TAAL, SEKS EN APOCALYPS

DSC_0315

Ik houd niet van ‘seks’, ‘neuken’, ‘lul’, ‘kut’ en dergelijke woorden. Ik vind ze lelijk en gebruik ze in mijn teksten zo weinig mogelijk, hoewel ik graag erotische taferelen beschrijf (maar het veel te weinig doe, waarschijnlijk als gevolg van de afkeer van dat seksuele vocabularium). Toch, ondanks mijn weerzin, ben ik soms in zekere zin genoodzaakt om sommige van deze woorden te hanteren in een tekst. Bijvoorbeeld een paar dagen geleden in de korte poëtische schets, met als titel ‘Verstrooiing’. Ik had het woord daar nodig om de banaliteit van die handeling uit te drukken, en meer nog om de sereniteit van het geschrevene stuk te slaan, als kostbaar porselein met een zware hamer. Het was bijvoorbeeld niet mogelijk om de uitdrukking ‘de liefde bedrijven’ te gebruiken. Dat zou belachelijk zijn geweest.

Waarom geef ik nu deze uitleg? Waarschijnlijk omdat ik er gisteravond aan heb zitten denken toen ik zat te kijken naar die vreselijke film van Michael Haneke, Le temps du loup, waarin een man een vrouw brutaal en met een grote onverschilligheid ‘neemt’, ’s nachts in de hal van een station vol ‘verstrooide’ mensen die er slapen of wakker liggen van de honger, de dorst of een andere kwelling.

Ik bedoel met ‘vreselijke film’ niet dat hij slecht gemaakt is, integendeel. Met het woord ‘vreselijk’ verwijs ik naar de inhoud. De film beschrijft een apocalyptische wereld waar geen morele wet meer bestaat en men doet waar men zin in heeft. De sterkste of degene met de krachtigste wapens geeft de bevelen, de zwakkeren gehoorzamen, zoals paarden, schapen en geiten. De vorm van de film is even vreselijk, doordat hij geen identificatie met een van de personages toestaat, tenzij helemaal op het einde. Tijdens het bekijken van die apocalyptische film (apocalyps=ontsluiering) bedacht ik heel even dat het goed was dat ik het woord ‘neuken’ gebruikt heb in mijn ‘poëtisch’ commentaar bij enkele regels uit Genesis.

Foto: Wenen, Martin Pulaski