TERRY MALLOY EN EDIE DOYLE

onthewaterfront2

In On the Waterfront van Elia Kazan doen New Yorkse havenarbeiders, die dagelijks de corruptie en de misdaad binnen hun vakbond aan den lijve ondervinden, alsof ze doof en stom zijn (D and D wordt het genoemd). Het hoofdpersonage, de ex-bokser Terry Malloy, weet die laffe houding om te buigen en zich uiteindelijk te verzetten tegen de plaatselijke maffiabaas met de wel heel toepasselijke naam Johnny Friendly.

Dat een misdadige organisatie een systeem dat dient om de belangen van de havenarbeiders te beschermen infiltreert, lijkt op een nachtmerrie. Maar het is de realiteit, die historisch is gegroeid. Er zitten gaten in het kapitalistisch uitbuitingssysteem en ook de vakbond is menselijk, al te menselijk. Mensen zijn niet perfect. Uit eigenbelang en soms zelfs uit hebzucht aanvaarden ze corruptie en geweld en worden ze zelf corrupt en gewelddadig. Er zit ook een psychologisch aspect aan dat zwijgen. Een verklikker wordt in een gemeenschap als die van de dokwerkers als het laagste van het laagste beschouwd.

Dank zij de liefde en toewijding van een vergevingsgezinde vrouw, de mooie Edie Doyle, kan Terry Malloy een goede verklikker worden en zich zo, paradoxaal genoeg, ontpoppen als de held van de New Yorkse havenkant, wat hem als bokser niet gelukt is. Toegegeven, een katholieke priester met een geweten speelt eveneens een rol in deze ommezwaai.
Edie vergeeft Terry Malloy zijn betrokkenheid bij de moord op haar broer Joey. Ze ziet zijn zwakheid, zijn machteloosheid, maar heeft tegelijk oog voor zijn tedere kant en zijn onder schuldgevoelens en cynisme bedolven moed. Die mix van tegenstrijdige karaktertrekken krijgt in de acteerprestatie van Marlon Brando perfect gestalte.
De vrouw Edie, prachtig vertolkt door Eva Marie Saint, zou je de geest van de muziek kunnen noemen. Dat is niets meer dan een gedachte-experiment van mij. Een kleine sprong die ik maak van de realiteit (de film On The Waterfrond) in de verbeelding. Muziek die liefde is, zoals David Crosby ooit zong op zijn solodebuut ‘If I could only remember my name’. Wat uiteraard niet betekent dat alle muziek die eigenschap heeft. Ook muziek is menselijk al te menselijk en kan uitermate destructief zijn. Maar dat is een ander verhaal.

Deze tekst is niet meer dan een voetnoot bij ‘Nachtmerrie en muziek’ en bij de naam Terry Malloy in Bob Dylans ‘Murder Most Foul’.

 

ANNA MAGNANI, MARLON BRANDO: THE FUGITIVE KIND

Een film waar ik vaak aan terugdenk is ‘The Fugitive Kind’, van Sydney Lumet, met Marlon Brando, Anna Magnani en Joanne Woodward. Het is een bewerking van ‘Orpheus Descending’, een toneelstuk van Tennessee Williams. Het lied ‘Blanket Roll Blues’ dat in de film voorkomt werd later gecoverd door Scott Walker, op ‘Climate Of Hunter’.

‘The Fugitive Kind’ is het verhaal van een gitarist-zwerver uit New Orleans die zijn leven in de marge vaarwel zegt en toevallig in een klein stadje in de staat Mississippi terechtkomt, waar de sfeer typisch Tennessee Williams-broeierig, neen, schroeiend heet is. De diepere laag is meteen zichtbaar: Orpheus daalt af naar Hades, op zoek naar Euridyke. Marlon Brando draagt een slangenleren jekker, zoals het Orpheus betaamt, een jasje dat later weer opduikt in Wild At Heart van David Lynch (om de schouders van Nicholas Cage). De lier verving Sydney Lumet (of Tennessee Williams) door een gitaar. Er wordt prachtig geacteerd in de film, vooral door Anna Magnani en Joanne Woodward. Marlon Brando vertelt in zijn autobiografie, ‘Songs My Mother Taught Me’, dat Tennessee Williams in die periode aanvallen van depressie bestreed met allerlei pillen en alcohol. Wat Brando onthult over de twaalf jaar oudere Anna Magnani is lichtjes beledigend maar vooral grappig. Ik kan het niet navertellen. Het verhaal staat op pagina 262 van de autobiografie en eindigt met Marlon Brando die, om aan La Magnani’s omhelzing te ontsnappen, haar zo hard als hij kan in de neus knijpt, alsof hij een citroen uitperst. Desondanks een indrukwekkende film.

 

TWIJFEL EN VERTWIJFELING IN PALOOKAVILLE

Soms maakt de twijfel zich meester van me. Ik kan dan niet meer denken, niet meer handelen, ik kan alleen nog twijfelen. Het is niet zomaar alledaags ‘twijfelen’, evenmin is het ‘gezonde’ scepsis. Het is erger. Die alledaagse vorm van twijfel vind ik wel goed. Zolang ik tot handelen en beslissen in staat ben. Eigenlijk is alles wat ik schrijf, wat ik meedeel, op twijfel gebaseerd. Dat is niets nieuws. Twijfelen is voor mij bijna hetzelfde als ademhalen. Maar soms ga ik te ver, neen, ik ga niet zelf, ik word meegenomen, meegesleurd, als in een lawine, een wervelstorm. Ik stort in de afgrond. De afgrond van het denken en handelen. Er is dan geen grond meer.

Misschien lijd ik aan twijfelzucht, een obsessieve, neurotische vorm van twijfelen. Je twijfelt aan de juistheid van je eigen handelingen en van je uitingen, vooral dat laatste. Je gedraagt je nog wel, maar op dwangmatige wijze.

Misschien val ik ten prooi aan het wat vroeger vertwijfeling werd genoemd, een woord dat niet vaak meer wordt gebruikt. Wanhoop? Despair, in het Engels? Maar als ik dat Engelse woord hoor denk ik meteen: ik ben niet alleen. “The mass of men lead lives of quiet desparation…” schreef Henry David Thoreau in ‘Walden’. ‘Desperaat’ wordt overigens ook in het Nederlands gebruikt. In Van Dale lees ik bij vertwijfelen: beginnen te wanhopen, de moed verliezen, geen uitweg meer zien. No exit. No future. No nothing. Niets. Palookaville! Ja, zoals Marlon Brando in ‘On the Waterfront’, in wellicht de mooiste scène uit de filmgeschiedenis:
“You don’t understand! I coulda had class. I coulda been a contender. I coulda been somebody, instead of a bum, which is what I am. Let’s face it…”

Zag je dat ‘wellicht’ staan? Het zou ‘zeker’ moeten zijn, maar ik betwijfel of wat ik beweer wel helemaal waar is. Bestaan er nog geen betere, mooiere, sterkere scènes in de filmgeschiedenis? Ik betwijfel het. Ik ben er zeker van.
Do I contradict myself? Ik betwijfel het. Ben ik onduidelijk? Goed zo! De wereld is onduidelijk, waarom zou ik dan geen onduidelijke taal spreken? Hoewel de taal mijn grootste liefde is. Mijn onduidelijke liefde. Mijn dwarrelende liefde. Mijn weerbarstige liefde. Mijn wanhopig stemmende liefde. Jij, die mij het woord vertwijfeling aanreikt, de lettergrepen, de syntagmata, de letters.