DE NAAM VAN DE MOORDENAAR

 

Het toilet van Bathseba

Ring ring ring (ringtone )…
Marius: Hallo, dag Dita, hoe gaat het?
Dita: Dag Marius. Zeg, weet jij nog hoe die moordenaar van Barnabas Shuttleworthy heet, ik geloof dat het zijn beste vriend was?
Marius: Wat een merkwaardige vraag, je kunt dat toch in een oogwenk in Wikipedia vinden…
Dita: Ik wilde het liever uit jouw mond horen, dat is zoveel echter. En om eerlijk te zijn: ik wilde dolgraag je stem nog een keer horen. Bovendien weet je toch ongeveer alles over Edgar Allan Poe?
Marius: Dat is lief van je, Dita. De moordenaar heet Charles Goodfellow. Schitterende vondst, zo’n naam voor een koelbloedige moordenaar, vind ik.
Dita: Ik herinner me wel nog het kistje Margaux dat Goodfellow na de dood van Barnabas Shuttleworthy ontvangt. Daar zit wel geen wijn in maar het stoffelijk overschot van zijn slachtoffer, reeds in staat van ontbinding. Met de bijbelse woorden “Jij bent de man!” beschuldigt hij  Goodfellow van de lafhartige moord. Je houdt het niet voor mogelijk dat een schrijver zoiets kan bedenken. En dan ook nog eens dat buikspreken!
Marius: Zo is het helemaal, Dita. “Jij bent de man!” is inderdaad een verwijzing naar een passage in de Bijbel, maar dat zal jij beter weten dan ik.
Dita: Misschien, Marius, misschien… Ik weet wel dat de uitspraak voorkomt in 2 Samuel 12. God stuurt de profeet Nathan naar Koning David. Die vertelt David de gelijkenis van de rijke man die een gast op bezoek krijgt. De rijkaard is te krenterig om voor de bereiding van de maaltijd een van zijn eigen geiten of schapen te gebruiken. Daarom neemt hij het enige lammetje van de arme man en zet dat de gast voor.
Marius: En David was zelf zo’n dader, niet?
Dita: Jazeker. Nathan zegt hem: Die man, dat bent u. David heeft namelijk Uria laten vermoorden en hem zijn vrouw Batsheba afgenomen. God is wel een bijzonder strenge rechter. David moet immers aanzien dat God zijn vrouwen aan een ander geeft, aan iemand van zijn eigen familie. Die zal met zijn vrouwen slapen bij klaarlichte dag.
Marius: In het verhaal van Edgar Allan Poe valt de moordenaar dood. Zou God daar ook voor iets tussen gezeten hebben?
Dita: Dat hebben we alleen maar het raden naar, niet, Marius? Ik heb intussen veel zin gekregen in zo’n glaasje Chateau Margaux. En jij?
Marius: We moeten daar zo gauw mogelijk werk van maken, Dita. Wat denk je van volgende week donderdag? Ken jij een geschikte wijnbar?
Dita: Niet zo meteen. Ik zal er eens naar uitkijken.
Marius: Toch niet in de Wikipedia?
Dita: Ha ha ha.

Afbeelding: Cornelis Cornelisz van Haarlem, Het toilet van Bathseba

DE DOOD VAN LUMUMBA

1.
Soete zegt dat ze gezegd hebben, niets van hem mag overblijven.
Mannen in Armani, mannen van het Bureau.
Geen vezel, zegt Soete, hebben de mannen gezegd.
Ze zeiden, zegt Soete, eerst in stukken zagen, dat kadaver,
En dan legt ge die stukken in een vat
Gevuld met achthonderd liter zwavelzuur,
Hebben ze gezegd, zegt Soete.

En dan hebben we zijn zwart lichaam, zegt Soete,
In stukken gezaagd, ge moet u dat voorstellen, zegt hij
Het bloed spatte ons in de ogen tot we misselijk werden.
We moesten veel rum drinken en whisky, zegt hij,
Tot we niet meer wisten waar en wie we waren,
En dan hebben we de stukken van de premier,
Bloedend, op de donkere oude aarde neergelegd.

Het vat zwavelzuur stond klaar, zegt Soete,
We moesten alleen het koningsblauwe deksel openen
En voorzichtig als olifanten de stukken
Van wat van Lumumba restte erin laten verzinken,
En voor altijd uit de geschiedenis laten verdwijnen.
Uit de geschiedenis van de mannen in Armani moest
Zijn lijf verdwijnen, hebben ze gezegd, zegt Soete.

2.
Maar de geschiedenis heeft zo haar eigen streken.
De geschiedenis onthoudt overvloedig namen.
De geschiedenis bedekt niets met de mantel der liefde.
Die toekomstige annalen hadden de mannen
In Armani, de mannen van het Bureau
Geheel uit het oog verloren. Uit het oog is
Uit het hart, dachten ze zonder dat ze het wisten.

Er bleven kleine restjes over en uit elk restje
Bloeiden duizend zwarte granaten en mortieren op
En uit elk restje weerklonk een stem van haat.
Soete was op dat ogenblik al in zijn vaderland
In zijn salon luisterend naar Jo Leemans,
Niet beseffend dat gelijktijdig Allen Ginsberg
en Pete Seeger naar bloemen hadden geluisterd.

Naar zwarte, bloedige bloemen, giftige bloemen,
Naar bloemen van verderf en toekomst
Luistert degene die in 2008 walgt van de wereld
Die de geschiedenis tot popcorn herleidt.
Naar zwarte, bloedige bloemen, giftige bloemen,
Naar bloemen van verderf en toekomst.
Naar bloemen van kreten en letters en renaissance.

CHINESE DOODT GELIEFDE MET EEN GIFKUS

nieuws,destandaard,chinezen,liefde,haat
Edvard Munch, Jaloezie.

“Een Chinese vrouw die haar geliefde heeft vermoord via een kus waarmee ze hem gif toediende, is ter dood veroordeeld. Xia Xinfeng bracht tijdens een zoen een capsule met rattengif over van haar mond naar de mond van haar vriend. De vriend slikte de capsule in en overleed korte tijd later. Het stel had besproken dat als een van hen vreemd zou gaan, hij of zij dood moest. Xia had ontdekt dat haar geliefde met een andere vrouw had gepraat en ze vond dat hij daarmee zijn belofte had gebroken.”

Dat staat zwart op wit in De Standaard. Daar kan ik niets meer aan toevoegen. Nu moet ik eerbiedig zwijgen.

DROOM, KEERPUNT EN ORAKEL

schip,neerharen,badpak,moord,lacan,baltasar gracian,moeder,broer,1978

Mijn moeder werd lafhartig vermoord: dit pijnlijke feit kwam ik pas later aan de weet. Met Laura ben ik, voor een paar dagen, in Neerharen. Bij Frankie, in de nabijheid van het schip. Zowel hij als Elfriede en ook de kleine Octavio gedragen zich geheimzinnig. Ik weet dat die geheimzinnigheid twee dingen kan betekenen: ofwel zwemmen, ofwel fotograferen. Alleszins heeft het met seks te maken. Je ondergoed uit doen en een badpak aantrekken. Want het is mooi weer. Mijn broeder neemt een afwachtende houding aan. Daarom wandel ik een eindje langs het kanaal tot aan de ijzeren brug. Aan de voet van een van de pijlers aan de kant van het dorp is de weg op zo’n ongewone wijze geplaveid dat je er niet naast kan kijken. Hoewel het min of meer normale plaveien zijn, doet het geheel denken aan een mozaïek. Het zijn rechthoekige stenen met een inscriptie erin. Elke steen draagt een boodschap. Op dat moment wordt het voor mij duidelijk dat mama dood is.

Niet alles wat ik verneem over mama’s overlijden staat in de stenen ingegrift. Gedeeltelijk komt het mij verbaal ter ore, als verhaal, gedeeltelijk wordt het mij in beelden meegedeeld.
Mama loopt aan de andere oever van het kanaal, in de buurt van de kiezelgroeve. Terwijl het schip wordt volgeladen met grint maakt zij een wandelingetje. Een arbeider van de kiezelwasserij komt in haar richting gelopen. Zodra hij haar ziet ondergaat hij een gedaanteverwisseling. Hij neemt een dreigende houding aan en houdt haar tegen. Een grijns verschijnt op zijn gezicht. Mama weet instinctmatig dat er onheil te wachten staat.
“Dacht ge dat ik altijd in de grint gewerkt had?” vraagt hij, “dan zit ge er lelijk naast. Want vroeger was het wel anders.” Een brutale lach.
“Vroeger… Toen stopte ik de vergaste lijken in de kisten. Ja, toen stopte ik de lijken in de grond…”
Mama begrijpt te laat met wat voor smeerlap zij af te rekenen heeft. Niet alleen een smeerlap, een salaud, maar een gevaarlijke kerel. Met deze man valt niet te praten. Ze grijpt vliegensvlug een baksteen die daar op de grond ligt en slingert hem naar zijn hoofd.
Ik hoor haar dit vertellen. Het is een verhaal dat zich afspeelt in de verleden tijd. Haar stem klinkt alsof zij van ergens onder water komt.
“Dat was een grote vergissing,” zegt ze, “dat ik die baksteen naar zijn hoofd heb geslingerd. Ik had onmiddellijk weg moeten lopen, misschien had hij me dan niet meer te pakken gekregen.”
Hoe heeft de nazi mama vermoord? Met zekerheid valt dat niet te zeggen. Er zijn twee mogelijkheden: ofwel heeft hij haar gewurgd, ofwel heef hij haar hoofd onder water gehouden tot ze verdronken is. In ieder geval heeft hij haar dood of levend in één van de oude kiezelgroeven geworpen, een van de putten die zich met water hebben gevuld en die er nu uitzien als slecht onderhouden, door oorlog geschonden vijvers.
Ik betreur het nu dat ik zoveel van de inscripties op de plaveien vergat.Op één van de stenen las ik :

LIEVE ZOON
LIEVE LAURA

Ze is er niet meer. Ik barst in tranen uit. Ik mis je, mama, ik mis je. Haar liefde voor Laura, zoals zij daar op die steen geschreven staat, in synthesewoorden die symbolen zijn, die duizend woorden en niet-woorden samenvatten, verhevigt mijn verdriet. Toch rijst er ook twijfel: wie is die ‘lieve zoon’, is dat mijn broer, ben ik het, zijn wij het beiden?
Voor haar dood heeft mijn moeder nog een onderzoek ingesteld naar de identiteit van haar moordenaar. De resultaten daarvan staan ook op de stenen als waarschuwing voor de overlevenden. Een uiting van haat of wraaklust ten aanzien van haar moordenaar kan ik me niet herinneren.

Na het ontwaken vertel ik de droom aan Laura. Zij wijst me op de afwezigheid van vader. Ik schrik. Want ik denk aan Lacans theorie van de psychose; de verwerping van de naam van de vader. Zou het dan toch waar zijn? Voor ik deze droom vertelde had ik nog een nachtmerrie.Een wedstrijd: hardlopen. Het gaat om een marathon die allesbehalve olympisch is. Geen van de lopers is werkelijk gemotiveerd. Het lopen is maar een middel, het doel een onbenulligheid, iets absurds. Ik denk: deze renners zouden even weinig gemotiveerd de dood tegemoet lopen en misschien is het dat wat ze hier doen.Het parcours is een kunstzinnig uitgevoerd labyrint, grotendeels in wit dennenhout uitgevoerd. Het geheel drijft op een wateroppervlak. Aan weerszijden van de loopstroken is er water. Hindernissen zijn er natuurlijk ook. Een van de lopers, een jonge man, speelt vals. Hij kort namelijk het verplichte traject eigenhandig in; soms springt hij van de ene strook op de andere. Door de bosjes en plantsoentjes raakt hij echter, na dergelijke sprongen over het water, gedesoriënteerd: hij weet niet meer welke richting hij uit moet. Vele, zo niet alle supporters sympathiseren met hem – waarschijnlijk precies omdat hij vals speelt – en wijzen hem de juiste richting.De loper en ik komen samen aan bij een openbaar toilet. Het is alleen maar een houten raamwerk – ook de deuren zijn doorzichtige ramen. Het is tegelijk ook een stortbad, merk ik nu. Een jongensachtige figuur, helemaal nat, maar glimmend, glibberig als een aal, opent de deur en komt naar buiten. Ik voel onmiddellijk een fysieke afkeer voor hem. Angst dat hij me zal aanraken. Hij is naakt en naar het mij wil voorkomen geslachtloos.
“Je bent zeker mijn vijand”, zeg ik.
“Neen”, antwoordt hij, “dat is niet waar!”
Vervolgens verdwijnt hij.

Nu zijn we al met zijn drieën, de jongen, het meisje en ik. We bereiken de grootste hindernis – een hoge, steile berg, die net als al de rest onnatuurlijk, kunstmatig is. Het is een bijzonder ingenieuze constructie in steen, hoekig, loodrecht als een flatgebouw, zeer solide. Er zijn platte stenen in verwerkt, een soort plaveien die afgerond zijn aan de rand en die ook wat uitsteken: ze moeten de beklimming van de berg mogelijk maken.

Met z’n drieën moeten we nu deze berg beklimmen – het blijkt niet zo moeilijk te zijn Het meisje is lief, ik merk dat ze bezorgd is om mij, wat me een warm gevoel geeft. We zijn aangkekomen. Of toch niet? We weten niet of we ons doel bereikt hebben. Althans: ik weet het niet.
Plotsklaps stort het meisje in een afgrond. En als ik haar hartverscheurende kreet hoor ga ik zelf wankelen, alsof ik ook val. De andere jongen is zo snel beneden…dat gaat mijn petje te boven. Het meisje is nog in leven. Nu is ze nog meer begaan met mijn lot. Vanuit de afgrond roept ze me toe:
“Blijf daar toch niet hangen of je zal vallen! Kom naar beneden, voorzichtig!” Maar afdalen kan ik niet. Alle stenen zitten los, en bovendien zijn ze nog glad ook. Ik kan me nergens meer aan vasthouden. Ligt dat aan mij of aan de berg? Ik val… En daarna ontwaak ik uit de leegte waarin ik neerviel en vertel ik de dromen aan Laura in dezelfde volgorde als ze hier neergeschreven zijn…

schip,neerharen,badpak,moord,lacan,baltasar gracian,moeder,broer,1978

Eindelijk wakker nam ik het boek ter hand dat op mijn nachtkastje lag, Baltasar Gracians Handorakel en kunst der voorzichtigheid:

“Uitwegen vinden! De vrucht van een fortuinlijke levendigheid van geest! Dank zij die vlugheid en beweeglijkheid hoeft men verrassingen noch moeilijkheden te duchten. Menigeen overlegt lang, om zich daarna toch nog totaal te vergissen. Anderen bereiken alles zonder enig voorafgaand beraad. Er zijn van die antiperistatische naturen, die hun volle maat pas geven als zij in de knel zitten: onberekenbare wezens, wie zonder voorbereiding alles gelukt, en met overleg niets. Wat hun niet terstond invalt, vinden zij nooit; voor hen bestaat geen hoger beroep. De vluggen verwerven dus bijval omdat zij blijk geven van wonderlijke bekwaamheid: fijnheid in het denken en geschiktheid in het handelen.”

Die dromen droomde ik en dat boek lag op mijn nachtkastje op een vrijdag in november in 1978. Wat betekende dat allemaal? Wie legt het mij uit? Ik heb de indruk dat er sindsdien weinig is veranderd in mijn droomleven, en het citaat van Baltasar Gracian kwam tegemoet aan mijn ideale ik. Tot dan had ik op die manier geleefd. Fortuna lachte me toe. Waar had ik dat aan verdiend? Ik weet het niet. Maar het mooie liedje zou niet blijven duren. Mijn kansen zouden keren. Al heel snel zou ik slechte kaarten krijgen. Zelfs een schoppenboer was mij niet langer gegund. Ik vraag me af of dat toen een keerpunt in mijn leven was, die vrijdag, die droom, dat boek.

MOORD

Ik durf niets meer zeggen over deze, alweer gruwelijke, moord. Ik wil er ook niets over zeggen. Wat ik over de moord op Joe heb geschreven kwam recht uit het hart, maar ik heb me toen laten meeslepen en, erger, beïnvloeden door de media (hoewel ik er mij, zoals ik al zei, ook van heb gedistantieerd). Natuurlijk heb ik nu ook gevoelens. Maar ik wil niet nog eens dezelfde fout maken. Ik kan alleen maar zeggen dat ik dit zeer betreur. Ik kan alleen maar zeggen dat België stilaan onleefbaar wordt. Dat ik in alle stilte en bescheidenheid meeleef met de familie en de vrienden van de slachtoffers. Dat ik hoop dat de haat het niet van de liefde wint. Het is een mooie lentedag, een stralende zon legt een laagje schoonheid over zelfs de lelijkste dingen, seringen staan in bloei in de tuinen, vanavond gaan we naar theater, een stuk van Marthaler (zelden heeft een regisseur zoveel indruk op me gemaakt als hij, met zijn voorstelling van Die schöne Müllerin). Maar hoe kunnen we daar nu nog van genieten? Met een bittere smaak in de mond, met niet gehuilde tranen?

EEN ZACHTAARDIGE GOLEM

skammen_bergman

Op 28 april zat ik op het schaduwrijke terras van café Eden in Los Llanos. Ik had Het Laatste Nieuws gekocht. Of het Nieuwsblad. Beschouw dit niet als reclame. Het zijn de enige Belgische kranten die ik daar heb aangetroffen. Zelfs Le Soir was er niet. In het buitenland mis ik de kranten soms wel eens, één keer per week of zo. Hier thuis niet meer. Ik heb geen abonnementen, als er iets gebeurt hoor ik het wel. Ik lees wat er gebeurd is op de gezichten van de mensen in de metro. Of iemand vertelt mij gewoon iets. Dat volstaat. Meestal zie ik dat er weer een oorlog gaande is, of er is een ramp gebeurd, of een jongen is doodgestoken in het Centraal Station in Brussel. Maar in café Eden zat ik met die gazet, meer foto’s dan woorden. Overigens lijkt het wel of hier ook al een oorlog begonnen is, maar ik denk dat Anderlecht een match gewonnen heeft. Het zal ongetwijfeld vuurwerk zijn. Zware ontploffingen in ieder geval. Ik ben nog niet helemaal hersteld, de gewaarwordingen zijn intenser dan wanneer ik in mijn gewone doen ben. Ik zal eens door het raam gaan kijken. Het is nu toch warm. Een kou zal ik wel niet vatten. Vreemd. Ik ruik alleen de geur van buskruit. Ik hoor diepe stemmen, als van duivels, of van engelen na de val, de stem gebroken.

Maar sta me toe terug te keren naar de kern van de zaak. Een krantenbericht, een bagatel, een Belgisch drama. Zoals zovelen dacht ik dat de moord op Joe ergens verband hield met het geloof dat islam heet, ook al heb ik me meteen verzet tegen het denkbeeld dat de islam een slechtere of betere religie is dan enige andere. Toch was er die associatie, waar ik me voor schaam. Op het terras van café Eden schaamde ik mij diep. Ik had me laten meeslepen door gevoelens van alledaags racisme. Ik had er mezelf van overtuigd dat het Marokkaanse jongeren waren geweest die Joe hadden gestoken tot hij daar in het Centraal Station, een plek waar ik elke dag kom, was doodgebloed. Ook al had ik gezegd dat het om uitzonderlijke amorele delinquenten ging, ook al had ik gezegd dat wijzelf mee verantwoordelijk zijn door ons gebrek aan gastvrijheid, toch had ik niet kunnen weerstaan aan de lokroep van het alledaags racisme. Het is niet omdat ik al drie keer ben overvallen, beroofd en één keer zwaar toegetakeld door zulke jongeren dat ik de vijfde keer ook door diezelfde bevolkingsgroep zal worden overvallen, beroofd of het ziekenhuis ingeklopt. Dat is niet zeker. Messentrekkers en roofmoordenaars tref je overal aan. Vooral in de hoogste regionen, bij de masters of war. Maar dat zijspoor sla ik even niet in. Ik had het over mijn schaamte. Ik wil mijn verontschuldigingen aanbieden…. Maar aan wie? Aan de naamlozen die ik misschien, ongewild, heb gekrenkt. Aan Hotman, Hoessein en Fatia. Heb ik de beredeneerde onzin van mijn vijanden van het Vlaams Blok en van idioten als de judopatser Marie-Jeanne dan al zozeer verinnerlijkt dat ik hun gedachten uitspreek? Neen, zo ver is het nog niet gekomen. Maar ik ben wel op het slechte pad. Natuurlijk ben ik Joe niet vergeten, en de andere slachtoffers evenmin. Ik denk er elke dag aan, hier in Brussel, maar ook op een terrasje van café Eden in Los Llanos, niet genietend van een kop koffie. Dat monument ben ik ook niet vergeten. In mijn hoofd is het al opgericht. Nu moet ik er met andere mensen over gaan praten. Ik weet niet wat er inmiddels is gebeurd. Ik dacht helemaal niet aan een monument zoals dat voor de onbekende soldaat. Meer een monument van de geest. Iets wat tijd en ruimte doorboort en toekomst zoekt, iets gevleugelds en gracieus, maar ook bijna van vlees en bloed, een soort van homunculus, een soort van kleine zachtaardige golem.

Terloops wil ik Eric Corijn bedanken voor zijn lezersbrief in Humo, die mij er mee toe aangezet heeft deze bekentenis openbaar te maken.

Foto: Schaamte, Ingmar Bergman

MONUMENT VOOR JOE

Ik heb de indruk dat er mogelijk onomkeerbare haat is ontstaan bij een groep jongeren in Brussel. Die haat en bloeddorstigheid hebben wijzelf, door onze ongastvrijheid, misschien enigszins in de hand hebben gewerkt. Maar dat mag geen verontschuldiging zijn voor zulke onmenselijke wreedheid.
Waarschijnlijk komt het willen bezitten van dat consumptievoorwerp, een mp3-speler, maar op de tweede plaats en is er echt sprake van uit diepe haat voortvloeiende moordlust. De kinderen van het nazisme hebben met hun absurde zuiverheidsobsessie een al even fanatieke groep ‘ideologische’ en zelfs racistische misdadigers en moordenaars doen ontstaan. Ook al ben ik atheïst, toch weiger ik nog steeds de hele islam te veroordelen. Ik geloof niet dat de islam slechter is dan het christendom, het joodse geloof of de vrijzinnigheid. Religies – en vooral hun leiders en instituten – hebben veel ellende berokkend en veel dieprood bloed doen vergieten. Maar religies hebben mensen ook bij elkaar gebracht en hen – ons -morele principes aangeleerd. Religies hebben zich meermaals overgeven aan paranoia, onverdraagzaamheid en systematisch fanatisme. Doorheen de geschiedenis hebben religieuze leiders dikwijls bonden gesmeed met despoten en dictators, soms op een cynische wijze ten dienste van hun geloof, meestal uit vraatzucht en machtswellust. Maar mede door dat falen van religies, door die lage en ‘onmenselijke’ kanten van hun leiders en het fanatisme en de onnadenkendheid van hun volgelingen, hebben ze gelukkig ook vrije mensen, vrije broeders en zusters, afvalligen, ketters, denkers, vrije geesten helpen ontstaan. Niet dat we die religies daar echt nodig voor hadden, maar hun dogmatisme heeft ons er wel toe aangezet om elk dogma in twijfel te trekken.

Goed en kwaad zitten in ons allen. Het kwaad houdt verband met wrok, verbittering, afgunst, zich beter voelen dan de anderen. Het kwaad ontstaat vaak bij gebrek aan democratische gemeenschap, in afgeslotenheid, als een samenzwering tegen de ‘onzuiveren’.

Wij bloggers hebben daarom ook een grote verantwoordelijkheid om, als spontane gemeenschap, alle mogelijke pogingen te ondernemen om dit kwaad in te dijken, zowel de zuiverheidsideologieën van extreem-rechtse bewegingen en individuen en van allerhande fanatici, als de bloeddorstigheid van om het even welk fundamentalistisch, onnadenkend, wraakzuchtig spiegelbeeeld daarvan.
Voor onverschilligheid, moet ik toegeven, bestaat geen enkel excuus. Wij zijn allen verantwoordelijk.

Die arme jongen, Joe, blijf in mijn gedachten spoken. Ik zal hem niet vergeten, om de eenvoudige, egoïstische reden dat ik zelf ook Joe had kunnen zijn. Misschien moeten we een monument oprichten voor Joe. In het midden van het Centraal Station van Brussel. Niet omdat hij een held is maar een slachtoffer. Een slachtoffer in de ware betekenis van het woord. Neen, niet ‘misschien’, we moeten dat hoe dan ook doen. Een vredelievend monument oprichten. Met de onderliggende boodschap dat iedereen hier welkom is, uitgezonderd fanatici en laffe moordenaars. Joe, je bent hier welkom, Rachid, je bent hier welkom, Véronique, je bent hier welkom, Baa, Milena en Anya, jullie zijn hier welkom. Brussel behoort jullie, behoort ons toe.