INDISCH GEZANG

geetadutt3.jpg
Geeta Dutt.
Op 2 juni 1987, mijn zevenendertigste verjaardag, zag ik de Indische film Kaagaz Ke Phool (1959) van Guru Dutt. In Sight and Sound staat hij op de 160ste plaats van beste films allertijden. Dat wist ik toen natuurlijk nog niet, er bestond geen internet, geen YouTube en geen Wikipedia. Er was maar heel weinig informatie te vinden over de film.  Ik wist dat hij in het Frans Fleurs de papier heette en in het Engels Paper Flowers. Het verhaal zal ik hier niet uit de doeken doen, het gaat over film, mislukking en depressie. De muziek is van S.D. Burman, de aangrijpende liederen worden gezongen door Geeta Dutt en Mohammad Rafi.

De film was bijzonder mooi, maar het gezang boorde nog dieper in de ziel, vooral Dekhi Zamane Ki Yaari (Mohammad Rafi) en Waqt ne kiya kya haseen sitam (Geeta Dutt). Deze melancholische muziek nam mij op die lang vervlogen avond stevig in zijn greep en liet me niet meer los. Ik heb nog altijd geen soundtrack gevonden en ook geen dvd van de film, maar luister af en toe naar een van de hemelse liederen op YouTube of bekijk soms een filmfragment.

Naar aanleiding van de film en de muziek schreef ik destijds een gedicht, waar ik ondanks tientallen pogingen, door de jaren heen, nooit tevreden over ben geweest. Het kon nooit de schoonheid en de diepte van de filmmuziek evenaren. Desondanks wil ik het gedicht – in zijn huidige vorm – nu publiek maken.

film, muziek, gedicht, india, guru dutt, geeta dutt, mohammad rafi, subliem, schoonheid, paper flowers, fleurs de papier, kaagaz ke phool, verjaardag, 1987

INDISCH GEZANG

Bruilofstgasten trekken hun jassen aan,
verlaten wankelend een sprankelend feest.
Vergeten wordt de zanger uit Benares
tussen gebroken glazen en bijna lege flessen.

Iedereen neemt van iedereen afscheid.
Elk telefoongesprek eindigt met een klik.
Een geliefde stapt in een taxi, een vliegtuig.
Een vader wordt toegevoegd aan de aarde.

Het gezang heeft mij naar buiten gejaagd.
Ik ben in het stadspark gaan zitten en zie
hoe de lauwe regen stil op het gras valt.

De aarde is een blauwe, eenzame bol
schreiend tussen talloze heldere sterren.
Hoe vind ik in deze stad nog een vriend?

LUIS BUÑUEL : LE CHARME DISCRET DE LA BOURGEOISIE

Het was al een hele tijd geleden dat ik ‘Le charme discret de la Bourgeoisie’ voor het eerst zag. In mijn herinnering leefde de film voort als een van de minder geslaagde werken van Buñuel. Ik weet niet hoe ik mij zo heb kunnen vergissen. Of is er iets mis met mijn geheugen? ‘Le charme discret’ is verbluffend. Ik zeg het niet graag maar het is nu eenmaal zo: het is een geniale film, en Buñuel is een genie. Ik ken niet één hedendaagse schrijver die geniaal is, die geniaal is in de betekenis die ik aan deze term geef. De betekenis van de term kan afgeleid worden uit de propositie: Buñuel is een genie. Je moet dus wel empirisch te werk gaan om erachter te komen wat ik hiermee bedoel.
Het volstaat om ten minste één derde van zijn films elk een drietal keer te zien om te weten wat een genie is.

Buñuel is een dromer. Maar is elke dromer een genie? Natuurlijk niet. Overigens zijn genieën vaak niets anders dan idolen. En zelfs valse idolen. Genieën zijn bijna zonder uitzondering dichters. Shakespeare, Blake, Nietzsche en Baudelaire waren genieën: wie kan dit ontkennen? Allen waren zij (ook) dichters.

‘Charme discret de la bourgeoisie’ is op alle niveaus subliem. Neem nu alleen nog maar de geluidsband. Het lawaai van vliegtuigen, treinen, enz. als taaluiting. Op een gegeven moment moet de minister van Binnenlandse Zaken (Michel Piccoli) een bevel tot invrijheidstelling van de ambassadeur van Miranda – een fictieve Zuid-Amerikaanse bananenrepubliek – en zijn handlangers verklaren. Je hoort dan het geraas van een vliegtuig. Op het politiebureau ontvangt de commissaris deze boodschap en decodeert ze, d.w.z. hij vertaalt ze in het geratel van schrijfmachines en geeft ze in die vorm door aan zijn ondergeschikten. Zo wordt het abstracte van de technocratische samenleving (van toen, maar ook van nu) tot een aantal essentialia herleid. Metaforen van de vervreemding. Of het acteerwerk, met als uitschieter misschien toch wel Bulle Ogier als de neurotische jonge bourgeoise, het charmante buitenbeentje. Via de indirecte rede spuwt Buñuel zijn gal op degenen die altijd ijverig op zoek gaan naar symbolen en die ook altijd overal vinden. Vooral het personage van Bulle Ogier zit wat dat betreft heel goed. Op een bepaald moment heeft men het in de groep over de vrouwenbeweging. Ogier haakt hier meteen op in om af te rekenen met de idiote symbolen van het fascisme, de vrouwenbewing, het communisme en de vrede. Toch zal het zoeken naar symbolen blijven doorgaan. In verband met ‘Un chien Andalou’ (1929) zei Buñuel reeds: “Niets in deze film staat als symbool voor iets”.

De bananenrepubliek Miranda, waarvan Don Raphaël de ambassadeur is, bestaat niet werkelijk? Toch wel: het is een dorp (of stadje) in Castillië, Spanje. Buñuel is er geboren en opgegroeid. Symboliek in de ruime betekenis (denk aan Lacans psychoanalytische taaltheorie) is in deze film natuurlijk wel aan het werk. Het is bijvoorbeeld geen toeval dat het fictieve land Miranda heet, net zoals het geen toeval kan zijn dat de ambassadeur van dat land ook nog een cocaïnesmokkelaar is. Zou het een toeval zijn dat hij een aantal trekken gemeenschappelijk heeft met de auteur? Zei ik: met de auteur? Eigenlijk bedoelde ik: met een aantal van zijn creaties, met name Don Lope (Tristana), Rabour (Journal d’une femme de chambre), Don Jaime (Viridiana), enzovoorts.

Wie kan er overigens een bepaalde klasse, de bourgeoisie dus, op zulke treffende wijze tot haar ware proporties herleiden als Buñuel dat doet? In het licht van de geschiedenis en van de natuur is het belang van die klasse bijzonder klein. Kijk hoe dat groepje mannen en vrouwen daar loopt over die landweg, wie weet waarheen. Ze lachen wel een beetje, maar hoe lang nog? Op die weg zijn zij er niet veel beter aan toe dan insecten. Met die ‘gezonde wandeling’ wordt ‘Charme discret de la bourgeoisie” afgesloten.