GIFTIGE LUCHT

weekend

Een jaar geleden noteerde ik een klacht die nu best wat luider mag gaan klinken. Elke dag zonder heel precieze maatregelen van de beleidsmakers is een verloren dag, een dag die ons dichter bij een globale noodtoestand brengt.

Ons wordt aangeraden om een maand lang geen alcohol te drinken. Om voldoende te bewegen. Om veel groenten en fruit te eten. Om niet te roken of ermee te stoppen. Om aan veilige seks te doen. Om opgewekt door het leven te gaan. Om niet te klagen. Om tevreden te zijn. Om de dag te plukken. Maar dat allemaal in giftige, verstikkende uitlaatgassen van auto’s, salariswagens, vrachtwagens, grootschalige industrie… In een milieu dat ons de adem beneemt, dat ons ertoe dwingt onze dagen hoestend in onze kamers door te brengen. Verlangend naar elders, naar een paradijs dat voorgoed verloren lijkt te zijn.
En elke dag zijn de eindeloze files er weer en elke dag zeggen de politici die we verkozen hebben er iets aan te zullen doen. Terwijl zij, dezelfde vuile lucht inademend, de andere kant uitkijken, in de richting van aanzuigeffecten, van economische groei, van winstmarges, van de eigen Vlaamse aard. Het lijkt wel alsof niemand van hen er iets aan wil doen. Terwijl het voor velen onder ons al te laat is. Maar voor de kinderen, voor de kleinkinderen misschien toch nog niet?

Het credo dat het allemaal bij jezelf begint heb ik wat te vaak gehoord en ik heb er zelfs wat te vaak naar geluisterd. Na al die jaren weet ik dat het geen individueel probleem is, tenzij je doelbewust en met grote onverschilligheid voor de anderen de precaire toestand verergert. Het is een mondiaal probleem dat dringend moet worden aangepakt. De beleidsmakers die door ons verkozen zijn, moeten dat doen en als ze niets doen moeten we ze ter verantwoording roepen. Zelf zijn wij uiteraard geen passieve wezens: wij kunnen de juiste dingen doen en ons voorbeeldig gedragen. Daarom geef ik toe dat de enkeling, hoe machteloos hij ook mag wezen, net zo goed een rol kan spelen. Ik probeer niet in wij/zij te denken. Maar soortgenoten die op hun eentje in hun salariswagens onze steden ’s morgens binnenrijden en er ‘s avonds weer uit, lijken mij toch een klein beetje medeverantwoordelijk voor onze ziekmakende lucht? En politici die dit niet als prioriteit nummer één beschouwen zijn al net zo verantwoordelijk.
Wat mezelf betreft: ik heb geen auto, ik heb zelfs geen rijbewijs. Mijn vrouw heeft al evenmin een auto. Toen ik jong was liftte ik wel af en toe, maar in die dagen was ik nog naïef. Al vele jaren maak ik voor al mijn verplaatsingen gebruik van het openbaar vervoer. Het enige wat ik ‘verkeerd’ doe is een tweetal keer per jaar een vliegtuig nemen (maar al heel lang niet meer buiten Europa) en dat doe ik omdat ik aan de vuile stad die Brussel is soms moet ontsnappen en omdat ik de al te dure treinreizen niet kan betalen van mijn klein pensioen.

Ik begrijp niet dat sommigen onder ons zich ergeren aan mensen met een doek op hun hoofd en met een niet-Vlaamse naam, terwijl we met z’n allen kapotgaan van de smog. Dat is wij/zij, dat geef ik toe. Soms sta ik lang te wachten aan een kruispunt tot de verkeerslichten voor de voetgangers groen worden. Dan zie ik bijna alleen maar wagens met slechts een bestuurder en geen passagiers voorbijrijden. Eindeloze files met eenzame mensen alleen in hun traag bewegende blikken dozen. Als ze dan toch zo graag rijden, waarom dan niet met zijn vieren of vijven? Is dat niet veel gezelliger?

Maar nogmaals: de grootste verantwoordelijkheid ligt bij de beleidsmakers, zij moeten zorgen voor degelijk en frequent openbaar vervoer. Zolang dat er niet is zullen maar weinigen van ons van hun wagen naar het automuseum brengen. Zolang dat er niets is wordt de lucht die wij inademen met de dag giftiger.

weekend 2

Afbeeldingen: Week-end, Jean-Luc Godard, 1967

 

PLEIDOOI VOOR EEN NIEUW BRUSSEL

BRUSSEL 069.JPG

Bewonderaars en verheerlijkers van Brussel heb ik altijd gewantrouwd. Wat waren hun motieven, waren zij wereldvreemd, blind of gewoon maar onnozel? Verlieten zij nooit de veiligheid van hun enclaves, Dansaertstraat, Louisalaan, Flageyplein? Meestal voel ik me een vreemde in deze stad. Zij heeft mij nooit met open en zelfs niet met gesloten armen ontvangen. Voor een deel ligt dat aan mezelf, ik heb me zelden ergens thuis gevoeld, tenzij tijdens een reis, als ik ergens aankwam, bijvoorbeeld in New Orleans, Santa Fe of Cadiz. En een korte periode in Antwerpen, van 1977 tot 1982 om heel precies te zijn.

Hoe ik Brussel bekijk hangt van mijn stemming af, maar mijn stemming hangt ook af van hoe Brussel met mij omgaat, van hoe Brussel mij bekijkt. Er zit veel ongehoorde en ongeziene schoonheid in deze stad verborgen. Soms, als het weer meezit en de passanten je wat vriendelijker dan op druilerige dagen aankijken, is ze bereid haar schatten te laten bewonderen. Dan laat ze zich van haar zachtste kant zien, ze ruikt lekker, voelt zacht aan, zachter zelfs dan de arm van Everard ’t Serclaes* op de Grote Markt.

Brussel is al een poos geen ruïne meer en is evenmin een moeras. De legendarische stadskankers zijn merendeels weg. Dure hotels en kantoorgebouwen hebben hun plaats ingenomen. Maar er is nog steeds veel grauwheid, vuilnis, lelijkheid, wat weliswaar het mooie accentueert, de parken en plantsoenen, de kerken, de art nouveau-gebouwen, de vele cafés met hun terrassen, oases van verrukkelijk leven. Maar pittoreske pleintjes, Vlaamse primitieven, bruisende kroegen, verfijnde art nouveau-gevels, kunnen het verval – dat niet uitsluitend materieel is – niet compenseren.
Ik noem Brussel op elk gebied een onderontwikkelde, een arme stad omdat haar inwoners zich niet al te druk lijken te maken over het verval, over het vuil, over de chaos die hier heerst. De Brusselaars, van waar ze ook gekomen zij, lijken bijna altijd in ongeveer alles een berustende houding aan te nemen. Slechts weinigen walgen van de lelijkheid en het vuil en storen zich aan het dysfunctionele van deze stad. Ik ken niet één Europese stad die zo slecht functioneert, in elk van zijn facetten, in al zijn wijken, in elk beleidsdomein. Bijna niets werkt hier zoals het hoort.

Al lange tijd is Brussel een gebroken stad, een stad vol (soms moeilijk zichtbare) muren. Iedereen kent ze wel, bijvoorbeeld de muur van de Noord-Zuidverbinding, die de stad op een brutale manier in twee delen heeft gesplitst, een echo (of voorspelling) van de opsplitsing van België. Er zijn veel meer zulke muren. Overal waar brede autowegen werden aangelegd lopen smalle straten dood. Ze werden in twee gesneden. De band die er bestond tussen de buren werd stukgemaakt. Door de bouw van Shopping Centra werden winkelstraten territoria voor vandalen, rotondes en pleintjes veranderden in no go zones. De Ring rond Brussel heeft van de stad een eiland gemaakt, een organisme dat niet mag groeien. Sommigen noemen het een olievlek, maar zelfs een olievlek breidt zich uit. Anderen beschouwden de hoofstad als een grote vuilnisbelt. Forensen uit de deelstaten dumpten er hun groot en klein afval. Gemeentelijke volkscommissarissen gaven de schuld aan ‘de Zigeuners’.

Brussel is een zee van mogelijkheden. Dat zou iedereen die hier woont, dat zou iedereen die het goed voorheeft met dit land moeten weten. Brussel bruist van jong (maar ook van oud) leven. Brussel moet die mogelijkheden de kans geven reëel, tastbaar te worden. Brussel moet dringend aan het nieuwe de voorrang geven, zonder zoals bij de Culturele Revolutie in China de traditie te verwerpen of vernietigen. Ja, Brussel moet dringend veranderen.

BRUSSEL 029.JPG

Ook degenen die neerkijken op Brussel, de taalstrijders, de fanatici, de voorstanders van een monocultuur, de gesloten geesten, zij die deze stad een olievlek noemen, die omcirkelende fietstochten en marathons organiseren om ze op symbolische wijze af te bakenen en in te sluiten, heb ik altijd gewantrouwd. Je vindt zulke mensen zeker ook in Wallonië, maar vanwege mijn achtergrond (ik ben in Antwerpen geboren, in Limburg opgegroeid), ken ik de Vlamingen beter. Ik wens niet te veralgemenen. Ik heb het over Vlamingen met een gesloten mentaliteit, degenen die bang zijn voor ongeveer alles wat zich buiten hun huis en hun tuin afspeelt. Anders, zelfs gevaarlijk, mag ook, maar dan in de omlijsting van een scherm, op een podium of in een van de eerbiedwaardige kunsttempels.

De voorbije maanden en zeker sinds 22 maart kwam er vooral vanuit Vlaanderen veel kritiek op de Brusselse politieke en politionele structuren. De architectuur van de macht. Voor een keer ben ik het met die Vlaamse kritiek (die bijna unaniem is) eens. Brussel moet een bestuurlijke eenheid worden. Brussel moet één politiezone krijgen. Brussel zal behoorlijk bestuurd moeten worden, op elk gebied. Mobiliteit, sociale voorzieningen, veiligheid, ecologie, cultuur, et cetera moeten in alle wijken op dezelfde leest geschoeid worden, zonder de diversiteit uit het oog te verliezen. Dit is een absolute noodzaak. Hoe dit in de praktijk kan gebeuren, daar moet nu over nagedacht worden. Maar er mag niet getalmd worden. Bij de veranderingen en vernieuwingen, in volstrekte transparantie moeten alle inwoners van deze stad betrokken worden. Alle inwoners in alle wijken – van alle kleuren en talen en leeftijden. En waarom niet alle Belgen: Brussel is de hoofdstad van dit land. Want moet niet heel België hervormd worden? Ja, toch. Wat na de val van de muur in Duitsland kon, dat moet in dit kleine en welvarende land zeker kunnen. Ik zie Duitsland niet als de ideale staat, maar hij lijkt wel vrij goed te functioneren. Een goed voorbeeld is het dus wel.

Ik heb in Brussel gewoond van 1969 tot 1977 en sinds de zomer van 1991 ben ik hier niet meer weggegaan. Heb ik daarom recht van spreken? Ik denk het wel. De volgende dagen zal ik wat over mijn bijzonder negatieve ervaringen met de Brusselse politie vertellen. Die tonen aan dat de politiezones niet werken, dat veel in de doofpot wordt gestopt, dat er corruptie bestaat. Dat de politie niet kan (of kon) instaan voor de veiligheid van inwoners van deze stad. Dat zeer zwaar probleem hangt samen met de manier waarop Brussel bestuurd wordt. Negentien gemeenten met stuk voor stuk hun eigen kleine belangen kunnen onmogelijk goed samenwerken. Zelfs de vijf grote Amerikaanse maffiafamilies (zie The Godfather) spelen dat niet klaar. En op zulke families lijken de Brusselse baronieën zeker wel. Al schieten ze elkaar nog niet overhoop tijdens een of andere eredienst. Althans, daar heb ik geen weet van. Is deze vergelijking met de maffia overdreven? J. Edgar Hoover, FBI-directeur van 1935 tot 1972, ontkende dat de maffia een grote misdaadorganisatie was.

BRUSSEL 065.JPG

*wie over zijn arm wrijft kent een jaar lang geluk in de liefde, wie hem kust krijgt difterie.
Foto’s: Martin Pulaski, Brussel, 2013