmiddels naar buiten gekomen en omhelst me nu. We kussen elkaar, ik ben gelukkig.

Afbeeldingen: Giuseppe (Jos D.) omstreeks 1982; The Band in The Last Waltz; Aurora, tijdschrift van de filosofische kring Aurora; I pugni in tasci van Marco Bellocchio.

NACHTEN AAN DE KANT (10): BLOED

marc+ik-1974

Eind januari 1978. Marc Didden staat onaangekondigd voor de deur, wat niet ongewoon was: bijna niemand van ons had in die tijd telefoon. Toch was ik verrast, vooral omdat we elkaar al lange tijd niet meer hadden gezien. Ooit waren we de beste vrienden: we zaten middagen lang over muziek te praten en jasmijnthee te drinken, gingen samen naar concerten in Théâtre 140 en Vorst Nationaal, zongen liedjes van the Kinks, the Rolling Stones en Creedence Clearwater Revival wandelend in het Zoniënwoud. Nu staat Marc, ondertussen een gerespecteerd popjournalist, in mijn werkkamer met uitzicht op de winterse Zurenborgse tuintjes, nog wit van de nachtelijke vorst. Mooie kamer heb je hier, zegt hij. En waar ben je zoal mee bezig? Ik blijf het antwoord schuldig. Wat ik doe kan ik moeilijk in woorden vatten. Het is allemaal één lang onderzoek, één lang experiment, één lange droom van proza en poëzie. Met cesuren van dansen en alcohol, met uppers voor de concentratie en downers om te kunnen slapen. Hoe leg ik dat uit aan mijn oude vriend? Dit ontregelend werken op weg naar een uitweg uit het labyrint? De mythe van Theseus en Ariadne? Nee, dat is te hoogdravend. Te weinig Bo Diddley en Chubby Checker, te weinig Keep On Chooglin’.
Later zitten we op de begane grond in de immense, betegelde keuken die tegelijk ook living en dansvloer is. Deze ruimte is niet onderkelderd: je mag er met je voeten stampen en springen, dat maakt allemaal niet uit. Uit de luidsprekers Mink DeVille’s eerste langspeelplaat, Cabretta. De muziek van Willy DeVille en zijn band is zowel verleden als toekomst. Het is geen punk, het is geen new wave, maar het is zeker niet het gnoomachtig gepriegel van bands als Yes en Emerson, Lake & Palmer. Mink DeVille is rock-‘n’-roll van nu, soul van nu, rhythm and blues van nu. Hoor je die sound, Marc, dat is het werk van de onovertroffen Jack Nitzsche. Marc kent Jack Nitzsche nog van weleer, van de Phil Spector sound, van Crazy Horse. Hij was de man achter het betoverend mooie arrangement van Neil Young’s Expecting To Fly, terug te vinden op Buffalo Springfield Again. We praten over Talking Heads, Blondie, Sex Pistols, the Clash, wat we als hoopgevende ontwikkelingen in de popmuziek beschouwen. Ken je the Stranglers, vraag ik hem. Nee, zet eens op, zegt hij. Met songs als Hanging Around, Peaches en (Get A) Grip (On Yourself) vond ik Rattus Norvegicus toen geweldig. Sindsdien is mijn liefde voor dat album bekoeld. Ondertussen drinken Marc en ik Southern Comfort. Marc heeft me op een keer in een van de vele flatjes waar hij kortstondig verbleef van die zoete drank uit Louisiana laten proeven: ik was meteen verkocht. Wat hebben we toch veel van elkaar geleerd, het meeste toen we nog studenten waren aan de filmschool. Je hebt niet echt veel tijd nodig om je leven te veranderen, in goede of in slechte richting.

mink deville 2

Een dag later heb ik met mijn moeder Scrabble gespeeld. Ik ben nog gauw een spel gaan kopen in de boekwinkel op de Dageraadplaats. Terwijl we daar geconcentreerd zaten te spelen, de van Dale bij de hand, stonden Guillaume en Renée opeens in de kamer. Senga, die niet graag speelt, had hen binnengelaten. Als Guillaume er is lijkt de reusachtige ruimte minder groot. Hij heeft présence, zal ik maar zeggen. Guillaume is haast meteen familiair met mijn moeder. Moeders laten hem niet onberoerd. Hij is niet zo’n wereldvreemde kunstenaar, iemand die zich superieur voelt aan gewone mensen. Hij is zelf een gewone mens en tegelijk ook heel ongewoon. Hij neemt de mensen zoals ze zijn en behandelt iedereen gelijk. Zo werd het stilaan donker.

Als ik worstel met mijn ideeën en denkbeelden, als ik mijn gedachten niet goed uitgedrukt krijg, zie ik soms plotsklaps Maldoror, het personage uit Lautréamont’s De zangen van Maldoror, voor me. Om middernacht duikt ergens in Parijs, aan de Bastille of de Madeleine, opeens een omnibus op. Het lijkt alsof hij van onder de grond tevoorschijn komt. Er zitten mensen bovenop met onbeweeglijke ogen als dode vissen. De omnibus, die zich haast om de eindhalte te bereiken, verslindt de afstand en ratelt over keien. Hij snelt voort. Maar hardnekkig achtervolgt hem een vormloze massa, te midden van wolken stof. Ik houd zo van die tekst, van zijn ritme, zijn beweging. Soms maakt hij me woedend, want staat hij daar niet te schitteren als wat? Als een perfecte metafoor van mijn, van onze machteloosheid? Die van ons allen hier aanwezig, wij die met onze bijna dode vissenogen door het lot worden meegesleept.

Een week later zitten we in de Lange Leemstraat in het appartement van Renée en Guillaume te praten en te drinken, één oog op de televisie gericht, soms twee ogen. Of acht. Sommigen noemen het de treurbuis, maar voor ons, Senga en mij, is het een magische doos: wij zullen ons pas in 1984, het jaar van Big Brother een toestel aanschaffen. Ook vanavond projecteert Guillaume weer enkele van zijn home movies. Na die goed gevulde en gemoedelijke avond wandel ik met Senga naar Cinderella’s Ballroom. Ik schrijf zoveel liever Cinderella’s Ballroom dan Cinderella, ook al moet ik er meer toetsen voor aanslaan en wordt zo de mogelijkheid groter om meer typefouten te maken. Om over de slijtage van het klavier van mijn laptop nog maar te zwijgen.

In Cinderella’s Ballroom tref ik opnieuw Marc, nu samen met zijn vriendin Denise. Hij bekijkt me nogal argwanend, vind ik. Wat doet hij hier? Waarom blijft hij niet in Brussel? Dit is toch ons territorium? Wij zijn die mensen met de bijna dode vissenogen. Ach, jongen toch, je wordt nu toch wel wat paranoïde. Dat zullen die pillen zijn. Rustig maar. We hebben allemaal van die ogen.
Een uur of zo later zie ik Luc Deleu een drankje bestellen. Dat is wel heel vreemd. Toen ik nog in Brussel woonde met mijn gezinnetje en filosofie studeerde was hij een goede vriend. Wat ziet hij er slecht uit. Vissenogen zo dood als een pier. Een schim van zijn vroegere zelf. Maar dat zal ook wel een vertekening zijn. Wat is er toch met me aan de hand? Te veel met mijn neus in moeilijke boeken gezeten en dan ook nog eens dat gezwoeg aan Stasis, die supermoeilijke tekst. Giuseppe blijft maar herhalen dat ik eenvoudiger moet schrijven. Met van die ingewikkelde teksten zal ik nooit succes hebben, zegt hij keer op keer. Je moet zo schrijven dat gewone mensen je ook kunnen lezen. Maar ik ga er tegen wil en dank mee door [1]. Luc Deleu is bij het leger. Dat verklaart veel over zijn uiterlijk. Waarom is hij geen gewetensbezwaarde? We moeten brullen om ons verstaanbaar te maken. De platen die Maryse draait brengen je in een roes maar maken verbale communicatie onmogelijk. Je komt hier niet om te praten. Bovendien lijkt het erop dat Luc en ik al vreemden voor elkaar zijn geworden. En waar zijn Marc en Denise nu? Al vertrokken, zegt Senga.

deborah harry by chris stein

Op de dansvloer breekt een gevecht uit. Senga en ik moeten ingrijpen. Een punk is een andere punk aan het wurgen. Ondanks de luide muziek hoor ik de fijne botjes in zijn strot al kraken. Ik ga naar de twee jongens toe en probeer de wurger weg te trekken. De andere punks, allemaal in zwart leer (ik in wit pak in Firenze in de lente van 1976 ‘gekregen’ van een New Yorkse advocaat), gaan even opzij staan [2]. Maar dat duurt niet lang. Oppassen nu, of ik krijg zelf klop. In een oogwenk zijn er wel tien punks slaags geraakt. Rip him to shreds. Ze slaan elkaar in het gezicht. Het bloed spat tegen de vuile muren. Het is zo erg dat Maryse zelfs de muziek afzet. Vijf seconden ongeveer, waarna het helse ballet opnieuw in beweging komt. De omnibus ratelt voort over de keien, achtervolgd door een vormloze massa die nu opeens geluid voortbrengt, ik hoor duidelijk twee woorden: NO FUTURE.

lautreamont

[1] Tot ongeveer 1984. Dan wordt het op literair gebied enkele jaren heel stil, maar dat is een andere geschiedenis.
[2] Punk is een geestesgesteldheid, meer dan een imago. Je hoeft geen uniform te dragen om toch punk te zijn. Punks zijn individualistisch, niet communistisch, geen massamensen. The New York Dolls waren punks zonder zich in leer te hullen. Er zijn heel wat voorbeelden, ik ga ze hier niet opsommen. Alleen Blondie nog even noemen.

Afbeeldingen: Met Marc Didden in Oostduinkerke, 1974; Mink DeVille; Deborah Harry door Chris Stein; Isidore Ducasse alias Comte de Lautréamont.

NACHTEN AAN DE KANT (8): ZONE

The Lost Weekend - Still #2

Op 1 januari van datzelfde jaar stond ik voor onze deur met een mondharmonica in mijn rechterhand. Dat was toch mijn huissleutel? Bezat ik magische krachten, wilde ik Sonny Boy Williamson – die tijdens het spelen zijn instrument min of meer inslikte – overtreffen? Een ding is zeker, ik raakte binnen en vond de weg naar mijn bed waar ik veel later met bevende handen wakker werd, een evenbeeld van Ray Milland in de film Lost Weekend. Melk, ik moest dringend melk drinken.

Na dat pijnlijke ontwaken herinnerde ik me nog maar weinig van mijn miserabele en wonderlijke eindejaarsnacht. Pas toen Senga mij over een paar voorvallen had verteld trok de mist wat op. Senga zei dat ik veel had gedanst en dat ik een voorkeur had gehad voor kleine meisjes. Ze bedoelde niet dat ik pedofiele neigingen had gehad, ze had het over de gestalte van de meisjes. Klein maar wel voldoende volwassen om tequila te mogen drinken. Ik had geen last gehad van mijn gebruikelijk schroom of terughoudendheid, zei ze. Voor Senga had ik maar weinig aandacht gehad, ging ze verder. Terwijl je er nochtans zo sexy uitzag, zei ik. Wat is dat met mij, dat ik zo’n mooie vrouw heb en me soms toch heel sterk aangetrokken voel tot andere meisjes? Tequila en peppillen werken die demonische begeerte dan ook nog eens in de hand.

Om middernacht of later vertrek ik naar de Zone. Als ik daar verblijf zie ik geen mensen meer, alleen schimmen in beweging, kleurenexplosies, lichtschakeringen. Ik hoor ritme, rumoer, lage tonen, gefluister dat als fluweel aanvoelt, gestamel. De contouren van een gezicht, handen die gesticuleren. Mijn blik gaat omlaag, ik zie witte enkels, rode laarsjes, dan gaat hij hoger, het oh yeah van de Junior Murvin tegemoet, tot aan de borsten, de hals, de kin van een meisje dicht bij me. Een seconde de blik in haar ogen. Fellere kleuren, veel wit. Altijd afstand tussen mij en het meisje. We komen elkaar niet nader. Een glimlach, misschien. En toch ook Eros die via de vloer aan de danspartner wordt doorgegeven, elektrische schokjes. Via klank dring je binnen in de andere. Je wordt er één mee.
Al na één glas tequila wordt mijn identiteit vloeibaar, etherisch. Ik ben niet langer mezelf maar wordt ook geen andere. Ik ben de Zone geworden. Dat geheel waar ik deel van uitmaak heeft evenmin een vaste vorm. Als iemand dan weggaat zie ik het niet. Mogelijk is het dat wat ik wil vermijden. Omdat ik niet verdraag dat iemand weggaat doe ik er veel voor om dat niet te zien.

zone tarkovsky 1

Waar waren we? Het was een party met veel tequila. Waar waren we geweest, wat hadden we gedaan? Terwijl ik van de melk dronk vertelde Senga me dat ze naar me toe was gekomen om me te zeggen dat ze naar huis wilde. Ze was moe, het was al na middernacht. Maar ik heb Senga toen niet gezien en niet gehoord. Blijf jij nog hier, vroeg ze. Ja, ik blijf nog, zei ik, vertelde Senga me. Ga jij maar naar huis, ik vind het niet erg, zei ik, aldus Senga. Senga was teleurgesteld, boos. Ze had dezelfde tequila gedronken als ik. Ik herinner me niets van haar woorden, van mijn woorden.
Opeens zie ik een scène weer voor me. Ik hoor Guillaume en Renée zeggen dat ze goed voor me zullen zorgen en me heelhuids thuis zullen brengen. Het komt allemaal in orde. De tequila party, ik herinner me nu veel reggae, is afgelopen. De vrienden zakken af naar de stad, de kant zeggen ze in Antwerpen. We waren niet weggegaan uit Zurenborg, herinner ik me nu. Al leek alles erop dat ik in een ander land was geweest. Jamaica? Haïti? Ja, de vrienden gaan weg. Ik wil mee, maar moet dringend plassen. Al die tequila, er komt maar geen eind aan. Iedereen zal nu wel weg zijn. Ik blijf alleen achter. Gelukkig heb ik een vriendin met mededogen: Renée heeft op me gewacht. We lopen samen over de Dageraadplaats, waar Senga zich achter een boompje heeft verscholen. Ze is dan toch niet haar huis gegaan. Ze staat me te bespioneren… Het duurt even voor ik haar in het oog krijg. Ze zal willen nagaan hoe trouw ik wel ben. Woedend loop ik naar haar toe. Midden op de Dageraadplaats maken we een scène. Zo’n ruzie tussen twee geliefden duurt wel wat: inmiddels zijn de vrienden vertrokken. Ga maar naar de Cereus, zegt Senga. Renée en Ria zitten daar. Ik geloof er geen woord van maar loop er toch naartoe. Daar, in ons stamcafé, bel ik alle taximaatschappijen op die Antwerpen rijk is. Niet een taxichauffeur is bereid om tot Zurenborg te komen. Het is oudejaarsnacht. Daar is Johnny Pappas. Ik vraag hem of hij niet meegaat naar de stad. Nee, dat wil hij niet. Hij gaat nooit meer naar de stad. Nooit ofte nooit meer, zegt hij. De kant, zegt Johnny Pappas. De duistere kant, dat zeggen ze er in Antwerpen niet bij. Johnny Pappas had eerder op de avond bij Guillaume en Renée thuis margarita’s voor ons gemixt, vertelt Senga me.
Als er geen taxi komt ga ik te voet, zeg ik. Ik loop door de Rolwagenstraat. In deze toestand zal ik niet ver komen, besef ik. En geen enkele taxi te zien. Ik ga in het midden van de straat lopen om een auto tegen te houden. Die zak rijdt gewoonweg door. Geen genade. Op het laatste moment spring ik opzij. Net niet omver gereden. Dat spel herhaal ik een drietal keer, tot er dan toch een taxi voor me stopt.

Get into the car
We’ll be the passenger
We’ll ride through the city tonight
See the city’s ripped backsides
We’ll see the bright and hollow sky
We’ll see the stars that shine so bright
The sky was made for us tonight

11 7b_edited3

Ik neem nog een flinke slok heerlijk koele melk en zucht eens diep. Je ziet er niet gezond uit, zegt Senga. Nee, dat geloof ik best, zeg ik, maar ik heb toch zin om lekker met je te vrijen. Ik voel me zo geil. Ik ook, zegt Senga, ik heb ook zin. Ik herinner me dat ik in de Wolstraat uit de taxi stap. De plaats waar ik moest zijn, maar dat dringt niet meteen tot me door. Ik loop een andere straat in en dan nog een en nog een. Onderweg haal ik mijn mondharmonica uit mijn jaszak en beeld me in dat ik Sonny Boy Williamson ben en ik Nine Below Zero kan spelen, niet beter dan hij maar ik kom in de buurt. Dan sta ik pal voor De Gnoe, het café dat ik zocht, toch? Guillaume omhelst me als eerste: hij is zo blij dat ik toch nog gekomen ben. Renée zit te slapen, haar blonde hoofd op een grote ronde tafel. Ria staat kringetjes te dansen.
Nu ben ik ook aan het dansen. Af en toe haal ik bier en praat dan even met de twee barmannen. De ene heet Rudi, zegt Rudi, de andere daar dat is Jan. Ik begrijp dat Rudi niet veel tijd heeft, het is druk in De Gnoe. Guillaume, die nu naast me aan de toog staat, gaat die twee grieten daar versieren zegt hij. Grieten, dat wordt in Antwerpen gezegd, het is niet denigrerend bedoeld geloof ik. In het begin dacht ik dat ze het over vis hadden.
Weer op de dansvloer met Ria. We proberen rock-‘n-‘roll te dansen, wat door mijn gebrek aan ervaring geen sinecure is. Vlot, dat wel, maar het probleem is dat ik in de ene richting draai en Ria in de andere. Wil jij niet liever leiden, Ria? Vanaf dan gaat het beter, gaat het zelfs goed: ondanks de drank, de vermoeidheid, het late uur dansen we als… dansers. Dat was goed hé, zegt Ria. Nu kan er dit jaar niets meer mis gaan, zeg ik. 1978, zegt Ria.

Ach, die bitterzoete kroegen vroeg in de ochtend, de toog, de tafels, de stoelen, de vloer, de mouwen van mijn jas nat van het bier. Mijn dwaze dronkenmanspraat. Zwijgen zou beter zijn. Er gewoon maar zijn. Vind je niet? Niets tegen je zeggen. Met wie sta ik te praten? Wie ben je ook alweer? Renée schrikt wakker. Zouden we niet eens naar huis gaan, zegt ze.
Met zijn vijven, Renée, Guillaume, Ludo Mich en Frieda – die boven de Unic aan de Dageraadplaats wonen – nemen we een taxi. Zul je je weg wel vinden vraagt Frieda als we uitstappen. Natuurlijk, de Dolfijnstraat is maar een boogscheut van hier, een worp met een dobbelsteen. In de Dolfijnstaat, daar zoek ik de dolfijnen op. In nog te schrijven woordenboeken. Morgen, overmorgen, als de tijd gekomen is. Als Ludo en Frieda de deur achter zich toetrekken haal ik mijn mondharmonica uit mijn jaszak. Natte mouw verdomme. Een solsleutel. Daar is de zon. Gedaan met de nacht.

sonny boy williamson

Afbeeldingen: Ray Milland in The Lost Weekend van Billy Wilder; Stalker van Andrej Tarkovski; Senga in 1977; Sonny Boy Williamson.

Titel: ik heb de titel gewijzigd omdat deze verhalen niet alleen maar over café Het Pannenhuis gaan, wat aanvankelijk wel de bedoeling was. En het blijft mijn intentie om over de mensen die ik daar ontmoette te schrijven. Dat ga ik zeker doen, ze verdienen dat. Maar wat daaraan voorafging had meer aandacht nodig dan ik dacht. Zodoende.

The Passenger is een song van Iggy Pop en Ricky Gardiner uit de elpee Lust For Life, verschenen in 1977.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS 7: ROUND MIDNIGHT

the who 1

Zonder Senga naar de bioscoop dan maar, ‘In Kluis’ van Jan Gruyaert. Uitzonderlijk toch eens een Vlaamse film die me bevalt, al mag je mij gerust een bewonderaar van de Vlaamse Filmkens van John Flanders / Jean Ray noemen, maar dat is une autre paire de manches.
Als ik weer op straat sta is het al laat, en ik ben alleen. Zeker, ik voel weer de lokroep van de oude stad tjokvol leven en licht en mensen in beweging en overal muziek en feest. Mijn hart gaat sneller kloppen, in mijn hoofd een oude melodie en deze woorden:
The kids are hip and they can dance all night
In the city all the girls are pretty and they go:
“Come along
Into the city”…
Maar wat zoek ik daar echt? Moet ik morgen dan niet fris zijn, moet ik naarstig doorwerken aan mijn verhaal? Doen wat moet worden gedaan? Ik weet het niet… Er moet iets zijn in deze stad, in alle grote steden. (Iets dat even onbenoembaar is als de ervaring die ik een maand of zo later had toen ik vanuit de trein van Hasselt naar Antwerpen de kerktoren van Tienen zag.)
Maar kijk, hier ben ik al waar ik zijn moet en voor de laatste tram naar huis is het te laat. Even binnenstappen in het Pannenhuis, daar zit altijd wel iemand die ik ken. Vanavond niet, er is niemand. Alleen Toulouse en Greta, die er moe uitzien en duidelijk geen zin hebben in een babbel. In de Kroeg evenmin iemand. In de Gnoe zit Ariane met wat vrienden. Wat hebben die cafés toch stuk voor stuk idiote namen. Pannenhuis, Gnoe, Kroeg, jongens toch, een beetje verbeeldingskracht asjeblieft. Waar is Giusseppe? Ariane weet het niet. In de Cintrik, nog zoiets, wat betekent dat nu weer, staan wel wat mensen die ik ken maar wat heb ik ze te vertellen? Waarover kunnen we praten? Werkloosheid, het weer? Tim, Clara, Richard. Nee, liever niet. Je hebt zo van die dagen dat je denkt op zoek te gaan naar gezelschap – menselijke warmte! – maar dat het je om één vriend is te doen. Dat overkomt me wel vaker. Mogelijk rest me maar één echte vriend en kunnen alle anderen me gestolen worden. Een vriend met wie ik mijn getroebleerde wereld kan delen. Terug naar de Gnoe dan maar en daar is hij dan toch, Giuseppe. Maar is hij het wel? Wat ziet hij er vreemd uit. Hij heeft een zonnebril op, molenwiekt met zijn armen op de manier van Pete Towshend als die gitaar speelt. Zijn hele houding heeft iets dreigends. Ik ben ziek, zegt hij. Mijn oog is ontstoken, wil je het zien? Inderdaad, zijn linkeroog zit vol groene etter. Giusseppe heeft me iets belangrijks mee te delen. Maar niet hier, zegt hij, hier in de Gnoe zitten te veel opdringerige mensen, zoals die Ariane. Naar het Pannenhuis dan maar, de witte oase. Wat loopt hij op een gekke manier, iets aan zijn voetzolen misschien? (Later zou het me in de film Round Midnight van Bertrand Tavernier opvallen dat Dexter Gordon op bijna dezelfde manier loopt.)

dexter gordon - francis wolff

Het eerste wat ik als we het Pannenhuis binnenstappen hoor is de donker-erotische stem van Nico:
It was a pleasure then / To see the dying days again / In horror of the nights / Never never never / Never be too bright.
Op zijn vaste plaats aan de toog staat Guillaume: ik wil hem groeten. Maar Giusseppe rukt me aan mijn mouw. Nee, roept hij, IK KAN DIE VENT NIET UITSTAAN. Omdat ik me schaam voor de vijandigheid van mijn vriend loop ik dan maar vlug door naar achter in het café. Daar zit Renée Strubbe te praten met een vriendin. Ik gedraag me zo onopvallend mogelijk. Maar hoe kan ik me in dit helder verlichte café verbergen? Ik begin te vermoeden dat Giusseppe op zoek is naar zijn geliefde Hilde en haar niet kan vinden. Dat maakt hem zo woest. Ariane interesseert hem niet. Hij heeft een afkeer van die vrouw, roept hij. En aan mij heeft hij nu niets. Wat wilde hij me dan vertellen? Nu loopt hij op en af in het Pannenhuis, een opgewonden maniak. Af en toe haalt hij een van zijn mondharmonica’s uit zijn jaszak en blaast er iets woedends in. Ik vermoed dat hij nogal stoned is, de verkeerde pillen geslikt, slechte shit gerookt, weet ik veel. Hij is niet in de stemming om me daarover iets mee te delen.
Van lieverlede ga ik dan maar wat in de Rolling Stone zitten lezen. Ik vind een artikel over de dood van Keith Moon, gestorven van een te hoge dosis slaappillen [1]. Kennelijk was het een ongeluk, geen zelfmoord. Keith Moon wilde intenser leven dan om het even wie. De uitzinnige chaos die het leven voor hem was had van hem een razende gek gemaakt. Wat niet belette dat hij samen met Ginger Baker een van de beste rockdrummers was. In zijn ruigste momenten lijkt het wel of hij zijn drumstel wil mishandelen, zoals sommigen dat met een dier doen omdat ze niet kunnen verdragen dat het wat wild is en er hun wil niet kunnen aan opleggen. Stond Keith Moon’s drumstel het leven in de weg? Daar leek het op. En alles wat het leven in de weg stond moest eraan geloven. Well, here’s a poke at you / You’re gonna choke on it too / You’re gonna lose that smile / Beacuse all the while / I can see for miles and miles… Keith Moon is gestorven aan overdaad maar zeker ook aan overmoed, hybris, wat tot verblinding en uiteindelijk tot de ondergang leidt. Alsof dat niet volstaat vind ik in diezelfde Rolling Stone nog een artikel over de dood van Jack Kerouac [2]. Ti Jean. Terwijl hij zat te schrijven kreeg hij een maagbloeding die hem  fataal werd. De doodsoorzaak was levercirrose. Ik moet voorzichtiger worden. Minder gaan drinken. Die ellendige hypochondrie van mij steekt weer de kop op. Dat volle, dat intense leven, verdomme. Jack Kerouac, Elvis, Keith Moon, wie volgt?

Tanzkeller_Lausanne

Ik laat Keith Moon, Jack Kerouac en Elvis achter in hun diepste slaap en kijk op. Waar is Giuseppe? Hij is naar huis, mompelt Toulouse. Er zit maar een ding op om mijn donkere gedachten te verjagen: gaan dansen, eerst in Cinderella’s Ballroom, daarna in de Gnoe, waar de euforie nog net iets langer voortduurt en de meisjes, die er minder punky cool zijn, meer van het hippietype (wat ook wel beter past bij de naam Gnoe), nog wat wilder dansen, zeker als er muziek van the Rolling Stones, Small Faces en Herman Brood wordt gedraaid. Johnny Pappas zit aan de toog. De man doet me opnieuw aan Francis Bacon denken. Kijk toch eens naar Rina, roept hij uit als hij me ziet. Wat een mooie vrouw is me dat toch! Rina is een ster uit de hemel van Hollywood. In haar dromen is ze dat zeker. Maar is er iets mis met dromen? Misschien is ze echt een ster uit Hollywood.
Ariane en haar vriend dansen rock-‘n’-roll. Jiven noemen ze dat in Antwerpen. Vincent, of hoe heet hij ook alweer? Niemand kan zo goed jiven als die twee. Ze vraagt me of ik weer alleen ben. Ik knik. Ziet ze dat dan niet? Een Bolleke voor jou? Jazeker. Veel liever had ik met haar met veel verve rock-‘n’-roll gedanst. Als een slanke, lenige halfgod, iemand die ik nooit ben geweest en ook nooit worden zal. Geen sprake van dat ik ooit met Ariane rock-‘n’-roll zal dansen: Vincent kan het duizend keer beter.

Om zeven uur wordt in de Gnoe op de tafels gedanst, maar mij wordt het allemaal teveel. Of te weinig. Ik ben te zeer mezelf, te nuchter. Eenzaamheid vergiftigt mijn hart. Buiten is het beter: een zachte ochtend in oktober, frisse lucht. Tijdens de rit naar huis met de oude vertrouwde tram 11 laat ik de verspilde nacht wegzinken in het moeras van duizend andere nachten, duizend andere vergeten dromen.

jack kerouac

[1] Keith Moon overleed op 7 september 1978. Later bleek dat het van een overdosis Chloormethaziol was, een middel dat hij had voorgeschreven gekregen voor het bestrijden van zijn alcoholverslaving. In the City is een enigszins obscure song van the Who, geschreven door Keith Moon en John Entwistle.
[2] Jack Kerouac overleed op 21 oktober 1969, vijftig jaar geleden.

Afbeeldingen: the Who; Dexter Gordon door Francis Wolff; rock-‘n’roll bij de Zwitsers; Jack Kerouac.

NACHTEN IN HET PANNENHUIS 5: KICKS AGAINST THE PRICKS

1979-1980-aurora 13 001 (2)

Voor ik meer verhalen vertel over het Pannenhuis en de mensen die ik er ontmoette wil ik een idee geven van wat het jaar 1978 voor mij in petto had. Tweede en laatste deel van een lijst ‘hoogte- en dieptepunten’. Armoede, vriendschap, extase, rock-‘n-roll, letteren en filosofie.

3 6 1978 In de Ommeganckstraat voordracht van mijn tekst ‘Paradijsvogels en poëzie’. Voorgelezen samen met  Senga, Paul Rigaumont en Ginette.  Senga leest Lucebert heel mooi voor, Ginette deelt voorwerpen uit: een baksteen, een banaan, een kroontjespen, enzovoort. Cake gekregen van Rita B., een fles wijn van professor Flam. ’s Avonds in de straten gedanst.

8 6 1978 Darkness on the Edge of Town van Bruce Springsteen blijkt een meesterwerk. De teksten zijn korte verhalen, scenario’s voor ‘films noirs’.

16 6 1978 We helpen Ginette met haar verhuis naar de Dolfijnstraat. Daarna met Guillaume en Renée (en wie nog?) naar Brussel voor Suicide en Elvis Costello & the Attractions. Waarom wordt Alan Vega, zanger van Suicide, de microfoon uit de handen gerukt? Het optreden van Elvis Costello & the Attractions is kort en vijandig. Het publiek is razend, terecht vinden wij. Hardhandig optreden van de security. Er breken rellen uit. Het gaat er hard aan toe. Senga houdt me stevig vast, zodat ik niet mee ga vechten tegen die bruten van de ‘veiligheid’.

suicide 2

Setlist Suicide
Ghost Rider /  Rocket U.S.A. / Cheree / Dance / Frankie Teardrop
(Voortijdig afgebroken, na boegeroep van het publiek. Waarom, want Suicide is geweldig? Later op cd uitgebracht als ‘23 minutes over Brussels’.)

Setlist Elvis Costello & the Attractions
Mystery Dance / Lip Service /  (The Angels Wanna Wear My) Red Shoes /Less Than Zero / This Year’s Girl  (Vanwege de chaos niet helemaal zeker van de volgorde en de songs.)

17 6 1978 Summer Party in de Dolfijnstraat. Gedanst op platen van the Stranglers, Sex Pistols en de rock-‘n-roll van Guy Bleus. Ik steek een poster van Lenin in brand: no more heroes anymore. Een performance? Het geluid van gebroken glas tegen een tegeltjesmuur. Niet kunnen verdragen dat iedereen naar huis gaat, dat het afgelopen is, dat we alleen achterblijven. Verlatingsangst.

bob dylan 23 juni 1978_3

23 6 1978 Bob Dylan in het Feijenoord Stadion in Rotterdam. De eerste keer dat we hem live zien. Met Leo en Flor. Leo had toen nog een auto. Flor is in 2015 overleden. Op weg naar Rotterdam roken we één jointje. Eerst Champion Jack Dupree en Eric Clapton en dan Bob Dylan. Regen en wind. Bob Dylan als een verbeten Casanova door engelachtige musici van Memling omringd. De muziek stijgt op, mathematisch precies, uit een afgrond van verloren jaren. De verloren zoon is teruggekeerd.

Setlist Bob Dylan
A Hard Rain’s A-Gonna Fall / Love Her With a Feelin’ / Baby, Stop Crying / Mr. Tambourine Man / Shelter From the Storm / Love Minus Zero/No Limit / Tangled Up in Blue / Ballad of a Thin Man / Maggie’s Farm / I Don’t Believe You (She Acts Like We Never Have Met) / Like a Rolling Stone / I Shall Be Released / Going, Going, Gone / Rainy Day Women #12 & 35 / One of Us Must Know (Sooner or Later) / You’re a Big Girl Now / One More Cup of Coffee (Valley Below) / Blowin’ in the Wind / I Want You / Señor (Tales of Yankee Power) /Masters of War / Just Like a Woman / Don’t Think Twice, It’s All Right / All Along the Watchtower / All I Really Want to Do / It’s Alright, Ma (I’m Only Bleeding) / Forever Young / I’ll Be Your Baby Tonight / The Times They Are A-Changin’

Christus_met_zingende_en_musicerende_engelen,_Hans_Memling,_(1483-1494),_Koninklijk_Museum_voor_Schone_Kunsten_Antwerpen,_778

5 7 1978 Diner voor onze vrienden en buren Jules en Rita. Samen zeven flessen wijn leeggedronken. We praten voornamelijk over Samuel Beckett, het concert van Bob Dylan en ik draai platen van Ray Charles.

7 7 1978 Senga en ik spelen ganzenspel. We drinken te veel Old Granddad. Senga moet overgeven.

11 7 1978 Ivo Michiels (scenario) en André Delvaux (regie) draaien een film in onze straat: Een vrouw tussen hond en wolf, met Marie-Christine Barrault en Rutger Hauer. Delvaux en Michiels staan voor onze deur. Van Ivo Michiels heb ik acht jaar geleden les gehad, scenarioschrijven. Cameraman, scriptgirls, jeeps, tanks, allemaal in onze straat. Soldaten en bevrijde Belgen alom.

10 8 1978 Bij Guillaume en Renée maken we nu echt kennis met Ludo Mich en zijn vriendin. Documentaire over Martin Scorsese. De regisseur spat bijna uit elkaar van energie, emoties, hij is een spraakwaterval. Waar heb ik nog zo iemand gezien en gehoord? Gebruikt hij drugs, amfetamine, cocaïne?

11 8 1978 Met Senga naar The Last Waltz van Martin Scorsese (ik was al met Jos geweest).
De eerste geslaagde film over rock-‘n-roll. De muzikanten zijn stuk voor stuk grandioos – en duidelijk onder invloed. Neil Young ziet eruit als een vampier.

the-last-waltz-concert-the-band-08

15 8 1978 Mogelijk eerste keer in Pannenhuis (met Guy Bleus?)

22 9 1978 Naar party in Studio Herman Teirlinck met Jos D. en zijn lief Hilde Van Mieghem. Ik voelde me eerst geremd en depressief. Het dansen op platen van John Cale, Patti Smith en Tom Verlaine heeft mij er bovenop geholpen. Gedanst tot iedereen naar huis was, dan wij ook naar huis, te voet.

23 9 1978  Naar Pannenhuis voor kunstmanifestatie Goddog. Anti-kunstenaars uit de wijdere buurt, punks, gekken, losers, outsiders presenteren hun ‘werk’. Het spreekt mij allemaal erg aan. Omdat ik deze mensen nauwelijks ken voel ik er mij wat onwennig bij. Maar ik hou van hun stijl, hun excentriciteit, de manier waarop ze de mode binnenstebuiten keren, hun anarchisme en non-conformisme.  Mijn sympathie ging altijd al naar mensen die hun waanzin durven tonen en weigeren deel uit te maken van wat we nog altijd het systeem noemen. I prefer not to. Eigenlijk gebeurde er niet veel. Het belangrijkste was dat iedereen er was. God-Dog is een mooi vormgegeven tijdschrift, waar geloof ik Ria Pacqueé en Yvette aan hebben meegewerkt. Alles met wijn overgoten.

27 9 1978 Ik weeg nog 55 kilogram.

5 10 1978 Ginette gaat weg bij ons. Vandaag wordt er verhuisd. Met Jos aan een toneelstuk begonnen dat Barman, Barmaid heet. Onafgewerkt gebleven. Er komt een paradijsvogel in voor en Mozarts Strijkkwartet nr. 14 in G, KV 387.

10 10 1978 Ik heb geen geld om het honorarium van mijn longarts, dokter Clerckx, te betalen. Hij vindt het niet erg. Bovendien geeft zijn secretaresse me zomaar 200 frank om antibiotica te kunnen kopen.

21 10 1978 Alleen naar de kroegen, op zoek naar Jos. Ik vind hem in de Gnoe. Hij zegt dat hij ziek is, zijn oog is ontstoken, hij draagt een zonnebril. Molenwiekt met zijn armen. Met hem naar het Pannenhuis, waar hij zich bitsig en agressief gedraagt. Ik lees er in Rolling Stone over de dood van Keith Moon.  Om 7 uur naar huis. Intense ervaring van het ochtendlicht in oktober.

27 10 1978 Voordracht van de filosoof Michel Serres: Les confessions de Jean-Jacques Rousseau. Paul Rigaumont vraagt zich af of Serres geen geconstrueerde naam is: twee keer RES, een keer omgekeerd.

10 11 1978 In Pannenhuis opening van tentoonstelling van Guillaume Bijl. Daarna een party met veel wijn, whisky en tequila. Lang gesprek met Jan Ceuleers. Black-out.

27 11 78 Toen ik vanuit de trein van Hasselt naar Antwerpen de kerktoren van Tienen zag, viel de tijd opeens stil. De trein en de reizigers waren er niet meer. Er was iets anders in de plaats gekomen, iets wat je niet kunt benoemen. Je zou van een diepe ervaring kunnen spreken, van een revelatie. Maar dat zegt niets omdat het aan de lezer niets meedeelt over de aard van de ervaring.

1 12 1978 Vandaag is de eerste editie van De Morgen verschenen, een nieuwe poging tot een Vlaamse linkse krant. Ondanks het slordig taalgebruik, de drukfouten, de “progressieve” spelling, ben ik toch tevreden dat de krant er is. Na vele jaren zag ik mijn oude vriend Luc Deleu terug. Hij was net terug uit Nepal. Leopold Flam zegt dat Aurora iets moet worden als de George-Kreis, de groep rond de dichter Stefan George. Meent hij dat? Dat was een elitaire kring van apolitieke dichters, kunstenaars en filosofen. In geen geval wil ik lid blijven van een groep fossielen. We moeten bijgevolg verhinderen dat de filosofische kring Aurora zo’n troep wordt.

bob marley

31 12 1978 Barre kou en veel sneeuw. Bij Renée en Guillaume om Van Kooten en De Bie te zien. Daarna samen naar de punky reggae party van Jacques Chapon, in de Harmoniestraat. Reggae en tequila en iedereen is er, behalve Jos, die huivert van party’s. Al gauw ziek geworden, maar toch nog naar de Gnoe. Chantal en Gazoe brengen ons naar huis. Ik ga op de keukenvloer liggen en daar blijf ik tot een heel stuk in het nieuwe jaar.

Wailers be there
The Dammed, The Jam, The Clash
Maytals will be there
Doctor Feelgood too, ooh
No boring old farts, no boring old farts, no boring old farts
Will be there
No boring old farts, no boring old farts, no boring old farts
Will be there
And it’s a punky reggae party
And it’s tonight
Punky reggae party
And it’s alright
Bob Marley, Punky Reggae Party

door francois 1977

Afbeeldingen: Jos en ik in Antwerpen, 1979; Suicide; Bob Dylan in concert in Rotterdam, 1978; Hans Memling, Christus met zingende en musicerende engelen; Joni Mitchell en Neil Young; Bob Marley poster, 1978; M.P. in zijn werkkamer in de Dolfijnstraat, omstreeks 1978, foto door mijn broer François Brouns.