DE VOLKOMEN BLEEKHEID VAN SNEEUW

DIE ZOMER zagen we Gabriella opfleuren. Senga en ik werkten inmiddels allebei bij de Filosofische Kring Aurora en hadden het behoorlijk druk met de redactie van het tijdschrift en het voorbereiden van literaire middagen en avonden. ’s Avonds aten we vaak met zijn drieën in de grote keuken beneden. Na de maaltijd voerden we gesprekken, een beetje zoals destijds in de Artanstraat in Schaarbeek, maar rustiger en redelijker. Soms las ik ontwerpen van teksten of gedichten voor. Ik haalde boeken uit de rekken, we lazen elkaar fragmenten voor van Knut Hamsun, Thomas De Quincey, Peter Handke en hele stukken uit De keisnijder van Fichtenwald van de toen bij ons bewonderde Nederlandse schrijver Louis Ferron.
We beluisterden de nieuwste elpees, voor zover ons budget ons de aankoop ervan toestond. Gelukkig was er ook nog de discotheek in de Lange Nieuwsstraat, die een voortreffelijk aanbod had. Gabriella bleef zoals in de Brusselse tijd van Nico en the Velvet Underground en van Patti Smiths Horses houden, wat niet vloekte met de punkrock en new wave en zelfs niet met albums als Darkness On The Edge Of Town, waar wij toen de voorkeur aan gaven. Geregeld hoorde je in het Dolfijnhuis de elpees Desertshore, met daarop aangrijpende nummers als My Only Child en Abschied, en The Marble Index [1], met No One Is There en Frozen Warnings. Na al die jaren bleef ik een pleitbezorger van de platen van Syd Barrett en Alexander Spence, waardoor wie bij ons geregeld op bezoek kwam vertrouwd werd met hun merkwaardige, hoogst originele songs.

Soms kwam Gabriella even in mijn werkkamer binnen om naar onze boeken te kijken. Op een dag trof ze in een stapeltje nieuwe aanwinsten in mijn kamer een Nederlandse vertaling van Moby Dick aan. Ze raakte gehecht aan de roman van Herman Melville, vooral aan het hoofdstuk over het witte van de walvis. Voor mij is dat een van de hoogtepunten uit de wereldliteratuur. Het was meer dan wat ook het witte van de walvis dat mij deed verbleken. Mogelijk herkende ze de bleekheid van haar eigen huid, met de volkomen blankheid van sneeuw, in die beschrijvingen. Hield ze ook niet zo van de laatste bladzijden van Edgar Allan Poes The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket?

Kort na Gabriella’s verhuizing naar de Dolfijnstraat waren we met zijn drieën in de Monty, een zaaltje op het Zuid, gaan kijken naar de thriller Looking for Mr. Goodbar van Richard Brooks, met Diane Keaton als Theresa Dunn, een borderline-lerares op zoek naar seksuele kicks. Dat was haast een net zo beklemmende belevenis, vooral het brutale einde, als het zien van Le locataire. Weer thuis vroeg ik me af of het een goed idee was geweest. Al kon ik de verbluffende acteerprestatie van Diane Keaton, de cinematografie van William Fraker en de nagenoeg perfecte soundtrack maar niet uit mijn hoofd zetten. Een meer bedwelmende en minder ontregelende ervaring was Bob Dylans film Renaldo and Clara. Voor Gabriella was het de eerste keer; ze was onder de indruk. Van de concertfragmenten bejubelde ze vooral de uitvoering van When I Paint My Masterpiece, mogelijk mede door de verwijzing in dat lied naar een verblijf van de verteller in Brussel. Van de fictieve scènes prefereerde ze die waarin de raadselachtige hoofdpersonages Renaldo, Clara en The Woman In White elkaar het leven moeilijk maakten. Na die filmmarathon keerden we naar huis terug om een hapje te eten en een tequila sunrise te drinken. Bob Dylan had ons dorst doen krijgen en onze levenslust aangewakkerd. Hoewel het al voorbij middernacht was wilden Senga en Gabriella toch nog de stad in. Zodoende namen we een taxi naar de Cinderella om ons met z’n drieën in de wereld van de punks onder te dompelen. Zodra Police and thieves in de versie van the Clash weerklonk haastten we ons naar de dansvloer. Later, op adem komend aan de toog, trof ik Ria Pacquée daar aan. Ze zei dat er een party was in de King Kong en stelde voor om daar naartoe te gaan. Dat deden we. Maar wat in hemelsnaam deden we in de King Kong? Dansten we op tafels, vochten we met ingebeelde leeuwen, zongen we met zijn drieën of vieren People Get Ready?

Hoewel ik er toch geregeld binnenliep herinner ik me vandaag even weinig van de King Kong als van Louis Ferrons De keisnijder van Fichtenwald. Een psychiatrische instelling, sadistische nazi’s, Heinrich Von Kleist en zijn Penthesilea, dat is het ongeveer voor het boek van Ferron. Voor de King Kong zijn de herinneringsresten nog schaarser, een bal met Raymond van het Groenewoud, een optreden van Joy Division (waar ik alleen maar iets over las), een of andere toneelopvoering. Hoe zag de ruimte eruit, waren er meerdere zalen, moest je entree betalen, was er een balie? Welk publiek kwam er over de vloer? Vast niet hetzelfde als in Cinderella’s Ballroom. Onlangs zag ik een foto van Robert, de baas van die roemruchte club aan de Stadswaag. Niemand zou het in die tijd aangedurfd hebben hem baas te noemen. Op de foto staat hij achter de toog. Hij kijkt wat verrast, een beetje boos zo lijkt het wel. Links van hem een kleine witte ventilator, rechts een groen metalen kistje en wat elpees, waaronder Funhouse van the Stooges. Het leek een beeld uit een droom. Na veertig jaar heb ik mij van Robert en van de Cinderella een geheel andere voorstelling gemaakt. Ook mijn herinneringen aan Gabriella, hoe ze was, hoe ze bewoog, haar stemgeluid, zijn vervaagd. Wat maakt dat ik me nu afvraag of wat ik hier noteer niet eerder verzinsels zijn dan een weergave van werkelijk gebeurde voorvallen. Wat benijd ik schrijvers als Eric de Kuyper, met hun glasheldere herinneringen. Of zouden zij alleen maar goed onderlegd zijn in het verzinnen van allerlei geloofwaardige details? Beschikken zij over dagboeknotities waarin alles wat ze meemaakten haarfijn staat beschreven? In mijn dagboeken bijna niets van dat alles: het zijn grotendeels klachten over mijn gezondheid en notities over boeken en films en een aanzienlijk aantal herinneringen aan dromen.

Op een van die zomeravonden was er visite van Eddy D., de man van De man in de rups. We zaten net te luisteren naar Stateless, een elpee van Lene Lovich die ik van Senga cadeau had gekregen. Haar single Lucky Number was in die dagen een hit. Ik was een beetje bang dat het niet goed zou klikken tussen Gabriella en mijn vriend, omdat zij nogal asociaal was en soms verbaal agressief werd. Maar dat viel best mee, ook later in de rumoerige Cereus, waar L.S. nog even probeerde roet in het eten te gooien, wat hem niet lukte, omdat we ons niet lieten provoceren. Eddy luisterde met aandacht naar de meanderende invallen van Gabriella, woorden die meestal weinig met onze gespreksonderwerpen spoorden maar er op een moeilijk verklaarbare wijze toch bij aansloten. In mijn dagboek lees ik dat in onze conversatie sprake was van de fenomenen torus en tokamak.

Ik was tevreden. Senga en ik hadden de juiste beslissing genomen. Ook de avond van Walter Van Rooys tentoonstelling in het Pannenhuis was er een van plezier en euforie. Walter was opgetogen over de opkomst en de interesse, mijn vrienden waren in een opperbeste stemming. Samen met Guillaume Bijl en Ria Pacquée dronken we Duvels en discussieerden we over Diane Keaton, Truman Capote en In Cold Blood. We zongen mee met Lucky Number en I Think We’re Alone Now van Lene Lovich. Dat laatste was helemaal geen new wave maar een cover van een hippieliedje van Tommy James & the Shondells. In het Pannenhuis mocht dat nog: er waren geen vaste regels. Wel vonden Greta en Toulouse het prettig als je je rekening betaalde. Al vrij snel werd de sfeer diffuus en zaten we, samen met Gabriella’s zus Lena, die nu ook in Antwerpen woonde, in de Muze, daarna in de Mok – en opeens stond ik alleen aan de toog van de Kroeg, het bruine café op de hoek van de Wolstraat en het Conscienceplein waar ik in december 1968 de allereerste keer Beggars Banquet had gehoord, wat een haast mystieke ervaring was geweest.

Vroeg in de ochtend kwam ik thuis, flink beschonken. Plotsklaps hoorde ik een vreemd geschreeuw, van vogels dacht ik eerst, ik zag ze al voor me, grote witte vogels, hun vleugels wel een meter breed. Kwam het geluid echt wel van buiten, waar op dit uur al het zichtbare de bleekheid had van sneeuw? Nee, het geschreeuw steeg uit onze kleine kolenkelder op. Met een nieuwsgierigheid die mijn tegenzin overwon ging ik de trap af. Het was er donker en rook er naar schimmel en zwammen. De grond was bedekt met rottende planken. Het geschreeuw bleek uit de donkerste hoek te komen. Na wat wennen aan de duisternis kon ik vier piepkleine kittens ontwaren. Waar was de moederpoes naartoe?

[Nachten aan de kant 40.  Juni-juli 1979]

*

[1] De titel is afkomstig uit het gedicht The Prelude van Williams Wordsworth:
And from my pillow, looking forth by light
Of moon or favoring stars, I could behold
The antechapel where the statue stood
Of Newton, with his prism and silent face,
The marble index of a mind forever
Voyaging through strange seas of thought, alone.

Foto’s: boven, Martin Pulaski; onder, Diane Keaton, fotograaf onbekend.

NUCHTER, ALLEEN

Dolfijnstraat, kamer aan de voorkant, circa 1978-1979

Ik was begonnen met mijn werkruimte en bibliotheek opnieuw in de kamer aan de voorkant in te richten. Mijn boeken moesten worden versjouwd en opnieuw – op categorie en dan alfabetisch op schrijversnaam – geklasseerd, een karwei waaraan ik nogal wat voldoening beleefde. Gabriëlla woonde nu in de kamer op de tweede verdieping. Daar bevond zich ook onze gemeenschappelijke badkamer, met een ligbad en een lavabo. Voor de wc moest je helemaal naar beneden en naar buiten. Koud in de winter, wat voor Gabriëlla wel even wennen zou worden. Alleen over de keuken maakte ik me enige zorgen. Uit ervaring wist ik dat het een potentiële plaats van conflicten is.

Ik had nog lang zitten nadenken over Le locataire. De voorbije dagen hadden de overrompelende beelden van de geniale cinematograaf Sven Nykvist me niet met rust gelaten. De film lijkt een studie in licht en donker, Rembrandt in een groezelig Parijs’ appartement. Het verontrustende verhaal, oorspronkelijk een roman van Roland Topor, had me evenwel nog meer tot nadenken aangespoord, meer bepaald mijn interpretatie ervan. Ik zag diverse scènes en personages opnieuw en opnieuw voor mijn geestesoog opdoemen. De protagonist Trelkovsky, zo subliem gestalte gegeven door Polanski. De conciërge (een perfecte Shelley Winters), de huisbaas, de overige huurders. De cafébaas en de kelner in het café waar Trelkovsky geen koffie krijgt, waar hij nochtans naar hunkert, maar warme chocolademelk. Wat hij meermaals gedwee aanvaardt. Waar hij geen Gauloises krijgt, zijn merk, maar in plaats daarvan Marlboro’s, het merk van Simone Choule, de vrouw die uit het raam sprong. Wat hij meermaals gedwee aanvaardt. Trelkovsky’s collega’s. En Stella, Stella die zo goed is voor Trelkovsky. Zij is het enige lichtpunt in dat donkere verhaal. Een geweldige scène is die van de confrontatie van een introverte, angstige en schuchtere Trelkovsky met een van zijn collega’s, die in alles zijn tegenpool is: brutaal, agressief en onverschrokken. Die confrontatie deed me terugdenken aan Le gros et le maigre, een klein juweel dat Polanski al in 1961, ook in Frankrijk, draaide.
Trelkovsky wordt tot waanzin gedreven en springt ten slotte twee keer uit raam waardoorheen Simone Choule voor het laatst een stukje van haar wereld zag. Eerst doet hij dat als een groteske versie van Simone, daarna als Trelkovsky zelf. Maar klopt dat verhaal wel, is wat wij zien de realiteit? Wordt Trelkovsky werkelijk gek gemaakt? De laatste sequentie van Le locataire sluit aan bij de (bijna) eerste, is er een variant op. Wat ertussen komt lijkt een toevoeging aan het reële te zijn. Mogelijk gaat het om een fantastische en paranoïde reconstructie van Simone Choules zelfdoding, voltrokken in het hoofd van Trelkovsky. Wat zou impliceren dat Trelkovsky helemaal niet zo schizofreen is als we dachten, dat alleen zijn fantasie hem parten speelt. Ik bedacht dat ik de roman van Topor maar eens moest lezen om er echt wijs uit te geraken.

Uit de bibliotheek bracht ik een aantal beloftevolle boeken mee: Wat de mens betreft van Elias Canetti, Het menselijk inzicht van David Hume, Uitnodiging voor een onthoofding van Vladimir Nabokov en 15 Canto’s van Ezra Pound (vertaling H.C. Ten Berge). Toch had ik er niet kunnen aan weerstaan om ook enkele boeken te kopen: Theater 1 van Peter Handke, Reminiscences of the English Lake Poets van Thomas De Quincey en The Waste Land van TS Eliot.

Dat laatste had ik diezelfde nacht nog aandachtig gelezen. Het is een opzienbarend gedicht, wreed, ontroerend, ontnuchterend, soms grappig. Af en toe voelde ik ook irritatie. Puilt het niet te zeer uit van de verwijzingen naar allerlei culturele monumenten?

Ik kocht niet alleen boeken maar ook twee paar schoenen, witte en lichtbruine. Beide paren kwamen uit Italië, zoals het hoort. Senga dacht dat de witte schoenen een vrouwenmodel waren, maar dat was niet erg, ik vond ze mooi en ze pasten uitstekend.

Ik herlas wat ik had geschreven over de dood van Louis Paul Boon, Nicholas Ray en John Wayne. Had ik me over de westernheld voldoende genuanceerd uitgedrukt? Met de nodige eerbied? Nu dacht ik dat ik hem niet langer een groene baret zou noemen en mijn woorden meer zou wikken en wegen. Mocht ik het nog kunnen, dacht ik, zou ik me op plechtige toon met de volgende woorden tot Willy Boy en Giuseppe richten. Sheriff John T. Chance is dood. Moet ik me erover verbazen dat dit overlijdensbericht me ten zeerste bedroeft? De dood van een reactionair, een racist, een aanhanger van Nixon – zou ik me daarover niet moeten verheugen? Nee, dat zou ik niet moeten. Dat iemand sterft, om het even wie, is in alle omstandigheden verschrikkelijk. Zij die geen rouw kennen zijn de grootste schurken. Iets in die aard zou ik nu zeggen, dacht ik. Maar nu was ik alleen en nu was ik nuchter. Ik hoefde geen rol te spelen en me harder voor te doen dan ik ben.


[Nachten aan de Kant 39. Juni-juli 1979]

DE HUURDER

Le locataire, Roman Polanski, 1976

IN DIE TIJD trok Gabriëlla bij ons in. Zij was afgekickt, of dat wilden wij graag geloven, en had zich voorgenomen om zich aan de Brusselse junkiewereld te onttrekken. Senga en ik hadden er lang over gediscussieerd of we de juiste beslissing hadden genomen: stel dat ze toch nog gebruikte, dat we, zoals in Sint-Joost-ten-Node was gebeurd, andere junkies en mogelijk zelfs dealers over de vloer zouden krijgen. Het was echter duidelijk dat Gabriëlla met haar pijnlijke verleden wilde breken en we vonden dat we haar daarin moesten helpen.

De dag voor haar verhuizing had ik de drukproef van ‘Een brief lezen in de metro’ gecorrigeerd. Al wist ik helemaal niet hoe dat moest: ik had het met Tipp-Ex gedaan. Met als gevolg dat enkele fouten waren blijven staan. Later ben ik een tijdje eindredacteur geweest, mogelijk om de schaamte over mijn vroegere onwetendheid te overwinnen.

Die avond waren Senga en ik toevallig naar Le locataire van onze geliefde regisseur Roman Polanski gaan kijken. De jonge Trelkovsky huurt in Parijs een flat waar de vorige huurder, Simone Choule, kort tevoren uit het raam is gesprongen. Geleidelijk aan wordt Trelkovsky door zijn huisbaas en de andere huurders en door zijn hele omgeving tot waanzin gedreven. Is het een samenzwering? We zien hem op korte tijd de gedaante van Simone Choule aannemen. Ten slotte springt hij in een vlaag van zinsverbijstering zelf ook uit het raam. Polanski laat in het midden of wat de kijker ziet de fantasiewereld is van een paranoïde schizofreen of de objectieve werkelijkheid. Zeer onder de indruk keerden we naar huis terug. Wat een beklemmende film, vonden we, maar wel één uit de duizend.

De volgende ochtend stond Jan V. met een kleine verhuiswagen voor de deur. Veel te verhuizen was er niet, Gabriëlla had nooit veel opgehad met de materiële wereld. Ze bezat maar weinig kledingstukken en slechts een tweetal paar schoenen. We hadden voor haar de kamer op de tweede verdieping ingericht, waar een jaar eerder Gina een tijd had gewoond. Sinds Gina’s vertrek was het daar stil geweest en hoewel burengeluid me soms stoorde als ik geconcentreerd zat te werken, had ik haar aanwezigheid gemist. Nu nam een vrouw met een volstrekt andere persoonlijkheid haar plaats in.

Als ik het vandaag nuchter beschouw denk ik dat Gabriëlla bijna net zo schizofreen was als Trelkovsky. Die vreemdheid van haar had me altijd al aangetrokken. In de Artanstraat, de straat in Schaarbeek waar ze toen woonde, ging ik haar op mijn eentje of met Willy Boy en Giuseppe, ’s avond af en toe opzoeken en bleef dan soms tot zonsopgang luisteren naar haar sibillijnse uitspraken, meanderende verhalen en betekenisvolle stiltes. We namen altijd een fles sterkedrank mee, meestal was dat toen grappa, waar ik doorgaans misselijk van werd. Vanuit haar appartement had je een adembenemend uitzicht op Brussel. Gabriëlla was een mooie vrouw met blonde krullen maar het raadselachtige was dat ik in haar nabijheid geen enkele seksuele begeerte voelde. Mogelijk was onze vriendin meer geest dan lichaam. Mensen die op de rand van waanzin leven, ten prooi aan borderline of schizofrenie, hebben mij lange tijd gefascineerd. Niet voor niets heb ik toen ik filosofie studeerde zoveel boeken over antipsychiatrie gelezen en een thesis geschreven waarin waanzin als een min of meer geldige uitweg uit onleefbare gezinssituaties werd verdedigd. De nachten in de Artanstraat waren mysterieus, surrealistisch. In de vroege ochtend leek het of de vogels, groter en witter dan ik ze ooit had gezien, ons kwamen wekken. Wisten ze dan niet dat we klaarwakker waren? Het boek Nadja van André Breton schetst een excellent beeld van een dergelijke betoverde wereld. Nu ik zelf op weg was naar normaliteit wilde ik die liefst niet in ons huis in de Dolfijnstraat binnenlaten. Gabriëlla was welkom maar dat gold niet voor haar vroegere entourage, met uitzondering van Jan, een vriend die we altijd alles vergaven omdat hij de onschuld zelf was. Het gold evenmin voor haar slechte gewoontes.

[Nachten aan de Kant 38. Juni-juli 1979]

KLEINE TRIOMFJES

[Nachten aan de Kant 37. Juni-juli 1979]

Een tijdje geleden zat er een brief in de bus van Ivo Michiels, directeur van het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Mijn verhaal ‘Een brief lezen in de metro’ zal in het volgende nummer van NVT gepubliceerd worden, schreef hij. Een hele eer en dan toch een eerste erkenning. Dat heb ik wat het schrijven betreft aan mezelf te danken maar voor deze publicatie aan de genereuze, vaderlijke vriend Wim Meewis, die geloofde in mijn talent en me onlangs nog op het hart drukte dat ik in mijn werk moest volharden. Dat mijn verhaal [1] nu in NVT is verschenen, en wel in een nummer waarin ook gedichten van Hugo Claus en een stuk van Herman Teirlinck zijn opgenomen, geeft mij nieuwe moed om door te gaan met schrijven.
Ivo Michiels was de leraar die ik aan het Ritcs het meest waardeerde. Ik houd ook van zijn boeken, die zo anders zijn dan die van de mainstream. Mogelijk zal ik hem nu eens een keer ontmoeten en met hem kunnen praten. Dat heb ik als student nooit gedurfd. Terwijl ik de houding aannam van iemand die het allemaal niet interesseerde. Wij waren vanaf nu de anderen, dachten we, wij waren volop bezig de wereld te veranderen. Wat lag ik toen met mezelf overhoop, onzeker in ongeveer alles behalve popmuziek en de undergroundbeweging, boordevol twijfels en angsten. De vraag is of ik tien jaar later ten goede veranderd ben.

Bij Aurora hebben we niet stilgezeten. Van onze vriend Eddy Devos hebben we in onze nieuwe reeks Aurorasporen met ons kleine budget zijn verhalenbundel De man in de reus uitgegeven. Hij is er blij mee en dat zijn we zelf ook. Het is een nieuw begin. Terwijl we met dat werk bezig waren nam Paul af en toe een soort van pauze in zijn klein atelier dat zich naast de keuken bevindt, die onze werkruimte is. Hij is met olieverf op groot doek begonnen te schilderen.

Je zou bijna vergeten dat er ook nog een echte wereld is, die door zakenmensen, industriëlen, ondernemers – of is dat één en dezelfde soort? – en politici wordt bestierd. Zij die zo vaak vergeten dat de werkende mensen het allemaal moeten doen, het allemaal maken, het allemaal bouwen, het allemaal herstellen, het allemaal in stand houden. Zij die zo vaak vergeten dat de plannen die zij in hun bureaus en vergaderzalen ontwerpen dankzij werkende mensen werkelijkheid worden.
Er waren Europese verkiezingen. Ik heb zonder veel overtuiging voor de Revolutionaire Arbeidersliga gestemd. Waarom zonder veel overtuiging? Omdat de trotskisten met veel te weinig zijn om wat dan ook ten goede te kunnen keren. Mijn stem is eerder door boosheid ingegeven dan door geloof in de politieke strijd. Maar ook omdat ik blijf dromen, dat mag ik nooit opgeven.

+

[1] ‘Een brief lezen in de metro’ verscheen in Nieuw Vlaams Tijdschrift, jaargang 32/4, mei/juni 1979. Met als auteursnaam Matthias Brouns. Je kan het verhaal online terugvinden in dbnl, de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren.

DOOD VAN TWEE HELDEN EN EEN GROENE BARET

Dennis Hopper, Nicholas Ray, Wim Wenders.

[NACHTEN AAN DE KANT 36. Juni- juli 1979]

Toen gisteravond de deurbel ging lag ik al in bed te lezen in een verhalenbundel van Patrizio Canaponi, en wel het schitterende verhaal De gouden stad maar onder een andere titel (De verdwaalde kogel), Nederlandstalig proza zonder weerga [1]. Aan het zenuwachtige gerinkel hoorde ik meteen wie daar beneden voor de deur stond. Het was Giuseppe. Ondanks mijn onderdompeling in het briljante verhaal was hij meer dan welkom.
Giuseppe had het in zijn appartement niet meer uitgehouden van eenzaamheid en had dan maar in een opwelling een taxi naar hier genomen. Altijd weer overlaadt hij ons met geschenken, alsof hij het gevoel heeft dat hij als vriend zonder meer tekortschiet. Uit zijn grote boekentas haalde hij een vijftal Playboys, vanwege de interviews, enkele exemplaren van Andy Warhol’s flitsende magazine Interview, een met Twiggy en een met Deborah Harry op de kaft, en een stapeltje Film en televisie. Voorts had hij met het oog op mijn literaire educatie enkele misdaadromans van Dashiell Hammett en Patricia Highsmith meegebracht. Uit een plastieken zak van platenzaak Dilewijns haalde hij de dubbelelpee Here, My Dear van Marvin Gaye tevoorschijn. Het boek van Patrizio Canaponi is trouwens ook van Giuseppe.

Een kwartiertje later werd er opnieuw gebeld. Nu was het Willy Boy. We hadden elkaar al langer dan een jaar niet meer gezien. Mijn Brusselse vriend was niet veranderd. Hij blijft met financiële problemen kampen en zit ook nog altijd aan de pillen; vooral barbituraten en kalmeermiddelen zijn voor hem onmisbaar. Veel had Willy Boy niet mee te delen en zelf was ik ook eerder zwijgzaam. Giuseppe leek enigszins opgewonden en gaf commentaar bij Here, My Dear. Dat Marvin Gaye over de pijnlijke ontbinding van zijn huwelijk met Anna Gordy zong, dat de titel een cynische verwijzing was naar het geld dat hij haar verschuldigd was en meer van die bekoorlijke onbenulligheden die ertoe bijdragen dat de avonduren minder hardvochtig gaan lijken.

Vanwege de lengte van Here, My Dear was het al behoorlijk laat toen Willy Boy, Giuseppe en ik ons naar de Dageraadplaats begaven. Senga verkoos dit keer thuis te blijven, ze was te moe en vooral had ze geen zin om zich weer te maquilleren. En wat moest ze aantrekken? Die keuze maken ging niet in een-twee-drie. Die avond vond ik De Cereus een vervelend café. De ruimte is sowieso slecht ingedeeld en de muziek die er gedraaid werd was banale, softe hardrock. Gelukkig maakt trappist de tongen los. Mogelijk had het vele sterven van de voorbije weken ons, vooral mij en Willy Boy, aanvankelijk het zwijgen opgelegd. Daags voor mijn verjaardag was John Wayne overleden, wat mij eerder onverschillig liet. Niettegenstaande enkele briljante films waarin hij de hoofdrol speelde zou ik die groene baret niet gauw gaan missen. Treuriger waren we om de dood van Nicholas Ray, een regisseur die ik eerst onbewust, in het gezelschap van mijn ouders (King of Kings, 55 Days at Peking), en later bewust op televisie of in het Filmmuseum (Rebel Without a Cause, The Story of Jesse James, Johnny Guitar, Wind Across the Everglades en vooral In a Lonely Place), enorm had bewonderd. Aan de dood van de ongeëvenaarde regisseur had de Belgische pers nauwelijks aandacht besteed terwijl John Wayne bijna als een staatsman werd herdacht. Gelukkig was er Wim Wenders om het goed te maken. Der Amerikanische Freund mag dan wel gebaseerd zijn op Ripley’s Game en Ripley Underground van Patricia Highsmith maar de ware vriend is Nicholas Ray. Giuseppe zei dat de twee regisseurs bezig waren geweest aan een gezamenlijk autobiografisch filmproject, Lightning over Water. Waarschijnlijk was dat werk nog net op tijd beëindigd. Lang geleden had ik in Cahiers du Cinéma, of in een biografie, gelezen dat het een droom of mogelijk zelfs een obsessie was van Nicholas Ray om het leven van Rimbaud te verfilmen. Die droom zou nu nooit in vervulling gaan.
Wat ons echter alle drie het meest had aangegrepen was de dood van Louis Paul Boon. Voor mij was hij een geestelijke vader geweest, mijn eerste leermeester in de kunst van het prozaschrijven. De wereld van De Kapellekensbaan hield mij rond mijn zeventiende maandenlang in zijn ban. Een geniaal en hoogst origineel werk was dat boek. Na al die jaren herinnerde ik mij de personages nog zo levendig, Ondineke, Kantieke schoolmeester, Tippetotje, Zotte Zulma, Valeer, Meneerke Brys en de anderen. Wat een contrast was dat geweest met de psychedelische muziek, die mij in die periode evenzeer in verrukking bracht. Giuseppe hield bijna evenveel van Boons andere boeken, met een voorkeur voor Mijn kleine oorlog en Vergeten Straat. Een miskend werk van Boon vond ik dan weer De Paradijsvogel. Willy Boy zei dat we toch ook Mieke Maaike’s obscene jeugd niet mochten onderschatten, een prachtige maar bijtende satire. Pornografie op zijn Vlaams. Ja, besloot ik, Louis Paul Boon opende voor mij een nieuwe wereld, waar ik vreemd genoeg toch ook vertrouwd mee was: die van de arbeidersklasse, waartoe ik als schipperszoon wel en niet behoorde. Die nieuwe wereld was eigenlijk al even oud als de industrialisatie, het fabriekssysteem en het kapitalisme.
Wat vinden jullie van Margaret Thatcher, vroeg Willy Boy opeens. Zwijg!, riepen Giuseppe en ik unisono luid, heel even Paradise by the Dashboard Light overstemmend. Thatcher the milk snatcher, voegde Giuseppe eraan toe. Dan nog liever de Ayatollah Khomeini, mompelde ik. Toen viel het gesprek stil en dronken we onze trappisten leeg.

Het werd tijd om op te stappen. Willy Boy moest nog helemaal naar Brussel rijden en Giuseppe, die  rustiger was geworden, nam een taxi naar de Vinkenstraat. Voor mij was het ondanks – of dankzij – de dood van twee helden en een groene baret een onderhoudende avond geworden.

*

[1] Uit Een gondel op de herengracht, 1978. Later kwamen we te weten dat Patrizio Canaponi een pseudoniem was en dat de schrijver in werkelijkheid A.F.Th. van der Heijden heet. Vreemd genoeg heb ik niet één boek gelezen dat onder die naam is verschenen.

STRIJD IN HET RIJK DER ZINNEN

[Nachten aan de Kant 35. November 2020]

Natuurlijk waren het leven en de tijd in Antwerpen waarover ik het voorbije jaar [1] al zoveel heb geschreven geen ononderbroken la dolce vita. Er deden zich net als overal en in alle tijden talloze problemen voor en allerlei conflicten, ruzies en zelfs gevechten maakten het bestaan soms uiterst onaangenaam. Zoals ik in het echte leven conflicten meestal uit de weg ga doe ik dat ook in mijn neergeschreven herinneringen. Het lijdt geen twijfel dat niemand geheel en al goed, deugdzaam en voortreffelijk is. Elke mens heeft zijn schaduwzijde, iedereen bezit karaktertrekken die minder fraai zijn, soms zelfs verontrustend en angstaanjagend. Dat geldt in mindere of meerdere mate ook voor de besten onder ons. Het is mij echter nooit gelukt om daarover met enige nauwkeurigheid te schrijven, niet omdat ik het negatieve bewust aan het licht wil onttrekken maar omdat ik er de woorden niet voor vind. In algemene termen kan ik wel negatieve aspecten van de samenleving en van de mens als sociaal wezen aan de kaak stellen, vooral als het om politiek en religie gaat, als het vormen van boosaardigheid betreft, bijvoorbeeld racisme, onderdrukking of uitbuiting.

In de woelige dagen van punk en new wave en, niet te vergeten, van werkloosheid, had ik meermaals ruzie met vrienden, meestal op café, onder invloed van alcohol en amfetamine. Sommige vrienden, onder wie L. S., hadden wat we een kwade dronk noemen. Daarmee wil ik geen oordeel uitspreken: het gaat om een genetisch verschil in de hersenen. Ik beschouwde hem als een van mijn beste vrienden maar soms veranderde hij in een onuitstaanbare en agressieve man. Dan herkende ik nauwelijks de vriend en lieve buur met wie ik tot een stuk in de nacht over filosofische onderwerpen zat te praten of met wie ik, na het roken van een paar joints, in vrije vorm gitaar zat te spelen. Met weer een andere vriend, M. B., had ik een conflict over zijn mensbeeld. Het stoorde me dat hij de mensen in twee klassen indeelde. Aan de ene zijde liet hij de ‘slechten’ hun opwachting maken. Dat waren de bourgeois, onder wie ook de intellectuelen, de schrijvers en de kunstenaars. Aan de overzijde bevonden zich de ‘anderen’. Wie  waren dat, die anderen? Zij die niet in de eerste klasse thuishoorden? Het proletariaat of zelfs het lompenproletariaat? Ik vroeg me af wat daar dan zo voortreffelijk aan was, al zou ik ze nooit zoals Hillary Clinton vele jaren later deed a basket of deplorables [2] hebben genoemd.  Op een avond in het Pannenhuis noemde M.B. mij een intellectueel, iemand van de slechte klasse dus. L.S. deed dat ook wel eens, als ik het bijvoorbeeld over literaire theorieën van de Tel Quel-groep had, en achteraf gezien had hij daarin niet helemaal ongelijk. M.B. vond ik in zijn oordeel veel te radicaal. In mijn ogen nam hij standpunten in die ik al lang achter me gelaten had. Ik vond zijn veroordeling van de massamedia achterhaald. Zo wilde hij met nog enkele compagnons de route als performance een televisietoestel stukslaan. Dat had ik in 1968 de popgroep the Move op het podium van Jazz Bilzen al zien doen. [3] Toen had ik dat opwindend gevonden, maar nu, in 1979? Ik had het gevoel dat hij en zijn kompanen een beeld van mij imiteerden dat ik zelf al lang verworpen had. Ik vond het naïef: een TV is een ding, een middel. Hoe kan dat nu slecht zijn? Daar maakten we dan ruzie over. Maar een paar dagen later was dat allemaal weer vergeten en vergeven.

Ook mijn leven met Senga was in die dagen niet alleen maar een rijk der zinnen. Meer dan ons lief was maakten we ruzie. Vaak ging het om een kleinigheid maar als er jaloezie in het spel was kon het uit de hand lopen. Ons drankgebruik en de pillen die wij slikten verhevigden dat allemaal nog. Omdat ik me moeilijk kon concentreren had jaren tevoren toen ik filosofie studeerde een arts verbonden aan de VUB mij met enige regelmaat het middel Captagon voorgeschreven. Dat was regelrechte amfetamine, heel erg stimulerend en opwindend. Ik kon er inderdaad beter van studeren en na mijn studies bleef ik het nemen om mijn aandacht bij het schrijven te houden en aan onderzoek te doen. Geleidelijk aan moest ik er meer van nemen om hetzelfde effect te krijgen: ik wilde honderd procent concentratie. Mijn principe was dat ik de pillen alleen maar slikte om te werken, nooit voor het plezier. Maar dat was een theoretische indeling van dag en nacht en van werk en plezier. Als ik op vrijdag of zaterdag uitging waren die pillen natuurlijk niet uit mijn systeem verdwenen. Zonder dat spul had ik het waarschijnlijk nooit een hele nacht op de dansvloer van Cinderella’s Ballroom volgehouden. Overigens denk ik dat zowat iedereen daar aan de speed zat. Herman Brood voelde er zich in zijn nopjes. Captagon was op velerlei wijze een gevaarlijk goedje. Je kreeg er meer zelfvertrouwen van dan goed voor je was. De gekste dingen die ik schreef, en vanwege de paranoia – een andere nevenwerking van dat middel – werden mijn teksten hoe langer hoe gekker, begon ik nu haast geniaal te vinden. Al bleef mijn aangeboren twijfel gelukkig wel altijd op de achtergrond zeuren. Zolang ik aan mijn tafel bleef doorwerken, elke dag van negen uur ’s morgens tot ongeveer zes uur ’s avonds, was dat allemaal niet zo erg. Maar daarna kon dat in combinatie met tequila of bourbon wel eens uit de hand lopen. Van Captagon kun je immers agressief gedrag gaan vertonen. Senga en ik waren geen Sid Vicious en Nancy Spungen, verre van, maar soms begaven we ons op gevaarlijk terrein. Overigens heb ik Sid Vicious altijd een idioot gevonden, ik begreep helemaal niet waarom jongeren hem toen zo bewonderden. Had hij ooit iets goeds gedaan? Zich volgespoten met heroïne en zijn vriendin Nancy Spungen doodgeschoten in het Chelsea Hotel in New York City? In het najaar van 1979 begon ik te beseffen dat ik met die pillen moest ophouden en zoals ik enkele jaren tevoren van de ene dag op de andere was opgehouden met roken zo hield ik nu op met Captagon. Het was genoeg geweest. Het gevolg daarvan was echter dat ik het vanaf 1980 erg moeilijk kreeg met schrijven en geleidelijk aan in een zware depressie belandde. Gelukkig was er muziek, en waren er boeken. Zonder vrienden en zonder Senga, hoewel zij nog lange tijd daarna pillen is blijven slikken, had ik die immens donkere periode, die zo’n zes jaar aansleepte, mogelijk niet overleefd.

[1] De eerste notitie, met als titel Nachten in het Pannenhuis 1, dateert van 5 november 2019.

[2] “Basket of deplorables” is a phrase from a 2016 presidential election campaign speech delivered by Democratic nominee Hillary Clinton on September 9, 2016, at a campaign fundraising event, which she used to describe half of the supporters of her opponent, Republican nominee Donald Trump saying “They’re racist, sexist, homophobic, xenophobic”. The next day, she expressed regret for “saying half”, while insisting that Trump had deplorably amplified “hateful views and voices”.

[3] Het kan ook op televisie geweest zijn, mogelijk was het een optreden in Tienerklanken, Moef-Ga-Ga of Beat Club.


TWEEDE BRIEF AAN EEN VERRE VRIENDIN

[Nachten aan de Kant 34. Juni 1979]

Lieve vriendin,

Nu ik toch de moed en energie heb gehad om je te schrijven ga ik er nog even mee door. Nu hoop ik maar dat je mij niet te opdringerig vindt, met die overvloed aan woorden zo opeens. Ik had het erover dat mijn brieven van weleer niet altijd even verheven waren, dat ik net zo goed over alledaagse dingen schreef. “Almaar iets verstandigs geeft hoofdpijn”, schreef Mozart al in een brief aan zijn nichtje Maria Anna Thekla [1]. Nu zijn zowel de gebeurtenissen in de grote wereld als de banale voorvallen van alledag uit mijn mededelingen verdwenen. Niet alleen uit de paragrafen in die vorige brief aan jou, maar uit ongeveer alles wat ik schrijf. Ik vraag me af hoe dat komt. Want nu ik er even bij stilsta besef ik dat de realiteit toch nog in velerlei vormen bij me naar binnen blijft stromen: ik lees kranten en tijdschriften, ik zie films, af en toe is er bij vrienden een televisieavond, ik ga naar de bibliotheek, en ik praat veel met vrienden. Mogelijk gaan die gesprekken, meestal op café, te weinig over wat de wereld vandaag beweegt, over feiten en feitjes, mogelijk houd ik me te weinig bezig met wat small talk wordt genoemd. Overigens heb ik daar nooit aanleg voor gehad. Ongetwijfeld heeft de tijd – twaalf jaar – dat ik in een internaat zat opgesloten daarin een rol gespeeld. Je kent zeker het verhaal van mijn vier jaar ‘gevangenschap in het Rekemse bos’, die uiterst traumatische ervaring die me nog steeds de adem kan benemen.

Je weet dat ik meer een luisteraar ben dan een prater. Dat is zeker zo in een grotere groep maar ook in de vriendenkring. De gesproken taal stelt mij altijd weer op de proef. Vaak liggen de woorden op mijn tong, ik kan hun vertrouwde smaak haast proeven, maar mijn stembanden weigeren te gaan trillen. Pas veel later, als ik weer thuis ben en er niets meer aan heb, vind ik de juiste uitdrukkingen. Dronkenschap kan soms een bevrijding zijn; bepaalde remmingen vallen dan weg, het spreken gaat opeens vlotter. Ik vertel je niets nieuws. Hoewel er tijdens de dronkenschap een zekere luciditeit blijft bestaan wordt de horizon er toch door vernauwd, en vaak herinner je je achteraf nog maar zo weinig van het gesprek, hoe waardevol het ook mag geweest zijn. Het is een spreken zonder schaduw, zonder scherptediepte, zonder perspectief.


Onze goede vriend Paul Rigaumont, met wie ik nu elke dag samenwerk bij Aurora, liet me werk zien van een uitzonderlijk schilder, Vladimir Velikovic, geboren in 1936 in Joegoslavië. Ik las dat hij net als de schilder die ik het meest bewonder, Francis Bacon, gebruik maakt van fotografie, film en televisie. In foto’s is de bewegende realiteit tot stilstand gekomen. In film komen mensen en voorwerpen – en de natuur – in beweging. Het fotografisch onderzoek naar beweging van Eadweard Muybridge heeft een beslissende invloed gehad op zowel Velikovic als Francis Bacon. Je bent vertrouwd met zijn immens werk Animal Locomotion: an Electro-Photographic Investigation of Connective Phases of Animal Movements. Thema’s die bij Velikovic vaak voorkomen: de vogelverschrikker, de hond, de vogels, de ratten (meervoud), de doos. Volgens Velikovic is het hem niet om freudiaanse symboliek te doen. De ratten bijvoorbeeld overleven alles, zij zijn de laatste acteurs in het ultieme spel. Het fin de partie van Hamm, Clov, Nagg en Nell. Velikovic: “Wanneer ik honden schilder, maak ik zelfportretten. Maar de rat is voor mij de andere.” Je zou bijgevolg kunnen zeggen: de hel dat zijn de ratten. Hoe existentialistisch allemaal! Zou ik niet eens een essay over die Velikovic schrijven? Achteraf beschouwd vind ik mijn stuk Het wereldbeeld van Francis Bacon niet zo geslaagd: het is te subjectief, het gaat meer over mezelf dan over de twee Francis Bacons. Voor Velikovic zou ik me concentreren op het werk, zonder al te veel uit het eigen leven gegrepen associaties. Ik wil de beelden aan het woord laten.

Lieve vriendin, vorige nacht brak hier een hevig onweer los. Ik zal nog niet helemaal wakker geweest zijn toen ik dacht dat het echte eindspel was begonnen, de ultieme alles vernietigende oorlog. Eens helemaal wakker voelde ik een verlammende angst, die ik maar moeilijk van me af kon schudden. Was het een voorgevoel? Want met zoveel nucleaire wapens in de wereld zal het er ooit toch wel eens van komen. De kans is groot dat wij dat nog zullen meemaken. Gelukkig vatte ik al gauw weer de slaap en begon te dromen. Ik moest een voordracht geven over mijn tekst Stasis. Wat betekende die tekst, wat bedoelde ik ermee, wie zag ik als mijn lezers? Ik zat daar erg verveeld mee, daar ik er geen flauw benul van had wat ik zou moeten vertellen. Bovendien had ik nog maar weinig tijd om me erop voor te bereiden. Een secretaresse met een vlinderbrilletje op zei me dat de bijeenkomst in Londen zou plaatsvinden. Senga en ik zouden er 16 dagen moeten blijven, wat ons 140.000 frank zou kosten. Dat konden wij natuurlijk niet betalen. Daar vinden jullie wel iets op, zei de secretaresse, Londen biedt veel mogelijkheden. Je zou er kunnen optreden, je hoeft maar drie akkoorden te kennen en zangtalent is ook al niet vereist. Mevrouw zou topless kunnen performen, succes verzekerd. Ik kreeg dorst van het idee. De secretaresse, nu zonder bril en voor de rest alleen nog maar schoenen aan, reikte me een fles Spa Reine aan. Rechtstreeks van de Koninginnebron, zei ze. Of heb je liever Barisart? Het is al goed, zei ik. Op het etiket las ik: David Bowie is dood. De laatste jaren leidde de Londense zanger een teruggetrokken bestaan. Een slepende ziekte is de starman fataal geworden. Omringd door een kleine schare vrienden is hij vredig ingeslapen. Ik was ontzet. Een van mijn laatste helden, dood! Ik bevond me nu alleen in een slecht verlichte kamer. (Ik gebruik het woord ‘nu’ maar eigenlijk is er geen tijdsverloop in een droom. Of toch wel?) Er was niemand om me te troosten, om me te zeggen dat het niets was, een boze droom, niet meer dan dat. Ik besefte dat David Bowie overleed op de dag dat mijn voordracht in Londen was gepland.
Je begrijpt hoe blij ik was toen ik ontwaakte en besefte dat David Bowie daar in Berlijn bij de muur volop van het leven aan het genieten was en samen met Brian Eno onvergetelijke songs aan het opnemen was.

Het zij zo en het ga je goed!

[1] W.A. Mozart, Brieven; gekozen, ingeleid en becommentarieerd door Wolfgang Hildesheimer. Vertaling: R.R. Somann en H.W. Schwab

BRIEF AAN EEN VERRE VRIENDIN

Met Amsterdamse vrienden, Vossenplein, Brussel, 1971


[Nachten aan de Kant 33. Mei-juni 1979]

Aber das Saitenspiel tönt fern aus Gärten; vielleicht, daß
Dort ein Liebendes spielt oder ein einsamer Mann
Ferner Freunde gedenkt und der Jugendzeit
Friedrich Hölderlin, Brot und Wein

Hoe lang is het geleden dat ik je nog schreef? Meerdere maanden? Daar is maar één verklaring voor: ik kan het niet meer. Mogelijk wil ik het zelfs niet meer. Waarover zou ik wel schrijven? Er is een soort onverschilligheid en zelfs apathie – als het al geen lethargie is – in mijn ziel naar binnengeslopen. Weinig in de wereld boeit me nog werkelijk, weinig van wat om me heen gebeurt weet mijn enthousiasme te wekken. Nog niet zo lang geleden schreef ik brieven in buien van euforie en wat ik vervoering zou durven te noemen. Muziek was dan een belangrijk element om dat enthousiasme aan te zwengelen. Het ritme van wat eerder bedoeld was als achtergrondmuziek bepaalde het ritme van mijn woorden, melodieën kregen contouren en stemmen kleur, en vonden zo de weg naar de zinnen die op het papier verschenen en gingen er deel van uitmaken.

Toch waren mijn epistels niet bepaald verheven. Ik schreef over alledaagse dingen, over wat er in ons huis en in de wereld gebeurde. Mijn leven had zin omdat ik wist dat ik deel was van een groter geheel. Lange tijd voelde ik mij sterk betrokken bij wat tegencultuur werd genoemd. Je herinnert je zeker nog hoe ik dat boek The Making of a Counter Culture van Theodore Roszak heb verslonden? Nu vind ik het moeilijk om de emoties die met dergelijke verwantschap en betrokkenheid gepaard gaan te beschrijven. Een voorbeeld: kwamen studenten in de Verenigde Staten op straat tegen onrecht, zoals naar aanleiding van de brutale moord door de National Guard op een aantal studenten aan de universiteit van Ohio, dan voelde ik mij met hen verbonden. Hun strijd was mijn strijd. De emoties die zich bij hen roerden, roerden zich bij mij ook, of dat vermoedde ik toch.

Nu is dat gevoel van verbondenheid er niet langer: een tegencultuur lijkt niet meer te bestaan, bij een politieke partij, hoe links ook, kan en wil ik me niet aansluiten, terrorisme keur ik af, punk en new wave vind ik oppervlakkig en modieus. Wat er nog aan opstandigheid overblijft lijkt me onecht, niet veel meer dan gestes en poses. Kijk maar eens naar de aansteller Johnny Rotten. Het vuur van de bezetenheid ontbreekt. Waar zijn de enragés? De punks zijn sympathiek maar omdat zij de cultuur in haar geheel lijken te verwerpen kan er van een ware verstandhouding tussen ons geen sprake zijn. Ik heb de indruk dat punks liever spuwen op boeken dan ze te lezen, al zullen er uitzonderingen zijn. Zij begrijpen mij niet en waarschijnlijk begrijp ik hen niet. Als punk al een beweging is dan is ze er een van onbezonnen anarchisten en nihilisten. Van punks hoef ik geen antwoord te verwachten op mijn vraag naar een nieuwe gemeenschap waar ik, zonder mijn eigenheid op te geven, deel van zou kunnen worden. Ik vermoed dat ik zal moeten leren leven met de geestelijke eenzaamheid die nu mijn lot is. Begrijp me niet verkeerd: ik heb heel wat vrienden die me veel geven en die veel voor me betekenen. Een groepje vrienden en genossen – om het woord van Hölderlin te gebruiken – vormt echter geen gemeenschap. [1]

Lieve vriendin, het spijt me dat dit allemaal weinig opbeurend klinkt. Ook al kan ik geen brieven meer schrijven zoek ik toch nog naar andere vormen van communicatie. Voorlopig zonder resultaat. Mijn literaire teksten zijn te ingewikkeld en te idiosyncratisch om ermee tot de andere – ook tot jou – door te dringen, om hem of haar deelachtig te maken aan mijn innerlijke wereld. Mijn vriend Giuseppe zegt al langer dat ik me wat dat betreft in een doodlopend straatje bevind, dat ik eenvoudiger moet gaan schrijven en bij misdaadauteurs zoals Raymond Chandler, Dashiell Hammett en Patricia Highsmith in de leer gaan. Ik weet het niet. Zeker wil ik uit deze toestand van apathie geraken. Ik wil koste wat het kost vermijden dat ik vast kom te zitten. Werken, schrijven dus, betekent samen met liefde en seks voor mij alles. Nee, dat is niet helemaal waar want ik verlang natuurlijk ook naar die andere, voorlopig onbereikbare gemeenschap. Ik wil me blijven verzetten tegen elke vorm van conformisme. Het grootste gevaar dat me bedreigt is berusting in een onleefbare toestand, die waarin het vonkje van de geest voor goed is uitgedoofd. Dat mag niet gebeuren. Het werk bij de filosofische kring Aurora kan me op weg helpen, maar ook daar zijn we geïsoleerd. Filosofen, schrijvers en kunstenaars in een stad van leeghoofden, dichters in een contrei van dronkaards.

Nietzsche in De vrolijke wetenschap: “Ik doe telkens weer dezelfde ervaring op, en ik verzet er me telkens opnieuw tegen, ik wil het niet geloven hoewel de bewijzen voor het grijpen liggen: het overgrote merendeel der mensen heeft geen intellectueel geweten; ik heb zelfs vaak de indruk gehad dat wie iets dergelijks zou willen eisen in de dichtsbevolkte stad zo eenzaam zou zijn als in de woestijn.”

Het ga je goed!

PS: Herinner je je Luc V. en Hilde nog? Vandaag trouwen ze. We gaan naar het feest en het zal nog maar eens een lange nacht worden. Vreugde in het hart en veel dode hersencellen.

[1]
Indessen dünket mir öfters
Besser zu schlafen, wie so ohne Genossen zu sein,
So zu harren, und was zu tun indes und zu sagen,
Weiß ich nicht, und wozu Dichter in dürftiger Zeit.
Aber sie sind, sagst du, wie des Weingotts heilige Priester,
Welche von Lande zu Land zogen in heiliger Nacht.
Friedrich Höldelin, Brot und Wein

DE VOORTREFFELIJKE VRIEND

Jeanne Hébuterne


[Nachten aan de Kant 32]

Ik moest weer een keer naar de flat in de Vinkenstraat. Voor de gelegenheid had ik mijn nieuwe regenjas van de Wolmolen aangetrokken, een vrouwenmodel en wat te klein maar wel mooi en – in onze situatie van groter belang – goedkoop. Giuseppe had mij gezegd dat hij een tijdje alleen wilde zijn, om te studeren; hij had rust nodig. Toch moest ik hem zien. Ik moest met hem praten. Ik had best wat vrienden maar alleen met Giuseppe was het soort diepgravend gesprek nodig waar ik nu naar verlangde. Gelukkig was Giuseppe opgetogen met mijn onverwacht bezoek. Toch bleef ik gespannen: zou ik niet weer een allergieaanval krijgen van het opgehoopte huisstof en de huidschilfers van de poezen van Giuseppe? Als ik onrustig ben en mijn zenuwstelsel verstoord is ben ik er meer vatbaar voor dan anders. De voorbije weken had ik mijn zenuwen zowel ’s nachts aan de kant als overdag in mijn werkkamer erg op de proef gesteld.

Giuseppe had bier voor ons ingeschonken en zat nu tegenover me. In zijn ogen zag ik die blije tristesse die zo typerend voor hem was. In zijn blik lag een onbereikbare verte en tegelijk kwam hij als hij je aankeek heel dicht bij je. Altijd weer vroeg ik me af of iemand met dergelijke eerlijke ogen wel geschikt was om op ons ondermaanse slagveld te overleven. Leven zonder meer, dat wel, maar vechten om wat je nodig hebt om het te behouden en te verrijken, dat mogelijk niet. Een moment viel ik ten prooi aan herinneringen aan de Schippersschool in Eisden. Ik dacht terug aan de twee zorgeloze jaren die ik daar in het mijnwerkersdorp dichtbij de Maas had doorgebracht. Giuseppe’s vader was er directeur geweest. Giuseppe – die drie jaar jonger was dan ik – leerde ik pas later kennen. De directeur was een zachtaardige en bescheiden man die zich liet manipuleren door een brutale vent, de internaatbeheerder, mijnheer Peyskens. De enige man die mij ooit een slag in het gezicht heeft gegeven. Giuseppe’s vader had dezelfde ogen als zijn zoon.

Ik vertelde mijn vriend over het memorabele concert van Patti Smith en haar band dat ik op televisie had gezien en over the J. Geils Band. Giuseppe had net Wave, de nieuwe elpee van Patti Smith, aangeschaft en daar luisterden we naar. Ik herkende enkele nummers die ze in Rockpalast had gebracht: Frederick, Dancing Barefoot en So You Want To Be A Rock And Roll Star. Het klonk allemaal wat braver en meer gepolijst dan de live-uitvoeringen die ik kort tevoren had gehoord. In de hoestekst schreef Patti Smith over het nummer van The Byrds dat ze er in de sixties niet gek op was geweest. “It seemed to say that in this field of honor, sooner or later, everybody gets hurt and I just didn’t believe it.” Op de hoes trof ik merkwaardige foto’s aan van de in 1978 vermoorde paus Albino Luciani en van Jeanne Hébuterne, de geliefde van Modigliani. I Did You No Wrong van the J. Geils Band onderbrak mijn kortstondige dromerij. Giuseppe had Ladies Invited van de beste band uit Boston op de platenspeler gelegd. Hij gaf me de hoes door. Volgens mijn vriend waren de ogen en de lippen die daarop te zien waren die van Faye Dunaway. Met haar had zanger Peter Wolf destijds een relatie gehad. Uitstekende plaat, afgrijselijke hoes, vond ik. En wat was er met Faye Dunaway gebeurd? Had zij na Chinatown nog iets noemenswaardg gedaan? The Eyes of Laura Mars was niet meer geweest dan veredelde kitsch. Ik vroeg me af of we ons misschien vergist hadden in haar acteertalent. Had haar schoonheid ons niet verblind?

Giuseppe was een nog grotere boekenliefhebber dan ik. Ook nu weer glunderde hij toen hij me zijn nieuwe aanwinsten liet zien: Robert Musils Der Mann ohne Eigenschafte, Virginia Woolfs Schrijversdagboek, enkele romans van Dostojewski, James Joyce, Thomas Hardy en Katherine Mansfield, de verzamelde gedichten van D.H. Lawrence.

Omstreeks middernacht was Giuseppe’s voorraad bier op. We besloten naar de Pallieter aan het Mechelseplein te lopen, het stamcafé van de studenten van Studio Herman Teirlinck. Als je mooie narcistische meisjes en jongens wilde observeren was dit de juiste plek. Ze kwamen er hun pas aangeleerde kunstjes tonen en wilden dolgraag een gesprek met je aanknopen over Konstantin Stanislavski, Peter Brook of Lee Strasberg. Niet vanavond echter. Giuseppe herinnerde me aan een brief van me waarin ik het over de vriendschap bij Aristoteles had gehad. Het was de mooiste brief die hij ooit van iemand had ontvangen, zei hij. Ik had daarin verwezen naar de uitspraak van Aristoteles dat een vriend een tweede ik is. Aristoteles maakt een onderscheid tussen drie soorten vriendschap: vriendschap gebaseerd op nut, op genot en wat hij de volmaakte vriendschap noemt, die tussen goede mensen, mensen die elkaars gelijken zijn op het stuk van voortreffelijkheid (wat ook als deugd wordt vertaald). “Hun vriendschap,” schrijft Aristoteles in de Ethica, “duurt dan ook voort zolang zij goed zijn; en voortreffelijkheid is duurzaam.” “Zo’n vriendschap is vanzelfsprekend duurzaam, want daarin zijn alle kenmerken verenigd die vrienden moeten hebben.” [1]
Giuseppe zei me dat ik zijn enige vriend ben. Het zou verschrikkelijk zijn mocht aan onze vriendschap een einde komen, voegde hij er nogal onheilspellend aan toe. Ik verwees opnieuw naar Aristoteles. Waren wij niet allebei voortreffelijke mensen? Waar moesten we dan bang voor zijn?

Giuseppe had onlangs in Playboy een interview met Sartre gelezen. Dat ging onder meer over diens amfetaminegebruik, wat Giuseppe fascinerend vond. Zelf keek ik ook wel op naar schrijvers die peppillen slikten, al was daar op zich geen enkele verdienste aan. Jack Kerouac, Tennessee Williams, Truman Capote… En waren Bob Dylans beste songs niet tot stand gekomen onder invloed van benzedrine? Giuseppe drong erop aan dat ik eindelijk Les Chemins de la liberté eens zou lezen. Ik was er al meermaals in begonnen maar had het boek nogal dor en langdradig gevonden. Veertig jaar later heb ik die trilogie nog steeds niet uitgelezen.
Mijn vriend vond dat het nu maar eens tijd werd dat ik ook een roman ging schrijven, die experimentele teksten in Aurora waren een doodlopend straatje. Ik betwijfelde of ik dat wel kon. Je moet dan een plan, een ontwerp maken en je daar vervolgens al schrijvend nauwgezet aan houden. Je moet personages bedenken, ze een innerlijk leven geven, een bepaalde manier van spreken, van zijn, je moet hun karakters uitdiepen en laten zien hoe ze zich in hun relaties met anderen en met de wereld ontwikkelen. Hoe ze betere mensen worden, of ten onder gaan. Je moet allerlei soorten mensen observeren, met ze praten, naar ze luisteren. Ik geloof niet dat ik dat allemaal kan. Ik kan alleen maar schrijven wat ik moet, vanuit spontane opwellingen en onbewuste verlangens. Mijn geschrijf heeft een neurotische inslag, ik moet het doen om niet gek te worden. Of om me niet te vervelen. Al is het geen tijdverdrijf maar een innerlijke noodzaak. Omdat ik me in mijn schrijven soms laat gaan, waar die peppillen zeker een rol in spelen, heb ik achteraf een hoop werk om ballast te verwijderen, ik moet zoveel schrappen en herschrijven, structuur aanbrengen. Om een roman te maken moet je met die structuur beginnen.

Zo werd het zonder dat we het door hadden weer erg laat. Giuseppe wilde per sé de rekening betalen en gaf me meer dan voldoende geld voor een taxi. Ik zou toch dat hele stuk naar huis niet te voet afleggen?


[1] Aristoteles, Ethica, VIII-IX. Vertaald door Christine Pannier en Jean Verhaeghe.

Faye Dunavay in The Eyes Of Laura Mars

DE WENK VAN ASSEPOESTER

[Nachten aan de Kant 31]

Niets schijnt mijn nachtelijk verlangen naar roes en extase, naar de nabijheid van vreemde dansende lichamen te kunnen temperen. Vreemd zijn de mensen op de dansvloer omdat ze niet spreken, alleen maar bewegen, dichtbij omdat ze net als ik lustgevoelens uitwasemen en in hun gebaren de nood aan aanraking verraden. Wijst dit verlangen van mij op een sterke verwevenheid van eros en thanatos, of is dat een al te freudiaanse interpretatie?

De voorbije twee weken beleefde ik opnieuw van die intense nachten die vooral mijn zintuigen ontregelden. De eerste nacht hoorde ik voor de zoveelste keer de lokroep van de vochtige kelder die Cinderella’s Ballroom heet. Bizar toch, die naam: de balzaal van Assepoester. Maar ook wel gepast want gedanst wordt er de hele nacht en bijna alle jongens en meisjes – ik kan ze moeilijk mannen en vrouwen noemen – hebben extravagante schoenen aan hun voeten, al zijn ze niet van glas. Over de rode schoentjes van Senga had ik het al eerder. Mogelijk liggen de punkmeisjes die er ’s nachts komen dansen overdag in lompen gehuld dicht bij hun kolenkachels in de assen te slapen.
Alles in de balzaal van Assepoester is opwinding en genot en tegelijk zelfvernietiging en pijn. Voor mijn gezondheid en mijn zenuwen zijn dergelijke nachten nefast. Mijn longen verstikken in de rook, in de stank van de riolering; mijn poriën raken verstopt van het zweet en andere exhalaties. Je bent er niet veel meer dan je lijf, met lijfelijke driften en behoeften. Of bevat de muziek die DJ Maryse draait – songs zoals Ain’t That Nothing van Television, Police and Thieves van the Clash, Step By Step van Mikey Dread, Cheree van Suicide – een minder aards element, draagt zij impulsen over die je onbewust weer meeslepen naar het engelachtige niveau van de gedichten van Shelley en TS Eliot waarin je je overdag hebt verdiept?

Eerder die avond was ik in het Pannenhuis. Er was een tentoonstelling met gigantische, tijdloze werken van Frans Gentils, adembenemend mooi. Dergelijke doeken zie je doorgaans alleen maar in luisterrijke zalen van musea hangen maar nu kon je ze hier, in deze zogeheten nihilistische new wave artiestenkroeg bewonderen. Na de vernissage was er een rhythm and blues en reggae party, maar daar zijn we niet al te lang gebleven. Assepoester en haar dubbelgangsters Lucette, Alicia en Hadaly lieten opnieuw hun lokroep horen.

Zondagochtend om acht uur strompelden we de trap op, lijkbleek, mager, mooi als bijna verwelkte orchideeën. We haastten ons niet meteen naar huis: ik had er alles voor over om eerst nog de Schelde te zien. In haar nabijheid zou ik verlost worden van de donkere gevoelens die mij kort voor de dageraad hadden overmeesterd. De warmte van de zon, de verkoelende frisse wind die ons van de rivier tegemoet waaide. De meeuwen fladderend boven het met lichtvlekken doorspekte donkere water. Aan de overkant van de brede rivier de flatgebouwen van goud, waarin mensen zoals wij liggen te slapen. Opeens heb ik het gevoel dat alle dingen om mij heen transparant worden. Ik kijk naar Senga en zie een doorzichtige engel, haar handen, haar ogen. Ik voel de vernietigende elektriciteit en het gif in mijn lichaam als vampiers wegvluchten voor dit verblindende licht.

De tweede nacht begon op een vernissage van Guillaume Bijls tentoonstelling in Ruimte Z: transformatie van de galerij in een Autorijschool Z. Sinds 1977 had ik het werk van mijn vriend van nabij zien evolueren. Hij zag in alle geledingen van de maatschappij het economisch denken de overhand nemen. De hele samenleving en al het mooiste en voortreffelijkste in de mens zou al gauw worden opgeofferd aan efficiëntie en nut. De taal die van bovenaf naar beneden druppelde was die van managementsidioten en omhooggevallen parasieten. Guillaume ging nu met veel gevoel voor humor en ironie, maar ook bijzonder kritisch, de kunst vanuit die optiek benaderen: zo ontstonden zijn kunstliquidatieprojecten. Dit was zijn eerste: zoals Assepoesters goede fee een pompoen en een stel muizen omtovert tot een koets met paarden, veranderde Guillaume Ruimte Z in een autorijschool. Al was zijn kunstgreep het tegenovergestelde van feeëriek. Er zouden in de volgende jaren nog heel wat van die projecten volgen.
We waren er samen met Gabrielle D., die waarschijnlijk bij ons in de Dolfijnstraat zou intrekken, en met Giuseppe. Ik voelde me opnieuw gezond, uitgerust en in een prima stemming. Dat bleef de hele avond en nacht zo. Geen uitbundig de nacht wegdansen dit keer, maar lachen, praten en samen drinken. Onderweg naar een café aan de Kant heb ik in Sint-Katelijne Vest aan het witgeverfde beeld van de lijdende Jezus geknield zitten bidden. Tranen van geluk rolden over mijn wangen. Wat vonden mijn maatjes van mijn performance? Van de rest van de nacht herinner ik mij weinig. Het gebeurt almaar meer dat er na zo’n nacht gaten in mijn geheugen zitten. Ik geloof dat ik Gabrielle over mijn mislukte voordracht over Dante’s Paradiso vertelde. Die was door een verkeerde aanpak misbegrepen. Ik had mijn redevoering sarcastisch bedoeld, om met het sérieux van sommige academici en intellectuelen de spot te drijven, maar omdat ik een onervaren en schuchtere spreker ben en bovendien een middelmatige acteur, werd die als een ernstig vertoog geïnterpreteerd. Het publiek was ervan overtuigd dat ik mij had overgegeven aan etherische visioenen van het paradijs en dat ik Dante’s geometrische schoonheid bejubelde. Ze hadden mijn lectuur van Dante al te romantisch en wereldvreemd gevonden. Terwijl ik met Gabrielle over die mislukking zat te praten kon ik er eindelijk mee lachen. Dat herinner ik me nog.

De volgende dag bij het ontwaken de eeuwige kater. Niemand heeft dat soort lusteloosheid beter uitgedrukt dan Kris Kristofferson in Sunday Morning Coming Down. ’s Avonds bij Guillaume en Renée ging het al beter. Op televisie zagen we the Patti Smith Group live in het schitterend programma Rockpalast. Patti Smith liet nog een keer zien dat ze de hogepriesteres van de hedendaagse rock-n’-roll is. Een spirituele en tegelijk laag-bij-de-grondse sjamaan, een punkmeisje, een afstammelinge van Elvis Presley en een jongere zus van Jim Morrison. Haar intentieverklaring was So You Want To Be A Rock And Roll Star, oorspronkelijk van the Byrds. You’re a little insane, krijste ze; het klonk als een bezwering, een mantra. Samen met gitarist Lenny Kaye en de andere muzikanten van haar band riep zij de geest op van acidrock, de sound van Jefferson Airplane, Quicksilver Messenger Service en the Doors, lange gitaarsolo’s, ijle en dromerige muziek. Ik hoorde nostalgie naar de gouden tijd van vrede en liefde maar net zo goed ontwaarde ik in haar gestes en gymnopédie de convulsieve schoonheid van André Breton. Met haar toeschouwers leek Patti Smith brutale seks te willen hebben. Ze besefte dat ze nooit eerder voor zo’n groot publiek had gespeeld, heel West-Europa was haar potentieel publiek. Dat maakte haar zichtbaar gelukkig maar ook enigszins bezeten en overmoedig. Ik voelde diep van binnen dat er iets neerdaalde, een vonk van herinnering aan een hoopvolle tijd en de belofte van verandering, ginds in dat concertgebouw in Essen.

Foto’s: Martin Pulaski

DE POSTMODERNE POSTBODE EN DE EINDELOZE NACHT

[Nachten aan de Kant 30 – April 1979]

De voorbije weken hielp ik Guy Bleus met voorbereidingen voor zijn nieuwe tentoonstelling/performance in het Pannenhuis: Smell Art/Mail Art. Je zou kunnen beweren dat Smell Art – ook olifactory art genoemd – geen nieuwe vondst is, onder meer Marcel Duchamp en Benjamin Péret gingen hem daarin voor. Maar voor mijn vriend is het in elk geval een nieuw avontuur en voor de toeschouwers en ook voor mezelf een soort van openbaring. Opeens besef je dat de reukzin in vergelijking met de andere zintuigen altijd al als minderwaardig werd beschouwd, zeker in de klassieke kunst. Is dat vanwege het verband van de reukzin met basale gevoelens als angst, seksuele drift en honger? [1] Ik heb de indruk dat nogal wat kunstliefhebbers dit nieuwe aspect in de ontwikkeling van Guy Bleus als kunstenaar niet erg au sérieux nemen. Dat is op zich niet zo erg, want smell art is inderdaad speels. Tegelijk is het esthetische kritiek op de esthetica, in de lijn van het dadaïsme en het surrealisme.

Op avond van de performance/voorstelling was het aantal aanwezigen eerder schaars. Waar waren de vaste klanten van het Pannenhuis? Guy heeft maar vijf van zijn diploma’s kunnen uitreiken. Ja, zijn roemruchte diploma’s waren er ook. Overigens is uitreiken niet helemaal correct, je moet er immers voor betalen. Zelf heb ik een diploma van doctor in de neuropsychiatrie, zo echt dat ik er meteen mee aan de slag zou kunnen gaan. Ik heb al wat ideeën voor de inrichting van mijn praktijk, nu nog een geldschieter vinden. Of ik maak er een filosofisch kabinet van, in Nederland bestaan die al, dat las ik onlangs in een of andere krant. Het viel me opnieuw op hoe sierlijk de fake handtekeningen van Guy Bleus zijn. Autogrammen als die van Rimbaud geven zijn diploma’s zoveel meer cachet dan de echte exemplaren. Wat is mijn handtekening in vergelijking daarmee onvolwassen, lelijk zelfs.
Guy zei me dat ik ook maar eens moet tentoonstellen; waarom doe ik niet eens iets met mijn gedichten? Ik twijfel nog. Gedichten dienen niet om naar te kijken, of ze zouden er als de Calligrammes van Apollinaire moeten uitzien. Maar hij heeft gelijk dat ik mijn werk op de een of andere manier moet tonen. Dat ik er aandacht moet voor vragen. Want mijn werk, dat ben ik.

Bij Guillaume en Renée zagen we La Notte van Michelangelo Antonioni. Ook dat was een openbaring. Waarom heb ik die modernistische film nooit eerder gezien en wel Blow-Up en Zabriskie Point? In La Notte heeft de regisseur uit Ferrara meerdere thema’s verwerkt. Een strak verhaal is er niet. Helemaal in het begin daalt de camera af van ergens boven in de Pirelli Toren in Milaan en laat je zo een blik werpen op de stad in wederopbouw. Je wordt een stille getuige van een huwelijk, dat van de romanschrijver Giovanni Pontano en zijn vrouw Lidia, dat niet meer te redden valt. Je kijkt mee door de ogen van Lidia en ontdekt Milaan als een poëtisch-architecturaal universum. Terwijl de nieuwe, moderne stad ontstaat voorvoel je al haar verval. Het volume van de wolkenkrabbers, het alomtegenwoordige beton en staal, het op hol geslagen, letterlijk verstikkende verkeer, werken de vervreemding in de hand. Je voelt aan dat niemand het hier honderd jaar zal volhouden, tenzij als ongelukkige slaapwandelaars. In de buitenwijken word je samen met Lidia lyrisch, maar niet lang. Want ook daar rukken de betonboeren op en waar tot voor kort weideland was is er nu wasteland. Dat woord van TS Eliot staat hier niet zomaar. Daar ontwaren we een groepje mannen die vuurpijlen de lucht in schieten, ze lijken op kleine raketten, met als grootste verschil dat ze geen doel hebben. Ze gaan in rook op. Deze randmensen verdrijven de schrikbarende tijd met zinloze handelingen en gestes. Je voelt Lidia’s ontreddering. Niet alleen haar huwelijk is gedoemd, de hele mensheid lijkt van zin verstoken. Toch lijkt haar verwarring niet te beletten dat ze ook nog prettige herinneringen heeft. Soms verschijnt er zelfs een glimlach op haar gelaat. Maar hoe hevig haar emoties ook zijn, ze blijven ingehouden. Het moet gezegd: Jeanne Moreau is voor deze rol de perfecte actrice.

De teleurgestelde romanschrijver Giovanni Pontano personifieert het probleem van de moderne literatuur, de betekenis van de schrijver en van de kunstenaar in het algemeen. Is het beroep van schrijver, een soort van subliem ambacht (Pontano als “il miglior fabbro”) niet achterhaald in het tijdperk van de technologie en een mogelijke nucleaire Dag des oordeels? Hoort iemand als Pontano ondanks zijn succes niet in een museum thuis? Waartoe nog gekunstelde zinnen bouwen die over de werkelijkheid gaan? Een ondernemer laat echte huizen en echte bruggen bouwen, laat echte schepen varen, echte vliegtuigen vliegen, echte arbeiders arbeiden.
De taperecorder van Valentina, de dochter van de rijke industrieel Gherardini, maakt de schrijfmachine als attribuut van de creatieve schrijver al bijna overbodig. De macht van een industrieel overschaduwt elke macht die een schrijver eventueel zou kunnen uitoefenen.

La Notte is doordrongen van de filosofie van het absurde. Het existentialisme van Albert Camus bepaalt in 1961 de tijdsgeest, ook bij de Italiaanse kunstenaars en intellectuelen. Het leven heeft geen zin en het spel heeft geen regels. “Je moet toch iets doen,” zegt Lidia als motivatie om naar een feestje van Gherardini te gaan.
Er wordt veel gezwegen in de films van Antonioni, en in La Notte mogelijk het meest van al. Iedereen in en rond de villa van Gherardini is eenzaam, niemand slaagt erin om tot de andere door te dringen. Niemand zegt wat hij of zij voelt, de taal is ontoereikend. Niemand kent de regels van het spel. Het luxueuze zwembad lijkt een uitvinding van aliens.

Je krijgt als toeschouwer niet één keer de kans om de tijd te vergeten. De nacht duurt lang, het is loden tijd. Hij wil maar niet wijken voor de dag. Je gaat zo hopen dat de film niet te lang meer zal duren. Je wilt uit die eindeloze nacht weg. Je bent er te zeer aan je lot overgelaten, ‘moederziel alleen’. Ik heb geen inspiratie, zegt Pontano tegen zijn vrouw Lidia, alleen maar herinneringen.

Ook in de salon van onze vrienden werd er na afloop van La Notte nog lang gezwegen. Met behulp van een glas bier en wat flauwe grappen brak uiteindelijk het ijs. Het was maar een film. Niets had ons beschadigd.

*

April 1979 – oktober 2020 [1] “Tips voor je eerste date: zorg dat er geen vieze luchtjes om je heen hangen, was je kleren goed, ga eens naar de mondhygiëniste, ”  aldus Iris Sommer, auteur van De zeven zintuigen, Over waarnemen en onwaarnemen.

STAMGASTEN

[NACHTEN AAN DE KANT 28. MAART 1979]

Een paar dagen na de openbaring van Charles Bukowski zat ik met enkele vrienden in het Pannenhuis. Dat was nu een vertrouwd toevluchtsoord geworden. Senga en ik waren eerst in de Cartoons, een kleine bioscoop voor cinefielen in de Kaasstraat, naar The General, het meesterwerk van onze uitverkoren komiek Buster Keaton gaan kijken. Het is tot op vandaag een van mijn meest geliefde films. Na de voorstelling liepen we in stilte over de Grote Markt, die ik altijd al zoveel mogelijk probeerde te vermijden omdat de onregelmatige vorm ervan me neurotisch maakt. De Brabofontein van Jef Lambeaux leidt me evenwel soms in bekoring, en dan kan ik maar moeilijk aan de neiging weerstaan om erop te klimmen. Dat deed ik niet: we sloegen de Kaasrui in en liepen via de Wijngaardstraat naar het Conscienceplein, het hart van de Kant.

In het café van Greta en Toulouse troffen we Guillaume en Renée aan, haar zus Chantal en haar vriend Gazoe. We waren met z’n allen in een ernstigere stemming dan meestal het geval is. Senga vertelde wat over The General, hoe teleurgesteld Buster Keaton was geweest over de negatieve reacties. De film had destijds helemaal geen succes gehad, recensenten vonden er niets grappigs aan. Mijn vriend Guy Bleus had bij hem thuis in Wellen een grote poster van Buster Keaton hangen. Buster was voor hem een lichtend voorbeeld. Na een paar glazen bier en wijn werd de sfeer wat losser, zoals dat wel vaker gebeurt. Gazoe was onder de indruk van Voyager 1, die net Jupiter had bereikt. Renée merkte op dat die raket sneller op Mars geraakt dan Gazoe met zijn bestelwagentje van in de Wolstraat tot aan de Dageraadsplaats. Gazoe had gelezen dat de Voyager muziek aan boord had, maar wist niet meer wat precies. Ik had er een lijstje van gezien en had een nummer van Chuck Berry, Dark Was the Night van Blind Willie Johnson en een van de Brandenburgse concerten van Bach onthouden. Renée vroeg zich af of er geen Jupitersymfonie was meegestuurd. Gazoe stelde zich de Jupitermannetjes en -vrouwtjes voor, luisterend naar No Particular Place to Go. Senga zat nog met Buster Keaton in het hoofd. Die zag ze nog niet meteen dansen op de rock and roll van Chuck Berry. Zelf dacht ik opeens aan Worstenman VDB: die vetzak heel zeker niet. Chantal wees erop dat er nog een stel varkens losliepen aan de Franse grens. Of die varkens al dan niet konden dansen, dat wist Guillaume, die al een hele tijd had gezwegen, nog zo maar niet. Hij vond dat Bruce Springsteen erbij moest zijn in die raket, een hedendaagse versie van Chuck Berry. Onlangs, tijdens een televisieavond bij Guillaume en Renée, hadden Senga en ik de zanger uit Asbury Park voor het eerst live gezien. Ik had hem geweldig gevonden. Springsteen was inderdaad, zoals Jon Landau beweerde, de herboren ziel en de toekomst van rock & roll. Hij laat het poppeloton ver achter zich, hij is een Fausto Coppi, een Eddy Merckx, niemand haalt hem nog in. Guillaume herhaalde nu hoe fantastisch hij hem vond, een blanke James Brown, en dan nog eens die briljante E-Street Band met hun aanstekelijke jive. Dat ritme, tsjak tsjak tsjak! Ik kwam helemaal op dreef. Ik zag in hem een positieve held, iemand die ons zowel opwinding als moraal brengt. Hij houdt zijn publiek voor wat een goed leven is. Je kunt niet zomaar als een blinde leven, je moet een droom hebben, een ideaal dat je moet proberen te verwezenlijken. Guillaume vreesde dat ik te ernstig werd. Voor hem was de zanger net zo goed een hansworst, een poesjenel, een clown, een rondreizende predikant en een verleider. Ja, een gunslinger bovendien, voegde ik eraan toe. Guillaume was in zijn nopjes nu Bo Diddley ter sprake kwam. Bo Diddley was een van zijn oude helden. Die rechthoekige rode gitaar van hem, dat was voor Guillaume pure popart. Niet toevallig dat Peter Blake hem heeft geschilderd, vond hij. Fantastisch werk, beaamde Renée. Bij de uitvoering van Rosalita deed hij me aan Dean Martin in Rio Bravo denken. Waarom weet ik eigenlijk niet en hij heeft al helemaal niets van een borrachón. Gazoe riep uit dat hij, Gazoe, hier de borrachón was. Renée was dan weer van mening dat Springsteen niet alleen maar een held en een moralist was maar in de eerste plaats een vuile rock & roller. Daar waren we het allemaal mee eens.
Senga vertelde dat François en Astrid hun schip hadden verkocht en nu aan de wal woonden. Ze hebben in Hoeselt een café overgenomen. Chantal vroeg zich af waar dat ergens was, Hoeselt. Ik wees naar een onzichtbare kaart van België en zei dat Hoeselt een stadje in Limburg is, niet ver van Bilzen. Die Derby, dat komt door mijn schoonzus, een meisje van de wal. Ze was het leven aan boord zo beu als koude pap. En nu zitten ze daar in dat dorpscafé. Als dat maar goed afloopt. Het lijkt me zo’n typisch stamcafé voor leeglopers en zatlappen. Borrachóns, riep Gazoe uit. Senga merkte op dat er toch maar een jukebox stond, een Seeburg nog wel, en dat wij er onlangs een keer geweest waren en hadden gedanst op Da Ya Think I’m Sexy. Rod Stewart!, lachte Renée. Guillaume, de ware familieman, dacht dat het allemaal wel goed zou komen met Astrid en François en zei dat hij ons bij een volgende gelegenheid wat reproducties van Peter Blake zou laten zien. Vervolgens liep hij, statig en als altijd geheel in het zwart, naar de toog en bestelde bij Greta, die in een pocket zat te lezen, waarschijnlijk misdaad, nog een rondje.

Het was al laat toen ik aan diezelfde toog in gesprek raakte met Maria Mentens. Eigenlijk was het voornamelijk luisteren wat ik deed. Maria vertelde over haar vader, Michel Mentens. Hij was ambtenaar van beroep maar had eigenlijk acteur willen worden. Hij had een zwak voor kunstenaars, meer nog als ze jong en idealistisch waren. Geborneerde types vervullen hem met weerzin. Dat eerste had ik een paar jaar eerder zelf ervaren in Doorndal, een jeugdhuis in Sint-Pieters Woluwe, waar we mijn toneelstuk Dr. Jekyll & Friedrich Nietzsche hadden opgevoerd, met Senga in de rol van de Egyptische buikdanseres en prinses Mumie Ma. Ik had haar willen inwikkelen in witte linnen zwachtels. Daar zouden we haar tijdens het hoogtepunt uit bevrijd hebben, om het publiek met haar naakte Egyptische schoonheid uit het veld te slaan. Daar was niets van terecht gekomen: Senga was te schuchter geweest en bovendien heb je voor zo’n inwikkelproces 375 vierkante meter stof nodig en duurt het ongeveer veertien dagen. We moesten realistisch blijven: het stuk ging niet eens over een Egyptische prinses. Michel Mentens was erg enthousiast geweest en had me aangemoedigd. Mijn vader heeft veel respect voor acteurs en alles wat met theater te maken heeft, zei Maria. Voor hem maakt het niet uit of je beroemd bent of niet. Hij ziet meteen of wat je doet uit het hart komt. Heb je hem nooit bezocht in het huis aan Mooi Bos, vroeg ze. Helaas niet, zei ik. Senga en ik zijn kort na die voorstelling naar hier verhuisd. Misschien waren we toch beter in Brussel gebleven. Nee hoor, zei Maria, hier is het veel beter. Alleen al voor deze kroeg zou ik naar Antwerpen verhuizen. In Brussel staan ze nu uren voor jou in de kou, zei ik. Zot, zei Maria. Opeens kreeg ik zin om haar te kussen. Maar we hingen aan de toog en Toulouse en Greta hadden er duidelijk genoeg van. Tijd om te vertrekken uit de Kant.

LIEFDE IS EEN HELLEHOND

LIEFDE IS EEN HELLEHOND

[NACHTEN AAN DE KANT 27]

Waarom die lange nachten zonder slaap? Vrees je dat je anders te weinig uit het leven zal halen? Het moet angst voor de dood zijn, of de vrees voor een te kort leven. Je wilt elk ogenblik bewust ervaren. Zelfs tijdens een roes wil je je hoofd niet verliezen. To be alive is to be awake, stelde Henry David Thoreau lang geleden al vast. Slaap is niet de broer van de dood, het is de dood zelf.
Je was niet de enige die dacht dat je op je 27ste aan je einde zou komen. In 1969 Blankenberge lag je tezamen met vijf of zes hippies op de grond of op een bed in een voor de rest lege kamer boven een café. Een van je Brusselse kameraden lachte toen hij je een joint doorgaf. Jij hebt toch astma, Martin, ha ha, jij eindigt nog zoals Brian Jones. Brian Jones was kort tevoren, en niet lang nadat Mick Jagger en Keith Richards hem zijn ontslag als Rolling Stone hadden gegeven, op zijn 27ste overleden. Brian Jones, die the Rolling Stones had opgericht en de groepsnaam had bedacht. Je lachte zelf ook. Het was de eerste keer dat je hasjiesj rookte. Je verdween in een droom, daartoe ook nog eens aangespoord door A Saucerful of Secrets van Pink Floyd. Behalve een bed, of mogelijk twee bedden, stond er in die Blankenbergse kamer dus ook een platenspeler, en mogelijk zelfs een kastje, waar die platenspeler op rustte.

Hoe moe ik ook ben, toch kom ik uit bed: ik moet werken, schrijven. Gisteren ben ik met Giuseppe naar de bioscoop geweest. We zagen, een beetje tegen mijn zin, Sisters van Brian De Palma. Ik ben niet meteen een liefhebber van het horrorgenre, een van de weinige smaakverschillen met mijn vriend. Voor mij was het een merkwaardige ervaring. De film was meeslepend en mysterieus maar ik vond hem ook wat amateuristisch. Heb je werkelijk zoveel referenties naar andere films – in dit geval naar die van Alfred Hitchcock – nodig als je zelf een authentiek regisseur bent? Ook het thema van de Siamese tweeling / schizofrenie vond ik vergezocht. Na de film liepen we zwijgend naar Giuseppe’s flat in de Vinkenstraat. Hij zal ongetwijfeld geweten hebben dat ik niet zo had genoten van de film en ik had geen zin om mijn bedenkingen uit te spreken. Je moet elkaars voorkeuren en afwijkingen respecteren. Bij hem thuis dronken we een paar glazen bier. Giuseppe is een bewonderaar van Charles Bukowski. Ook daarin verschillen we enigszins van smaak. Bukowski is een uniek dichter en schrijver maar zijn directe stijl ligt me niet zo, al vind ik hem als vieze oude man wel een fascinerend personage. Giuseppe nam het bijzonder mooi uitgegeven boek Love is a dog from hell van de salontafel en las enkele fragmenten voor.

there’s no chance
at all:
we are trapped
by a singular
fate.

nobody ever finds
the one.

Hij las meer dan dat. Hij las het grappige cockroach, het bitterzoete who in the hell is Tom Jones en het trieste 462-0614 en hij las zo lang tot ik er niet meer onderuit kon: Charles Bukowski is niet alleen een dirty old man maar ook een erg begaafde en inventieve dichter. Met de echo van zijn eenvoudige veelzeggende woorden en beelden in mijn hoofd keerde ik naar huis terug waar mijn geliefde zeker al lag te slapen.

DE TIJD IS UIT ZIJN VOEGEN

[NACHTEN AAN DE KANT 25]

Na de voorstelling van de films van James Scott in het Filmhuis trokken we met Luc en zijn vriendin Mathilde naar het Pannenhuis om de woelige beeldenstroom tot stilstand te brengen en ook wel om onze voeten te verwarmen. Vooral hadden we bier of andere drank nodig, om onze geesten te verlevendigen en onze speekselklieren te stimuleren waarna we elkaar al pratend met wetenswaardigheden en onbenulligheden uit het lood konden slaan, maar meer nog, denk ik, om elkaar te troosten want het was een tijd dat we nog om elkaar gaven en geen hardvochtige plannen maakten om Antwerpen of zelfs de wereld te veroveren. 1979 was geen jaar van ieder voor zich en god tegen allen en wat dat betreft vielen de daaropvolgende jaren ook nog mee. Als gevolg van de crisis waren het veeleer sombere dagen maar door de kieren viel veel warm licht naar binnen. Alsof je opeens een vertrouwde melodie hoorde, zoals dat af en toe als je rondslentert in een vreemde stad gebeurt, die je ziel in verrukking bracht. We gingen aan een tafeltje zitten en al spoedig kregen we gezelschap van verwante zielen en werd het een levendige boel.
Luc zei dat het onlangs een half uur had gesneeuwd in de Sahara. De tijd is uit zijn voegen, O, vervloekt spel, dat ik degene moet zijn die het herstelt, zei Mathilde. Van wie is die vertaling, Mathilde, vroeg ik. Dat moet ik morgen in de bibliotheek eens nakijken, zei Mathilde. Hebben jullie onlangs Boxcar Bertha gezien, vroeg Eddie D. Jazeker, zei Senga, met die sexy Barbara Hershey in de titelrol. Ik geloof dat ze de hele film lang geen ondergoed aan heeft, zei ik. Dat meen je niet, zei Mathilde. Toch wel, zei Senga, af en toe zie je zelfs haar blote kont. Wanneer dan, vroeg ik. Als ze achter zo’n goederenwagon aanloopt, zei Senga. En hoe zit het met de blote kont van David Carradine, vroeg Eddie. Die is me niet zo opgevallen, zei ik. Roger Corman is een geweldig producer, zei Luc, hij staat altijd garant voor seks, sentiment en stijlvol bloedvergieten. En Martin Scorsese voor schoonheid, al moest hij in 1972 nog wel wat leren, zei ik. Ik houd van die wereld van hobo’s, zei Senga, ze bezitten niets en toch zijn ze redelijk gelukkig. Toen ik nog heel jong was droomde ik ervan om zo’n hobo te worden, zei ik. Dat kwam door een boek van Jack London dat ik gelezen had, Tussen de wielen, de Engelse titel heb ik nooit geweten. Dan was je nu al dood, zei Eddie. Wie is toch die Ayatollah Khomeini die nu aan de macht is in Iran, vroeg Mathilde. Een godsdienstwaanzinnige, dacht ik, maar ik zei het niet hardop. Ik moest denken aan die song van the Who, Won’t Get Fooled Again. And the parting on the left / Is now parting on the right / And the beards have all grown longer overnight. De tijd is uit zijn voegen, zei ik. Drinken jullie er nog een, vroeg Eddie. Zeker, antwoordden we unisono.
Op die ongeremde wijze mengden onze stemmen zich met het gerinkel van de glazen en het rumoer van de andere drinkers in het café en met de muziek die Toulouse niet al te luid had gezet, maar waar we af en toe toch een glimp van opvingen en die dan mee onderwerp werd van ons gesprek. Tot we ongedurig werden en onze voeten als betoverd in beweging kwamen: Cinderella’s Ballroom wenkte ons, we moesten ons gaan overgeven aan de roes van de dans. Aan meer opzwepende klanken dan die in het Pannenhuis, aan die van dj Maryse. Senga had niet voor niets haar rode schoenen aangetrokken. Soms leek het wel of ze vastgegroeid waren aan haar voeten.



Foto: Martin Pulaski

DE BEKLIMMING VAN BRABO

4-29-2013_074janvv

[NACHTEN AAN DE KANT 22]

WERELDVREEMDE LIJST VAN MERKWAARDIGE GEBEURTENISSEN IN HET JAAR 1979  2de deel: 1 juli tot 31 december.

7 7 1979 Nosferatu: Phantom der Nacht van Werner Herzog. Drinken en roken. Jan V. en Bie zonderen zich af. Ik blijf enkele dagen in bed.

9 7 1979 Over Badlands van Terrence Malick.

10 7 1979 Aankoop van stiletto’s. Voorbereidingen voor een reis naar de Provence en de Camargue. Bezoek van Willy Boy en Paul Luyten. Verhaal van het poesje.

29 7 1979 Terug in Antwerpen. Geschiedenis van het konijn.

5 8 1979 Blackout in het appartement van Giuseppe.

7 8 1979 In Brussel. Days of Heaven van Terrence Malick. Country en rock op de Grote Markt in Brussel: Commander Cody and His Lost Planet Airmen en Elliott Murphy.

8 8 1979 Een hongerloon. Het Land van de Grote Belofte van Andrej Wajda.

9 8 1979 Drie vragen van Ria Pacquée. De kleine Elias.

14 8 1979 Over Ernst Jünger.

16 8 1979 Verkeerde interpretatie van ‘Taferelen van onverschilligheid’.

24 08 1979 Jean-Paul Dollé. Beschouwingen over Last tango in Paris van Bernardo Bertolucci.

25 8 1979. Een merkwaardige brief van Guy Bleus. Waanzin? Gevoel van leegte na het vertrek van Jesse.

1 9 1979 Een horrordroom. H.C. Ten Berge.

2 9 1979 Doodservaring. Een lijk in de kelder bij de Filosofische Kring Aurora.

4 9 1979 Bob Dylans Slow Train Coming.

5 9 1979 Over Rainer Maria Rilke. Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge en Duineser Elegien. Immanuel Kant en Thomas De Quinceys Last days of Immanuel Kant.

6 9 1979 Céline et Julie vont en bateau van Jacques Rivette. De dubbelganger.

7 9 1979 De hartspecialist.

7 9 1979 L’année dernière à Marienbad van Alain Resnais en Alain Robbe-Grillet. Een avond met Max en Ginette.

8 9 1979 Enkele beschouwingen over Talking Heads en enkele andere jonge bands.

11 9 Over de negatieve aspecten van benzodiazepines.

12 9 Over ziekte en vergankelijkheid. Jobs identificatie met Jezus Christus.

13 9 1979 De huisarts dokter Debaene. Effi Briest van Rainer Werner Fassbinder, een meesterwerk. Café De Volle Maan. Herinneringen aan de eerste dagen en nachten met Senga. Hilde Van M. In café de Cereus met Giuseppe.

14 9 1979 Cultiveer ik het schrijverschap? Over Een brief lezen in de metro in het NVT.

15 9 1979 Over Chinesisches Roulette van Rainer Werner Fassbinder.

16 9 1979 Seks, angst en dood.

19 9 1979. Dokter Clerckx, longarts.

20 9 1979 Zoeken naar iets in plaats van niets (Find myselfs a city to live in).

26 9 1979 Verkoop van het Dolfijnhuis.

1 10 1979 Over Engelen, Emmanuel Swedenborg en William Blake.

2 10 1979 In het Rivierenhof. Samuel Becketts Murphy. Verkoop van de zwarte leren jas van Senga. Een nacht in Cinderella’s Ballroom. Captagon.

4 10 1979 Droom over Charles Gounod en andere muziek.

8 10 1979 Beschouwingen over Mes petites amoureuses van Jean Eustache, Proust en Rimbaud.

10 10 1979 Southside Johnny & the Asbury Jukes in AB Brussel.

11 10 1979 Bezoek van mijn ouders en broer. De erfenis van tante Ellie.

14 10 1979 Utamaro’s wereld.

17 10 1979 Een droom. Op het kerkhof. In het labyrint van Orpheus en Renée.

18 10 1979 Violette Nozière van Claude Chabrol. Oedipus. Gedichten van André Breton, Benjamin Péret en Paul Eluard. Bij Aurora voorbereiding van een poëziemanifestatie.

violette3

19 10 1979 Op zoek naar een nieuwe woonst. Een bezoek van dokter Debaene.

20 10 1979 ‘Huwelijksparty’ (performance) van Guy Bleus in het Pannenhuis. Tequila. Wat is lijden?

24 10 1979 Met Paul R. naar een lezing van Marcelin Pleynet. Théorie de l’art moderne. Een avond van bezinning in het Pannenhuis.

25 10 1979 Lamorinièrestraat 213: Een nieuwe woning gevonden. Jammen met Jimi Hendrix.

27 10 1979 Poëziemanifestatie van Aurora in het Filmhuis. Lovende woorden van de dichter Eldert Willems.

30 10 1979 Jesse op vakantie bij ons. Jesse en Vera organiseren een feestje. Een cheque van mijn moeder. Pannenkoeken eten. Voorlezen uit Jack London.

11 1979 Met Jesse naar Abba in Vorst Nationaal. Een bizarre rit met de taxi.

6 11 1979 De kleine Paul eet verf. Over Die linkshändige Frau van Peter Handke.

linkshandige frau

8 11 1979 Droom van de zwarte zon. Gesprek met Eddy Devos over de zon van Vincent Van Gogh, psychotherapie en over Wozzeck van Alban Berg en Büchner.

9 11 1979 Over mijn moeilijke vriendschap met Job. Gesprek over filosofie en literatuur.

10 11 1979 Annie Reniers over het nihilisme. De tijdelijkheid.

12 11 1979 Senga en ik nodigen Giuseppe en zijn nieuwe vriendin Anna uit voor een etentje. Om 4 uur ’s nachts met zijn vieren naar Cinderella’s Ballroom.

13 11 1979 Over Cul-de-sac van Roman Polanski en Days of Heaven van Terrence Malick.

15 11 1979 Teleurstelling en woede. Zwaar aan de drank in het Pannenhuis, met Wout Vercammen en Walter Van Rooy. Verzoening met Wout Vercammen.

16 11 1979 De Staat als grondslag van de Vrijheid, voordracht van Leopold Flam. Performance van Ria Pacquée in Ruimte Z. Een nieuwe beat generation? Met Guy Bleus naar Pannenhuis en Cinderella.

17 11 1979 The Kinks in Vorst Nationaal. Beschouwingen over The Kinks, massa en agressie.

23 11 1979 Euforie met Giuseppe, Anna en Senga in de Muze en de Kroeg. Oeuvres Complètes van Antonin Artaud.

29 11 1979 Verhuis naar de Lamorinièrestraat. Ware Vriendschap.

1 12 1979 Opening tentoonstelling van werk van Guy Bleus bij Filosofische Kring Aurora.

12 12 1979 Over Apocalypse Now van Francis Ford Coppola.

13 12 1979 De geschiedenis van een tafel. Het leven een droom. Een cadeau van Senga: Something Else by the Kinks.

kinks-something2

14 12 1979 Paul Rigaumont over De verwijdering. Met ons groepje en Flam naar café des Arts. Later een heerlijke nacht in Cinderella’s Ballroom met schitterende muziekkeuze van Maryse.

18 12 1979 La Luna van Bertolucci. Senga slikt een hoge dosis efedrine (Alfavit), een middel tegen astma.

20 12 1979 Dwaze nacht in het Pannenhuis en de Skipper. Met Walter Van Rooy en Guillaume Bijl. De beklimming van Brabo.

31 12 1979 Herinneringen aan de laatste dag van 1969. Wedergeboorte. De beste albums van het afgelopen decennium.

98 antwerpen1978horizontaal

DE NIEUWE GIDS

La_Barque_de_Dante_(Delacroix_3820)

Van alle cafés waar ik ooit kwam heb ik aan het Pannenhuis de beste herinneringen, ook al beleefde ik extatische momenten in Cinderella’s Ballroom op de Stadswaag. Daar heb ik net zo goed fijne herinneringen aan, maar ze zijn vager dan die aan het Pannenhuis. Wellicht omdat ik in Cinderella’s Ballroom voornamelijk voor de muziek kwam, en om te dansen.

Zo begon op 5 november 2019 deze reeks, eerst met als titel Nachten in het Pannenhuis, later als Nachten aan de kant. Mijn bedoeling was de sfeer van het Antwerpse nachtleven in de periode 1978-1982 op te roepen en enkele vrienden en kennissen uit die tijd uit mijn eigen vergetelheid naar boven te wroeten.
In dit verhaal – dat vrij lang werd onderbroken –  ben ik nu aan het 21ste hoofdstuk aangekomen. Mijn eindbestemming is nog niet in zicht. Een aantal van de nachtelijke vrienden van vroeger is wel al vrij uitgebreid aan bod gekomen: Guillaume Bijl, Renée Strubbe, Leo Steculorum, Jos Dorissen, Agnes alias Senga, Guy Bleus, Flor Van Tendeloo, Brigitte van Cleynenbrogel, Gabriëlla Boonen, Max Borka, Johnny Pappas, Ria Pacquée, Paul Rigaumont, “Anton”, Dominique, Wout Vercammen. Maar een behoorlijk aantal protagonisten moet zeker nog voor het voetlicht treden. Ik wil hierbij verduidelijken dat het mij hoofdzakelijk te doen is om wat ik nachtvrienden noem. Mijn vrienden van overdag, degenen die ik ’s nachts zelden ontmoette, en mijn familie, waaronder mijn zoontje, komen maar sporadisch in beeld. Niet omdat ik hen geen warm hart toedraag, integendeel. Alleen leken het wel aparte werelden (die soms wel eens konden samenvallen).

Nachten aan de kant is zonder dat ik het wilde in verschillende richtingen uitgewaaierd; samen hebben we ons op soms overwoekerde zijpaden begeven. Af en toe leek onze nieuwe omgeving op een donker woud. Moeilijk om daar weer uit te raken, zeker als het midden van je levensweg al ver achter je ligt.  Voor een onderneming als deze – noem het een reis in de tijd – heb je een gids nodig, een nieuwe Vergilius, die kennis heeft van popmuziek, Europese literatuur, filmkunst, theater, dans, iemand die het nachtleven van omstreeks 1980 kent. Niet alleen dat, deze Vergilius moet je eveneens helpen om met een 21steeeuwse blik en een hedendaags bewustzijn terug te kijken naar het eigen verleden en je de mogelijkheid geven om de tijdgenoten van toen naar de wereld van vandaag te verplaatsen. Die gids kan ik alleen in mezelf vinden. Ik moet als het ware uit mezelf treden en met de andere die ik dan ben in dialoog gaan. Een moeilijke maar niet onmogelijke opgave. Je hebt altijd meerdere zelven. Je leeft tegelijk in het verleden en in het nu, de tijd van Trump en anti-democratie en qua omvang de ernstige pandemie sinds de Spaanse Griep van 1918-1919.

Wat ik wil doen om dit verslag wat meer helderheid te geven is nog eens een lijst maken, zoals ik voor het jaar 1978 al deed in Alleen in de tijd wordt de tijd overwonnen en in Kicks aganst the pricks.
In de volgende twee of drie hoofdstukken zal ik  een beknopte opsomming geven van hoogtepunten van 1979 – die ook in dit geval dieptepunten konden zijn. Ik probeer de aandacht vooral op het Pannenhuis te richten maar net als voor 1978 moeten voorvallen bij mij thuis of op andere plaatsen – al was het maar als context – een plaats krijgen.

Afbeelding: La barque de Dante, Eugène Delacroix