EEN MEISJE IN AMSTERDAM

2015-07-11-amsterdam 287.JPG

Op facebook stelde Tim Donker enkele vragen bij een foto van een meisje in Amsterdam die ik daar – na wat geaarzel – publiek maakte. Ik zet zijn commentaar hier in wat beter leesbaar Nederlands om (in voetnoot het origineel[1]).“Jij maakt een foto van een meisje dat je niet kent en zet die vervolgens op facebook? Ik mag hopen dat je haar dat gevraagd hebt? Versta me goed, het is een mooie foto. Het meisje, de schaduw, de achtergrond – het kon welhaast geënsceneerd zijn. Ik kan hem als een voorbeeld van realistische (verslaggevende) fotografie zien en begrijpen. Zelfs als kunst. Niettemin IS dat meisje iemand, en ze wordt hier (buiten haar medeweten?) becommentarieerd. Iets hieraan geeft me een ongemakkelijk gevoel…”

Ook aan mijn erg snel geformuleerd antwoord heb ik wat de vorm, niet de inhoud, betreft enkele kleine verbeteringen aangebracht. “De foto is een ode aan dat meisje en aan de omgeving, het Waterlooplein in Amsterdam. Ik heb het meisje niets gevraagd; ik ken haar niet, ze was een passante. Ze kwam toevallig in beeld. Tijdens mijn vrij korte wandeling maakte ik tientallen foto’s op het Waterlooplein. Pas toen ik thuiskwam zag ik de schoonheid en het bijzondere van het meisje. Haar houding, de blik in haar ogen. Dat had ik allemaal niet opgemerkt toen ik de foto nam. Ik was erg blij met het resultaat, en die blijdschap wilde ik met jullie delen. Het is een beetje de blijdschap die ik tijdens mijn verblijf in Amsterdam voelde. Ja, Amsterdam is een stad die me blij maakt. Dat meisje is daar voor mij een symbool van. Veel meer dan de coffeeshops, het Van Gogh Museum of het Red Light District. Dat meisje is ongetwijfeld iemand, en als een werkelijk iemand staat ze hier ook afgebeeld.Overigens, beste Tim Donker, denk je dat Baudelaire aan het model voor ‘A une passante’ gevraagd heeft of hij dat gedicht mocht publiceren? Niet dat ik mij met de grote dichter wil vergelijken. Versta me echter niet verkeerd: ik vind je vragen belangrijk en ik begrijp je bezorgdheid. Vandaar mijn vrij uitgebreid antwoord op je commentaar. Er bestaat natuurlijk een traditie van straatfotografie. Veel betere en zelfs beroemde fotografen maakten in het verleden al foto’s van mensen die ze niet kenden. Bijvoorbeeld in de metro in New York, met een fototoestel verborgen onder een jas, het knoopsgat voldoende groot voor de lens. Sommigen maakten, om niet door hun onderwerp gezien te worden, foto’s van blinden. Pickpockets van de fotografie maakten op die manier soms schitterende en beroemde foto’s.
Ik verwijs naar ‘The Ongoing Moment’ van Geoff Dyer voor meer informatie daarover. Zelf maak ik zo geen foto’s. Ik stop me niet weg en gebruik geen telelens. Dat meisje had me kunnen zeggen dat ze het niet prettig vond dat ik haar fotografeerde. Ongetwijfeld zou ik dan geschrokken zijn en me vervolgens verontschuldigd hebben. Maar ik ben blij dat ze stilzwijgend ingestemd heeft met wat jij wellicht een schending van haar intimiteit noemt.

[1]“Jij maakt een foto van een meisje dat je niet kent en zet die vervolgens op je feesboek? ik mag hopen dat je haar dat gevraagd hebt? versta me goed, het is een moje photo. het meisje, de schaduw, de hintergrund – het kon welhaast geënsceneerd ween. ik kan het verstaan als realistieke (rapporterende?) photographie;;; ik kan het verstaan als kunst (zelfs). maar niettemin, dat meisje IS iemand, en ze wordt hier (buiten haar medeweten?) becommentariëerd. iets hieraan doet me ongemakkelijk voelen, of ben ik dan een zeikerd?”

Foto: Martin Pulaski, Amsterdam, 10 7 2015.

BLUE VELVET, OPNIEUW

BLUE VELVET 1.jpg

Gisteravond zag ik nog een keer ‘Blue Velvet’, de magistrale film van David Lynch. Na al die jaren – hij kwam uit in 1986 – is ‘Blue Velvet’ een andere film geworden. Films bestaan niet als ze niet worden bekeken. Geldt niet hetzelfde voor alle andere kunstvormen? Er wordt wel eens gezegd dat de tijd geen vat heeft op dit of dat werk – maar dat is niet zo. Weinig kunstwerken zijn niet gedateerd – ze zijn in grote mate bepaald door de tijd waarin ze werden gemaakt. De grootste kunstwerken echter zijn tijdloos, maar tegelijk moeten ze elke keer als ze worden bekeken of aangevoeld of op een andere manier waargenomen en ervaren terugkeren in de tijd. ‘Blue Velvet’ is zo’n paradoxaal tijdloos kunstwerk. Je kunt ‘Blue Velvet’ als toeschouwer niet heel precies situeren in een bepaalde periode, de jaren vijftig, zestig, zeventig of de tijd waarin hij werd gedraaid*. De plaats van handeling is een stadje in de Verenigde Staten, maar welk stadje? Ik heb er heel wat rondgereisd en ben gelukkig – of ongelukkig – nooit in zo’n ‘small town’ terechtgekomen. Lumberton lijkt een typisch Amerikaans slaapstadje, maar het bevindt zich nergens anders dan in Lynchland – en in het hoofd van de toeschouwer.

BLUE VELVET 3.jpg

‘Blue Velvet’ is een andere film geworden omdat je zelf een andere mens bent geworden. Je fascinatie voor de personages, die destijds mogelijk enige perverse trekjes had, is in mededogen veranderd. In mededogen voor vrouwen als Dorothy Vallens, in met afgrijzen gemengd begrip voor mannen als Frank Booth. Was Frank Booth in 1986 een waanzinnige sadist, van wiens geweld je in stilte genoot, dan is hij nu veel meer een clown, de ‘candy-colored clown’ uit ‘In Dreams’, de geniale song van Roy Orbison. Dat lied is niet alleen het muzikaal hoogtepunt van ‘Blue Velvet’, het is ook een commentaar op de film. Het verhaal is niet realistisch of surrealistisch maar het is een droom. Of noem het een mysterie. Zodra je het oor wordt binnengezogen beland je in het avontuur van Jeffrey Beaumont. Een jongeman met een goed hart en goede bedoelingen, die niet alleen de donkere zijde in de andere leert kennen maar ook die in hemzelf. Een mooie en wat dromerige, maar bijzonder nieuwsgierige jongen die de strijd aangaat met het Kwaad en daar als een geschonden maar toch gelouterde man weer uit tevoorschijn komt. Daarna mag je het oor weer uit en heel de nare geschiedenis vergeten in een zee van romantiek en kitscherige kleuren.

‘Blue Velvet’ is niet alleen een superieure film-noir in kleuren, niet alleen een geniale psychologische horrorfilm, niet alleen een ijzingwekkende en zenuwslopende thriller – het is een van de grootste films die in de Verenigde Staten ooit werden gemaakt. Dat hij Roy Orbison – een zanger op wie door de coole jongeren in die dagen met misprijzen werd neergekeken – opnieuw onder de aandacht bracht is mooi meegenomen. Zelfs al wilde Roy aanvankelijk niets te maken hebben met wat hij – samen met vele anderen – als de geperverteerde wereld van Lynch beschouwde. Terwijl het werk van Lynch, dat – toegegeven – bijna alle denkbare boosaardigheid toont waartoe de mens in staat is, toch in teken staat van het goede. Want David Lynch is een moralist, maar wel dan wel een moralist buiten categorie.

BLUE VELVET 2.jpg

*(De tijd waarin hij werd gedraaid: misschien vind je hier en daar enige sporen van Ronald Reagan en New Wave).

EEN NIEUWE SAMENLEVING, EEN NIEUWE MORAAL

michelleobama-presidentobama

Vandaag gingen mijn gedachten terug naar de min of meer geslaagde en gedeeltelijke en geheel mislukte pogingen  om de maatschappij, ‘het systeem’, de man, de vrouw, de verhoudingen tussen man en vrouw, de arbeidsverhoudingen, het economisch bestel, de machtsverhoudingen en zelfs het leven te veranderen. Zelf vond ik vanaf een bepaalde, enigszins bewuste leeftijd dat, zoals de surrealisten hadden gezegd, het leven moest worden veranderd. Lange tijd al houd ik me de uitspraak van Rimbaud voor ogen dat we ‘absolut moderne’ moeten zijn, wat ongetwijfeld niet hetzelfde betekent als opnieuw expo-brood eten of in stoeltjes uit de jaren ‘vijftig gaan zitten. We nemen plaats op stoelen en in zetels die het toeval ons aanwijst.

Ik kreeg zonder zelfs een kroniek of een geschiedenisboek ter hand te nemen (ik denk aan ‘1968’ van Mark Kurlansky, ‘De Russische revolutie’ van Marcel Liebman, ‘Ten Days That Shook the World’ van John Reed, de werken van Eric Hobsbawn, ‘In Europa’ van Geert Mak, ‘Timebends’ van Arthur Miller, ‘There’s A Riot Going On’ van Peter Dogget, etc.) een sterke indruk dat de hele twintigste eeuw een aaneenschakeling is geweest van pogingen tot revolutie, van werkelijke revolutie, van pseudo-revolutie (in salons en ministeriële kabinetten), van contra-revoluties, van staatsgrepen, van militaire regimes, van dictatoriale verdedigingen tegen revoluties en mogelijke revoluties, van – vanuit het zogenaamde standpunt van nationaal-socialistische revoluties en fascistische omwentelingen – etnische verplaatsingen en nooit eerder geziene etnische ‘zuiveringen’ en uitroeiingen.

Ik kreeg tevens de indruk dat de halve eeuw die ik heb meegemaakt, zonder ooit een oorlog aan den lijve te hebben ‘gevoeld’, alleen de gevolgen ervan, een verschrikkelijk, gewelddadig, ongewoon verwoestend tijdperk is geweest.

Welke rol had ik gespeeld in dit alles? Ik moest even een glas wijn drinken, twee glazen, om de vraag te laten bezinken. Vervolgens dacht ik, jongen, vergeet het maar. Er is muziek, film, kijk nog een keer naar ‘Last Tango In Paris’, een meesterwerk toch? Is er ooit iemand beter geweest dan Marlon Brando en hoe zit het nu met Maria Schneider? Of speel wat spelletjes op Facebook. Mijn vrouw kan ik niet lastig vallen: zij slaapt al. Een zware dagtaak staat haar te wachten. Zij helpt jonge mensen uit ontwikkelingslanden aan studiebeurzen in ons welvarend gebied van taalonenigheid (hoewel ik daar zelden iets van merk, tenzij bij fascistische heethoofden). Jongen, zei ik, je moet het alleen oplossen. Wat heb je gedaan?

Natuurlijk was die vraag mij ingegeven door de inaugurele rede van president Barack Obama. De tijd van intolerantie, zoals die door filmregisseur D.W. Griffith aan het begin van de vorige eeuw werd getoond, is voorbij. De tijd dat zwarten niet welkom zijn in een restaurant of café zijn voorbij. De tijd dat ik in 1968 in Maastricht aan mijn lange haren door het grind word gesleurd en met de dood bedreigd is voorbij. De tijd dat ik in het midden van de straat mijn vriend niet mag zoenen is voorbij. De tijd dat je voor een kruisbeeld of welk ander religieus symbool moet knielen is voorbij. De tijd waartegen zich Bob Dylan zo verzette (en al lang over zwijgt) is nu voorbij. Zelfs William Zanzinger is dood. Ik moet me ook niet meer boos maken op Sam Shepard, die het in zijn logboek over the Rolling Thunder Revue over Willams & Zinger had. Niemand is perfect. Sam Shepard was een goede drummer en stond aan de goede kant. Ten minste, als je er van uitgaat dat ik ook aan de goede kant stond, sta.

President Obama gaf in zijn speech de indruk dat die tijd – van pogingen tot verandering, van permanente revolutie, van intolerantie en onwetendheid – nu voorbij is. De verantwoordelijkheid voor de samenleving, die de geschiedenis ons heeft doorgegeven, ligt bij onszelf. Wij moeten het nu echt wel zelf doen.  We moeten niet alleen maar hopen, geloven, met onszelf bezig zijn, met muziek, met kunst, met vermaak en cultuur. Wat we zeker niet moeten doen is onszelf verrijken ten koste van de anderen. Wat we zeker niet moeten doen is op de anderen neerkijken, hen vernederen, miskennen, hen geheel uit het oog verliezen omdat ze bijvoorbeeld ziek of zwak zijn. Wij mensen hebben elkaar nodig. De wereld is een ingewikkeld geheel. We moeten het zelf doen. We moeten naar de anderen kijken: wat willen jullie? We moeten vriendschap sluiten. En uiteindelijk moeten we ook voor degenen die geen vriendschap willen, de fanatici, de mensen die uitgaan van bloed, bodem en geweld, moeten we voor hen op onze hoede zijn. Met onze overtuigingskracht, met onze kunst, met onze schoonheid moeten we hen voor de wereld winnen. Omdat die tegenstelling blijft moeten we een moraal hanteren, een betere moraal dan die we hadden, een waarin niet religie maar wel rede en droom een rol spelen. Waar een positieve verbeelding van een menselijke werkelijkheid in communie met het zijn (en wat voortdurend in het zijn geworteld is en eruit ontstaat) de grondslag van is. Als we die moraal niet uitvinden, vernietigen we niet alleen onze geschiedenis en alles wat we hebben vernietigd en opgebouwd maar blazen we ook alle bruggen op naar een mogelijke toekomst waarin de mensen nog aanwezig zijn.