DE ROKENDE MAN

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 040.JPG

Zondagmiddag. Ik ben al een paar dagen in Cadiz. De zuivere lucht van de Atlantische Oceaan doet me goed. Het ziet er naar uit dat ik spoedig zal herstellen. Gisteren schaamde ik me voor de koortsblaas op mijn lip en de zware hoest. Maar dat was niet nodig. Maria Jesus omhelsde me alsof ik een reis rond de wereld had gemaakt en nu weer thuis was gekomen, alsof ik grote gevaren en fatale verleidingen had getrotseerd. Later stonden we in de bars te praten en te lachen en plannen te maken alsof er niets aan de hand was. Nergens, met niemand. Wat maakte die hoest uit… Drink nog een glas bier, eet nog wat boquerones!
En nu zit ik op dit terras. Wat zou er op deze zonnige middag in het hoofd van de man daar aan het andere tafeltje omgaan? Je hebt geen idee. Of toch wel? Denkt hij aan invasies van goddelozen, aan nieuwe veroveringen, aan bloedvergieten? Waarom die zonnebril in de schaduw van een parasol? Waarom de burgerlijke blazer, de zegelring, het gekleed hemd? Hoe hij zijn brandende sigarettenpeuken op de vijandige grond gooit. Met zwier, met kracht, met minachting, met onverschilligheid. Hij lijkt niet in de richting van de vijandige grond te kijken, maar dat kan ik niet zien. Ik heb een vermoeden dat zijn ogen bloeddoorlopen zijn. Of nietszeggend, leeg. Misschien koortsig, onverschillig, wanhopig… Verdelgd.

Ik zou graag met je praten over gisteren, over Menchu – niemand noemt haar Maria Jesus – en over de nieuwe vrienden, Carmen, Harvey en Juan. Over de sublieme heiligen van Murillo. Hun donkere, extatische ogen. Maar de rokende man neemt me volledig in beslag. Wie weet hoeveel verrukkelijke Gaditanas in dunne zomerjurkjes hier inmiddels al voorbij zijn gelopen. Zijn vijftiende sigaret reeds. Ik heb ze een voor een geteld. Nu gaat ook het lege pakje tegen de grond. Zijn het zijn laatste uren? Heeft hij zijn dagen gewikt en gewogen? Is deze performance zijn adieu? Of is het gewoon maar routine? Een elke zondagmiddag herhaald leren wennen aan het snel naderend onheil? Is het geen invasie waar hij aan denkt maar een catastrofe?
De glazen bier die hij drinkt tel ik niet, ik beperk me tot de sigaretten. Anders wordt het te chaotisch in mijn hoofd. Dag ga ik zelf misschien ook pils drinken en krijg ik nog zin in een sigaret ook. Want wat moet het heerlijk zijn om zo’n brandende peuk met zoveel levensverachting weg te slingeren. In de richting van de vijandige aarde. De aarde die met haar rampen en catastrofes zoveel schade aanricht bij mensen en dieren en planten en die ons allen zo weinig tijd gunt voor ze ons naar zich toetrekt.

Kom schat, laten we de rekening vragen, zeg je. Ik wil nog even naar de nieuwe stad, wat uitwaaien op het strand daar. Heel goed, zeg ik. Wat ik me afvraag is of we ooit Toronto en Vancouver zullen zien. Dat komt door Harvey, die lang geleden uit Canada hierheen is gekomen. Je vraagt je af waarom. Is Canada dan niet het beloofde land? Ik weet het niet. Het lijkt er wel op of ik helemaal niets meer weet. We zullen de bus nemen, zeg ik, dan kunnen we wat langer op het strand wandelen.

Ω

Foto: Martin Pulaski, Cadiz, 15 april 2016

LIEFDESANGST

In de straten van Cadiz, met jou aan mijn zijde, de op één na mooiste vrouw van Europa, word ik bevangen door angst voor de liefde, voor de nachtzwarte blik in je ogen, voor je armen die een nieuwe wereld openen waarin ik mezelf zou kunnen verliezen, een ander zelf worden.

Liefste, je blijft een vreemd lichaam voor me. Hoe meer ik je begeer, hoe meer ik van je wegloop. Ik verstar als ik je zie, mijn volmaakt eigen Medusa. Is dit de waarheid? Dat mijn hart zo snel gaat kloppen, als ik je in Kiko’s Café binnen zie komen, dat zeg ik je niet. Ik zwijg en sla voor je op de vlucht. Mijn andere, jongere zelf verlangt naar je maar ik wil thuis zijn, in mijn oude wereld, bij mijn boeken en mijn muziek. Het vertrouwde, tedere lichaam in mijn armen houden, “waarvan ik elk plekje ken”.

Alleen als de volle maan schijnt speel ik jouw naam op mijn blauwe gitaar. Dan lig ik aan je voeten neer.

PORTRET VAN EEN MOOIE VROUW

spanje,delegatie,luis mariano,strand,zelfmoord,jos d,vrienden,vriendin,herinnering,cadiz,schoonheid,vrouwen,heimwee,werk,woodstock,cafes,maria jesus,2000,50,verjaardag

Cadiz, in het Zuiden van Spanje, trekt me aan als geen andere Europese kleine stad. Ik heb het over het oude schiereiland, met de kleine straatjes en pleinen, en de kathedraal met de gouden koepel, en niet over het smalle, nieuwe gedeelte waar de flatgebouwen woekeren en hun schaduwen werpen op het mooie en uitgestrekte strand. Op het ogenblik dat mijn beste vriend zelfmoord pleegde, in oktober 1991, bevond ik me daar op dat strand. Ik was er toen gelukkig, euforisch, overweldigd door het licht van Cadiz. Aan de dood dacht ik niet. Pas twee weken later zou ik op de hoogte worden gebracht van die tragedie.

Sindsdien ben ik er vaak geweest, meestal voor mijn werk. Ik bezocht Cadiz dan telkens met een Vlaamse delegatie van een vijftal jongeren uit jeugdwerk. Onze opdracht was te gaan kijken wat de jeugd van Cadiz zoal deed in haar vrije tijd. Konden wij er iets van leren? Of waren de Vlaamse jeugdorganisaties toch superieur, zoals velen beweren. De superioriteitsdenkers konden en kunnen op twee oren slapen: er zijn weinig jeugdverenigingen in Cadiz. Er gebeurt niet zo veel dat echt georganiseerd is. Spontaniteit is er de regel. Anarchie, chaos, onduidelijke afspraken. Toen ik een keer werd ontvangen door mevrouw de burgemeester, een hoogdravend, inhoudelijk leeg mens van de Partido Popular, had mijn tolk een short aan die meer op een onderbroek leek. Zo stonden we de dag nadien op de voorpagina van Diario de Cadiz.
Er wonen veel jongeren in Cadiz en die maken vooral veel plezier, in de cafés, één ervan heet Woodstock, op de prachtige pleinen en, in de zomer, op het strand. De braafsten drinken tinto de verano, een afschuwelijke mix van wijn en bessensap. De anderen drinken whisky, wodka en gin.

In de jaren negentig ben ik in Cadiz bevriend geraakt met Menchu, wat een afkorting is voor Maria Jesus, een van de mooiste meisjes die ik ooit heb ontmoet. Ik ben met haar bevriend geraakt zonder echt met haar te converseren. Ik sprak maar een paar woorden Spaans, zij een beetje Engels. Yes en No en zo. Toch was er, onverklaarbaar, meteen die intense, zinderende vriendschap. Wellicht was er ook verliefdheid in het spel. En waarom ook niet: zoals je weet is dat gevoel brandstof voor mijn ziel, zoals kerosine voor een vliegtuig. In 2000 vierde ik in de oude straten van Cadiz mijn zoveelste verjaardag. ’s Avonds zaten Laura, Menchu en ik, samen met nog enkele vrienden die ik daar heb leren kennen, aan een eenvoudige tafel gefrituurde vis te eten en Cava te drinken. Eten heeft me nooit beter gesmaakt en ik heb zelden meer gelachen. Het was de mooiste verjaardag van mijn leven.

De voorbije vier of vijf jaar had ik niets meer gehoord van Menchu. Ik wist dat ze verhuisd was, maar ik had geen adres, e-mail of telefoonnummer. Tot gisteren. Menchu stuurde me via de mail haar nieuwjaarswensen. Het was alsof we elkaar eergisteren voor het laatst hadden gezien. Er zat een foto van haar bij haar mail. Een beetje ijdel is ze wel, de lieve Menchu. Maar dat is goed, want daardoor was ik opnieuw een gelukkig man. Menchu leeft en is nog altijd even prettig gestoord. Haar schoonheid blijft overweldigen. La belle de Cadix, zoals in het lied van Luis Mariano:

“La belle de Cadix
A des yeux de velours
La belle de Cadix
Vous invite à l’amour

Les cavaliers aussitôt
Sortent leurs sombreros
On apprend qu’elle danse
Et pour ses jolis yeux noirs
Les hidalgos le soir
Viennent tenter leur chance

Mais malgré son sourire
Et son air engageant
La belle de Cadix
Ne veut pas d’un amant
Chicaticati aïe aïe aïe
Chicaticati aïe aïe
Chicaticati aïe aïe
Ne veux pas d’un amant.”