TROEBELE HERINNERINGEN AAN TROUWE HONDEN [1]

me and laika in lanaken (2)

Ik keer terug naar de Gomera Lounge via Carretera de Playa del Inglés. Voor een voetbalsupporterskroeg in Calle Normara staat een groepje Duitse televisievoetbalfans al rokend een match te becommentariëren. Ze gaan niet voor me uit de weg, of wat had je gedacht? Lompe mensen heb je hier ook, maar ze vormen gelukkig slechts een kleine minderheid. De meeste inwoners en toeristen hier zijn vriendelijk en hoffelijk.

Waarom zijn de herinneringen aan mijn kinderjaren zo troebel? Van mijn eerste acht levensjaren, de tijd die ik bij mijn ouders op het schip doorbracht, herinner ik me bitter weinig. Alleen vage indrukken zijn overgebleven. Ook de volgende periode, die van het internaatsleven van mijn achtste tot mijn negentiende, is gedeeltelijk in mist gehuld. Oude vrienden als Ivan P. en Henry J. herinneren zich nog de kleinste details: niet alleen namen van leerkrachten, ‘opvoeders’ en medeleerlingen; ze herinneren zich ook wat we precies deden, welke rotzooi we in het internaat te eten kregen, hoe we gekleed waren, wie onze vrienden waren en wie onze ‘vijanden’, welke cafés we bezochten en wat we daar dronken. Van die cafés herinner ik me voornamelijk nog welke liedjes er op de jukebox stonden. Zelfs de meeste namen van de meisjes met wie ik danste ben ik vergeten. Mijn allereerste hond, Jimpy, herinner ik me wel nog vrij goed, Suzy, mijn tweede, nog beter.
Mijn eerste hond had mijn vader toen ik twaalf was – het was het jaar van mijn plechtige communie – doodgeschoten in de buurt van een scheepswerf in het bierdorp Bocholt. Niet dat mijn vader een dierenhater was. Jimpy, een cocker spaniël, was altijd al een zwakke hond geweest. Om de drie maanden ongeveer kreeg hij een epilepsieaanval. Hij maakte dan eerst een aantal rondjes om de keukentafel, ging vervolgens op zijn buik liggen, strekte zijn poten uit, zijn ogen draaiden weg, er kwam kwijl uit zijn bek. Na een tiental minuten leek het of er niets gebeurd was. Maar later kreeg hij een donker gezwel op de buik. Soms barstte het open; een vieze smurrie maakte donkere vlekken op het vloerkleed. Aangezien ik op internaat zat, heb ik dat gelukkig niet vaak meegemaakt. Op den duur was het niet houdbaar, vonden mijn ouders. Jimpy had ongetwijfeld ook veel pijn. Mijn vader was bang voor geneesheren en alles wat zij vertegenwoordigden. Als ik ziek was, ik kreeg geregeld astma-aanvallen, werd er soms een dokter bijgeroepen. Mijn vader maakte zich dan uit de voeten. Hij bleef buiten staan wachten tot de arts weer weg was. Zelf bezocht hij nooit een dokter. Als hij door hevige tandpijn geplaagd werd, naast rugpijn de enige kwaal die hij soms had, trok hij de verduivelde tand zelf uit. Zo ging het ook met Jimpy: geen dierenarts, maar het karabijn.

Enkele jaren later kozen we een tweede hond. Die gingen we, zoals eerder Jimpy, op de Vogelenmarkt in Antwerpen kopen. Daar hadden ze de beste en de trouwste honden, werd ons op het hart gedrukt. Voor mij heeft Suzy nooit de plaats van Jimpy kunnen innemen. Mijn emotionele band met mijn eerste hond was veel sterker. Dat kwam omdat ik met die hond was opgegroeid. Tot mijn achtste was hij mijn enige echte vriend. Meermaals viel ik op de vloer van de stuurhut in slaap, met mijn hoofd op zijn warm, langharig lijf. Wat hield ik van zijn lange flaporen. Maar Suzy was ook een goede hond. Als ik de kans zag ging ik met hem wandelen. Ik heb altijd graag met honden gewandeld, hoewel dat nu lang geleden is. De laatste keer dat ik met een hond ging wandelen was met Laïka. Dat was een paar dagen voor de dood van mijn moeder. Laïka was de hond van mijn broer; na zijn echtscheiding was mijn broer samen met zijn hond weer ingetrokken bij mijn ouders. Na de dood van mijn vader zorgde hij zo goed als het ging voor mijn moeder. Zij werd stilaan dement, op den duur dacht ze dat mijn broer mijn vader was en mij hield ze voor mijn broer. Tot ze helemaal niemand meer herkende. Laïka is gestorven op de dag dat mijn moeder begraven werd. Hoe Laïka aan zijn naam is gekomen weet ik niet. Mijn broer heeft zijn geheugen in de bars en cafés van Lanaken en Neerharen achtergelaten. Het heeft weinig zin dat ik het aan hem nu nog zou vragen. Waar Suzy’s naam vandaan kwam weet ik nog goed, zoals ik al zei. Mijn moeder en ik waren in de keuken. De soep stond op; ik herinner me de heerlijke geur van bouillonvlees, selder en laurier. Hoe gaan we die hond nu noemen, vroeg ik. Ook Jimpy, stelde mijn moeder voor. Nee, dat kan niet, zei ik. Er kan maar één Jimpy zijn, ook al is hij dood. In de keuken stond altijd een transistorradio aan, vaak op de piratenzender Radio London afgestemd. Op dat ogenblik weerklonk ‘Hello Suzie’ van Amen Corner, een Britse popgroep die toen populair was. Hun ‘(If Paradise Is) Half As Nice’ vind ik nog altijd een mooi en warm liefdeslied. Voilà, zei ik, we hebben een naam: Suzy. Mijn moeder was een goede vriend van me. Hoewel we veel ruzieden kon ik haar ongeveer alles vertellen, zelfs mijn diepste geheimen. Ze was het zeker niet altijd eens met wat ik deed en zei. Ik mocht bijvoorbeeld niet in mijn hemd, zonder onderlijfje, in de regen gaan fietsen, hoewel ze terwijl ze het zei al wist dat ik het toch zou doen. Nu echter ging ze meteen akkoord. Ja, Suzy, dat is een geschikte naam voor die hond, zei ze. Ik heb nu al zin in die soep, zei ik.

neerharen12 001

[1] Dit is deel 10 van een reeks impressies van een reis naar Valle Gran Rey in La Gomera, Canarische Eilanden. Lees het als een raamvertelling.

AARDBEIENJAM EN BITTER: MIJN FIFTIES

elvis army 2.jpg

Als ik er iets mee ga doen, met die notities, dan zal het in muzikale zin zijn. Hoe ben ik doorheen mijn jaren tot de muziek gekomen waar ik nu van houd, of waarvoor ik nog uit mijn zetel kom om een of andere geluidsdrager in gang te zetten, voldoende luid, zonder enige rekening te houden met de buren, zodat ik er al bij al nog enig plezier aan kan beleven?

Dat was de opdracht. Dit is het eerste deel van de jaren vijftig. Meer sociologie dan musicologie, maar zo zoet als aardbeienjam en zo bitter als een of ander Italiaans digestief drankje.

mitzietc.jpg

De jaren vijftig waren voor mij, zoals voor de meeste kinderen in het Westen, zowel een tijd van intens, bijna paradijselijk geluk als van allesdoordringende angst. De vreselijkste en meest mensonterende oorlog ooit was voorbij, alles in West-Europa veranderde razendsnel, maar diezelfde oorlog wierp nog een donkere schaduw op het dagelijks leven van mijn ouders, mijn familie, ons land, Europa en het grootste deel van de wereld. De wonden waren niet geheeld, de herinneringen aan de verschrikkelijke gebeurtenissen (bombardementen, ‘vliegende bommen’, nazi-uniformen, bunkers, prikkeldraad, gevangenschap) waren nog levendig. Het ergste, wat ons allen tekent, is me pas later verteld, maar niet veel later.

Over die tijd, hoe ik hem beleefde, heb ik al té vaak geschreven; ik wil niet in herhaling vallen. Ik wil me aan mijn voornemen houden: mijn muzikale ontwikkeling beschrijven. En daarmee bedoel ik geenszins dat ik ooit een muzikant ben geweest: ik weet nauwelijks iets van muziek, kan geen enkel instrument bespelen, zing vals, kan geen noten lezen… noem maar op. In deze nieuwe notities heb ik het niet over spelen, maar over mijn passionele liefde voor muziek, die van emotionele aard is, zoals bijna alles in mijn leven. Van in het begin al ben ik gevoelig, romantisch, sentimenteel, om niet te zeggen hypersensitief. Mijn wereld is een kleine wereld, een wereld van verwondering, nieuwsgierigheid, verlangen en angst om verlaten te worden, allemaal karaktertrekken waar je in zekere zin mee geboren wordt, of die in je kindertijd ontstaan en tot rijping komen.

Tot mijn achtste, het jaar van expo 58, heb ik op een kleine aak geleefd, zo’n schip van veertig meter dat vrachten vervoert van de ene streek naar de andere, met mijn ouders en mijn broer. Ik had weinig contact met andere kinderen, nog minder met grote mensen. Ik weet nog altijd niet waar die schrik vandaan komt, maar ik was voor iedereen bang, met uitzondering van mijn moeder. Mijn broer was intern op een schippersschool in Brugge, mijn moeders familie woonde in Antwerpen, die van mijn vader in Neerharen en Lanaken. Ik was altijd aan boord, als baby, kleuter, kleine cowboy, Jan zonder vrees en fan van Elvis Presley en Bobbejaan Schoepen.

Mijn ouders waren niet bepaald muzikaal. Moeder had een mooie mandoline, die ze als jong meisje had bespeeld, vertelde ze me soms, maar ik geloof niet dat ze er, eens volwassen, ooit op gespeeld heeft. Mijn vader bezat een gele accordeon, het merk ben ik vergeten, waar hij één liedje op kon spelen, ‘J’attendrai’, meen ik mij te herinneren. Dat speelde hij zo vaak dat ik al gauw geeuwerig werd van Franse liederen en van valse musette in het bijzonder. Echter, als ik nu zulke deuntjes hoor smelt mijn hart en zie ik meteen mijn vader voor me als een soort van Jean Gabin met Arletty in zijn armen. Hij kon mooi fluiten, wat mij altijd weer ontroerde. Fluiten, roken, de blik in zijn ogen, verhalen over de oorlog, over zijn krijgsgevangenschap en zijn kleine heldendaden in het verzet. Vreemd genoeg was er in vaders verhalen meer fascinatie voor de vijand dan voor de vriend. Ik heb hem nooit iets horen vertellen over de Engelsen, Canadezen en Amerikanen, maar wel over de Duitsers en de Oostenrijkers. Vooral over de Oostenrijke boerendochters kon hij urenlang doorgaan; hij was een jaar lang krijgsgevangene geweest niet ver van Innsbrück. Mijn fascinatie voor alles wat Midden-Europees is komt van hem, denk ik nu, van wat hij vertelde aan andere schippers op lange zomeravonden, als er licht bier werd gedronken en veel gelachen. De vrouwen bevestigden wat werd gezegd, hun schaars commentaar leek op een modern Grieks koor, zonder drama, zonder tragische implicaties. Later zag ik zulke situaties terug in films van Rainer Werner Fassbinder, de regisseur die deze periode het best in beeld heeft gebracht. En hoe het zo ver gekomen is zie je in zijn ‘Berlin Alexanderplatz’, een van de grootste films van de twintigste eeuw, met een geweldige, bijzonder sentimentele soundtrack. En in ‘Heimat’, van Edgar Reitz. Kijk, hier heb je al mijn gehechtheid aan Duitsland, maar het is in mijn ogen net dat Duitsland dat de nazi’s wilden uitroeien, waar ze – en dat is de tragedie – gedeeltelijk in geslaagd zijn.

Wij hadden zo’n grote lampenradio aan boord, met korte, midden- en lange golf. Voor mij was die radio een andere wereld, magisch, mysterieus, onbereikbaar. De namen van de zenders alleen al waren toverformules, Beograd, Hilversum, Moskwa, Istanbul, Belgrado, Luxembourg, Beromünster… Onder meer Sam Shepard, John Cale en Van Morrison hebben daar ontroerend over geschreven en gecomponeerd. Luister maar eens naar John Cales ‘Risé, Sam and Rimsky-Korsakov’, op tekst van Sam Shepard, een man in wie ik me vanwege die emotionele kwaliteiten herken. Risé, de toenmalige vrouw van John Cale, reciteert de tekst en het timbre en de kleur van haar stem doen me altijd weer terugdenken aan mijn kinderjaren, toen de radio een boodschapper van een ander sterrenstelsel voor me was.

De radio was voor mij als kind vooral een taal- geluidsfenomeen. Ik luisterde vaak, vooral als het donker was, naar de vreemde klanken die uit de luidspreker kwamen als je aan de zenderknop draaide. Het waren klanken uit die vreemde wereld ergens in het verleden verdwenen, maar eveneens uit de toekomst opdoemend en voor mij als kind en nu nog altijd verwant aan de wetenschap, die in de verte een geheim was dat moest worden ontsluierd. Sindsdien is er wat dat betreft weinig veranderd. Hoeveel we ook mogen weten over DNA, kanker en de big bang. De flarden gesproken woord die ik hoorde, in onverstaanbare talen, meestal waren het vrouwenstemmen, gaven me zin om in de radio te kruipen en op zoek te gaan naar de mysterieuze steden en landen van waar die klanken de ruimte in werden gestuurd. Meestal was er op de achtergrond het rumoer van de wind op het water, de Schelde, de Maas, het Albertkanaal, het gedaver van de scheepsmotor en de chaotische geluiden van de activiteiten in de havens waar we aanmeerden en het schip werd gelost en geladen.

Maar hoe kwam ik dan in aanraking met rock & roll en hoe is het zo ver gekomen dat ik nu naar concerten van Emmylou Harris en the Flaming Lips ga? Daar moet ik nog wat over nadenken, de volgende dagen lees je er meer over. Ik weet wel al zeker dat ik het over vonken zal hebben. En spatten. De poëzie van Meister Eckhart en de schilderijen van Jackson Pollock.

vader1.jpg

VOOR EN NA DE REGEN 4

jean-pierre

4.

Kijk daar op het schip, jij, kleine jongen alleen in de mist boven de Schelde, de Maas & het Albertkanaal. De gevaarlijke Schelde die je neef tot zich nam. Twee maanden later werd hij gevonden, een opgezwollen, rottende ledenpop. Door palingen aangevreten. Die palingen aten wij dan weer op. Als mama ze bakte in de pan bleven ze kronkelen van genot. De voedselketen was gesloten. By and by Lord, by and by.
De Maas, omgeven door groene heuvels, wilde mij dichter, schilder doen worden. Maar de Maas kreeg mij niet klein: ik was een cowboy, een eenzame cowboy, ver weg van mijn huis, hier in Brussel. Toch had je een vriend, trouwe Jimpy. Wat had je toch lange oren. Maar nu niet te sentimenteel worden, jongen. Jimpy was de eerste kankerpatiënt in je leven. Papa heeft hem doodgeschoten in Bocholt. Ik werd al lang ziek van dat beest, met zijn zieke adem & zijn schor geblaf. Goed gedaan papa, wilde jager!

Tintin, Margarita & Melinda’s vader was een rijkswachter, een zwaantje dat al voor zonsondergang te diep in het glas keek. Pierre’s vader was een verpleger in het gesticht in Rekem, een gebouw dat we nu bewonderen vanwege zijn onvolprezen architectuur. Als hij ’s avonds thuis kwam van z’n werk was in zijn blik iets van die gekken blijven haken. Trouwens, hij had zelf de geur van een zwetende zot. Pierre & ik speelden stratego tot we erbij neervielen. Ik was Napoleon XIV, hij was Napoleon Solo. They’re coming to take me away, aha. De vader van Omer werkt in de grintwasserij in Neerharen. Omers moeder heeft een winkel. Vandaar die dozen Jacques chocolade (bananen), die mij een kijk op Claire’s kuiten verbieden. Vaders. Die van de kleine Johannes een juwelier op de Botermarkt in Hasselt. Aan de wanden van de salon hangen foto’s van stierenvechters. De broer van de kleine Johannes heb ik nooit horen spreken.

Conny is al langer dood dan Ricky Nelson. Hello Marylou, Goodbye Heart. Het enige meisje in onze klas, Conny, altijd op de eerste rij. “Meneer Pulaski zit weer te dromen”, zei de Dog. Die man probeerde mij zeven uur per week te vermorzelen met zijn algebra & driehoeksmeting. Conny, ben jij opgegeten door de pieren, of vliegen je stofjes samen met die van Josse hier in het rond? M’n adem begint er van te piepen, van al dat verdomde, motherfucking stof.

Mama zat in Rekem, in een nieuw gesticht, glazen paviljoenen verborgen in het bos. In dat zeer morele concentratiekamp zat zij, lag zij haar laatste stripjes geheugen te verliezen, geen liefde meer op deze wereld. Geen liefde op enige andere wereld die zij had kunnen kennen. Rekem, het dorp van de kermis, de cinema tegenover het huis waar Aster & Lucia slapen en wakker worden. In de rups met Margarita, met Lucia, Hello Jim, luider dan ooit, She’s About A Mover het lied waardoor onbewust in mij Mexico ontstaat. Vijf frank voor een ritje. Vijf frank voor een kus. “Martin, ik kan niet met je gaan. Ik hou van je maar ik heb al een ander. Later misschien.” Dat schrijft me Lucia als ik van iedereen verlaten sta te kotsen in mijn kamer in de Karmelietenstraat. ’s Morgens nog kickend op Gimme Shelter, om middernacht met mijn kop in de nageboorte van mijn euforie. Abstractie op de rode linoleumvloer. De dag erna belt Mijl aan, afgepeigerd van die negerinnen, zegt hij, met Albert Aylers New Grass onder zijn arm.

Foto: Jean-Pierre, Neerharen

DROOM, KEERPUNT EN ORAKEL

schip,neerharen,badpak,moord,lacan,baltasar gracian,moeder,broer,1978

Mijn moeder werd lafhartig vermoord: dit pijnlijke feit kwam ik pas later aan de weet. Met Laura ben ik, voor een paar dagen, in Neerharen. Bij Frankie, in de nabijheid van het schip. Zowel hij als Elfriede en ook de kleine Octavio gedragen zich geheimzinnig. Ik weet dat die geheimzinnigheid twee dingen kan betekenen: ofwel zwemmen, ofwel fotograferen. Alleszins heeft het met seks te maken. Je ondergoed uit doen en een badpak aantrekken. Want het is mooi weer. Mijn broeder neemt een afwachtende houding aan. Daarom wandel ik een eindje langs het kanaal tot aan de ijzeren brug. Aan de voet van een van de pijlers aan de kant van het dorp is de weg op zo’n ongewone wijze geplaveid dat je er niet naast kan kijken. Hoewel het min of meer normale plaveien zijn, doet het geheel denken aan een mozaïek. Het zijn rechthoekige stenen met een inscriptie erin. Elke steen draagt een boodschap. Op dat moment wordt het voor mij duidelijk dat mama dood is.

Niet alles wat ik verneem over mama’s overlijden staat in de stenen ingegrift. Gedeeltelijk komt het mij verbaal ter ore, als verhaal, gedeeltelijk wordt het mij in beelden meegedeeld.
Mama loopt aan de andere oever van het kanaal, in de buurt van de kiezelgroeve. Terwijl het schip wordt volgeladen met grint maakt zij een wandelingetje. Een arbeider van de kiezelwasserij komt in haar richting gelopen. Zodra hij haar ziet ondergaat hij een gedaanteverwisseling. Hij neemt een dreigende houding aan en houdt haar tegen. Een grijns verschijnt op zijn gezicht. Mama weet instinctmatig dat er onheil te wachten staat.
“Dacht ge dat ik altijd in de grint gewerkt had?” vraagt hij, “dan zit ge er lelijk naast. Want vroeger was het wel anders.” Een brutale lach.
“Vroeger… Toen stopte ik de vergaste lijken in de kisten. Ja, toen stopte ik de lijken in de grond…”
Mama begrijpt te laat met wat voor smeerlap zij af te rekenen heeft. Niet alleen een smeerlap, een salaud, maar een gevaarlijke kerel. Met deze man valt niet te praten. Ze grijpt vliegensvlug een baksteen die daar op de grond ligt en slingert hem naar zijn hoofd.
Ik hoor haar dit vertellen. Het is een verhaal dat zich afspeelt in de verleden tijd. Haar stem klinkt alsof zij van ergens onder water komt.
“Dat was een grote vergissing,” zegt ze, “dat ik die baksteen naar zijn hoofd heb geslingerd. Ik had onmiddellijk weg moeten lopen, misschien had hij me dan niet meer te pakken gekregen.”
Hoe heeft de nazi mama vermoord? Met zekerheid valt dat niet te zeggen. Er zijn twee mogelijkheden: ofwel heeft hij haar gewurgd, ofwel heef hij haar hoofd onder water gehouden tot ze verdronken is. In ieder geval heeft hij haar dood of levend in één van de oude kiezelgroeven geworpen, een van de putten die zich met water hebben gevuld en die er nu uitzien als slecht onderhouden, door oorlog geschonden vijvers.
Ik betreur het nu dat ik zoveel van de inscripties op de plaveien vergat.Op één van de stenen las ik :

LIEVE ZOON
LIEVE LAURA

Ze is er niet meer. Ik barst in tranen uit. Ik mis je, mama, ik mis je. Haar liefde voor Laura, zoals zij daar op die steen geschreven staat, in synthesewoorden die symbolen zijn, die duizend woorden en niet-woorden samenvatten, verhevigt mijn verdriet. Toch rijst er ook twijfel: wie is die ‘lieve zoon’, is dat mijn broer, ben ik het, zijn wij het beiden?
Voor haar dood heeft mijn moeder nog een onderzoek ingesteld naar de identiteit van haar moordenaar. De resultaten daarvan staan ook op de stenen als waarschuwing voor de overlevenden. Een uiting van haat of wraaklust ten aanzien van haar moordenaar kan ik me niet herinneren.

Na het ontwaken vertel ik de droom aan Laura. Zij wijst me op de afwezigheid van vader. Ik schrik. Want ik denk aan Lacans theorie van de psychose; de verwerping van de naam van de vader. Zou het dan toch waar zijn? Voor ik deze droom vertelde had ik nog een nachtmerrie.Een wedstrijd: hardlopen. Het gaat om een marathon die allesbehalve olympisch is. Geen van de lopers is werkelijk gemotiveerd. Het lopen is maar een middel, het doel een onbenulligheid, iets absurds. Ik denk: deze renners zouden even weinig gemotiveerd de dood tegemoet lopen en misschien is het dat wat ze hier doen.Het parcours is een kunstzinnig uitgevoerd labyrint, grotendeels in wit dennenhout uitgevoerd. Het geheel drijft op een wateroppervlak. Aan weerszijden van de loopstroken is er water. Hindernissen zijn er natuurlijk ook. Een van de lopers, een jonge man, speelt vals. Hij kort namelijk het verplichte traject eigenhandig in; soms springt hij van de ene strook op de andere. Door de bosjes en plantsoentjes raakt hij echter, na dergelijke sprongen over het water, gedesoriënteerd: hij weet niet meer welke richting hij uit moet. Vele, zo niet alle supporters sympathiseren met hem – waarschijnlijk precies omdat hij vals speelt – en wijzen hem de juiste richting.De loper en ik komen samen aan bij een openbaar toilet. Het is alleen maar een houten raamwerk – ook de deuren zijn doorzichtige ramen. Het is tegelijk ook een stortbad, merk ik nu. Een jongensachtige figuur, helemaal nat, maar glimmend, glibberig als een aal, opent de deur en komt naar buiten. Ik voel onmiddellijk een fysieke afkeer voor hem. Angst dat hij me zal aanraken. Hij is naakt en naar het mij wil voorkomen geslachtloos.
“Je bent zeker mijn vijand”, zeg ik.
“Neen”, antwoordt hij, “dat is niet waar!”
Vervolgens verdwijnt hij.

Nu zijn we al met zijn drieën, de jongen, het meisje en ik. We bereiken de grootste hindernis – een hoge, steile berg, die net als al de rest onnatuurlijk, kunstmatig is. Het is een bijzonder ingenieuze constructie in steen, hoekig, loodrecht als een flatgebouw, zeer solide. Er zijn platte stenen in verwerkt, een soort plaveien die afgerond zijn aan de rand en die ook wat uitsteken: ze moeten de beklimming van de berg mogelijk maken.

Met z’n drieën moeten we nu deze berg beklimmen – het blijkt niet zo moeilijk te zijn Het meisje is lief, ik merk dat ze bezorgd is om mij, wat me een warm gevoel geeft. We zijn aangkekomen. Of toch niet? We weten niet of we ons doel bereikt hebben. Althans: ik weet het niet.
Plotsklaps stort het meisje in een afgrond. En als ik haar hartverscheurende kreet hoor ga ik zelf wankelen, alsof ik ook val. De andere jongen is zo snel beneden…dat gaat mijn petje te boven. Het meisje is nog in leven. Nu is ze nog meer begaan met mijn lot. Vanuit de afgrond roept ze me toe:
“Blijf daar toch niet hangen of je zal vallen! Kom naar beneden, voorzichtig!” Maar afdalen kan ik niet. Alle stenen zitten los, en bovendien zijn ze nog glad ook. Ik kan me nergens meer aan vasthouden. Ligt dat aan mij of aan de berg? Ik val… En daarna ontwaak ik uit de leegte waarin ik neerviel en vertel ik de dromen aan Laura in dezelfde volgorde als ze hier neergeschreven zijn…

schip,neerharen,badpak,moord,lacan,baltasar gracian,moeder,broer,1978

Eindelijk wakker nam ik het boek ter hand dat op mijn nachtkastje lag, Baltasar Gracians Handorakel en kunst der voorzichtigheid:

“Uitwegen vinden! De vrucht van een fortuinlijke levendigheid van geest! Dank zij die vlugheid en beweeglijkheid hoeft men verrassingen noch moeilijkheden te duchten. Menigeen overlegt lang, om zich daarna toch nog totaal te vergissen. Anderen bereiken alles zonder enig voorafgaand beraad. Er zijn van die antiperistatische naturen, die hun volle maat pas geven als zij in de knel zitten: onberekenbare wezens, wie zonder voorbereiding alles gelukt, en met overleg niets. Wat hun niet terstond invalt, vinden zij nooit; voor hen bestaat geen hoger beroep. De vluggen verwerven dus bijval omdat zij blijk geven van wonderlijke bekwaamheid: fijnheid in het denken en geschiktheid in het handelen.”

Die dromen droomde ik en dat boek lag op mijn nachtkastje op een vrijdag in november in 1978. Wat betekende dat allemaal? Wie legt het mij uit? Ik heb de indruk dat er sindsdien weinig is veranderd in mijn droomleven, en het citaat van Baltasar Gracian kwam tegemoet aan mijn ideale ik. Tot dan had ik op die manier geleefd. Fortuna lachte me toe. Waar had ik dat aan verdiend? Ik weet het niet. Maar het mooie liedje zou niet blijven duren. Mijn kansen zouden keren. Al heel snel zou ik slechte kaarten krijgen. Zelfs een schoppenboer was mij niet langer gegund. Ik vraag me af of dat toen een keerpunt in mijn leven was, die vrijdag, die droom, dat boek.

TWEE BROERS

fietsen,eiland,vliegtuig,broer,station,ds,el paso,engels,spaans,border radio,soul,hippie,tim buckley,kolenmijn,mijnwerker,vader,streekkrant,moeder,dood,alleen,aldi,bier,rio grande,verwelkt,leeg,texas,deejay

Hoe vervoert hij zijn fiets naar het eiland en van het eiland weer naar huis? Hij vraagt zich af of hij ermee op het vliegtuig kan, in de trein en de bus. Hij is op weg naar zijn broer, maar het is niet duidelijk of hij droomt of waakt. Zijn broer woont nog steeds thuis, in het dorp aan de rivier en het kanaal. Zal zijn broer hem komen oppikken als hij aankomt in het station van G. (want hij heeft beslist om toch maar de trein te nemen)? Hij weet het niet. Wij weten het ook niet. Evenmin weten we of het een kanonschot is, achter de horizon, of een donderslag, of een oude auto misschien. Het zou wel eens een DS kunnen zijn. Hij vraagt zich af of hij zijn broer nog wel zal herkennen. Misschien is zijn gezicht gerimpeld en opgezwollen van de drank. Hij is lang weggeweest. Een soort van zelfgekozen ballingschap in El Paso, Texas. Hij heeft er Engels geleerd, zij het op de Texaanse wijze uitgesproken, en een beetje Spaans, tussen de immigranten uit Latijns-Amerika, verschoppelingen die in donkere stegen hun wijsheid moeten verbergen. You just can’t live in Texas, if you don’t have a lot of soul. Dat liedje werd veel gedraaid op zo’n border radio. De deejay was een oude hippie waarschijnlijk, want hij draaide ook wel eens Wings van Tim Buckley.

Zijn broer was er niet. Hij heeft twee uur gewacht en dan maar de bus genomen. Nu komt hij in zijn geboortedorp aan, waar het donker is als in de gangen van een kolenmijn. Zijn vader, die lange tijd mijnwerker is geweest, heeft hem daar vaak over verteld, over die donkerte. Zijn broer zit aan tafel, bij het licht van een lamp van 40 watt. Met ogen die er vermoeid uit zien, maar dan kan ook door dat zwakke licht zijn, zit hij de zoekertjes in de Streekkrant uit te pluizen. Of zijn het de overlijdensberichten? In de kamer ruikt het naar oude koffie en bier. Zijn broer stelt voor om wat te gaan fietsen. Een goed idee, zegt hij. Maar als hij buiten komt is het alsof hij blind is. Ze fietsen naar het kanaal. Hij is er gerust in dat hij niet in het water zal rijden. Hij voelt instinctmatig welke weg hij moet volgen; bovendien rijdt zijn broer aan zijn zijde, als een door god verwenste engelbewaarder.
Eerst is de weg van beton, maar al snel wordt het mulle grond, waar het moeizaam rijden is. Ze zullen in het bos aangekomen zijn. Gaandeweg klaart de hemel op. Daar komt de zon al op. Het heeft allemaal niets te betekenen, denkt hij. Het leven stelt niet veel voor, of het nu donker is of licht. Toch begint de hele omgeving nu licht te weerkaatsen, alsof alles betoverd raakt door hun aanwezigheid. Van zijn broer en hem. Dat licht gaat zijn verstand te boven. In Texas heeft hij alles wat idyllisch of pittoresk kan worden genoemd afgezworen. We kunnen hem moeilijk ongelijk geven. Wat verder is de bodem vervuild. Donkerbruine olievlekken ontsieren het witte Kempense zand.

Hun moeder is gestorven. Zou hij haar durven kussen, of eens knuffelen? Neen, dat kan niet, dat is iets wat zij zelf ook nooit deed. Het zou ongepast zijn om dat nu wel te doen. Het moet een koud weerzien zijn. Terugfietsend beseft hij dat hij alleen is op de wereld. Zijn broer is er nog wel, ja, maar die blijft hier in het bijna leegstaande huis. Hij mag bij zijn broer intrekken, heeft hij gezegd. Ze kunnen kaarten, haring eten, grote flessen bier van de Aldi drinken, fietstochten maken naar de mergelgroeven, of nog verder, tot in Duitsland. Voor hem heeft het geen zin meer, na Texas. Na wat daar is gebeurd, bij de Rio Grande.
Zijn broer zegt dat hij een deksel voor de theepot zal kopen. Die theepot staat op een traptrede, een porseleinen pot met een tinnen deksel. Immens droefgeestig maakt dat ongerijmd beeld hem. Het zal nooit meer beter worden. Het is een lege, verwelkte wereld.

doug sahm