MISDAAD

Geweldige kop heeft James Ellroy, schrijver van ‘The Black Dahlia’ en andere ongeëvenaarde misdaadromans. Meestal zwijg ik over mijn verknochtheid aan dat literaire genre, waarom weet ik niet, want er is helemaal niets mis mee. Het gaat niet om een ‘guilty pleasure’ of zo. Sommige misdaadschrijvers zijn even goed als Proust, Kafka of Murakami.

Wie geniet mijn voorkeur? Even nadenken. Niet over James Ellroy natuurlijk. Dat schreef ik al. Edgar Allan Poe is de eerste en de beste, vermoed ik. Daarnaast houd ik van de hard-boiled klassiekers: Raymond Chandler, Dashiel Hammett en Ross McDonald. Graham Greene is een geval apart, niet altijd misdaad, maar toch (en ik heb al zijn boeken gelezen). Georges Simenon: wat kon die man schrijven (en neuken).
Mijn vriend Jos leende me destijds alle boeken van Maj Sjöwall en Per Wahlöö uit. Nadien heb ik ze zelf aangeschaft, om ze opnieuw te lezen. En daarna weer verkocht of gewoonweg weggegooid, omdat de kaften zo lelijk waren.
Nog enkele uitstekende Amerikanen: Jim Thompson. Jim Thompson ben ik gaan lezen dankzij de geweldige en vergeten rock & roll band ‘Green On Red’: hun zanger Dan Stuart was een bewonderaar van Thompson. Een van hun elpees is naar zijn boek ‘The Killer Inside Me’ genoemd. Een paar jaar geleden vertelde Dan me dat hij van de drugs af was en nooit meer een Jim Thompson ter hand neemt. Coup de torchon is een uitstekende verfilming van een boek van Thompson. Er zijn ook zeer geslaagde verfilmingen van romans van Patricia Highsmith. De beste? ‘Der Amerikanische Freund’ van Wim Wenders. Een film die ik nooit zal vergeten. Toch zijn de boeken van Highsmith nog beter dan de films. En wie vergeet ik nu? James Cain? Wellicht is James Cain de allerbeste. Want zijn ‘Mildred Pierce’, ‘The Postman Always Rings Twice’, ‘Double Indemnity’ en ‘Serenade’ geen meesterwerken?

Lang leve de misdaad!

HET INTERMITTEREND KLOPPEN VAN ONS HART

van morrison,bob dylan,cinderella s ballroom,junior murvin,jim thompson,james cain,hard-boiled,sam peckinpah,bertrand tavernier,marcel proust,onbewuste,depressie,geheugen,herinnering,hart,herinneringen,william styron,webb pierce,country

In die dagen, in de mooie stad Antwerpen woonachtig, in tijden dat ik veel en vaak uitging, niet om hele nachten tequila sunrise te drinken maar vooral om te dansen op Junior Murvin’s ‘Police and Thieves’, bijvoorbeeld in Cinderella’s Ballroom, een vochtige, rokerige kelder, die wij als ons tweede en soms als eerste thuis beschouwden, voor ons allen het hart van de wereld, las ik de dag nadien – als ik een kater had van rook en vocht en bloed en uitputting – donkere, meeslepende boeken van Raymond Chandler, Dashiel Hammett, Ross McDonald en James Cain. Vooral James Cain. The Postman Always Rings Twice. En oh ja, ik mag Jim Thompson  niet vergeten, The Killer Inside Me, inspiratiebron voor Bob Dylan, Sam Peckinpah, Green On Red en Bertrand Tavernier, onder meer. Nu hoor ik Webb Pierce op de achtergrond, die soms voorgrond wordt, There Stands The Glass, Van Morrison heeft dat onlangs gecoverd op zijn country-lp, en denk ik en vraag ik me af waarom ik me overgeef aan de boeken van Marcel Proust om te genezen van iets donkers, iets wat depressie wordt genoemd; maar eigenlijk is het een ervaring die helemaal niet beantwoordt aan dat versleten woord. William Styron is op zoek geweest naar een beter woord en kwam alleen maar bij het verouderde begrip melancholie, een mooie benaming – maar ze dekt de lading niet. Klinische depressie, zeggen de mensen nu, om aan te geven dat het ernst is. Maar wat is een klinische depressie? Ik weet het niet. Ik probeer te overleven, zoals in die boeken van de hard-boiled misdaadschrijvers. Vaak worden ze in mekaar geklopt of anderszins bijna het hoekje om geholpen. Zo is het ook een beetje met een depressie. Je zoekt het gevaar en de dood op omdat je er bang voor bent. Je wilt ontsnappen maar je wilt de smeerlap gelijkertijd recht in de ogen kijken. Ik wil niet dood, zeg je, ik wil waardig ouder worden. En dan lach je grimmig, vanwege die oude vergeten politieke partij. Toen waren die dingen nog zo onschuldig. Nu zitten we met massa’s contra-revolutionairen, NVA, Vlaams Belang (de eerste keer dat ik dit woord hier gebruik), FDF, mensen in groepen met elkaar verbonden om al het moeilijk bereikte weer op te blazen. Waar komen al die hatelijke haatdragende mensen vandaan? Walen, Vlamingen, immigranten die elkaar een mes in de rug willen steken. Waarom? Ze gaan voortdurend bij elkaar op vakantie en verklaren elkaar de liefde en willen vervolgens alles opblazen, de hele razzamatazz.

Waarom evenwel zoek ik mijn heil bij de moeilijke Marcel Proust, een intellectueel, een Jood en een homoseksueel? Ik weet het niet. Maar misschien is het antwoord eenvoudig. Als ik Marcel Proust niet meer kan lezen, de ongeveer moeilijkste literator – ik heb het niet over wetenschappers – maar ook de beste schrijver uit de twintigste eeuw, ben ik het niet waard om veel – en waardig – ouder te worden. Vandaag las ik in ‘Sodom en Gomorra’ (in een uitstekende vertaling van Thérèse Cornips) enkele zinnen, voldoende voor een dag, een week:

“Op welk tijdstip wij ook onze ziel in haar geheel zouden bezien, zij heeft als zodanig maar een vrijwel fictieve betekenis, ondanks de omvangrijke balans van haar schatten, want nu eens is daarvan het ene, dan weer het andere niet beschikbaar, of het overigens effectieve schatten geldt dan wel die van de verbeelding, en wat mij aangaat bijvoorbeeld, evenzeer als de oude naam Guermantes, de – zoveel zwaarder wegende – rijkdom van de werkelijke herinnering aan mijn grootmoeder. Want stoornissen staan in verband met het intermitterend kloppen van ons hart. Het is vermoedelijk het bestaan van ons lichaam, vergelijkbaar voor ons gevoel met een aarden vat waarin onze spiritualiteit zou zijn gevangen, dat ons ertoe brengt te veronderstellen dat al ons innerlijk goed, onze voorbije vreugden, al onze smarten, voordurend in ons bezit zijn. Misschien is het even onjuist om te denken dat ze ontsnappen of terugkomen. In elk geval, als ze al in ons blijven, dan voor het grootste deel van de tijd in een onbekend domein waar ze ons volstrekt niet van dienst zijn, en waar zelfs de allergewoonste woorden worden verdrongen door andersoortige herinneringen, die hun gelijktijdigheid in ons bewustzijn geheel uitsluiten.” (Marcel Proust, Sodom en Gomorra, 162-63, Pleiade II, 756-757).